- Arrêt of October 15, 2013

15/10/2013 - 2013kr84

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het bestaan van spoedeisendheid raakt aan de grond van de vordering in kort geding . Een vordering is spoedeisend wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om een schade van bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Het is de gevraagde maatregel die urgent moet zijn. Het kort geding is in beginsel een buitengewone procedure en wordt door de eiser die zich op klaarblijkelijk bedreigde rechten beroept slechts op legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de vandaag door hem gevorderde doeltreffende maatregel, zijn rechten onherstelbaar geschaad, of minstens ernstig bedreigd zouden worden.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2013/KR/84

INZAKE VAN :

De heer P. S.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 14 maart 2013,

in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester P. DECLERCQ, advocaat te 3320 HOEGAARDEN, Gemeenteplein 25,

1ste kamer

TEGEN :

1) De heer K. D., en zijn echtgenote

2) Mevrouw A. H.,

geïntimeerden, in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Jan BERGÉ, advocaat te 3000 LEUVEN, Naamsestraat 165,

Het bestaan van spoedeisendheid raakt aan de grond van de vordering in kort geding . Een vordering is spoedeisend wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om een schade van bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Het is de gevraagde maatregel die urgent moet zijn. Het kort geding is in beginsel een buitengewone procedure en wordt door de eiser die zich op klaarblijkelijk bedreigde rechten beroept slechts op legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de vandaag door hem gevorderde doeltreffende maatregel, zijn rechten onherstelbaar geschaad, of minstens ernstig bedreigd zouden worden.

_________________________________________________________

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven in kort geding van 14 maart 2013.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten weergegeven als volgt:

"

Eiser [de heer S.] is eigenaar van een woning, gelegen te 3010 Leuven, X-straat.... Verweerders [de heer D. en mevrouw H.] zijn de eigenaars van de aanpalende woning, gelegen X-straat 55.

Door verweerders werd een aanvraag ingediend tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen van hun woning. Volgens de bouwplannen zal een achterbouw worden opgetrokken.

Bij beslissing van 6 augustus 2010 werd de vergunning door het college van Burgemeester en Schepenen van de stad Leuven geweigerd.

Op 2 december 2010 werd het hoger beroep van verweerders door de Bestendige Deputatie van de provincie Vlaams Brabant ingewilligd en de vergunning toegekend.

Op 26 april 2011 werd het verzoek tot schorsing van de beslissing van de Bestendige Deputatie door de Raad voor vergunningsbetwistingen voor onbepaalde tijd uitgesteld; op 18 februari 2012 werd de vordering tot vernietiging van de beslissing als ongegrond afgewezen.

Op 2 januari 2013 stuurt tweede verweerster een e-mail bericht aan eiser, met de mededeling dat met de werken eind februari 2013 zal worden gestart; zijn akkoord wordt gevraagd om over te gaan tot het opstellen van een tegensprekelijke plaatsbeschrijving.

"

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde de heer S. aan de heer D. en mevrouw H. het verbod op te leggen om rechtstreeks of onrechtstreeks enig werk (alle werken inbegrepen, zowel vergunningplichtige als vergunningsvrije of meldingplichtige) uit te voeren of te laten uitvoeren aan het perceel gelegen te 3010 Leuven, X-straat 55 (8ste afdeling, sectie F n° 48/e 23) en dit vanaf de betekening van de tussen te komen beslissing, op verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag dat er werken worden uitgevoerd.

De heer D. en mevrouw H. concludeerden tot de ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van de heer S. ontvankelijk maar ongegrond, en veroordeelde hem tot betaling van de kosten.

3.3

In hoger beroep herneemt de heer S. zijn oorspronkelijke vordering. Ondergeschikt vraagt hij de aanstelling van een deskundige voor een onderzoek van de uitgevoerde werken, de toetsing ervan aan de vergunning en een advies over het nadeel voor zijn woning.

De heer D. en mevrouw H. concluderen tot de ongegrondheid van de vordering en dus van het hoger beroep.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

Het bestaan van spoedeisendheid raakt aan de grond van de vordering in kort geding . Een vordering is spoedeisend wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om een schade van bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen . Het is de gevraagde maatregel die urgent moet zijn . Het kort geding is in beginsel een buitengewone procedure en wordt door de eiser die zich op klaarblijkelijk bedreigde rechten beroept slechts op legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de vandaag door hem gevorderde doeltreffende maatregel, zijn rechten onherstelbaar geschaad, of minstens ernstig bedreigd zouden worden.

De heer S. heeft gedagvaard in kort geding op 11 februari 2013, nadat de heer D. en mevrouw H. hem op 2 januari 2013 hadden gemeld dat zij de werken zouden aanvatten. Dat de heer S. ongeveer een maand heeft laten verlopen voor hij dagvaardde kan in de omstandigheden van de zaak niet beschouwd worden als het zelf scheppen van de hoogdringendheid.

De rechter in hoger beroep beoordeelt de urgentievereiste evenwel op het ogenblik van de uitspraak.

De heer S. vordert een dringende maatregel met de bedoeling om het ontstaan van nadeel voor zijn woning te voorkomen. Het nadeel dat hij beschouwt als schade uit onrechtmatige daad dan wel bovenmatige burenhinder beschrijft hij als lichtderving en waardevermindering als gevolg van de oprichting van de nieuwe achterbouw van de heer D. en mevrouw H.. Uit de conclusies en uit de voorgelegde stukken waaronder foto's blijkt dat in juni 2013 de achterbouw in ruwbouw opgetrokken was, en dat in september 2013 vanuit het gezichtspunt van het gebouw van de heer S. alleen nog de dakopbouw en de buitenafwerking moeten gebeuren. Die laatste zou gepland zijn in pleisterwerk. De situatie waarvan de heer S. vreesde dat zij de vermelde hinder zou veroorzaken, is met andere woorden een feit; het blijkt niet dat een staking van de werken op dit ogenblik iets kan veranderen aan wat de heer S. als hinder beschouwt. In de huidige omstandigheden is de gevraagde onmiddellijke beslissing dus niet meer van aard een schade van bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen.

De vordering is dus niet zonder voorwerp geworden, maar er is op dit ogenblik geen spoedeisendheid, en de vordering moet ongegrond verklaard worden.

5 De kosten

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de niet waardeerbaarheid van de vordering (geïndexeerd) 1.320,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep van de heer S. ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt de heer S. tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van hemzelf op euro 1.480 ( 160 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerden op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

15/10/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Free keywords

  • Voorzitter van de rechtbank. Kortgeding. Art. 584, eerste lid Ger. W. Uitlegging van het begrip "spoedeisend".