- Arrêt of October 28, 2013

28/10/2013 - 2011AR3267

Case law

Summary

Samenvatting 1

De gerechtsdeurwaarder treedt als lasthebber van zijn cliënt op. Op grond van artikel 1993 B.W. is de deurwaarder dan ook gehouden aan de geïntimeerden verantwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht heeft ontvangen. De niet-tijdige afrekening van de door hem geïnde gelden, kan een contractuele wanprestatie uitmaken.

De verbintenis van de deurwaarder om de gelden die hij bij de uitvoering van zijn mandaat ontvangen heeft aan de geïntimeerden af te rekenen is een verbintenis die alleen betrekking heeft op de betaling van een bepaalde geldsom. Die verbintenis is bijgevolg te kwalificeren als een geldschuld, waarop artikel 1153 B.W. van toepassing is. Hij is dan ook moratoire intresten verschuldigd op de geldsom die hij te laat afrekende.

De contractuele verbintenissen die de gerechtsdeurwaarder tegenover zijn cliënt aangaat, zijn in principe te aanzien als middelenverbintenissen. Criterium ter beoordeling van de aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder is de vergelijking van de gedraging van de gerechtsdeurwaarder met de veronderstelde gedragswijze van een normaal zorgvuldig en omzichtig gerechtsdeurwaarder (de goede huisvader), geplaatst in dezelfde omstandigheden. Fout is er zodra er een afwijking is van de veronderstelde gedraging van de goede huisvader.

Van een normaal zorgvuldig en omzichtig gerechtsdeurwaarder die specifiek belast wordt met de uitvoering van een vonnis mag verwacht worden dat hij geen jaren wacht alvorens hij daaraan gevolg geeft. Van een normaal zorgvuldig en omzichtig gerechtsdeurwaarder mag bovendien verwacht worden dat hij tijdens de uitvoering van zijn mandaat nagaat wanneer de verjaring van de actio iudicata dreigt teneinde te gepaste tijde de nodige daden van stuiting te stellen.

Het verlies van een kans kan als vergoedbare schade in aanmerking worden genomen, op voorwaarde dat de kans reëel is en dat het verlies van de kans definitief vaststaat.

Bij toepassing van de artikelen 1382 en 1383 B.W. komt enkel de economische waarde van de verloren gegane kans voor vergoeding in aanmerking. (zie ook: Cass., 17 december 2009, www.cass.be) Deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel. Slechts een procentueel gedeelte van de geleden schade komt voor vergoeding in aanmerking.


Arrêt - Integral text

I. 2011/AR/3267

NV ETHIAS, met vennootschapszetel gevestigd te 3500 Hasselt, Prins-Bisschopssingel 73 en ingeschreven in de kruispuntbank der onder-nemingen onder nr. 0404.484.654;

appellante,

vertegenwoordigd door mr. Dirk De Maeseneer, advocaat te 2000

Antwerpen, Bredestraat 4;

tegen het vonnis van de 1e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 4 oktober 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 11/255/A;

tegen:

1. C. L., geboren te ... en wonende ...;

2. R. S., geboren te ... en wonende te ...;

geïntimeerden,

de eerste geïntimeerde is verschenen in persoon en werd bijgestaan door mr. Miet Driessen, advocaat te 2000 Antwerpen, Kammenstraat 11, die tevens verschenen is voor de tweede geïntimeerde;

in aanwezigheid van:

G. W., voormalig gerechtsdeurwaarder zonder gekend beroep, wonende te ...;

mede inzake zijnde partij,

vertegenwoordigd door mr. Eric Van der Mussele, advocaat te 2000

Antwerpen, Stoopstraat 1 bus 10 en na zijn pleidooi vertegenwoordigd door mr. Dirk De Maeseneer loco mr. Eric Van der Mussele, voormeld;

II. 2011/AR/3310

G. W., voormeld;

appellant,

vertegenwoordigd door mr. Eric Van der Mussele, voormeld en na zijn pleidooi vertegenwoordigd door mr. Dirk De Maeseneer loco mr. Eric Van der Mussele, voormeld;

tegen het vonnis van de 1e kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 2 november 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 11/255/A;

tegen:

1. C. L., voormeld;

2. R. S., voormeld;

geïntimeerden,

de eerste geïntimeerde is verschenen in persoon en werd bijgestaan door mr. Miet Driessen, voormeld, die tevens verschenen is voor de tweede geïntimeerde;

in aanwezigheid van:

NV ETHIAS, voormeld;

de mede inzake zijnde partij,

vertegenwoordigd door mr. Dirk De Maeseneer, voormeld;

* * * * *

1. De feiten

De feiten die ten grondslag liggen aan de vordering van de geïntimeerden kunnen worden samengevat als volgt:

- De geïntimeerden C. L. en R. S. verzochten G. W. over te gaan tot de betekening en tenuitvoerlegging van een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen van 18 juni 2003 tegen P. P. en tot de betekening en tenuitvoerlegging van een vonnis van het vredegerecht van het kanton Mechelen van 28 mei 1997 tegen J. V.D.

- De geïntimeerden verwijten G. W. enerzijds de door hem bij P. P. ge-inde gelden niet te hebben afgerekend en anderzijds niet de nodige zorgvuldigheid aan de dag te hebben gelegd bij de uitvoering van de dwanguitvoering tegen J. V.D., hetgeen tot gevolg zou hebben gehad dat de actio iudicati zou verjaard zijn.

- De NV Ethias is de verzekeraar beroepsaansprakelijkheid en insolvabi-liteit van G. W.

2. De voorafgaande rechtspleging

2.1. Bij exploot van respectievelijk 27 en 31 januari 2011 dagvaarden de geïntimeerden de appellanten voor de rechtbank van eerste aanleg te Mechelen.

2.2. Het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te

Mechelen van 4 oktober 2011:

- verklaart de vordering van de geïntimeerden toelaatbaar en gegrond als volgt:

- veroordeelt de appellanten in solidum om aan de geïntimeerden 24.450,08 EUR te betalen, vermeerderd met de gerechtelijke intrest op 10.250,27 EUR vanaf 2 mei 2011 en op 14.199,81 EUR vanaf

27 januari 2011;

- veroordeelt de appellanten in solidum tot de gedingkosten.

2.3. De NV Ethias tekent tegen dit vonnis hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 25 november 2011.

G. W. tekent tegen dit vonnis hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof op 30 november 2011.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. De NV Ethias vordert in haar op 5 november 2012 ter griffie neerge-legde conclusies om:

- het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende:

- de vordering tegen haar gesteld zonder voorwerp, minstens ongegrond te verklaren;

- de geïntimeerden te veroordelen tot de gedingkosten.

3.2. G. W. vordert in zijn op 10 januari 2013 ter griffie neergelegde con-clusies:

- het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht doende:

- de resterende vorderingen van de geïntimeerden ongegrond te ver-klaren, inbegrepen de vordering in betaling van de gedingkosten;

- de geïntimeerden te veroordelen tot de gedingkosten.

3.3. De geïntimeerden vorderen in hun op 8 februari 2013 ter griffie neergelegde conclusies om:

- de beide hoger beroepen samen te voegen;

- de beide hoger beroepen toelaatbaar maar ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- de appellanten in solidum te veroordelen tot de gedingkosten.

4. Beoordeling

Voorafgaand: Samenvoeging

De beide gedingen waarvan hierboven sprake betreffen hoger beroepen tegen eenzelfde vonnis.

De hoger beroepen werden aangetekend door de oorspronkelijke verweerders.

In de gegeven omstandigheden zijn de beide hierboven bedoelde gedingen onderling zo nauw verbonden dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, ten einde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk mochten worden berecht (artikel 30 Ger. W.).

Een goede rechtsbedeling vergt dan ook dat deze gedingen worden

samengevoegd om bij één en hetzelfde arrest te worden beslecht.

4.1. De tijdigheid, de regelmatigheid en de toelaatbaarheid van de hoger beroepen

Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis, betekend bij akte van 2 november 2011, en stelt vast dat:

- door de NV Ethias tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op toelaatbare wijze hoger beroep werd aangetekend bij haar op 25 no-vember 2011 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift tot

hoger beroep;

- door G. W. tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op toe-laatbare wijze hoger beroep werd aangetekend bij zijn op 30 novem-ber 2011 ter griffie van het hof neergelegd verzoekschrift tot hoger beroep.

4.2. De grond van de betwisting

4.2.1. De vordering van de geïntimeerden tegen G. W. inzake P. P.

4.2.1.1. Net zoals de eerste rechter oordeelt het hof dat de gerechtsdeurwaarder optreedt als lasthebber van zijn cliënt. Op grond van artikel 1993 B.W. is G. W. dan ook gehouden aan de geïntimeerden veranwoording te doen van al hetgeen hij krachtens zijn volmacht heeft ontvangen.

4.2.1.2. Samen met de eerste rechter stelt het hof vast dat de over-gelegde stukken aantonen dat G. W. het door P. P. verschuldigde bedrag ontving op 22 augustus 2006 en dat hij dit pas op 2 mei 2011 overmaak-te aan de geïntimeerden. De contractuele wanprestatie van G. W., bestaande in de niet-tijdige afrekening van de door hem geïnde gelden, staat bijgevolg vast.

4.2.1.3. Het hof oordeelt dat G. W. niet bewijst dat overmacht eraan in de weg stond dat hij het door P. P. betaalde bedrag afrekende met de geïntimeerden. Uit niets blijkt dat een tussenkomst van het sekwester of van het parket van de procureur des Konings G. W. verhinderden gelden die hij voor zijn cliënten had ontvangen tijdig met hen af te rekenen.

4.2.1.4. De eerste rechter stelt ook zeer terecht dat G. W. bij toepassing van artikel 1996 B.W. intrest aan de geïntimeerden verschuldigd is en dat er in deze zaak sprake is van opzet, zodat de intrest krachtens artikel 1153, lid 4 B.W. de wettelijke intrest kan te boven gaan. De verbintenis van G. W. om de gelden die hij bij de uitvoering van zijn mandaat ontvangen heeft aan de geïntimeerden af te rekenen is een verbintenis die alleen betrekking heeft op de betaling van een bepaalde geldsom. Die verbintenis is bijgevolg te kwalificeren als een geldschuld, waarop artikel 1153 B.W. van toepassing is. G. W. is dan ook moratoire intresten verschuldigd op de geldsom die hij te laat afrekende. (de eerste rechter kwalificeert de intresten verkeerdelijk als vergoedend)

Het opzet van artikel 1153, lid 4 B.W.wordt in deze zaak bewezen door het feit dat de gelden bij de aanstelling van het sekwester niet op de

rekening van het kantoor van G. W. werden teruggevonden en G. W. wachtte tot 2 mei 2011 alvorens tot afrekening van de hoofdsom aan de geïntimeerden over te gaan.

Gelet op de evolutie van de intrestvoeten op de geld- en kapitaalmarkt in de periode van 2006 tot 2011, oordeelt het hof, net zoals de eerste rech-ter, dat de door de geïntimeerden geleden schade gelijk is aan de ge-derfde intrest aan een intrestvoet van 8%.

Het hof bevestigt bijgevolg het bestreden vonnis wat dit onderdeel be-treft.

4.2.2. De vordering van de geïntimeerden tegen G. W. inzake

J. V.D.

4.2.2.1. Aangaande de fout bij de uitvoering

4.2.2.1.1. Is hier aan de orde de vraag of G. W. bij de uitvoering van de overeenkomst met de appellanten is tekortgeschoten aan de op hem rustende verplichtingen.

4.2.2.1.2. De appellanten verwijten aan G. W. na hiertoe gemandateerd te zijn geweest al te lang te hebben gewacht alvorens de dwanguitvoering verder te zetten. Daardoor zou de actio iudicata verjaard zijn en zouden ze de kans verloren hebben de door J. V.D. verschuldigde bedragen te innen.

Van zijn kant is G. W. van oordeel dat de bewaking van de verjarings-termijn niet tot de taak van de gerechtsdeurwaarder behoort.

4.2.2.1.3. Het hof wijst erop dat de contractuele verbintenissen die de gerechtsdeurwaarder tegenover zijn cliënt aangaat, in principe te aanzien zijn als middelenverbintenissen. Criterium ter beoordeling van de aansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarder is de vergelijking van de gedraging van de gerechtsdeurwaarder met de veronderstelde gedragswijze van een normaal zorgvuldig en omzichtig gerechtsdeurwaarder (de goede huisvader), geplaatst in dezelfde omstandigheden. Fout is er zodra er een afwijking is van de veronderstelde gedraging van de goede huisvader.

Krachtens artikel 870 Ger. W. moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert. Bij een aansprakelijkheidsbetwisting komt dat hierop neer dat de bewijslast van de fout, de schade en het oorzakelijk verband behoort aan degene die vergoeding vordert voor de schade die hij heeft geleden. Aan de geïntimeerden komt het bijgevolg toe te bewijzen dat G. W. zich bij de behartiging van hun belangen niet heeft gedragen als "een goede huisvader" en dat zij dientengevolge schade hebben geleden tot beloop van het ingevorderde bedrag.

4.2.2.1.4. Net zoals de eerste rechter oordeelt het hof dat van een nor-maal zorgvuldig en omzichtig gerechtsdeurwaarder die specifiek belast wordt met de uitvoering van een vonnis mag verwacht worden dat hij geen jaren wacht alvorens hij daaraan gevolg geeft. Van een normaal zorgvuldig en omzichtig gerechtsdeurwaarder mag bovendien verwacht worden dat hij tijdens de uitvoering van zijn mandaat nagaat wanneer de verjaring van de actio iudicata dreigt teneinde te gepasten tijde de nodige daden van stuiting te stellen.

Het hof stelt vast dat G. W., nadat hij van de geïntimeerden een provisie op uitvoeringskosten ontving op 3 maart 2006 en nadat zij hem tot tweemaal toe verzochten om een stand van zaken te geven en, ondanks het feit dat hij de geïntimeerden op 6 mei 2007 liet weten dat "korte-lings" beslag zou worden gelegd, geen enkele uitvoeringsdaad meer stelde.

Het hof kan hieruit niet anders dan besluiten dat G. W. bij de uitvoering van zijn opdracht niet optrad als een normaal, zorgvuldig en omzichtig gerechtsdeurwaarder in dezelfde omstandigheden geplaatst.

4.2.2.1.5. Gelet op de vastgestelde fout van G. W. zijn de geïntimeerden gerechtigd op vergoeding van de schade die zij hierdoor leden.

De geïntimeerden stellen dat hun schade in de eerste plaats bestaat uit het verlies van een kans op de recuperatie van de bedragen die ze bij een normale en doorgedreven dwanguitvoering van het vonnis van het vredegerecht van het kanton Mechelen van 28 mei 1997 zouden ontvangen hebben.

4.2.2.1.6. Het verlies van een kans kan als vergoedbare schade in aanmerking worden genomen, op voorwaarde dat de kans reëel is en dat het verlies van de kans definitief vaststaat.

Het hof treedt het standpunt van de eerste rechter bij dat het verlies van de kans definitief vaststaat: door het stilzitten van G. W. verjaarde de actio iudicata op 11 februari 2009. (Anders dan G. W. aanvoert, stuitten de vaststelling van de verkoopdag op 12 mei 1999 en het proces-verbaal van aanplakking van 28 mei 1999 de verjaring niet.) Vanaf 11 februari 2009 was verdere uitvoering uitgesloten.

Het hof is ook van oordeel dat de kans op een succesvolle dwanguitvoe-ring reëel was. J. V.D. betaalde immers na eerdere uitvoeringsdaden gesteld op 10 februari 1999 en op 28 mei 1999 respectievelijk op 4 maart 1999 en op 1 juni 1999 telkens een bedrag van 929,60 EUR.

4.2.2.1.7. Het hof wijst er op dat bij toepassing van de artikelen 1382 en 1383 B.W. enkel de economische waarde van de verloren gegane kans voor vergoeding in aanmerking komt. (zie ook: Cass., 17 december 2009, www.cass.be) Deze waarde kan niet bestaan uit het volledige bedrag van het uiteindelijk geleden nadeel. Slechts een procentueel gedeel-te van de geleden schade komt voor vergoeding in aanmerking. De eerste rechter heeft bijgevolg onterecht de economische waarde van het verlies van de kans begroot op de bedragen die de geïntimeerden in geval van een succesvolle uitvoering zouden hebben ontvangen.

4.2.2.1.8. In acht genomen het gegeven dat J. V.D., na eerdere uitvoe-ringsdaden gesteld op 10 februari 1999 en op 28 mei 1999 respectieve-lijk op 4 maart 1999 en op 1 juni 1999 telkens een bedrag van 929,60 EUR betaalde en G. W. zijn bewering als zou over J. V.D. een schuldbemiddelaar zijn aangesteld niet bewijst, oordeelt het hof dat de kans op een succesvolle uitvoering van het vonnis 95% bedraagt. Hieruit volgt dat de omvang van het kansverlies dat voor vergoeding in aanmerking komt, moet worden vastgesteld als volgt: 8.992,60 EUR x 95% = 8.542,97 EUR.

Het betreden vonnis dient wat dit onderdeel betreft gedeeltelijk te wor-den hervormd.

4.2.2.1.9. De geïntimeerden maken eveneens aanspraak op een bedrag van 1.000,00 EUR voor "voor- en buitengerechtelijke kosten en moeite" en op een bedrag van 5.000,00 EUR voor morele schade.

Anders dan de eerste rechter is het hof van oordeel dat de geïntimeerden hier geen vergoedbare schade bewijzen in oorzakelijk verband met de fout van G. W.

Het bestreden vonnis wordt wat dit onderdeel betreft hervormd.

4.2.2.2. Aangaande de afrekening van geïnde bedragen

Het hof stelt vast dat de door de geïntimeerden overgelegde stukken niet aantonen dat G. W. vanwege J. V.D. meer ontving dan het bedrag dat hij met hen afrekende.

Evenmin blijkt uit de conclusies van G. W. dat hij voorbehoudloos zou beloofd hebben nog een bedrag van 207,21 EUR te zullen betalen aan de geïntimeerden.

Het bestreden vonnis dient ook wat dit onderdeel betreft te worden hervormd.

4.2.3. De vordering van de geïntimeerden tegen de NV Ethias

4.2.3.1. Het hof oordeelt dat de NV Ethias bij toepassing van artikel 2 van de algemene voorwaarden van haar polis insolvabiliteit mede gehouden is tegenover de geïntimeerden tot betaling van de intrest op de bedragen verschuldigd in de zaak P. P.

Artikel 2 van de polis luidt als volgt:

"ARTIKEL 2 - TOEPASSINGSVOORWAARDEN VAN DE WAARBORG

Deze waarborg is slechts verworven indien de volgende twee voorwaarden samen vervuld zijn:

1. De Derde schade-eiser dient de opeisbaarheid te staven van zijn vordering tegen de Verzekerde.

2. De Verzekerde dient zich in een toestand van Onvermogen te bevinden.

Het bewijs van deze toestand vloeit voort uit de omstandigheid dat

de ingebrekestelling tot betaling of terugbetaling, gedaan door de in functie zijnde Voorzitter van de Verzekeringsnemer of de persoon die hij hiertoe heeft gemachtigd, gevolgd wordt door een weigering of, behoudens toeval of overmacht, zonder gevolg is gebleven gedurende één maand vanaf haar betekening. In geval van overlijden van een Verzekerde, zal het bewijs van deze insolvabiliteit geleverd worden doordat ten gevolge van de sluiting van de vereffening van de nalatenschap, deze deficitair blijkt en/of dat de eventuele erfgenamen haar hebben verworpen en/of haar hebben aanvaard onder voorrecht van boedelbeschrijving.

Latere vorderingen zullen maar ontvankelijk zijn indien deze worden ingediend binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf de datum van het Schadegeval."

Aan de toepassingsvoorwaarden van dit artikel is voldaan. De opeisbaar-heid van de vordering van de geïntimeerden tegenover G. W. tot afrekening van de gelden die hij ontving in de zaak P. P. staat vast. Hij heeft nooit betwist dat hij de door P. P. betaalde bedragen diende af te rekenen met de geïntimeerden. De gedinginleidende dagvaarding van de ge-intimeerden, die geldt als ingebrekestelling, leidde niet tot betaling van hetgeen door G. W. verschuldigd was binnen de maand na de betekening ervan.

4.2.3.2. Overeenkomstig artikel 1 van de polis strekt deze ertoe de

"directe geldelijke verliezen te verzekeren die een derde lijdt door een Oneerlijkheid begaan door een Verzekerde".

In deze zaak is het directe geldelijke verlies van de geïntimeerden gelijk aan de door hen gederfde intrest aan een intrestvoet van 8%. Er is geen reden in te gaan op het verzoek van de NV Ethias om de toegekende in-trest te beperken tot de wettelijke intrest.

4.3. De gedingkosten

4.3.1. Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen in hoger beroep oordeelt het hof dat iedere partij dient in te staan voor de gedingkosten die ze in hoger beroep heeft gedragen. De rechtsplegingsver-goedingen worden omgeslagen.

4.3.2. Het hof bevestigt het bestreden vonnis wat de gedingkosten

in eerste aanleg betreft, behalve wat het tarief van de rechtsplegingsvergoeding betreft. In deze aanleg zijn G. W. en de NV Ethias te be-schouwen als de in het ongelijk gestelde partij. Zij dienen de gedingkosten van de geïntimeerden te dragen.

4.3.3. De rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en in hoger beroep wordt vereffend op het basistarief van 2.200,00 EUR (zijnde het basisbedrag voor vorderingen in de schijf van 20.000,01 EUR tot 40.000,00 EUR - vordering in laatste conclusies gesteld).

Noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep is er een reden om over

te gaan tot afwijking van dat basistarief (minimum- of maximumtarief). Er is niet aangetoond dat voldaan is aan één van de criteria van artikel 1022, derde lid Ger. W.

4.3.4. De geïntimeerden begroten eveneens de kosten van de betekening van het bestreden vonnis als kosten van het geding.

Deze kosten zijn geen kosten in de zin van artikel 1017 Ger. W. waarin de in het ongelijk gestelde partij verwezen wordt, maar kosten van tenuitvoerlegging in de zin van artikel 1024 Ger. W.

Die kosten worden dan ook niet toegekend.

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof:

- voegt de zaken met rolnummers 2011/AR/3267 en 2011/AR/3310 samen;

- verklaart de hoger beroepen toelaatbaar en gegrond in de hierna be-paalde mate:

- hervormt het bestreden vonnis behalve in zoverre het de vordering van de geïntimeerden toelaatbaar verklaart;

- doet opnieuw recht als volgt:

- veroordeelt de appellanten in solidum om aan de geïntimeerden 10.250,27 EUR te betalen, meer de gerechtelijke intrest tegen de wettelijke intrestvoet vanaf 2 mei 2011 tot de dag van de volledige betaling;

- veroordeelt de appellanten in solidum om aan de geïntimeerden 8.542,97 EUR te betalen, meer de gerechtelijke intrest tegen de wet-telijke intrestvoet vanaf 27 januari 2011 tot de dag van de volledige betaling;

- veroordeelt de appellanten in solidum tot de gedingkosten van de ge-intimeerden in eerste aanleg, vastgesteld als volgt:

- dagvaardingen: 454,13 EUR

- rechtsplegingsvergoeding: 2.200,00 EUR

- zegt voor recht dat iedere partij dient in te staan voor de geding-kosten die ze in hoger beroep heeft gedragen en slaat de rechts-plegingsvergoedingen om.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van ACHTENTWINTIG OKTOBER TWEEDUIZEND DERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Free keywords

  • Aansprakelijkheid gerechtsdeurwaarder Artikel 1993 BW

  • 1996 BW Artikel 1153,lid 4 BW Fout gerechtsdeurwaarder Verlies van kans