- Arrêt of November 5, 2013

05/11/2013 - 2010AR2200

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer de voorwaarden voor de toepassing van artikel 877 Ger.W. zijn vervuld kan de rechter bevelen dat een stuk of afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd. Hij kan tevens dergelijk bevel tot overlegging koppelen aan een dwangsom in geval van kennelijke onwil. Het vonnis bedoeld in artikel 877 Ger. W. is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep (art. 880 Ger. W.).


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2010/AR/2200

INZAKE VAN :

De heer E. V.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 11 maart 2010,

vertegenwoordigd door Meester L. DE GROOTE loco Meester Eline TRITSMANS, advocaat te 1000 BRUSSEL, Louizalaan 65,

1ste kamer

TEGEN :

De V.Z.W. VERENIGING VAN DE RAAD VOOR DE JOURNALISTIEK, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Eric VAN DER MUSSELE, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1 bus 10,

Procedure. Rechterlijke bevolen overlegging van stukken, onder verbeurte van een dwangsom (art. 877 Ger. W.). Vonnis niet vatbaar voor verzet of hoger beroep (art. 880 Ger. W.). Raad voor de journalistiek: bevoegdheid. Deontologie van de journalisten. Laster en eerroof.

Wanneer de voorwaarden voor de toepassing van artikel 877 Ger.W. zijn vervuld kan de rechter bevelen dat een stuk of afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd. Hij kan tevens dergelijk bevel tot overlegging koppelen aan een dwangsom in geval van kennelijke onwil. Het vonnis bedoeld in artikel 877 Ger. W. is niet vatbaar voor verzet of hoger beroep (art. 880 Ger. W.).

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 11 maart 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 2 augustus 2010;

• de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 26 april 2011;

• de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 4 juli 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 8 oktober 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

Door partijen worden geen gronden ingeroepen die leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de ingestelde beroepen en er zijn evenmin ambtshalve gronden voorhanden die desbetreffend zouden dienen ingeroepen te worden.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van appellant strekte ertoe (1) bij wijze van voorlopige maatregel op grond van artikel 19, 2 Ger.W. geïntimeerde te horen veroordelen tot neerlegging van de uitspraak van 9 juli 2009 m.b.t. de klacht ingediend door mevrouw R. W. tegen hemzelf op de griffie van de rechtbank onder verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag dat de beslissing niet is neergelegd, (2) te horen zeggen voor recht dat geïntimeerde onbevoegd is om uitspraak te doen over voornoemde klacht, (3) te horen zeggen voor recht dat elke uitspraak die reeds door geïntimeerde gedaan werd ten gronde over die klacht nietig is, (4) geïntimeerde definitief verbod te horen opleggen om de in haar schoot opgerichte Raad van Journalistiek verder uitspraak te laten doen over gezegde klacht op straffe van een dwangsom van 5.000 euro per overtreding van dat verbod en (5) geïntimeerde verbod te horen opleggen om enige publicatie of mededeling te doen of mede te bewerkstelligen op de website van de Raad voor de Journalistiek, in het tijdschrift "De journalist" of op enige andere wijze over gezegde klacht onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per overtreding van dit verbod.

Bij conclusie vorderde appellant dat (1) eerst een tussenvonnis zou worden gewezen bij toepassing van artikel 19, 2 Ger.W. waarbij geïntimeerde het bevel wordt opgelegd om de beslissing genomen door de Raad van Journalistiek t.a.v. hemzelf van 9 juli 2009 neer te leggen onder verbeurte van een dwangsom van 500 euro per dag dat het stuk niet wordt neergelegd en medegedeeld en (2) hem - na neerlegging van dat stuk - toe te laten binnen een redelijke termijn te concluderen ten gronde en hierna zijn vordering integraal als ontvankelijk en gegrond toe te wijzen.

1.2. De eerste rechter heeft - recht doende op de vordering van appellante op grond van de artikelen 19, alinea 2 en 877 Ger.W. - (1) alvorens recht te doen, de vordering van appellant tot neerlegging van de beslissing genomen door geïntimeerde t.a.v. hem van 9 juli 2009 op straffe van een dwangsom ontvankelijk doch ongegrond verklaard en (2) de zaak naar de bijzondere rol verzonden met het oog op het verder in staat stellen van de zaak ten gronde.

1.3. In hoger beroep herneemt appellant zijn vordering zoals uiteengezet in conclusie voor de eerste rechter.

Bij schrijven van 25 augustus 2010 liet geïntimeerde echter aan het hof weten dat dit hoger beroep niet ontvankelijk was omdat het beroep gericht was tegen een beslissing alvorens recht te doen wat niet beroepbaar is bij toepassing van artikel 880 Ger.W.

Bij arrest gewezen op 15 oktober 2010 werd deze exceptie van onontvankelijkheid gegrond op artikel 880 Ger.W. verworpen en werd de zaak vastgesteld op 12 november 2010 met het oog op een verdere in staatstelling ten gronde.

1.4. Geïntimeerde vraagt (1) het hoger beroep onontvankelijk - zonder enig middel desbetreffend in te roepen - te verklaren minstens ongegrond, (2) de zaak ten gronde alleszins niet uit te stellen voor behandeling en (3) na afwijzing van het hoger beroep inzake de vordering vooraleer recht te doen, de grond van de zaak meteen te beoordelen en de vordering van appellant te verwerpen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat mevrouw W. op 17 september 2008 enerzijds klacht neerlegde tegen appellant bij de Raad voor de Journalistiek en anderzijds klacht met burgerlijke partijstelling in handen van de onderzoeksrechter te Leuven.

Uit de vordering van de procureur des Konings van 17 augustus 2009 blijkt dat appellant in de internetversie van de krant MORSUM MAGNIFICAT o.a. liet publiceren dat "mevrouw W. zich schuldig maakte aan dierenmishandeling, dat zij zwartwerk verrichtte en dat zij zich schuldig maakte aan misbruik van middelen van de staat en diefstal van de staat" en dat hij bovendien die dame zou belaagd hebben.

Op 18 september 2008 werd appellant door de Raad voor de Journalistiek op de hoogte gebracht van deze klacht.

Tijdens de hoorzitting van 2 juni 2009 legde appellant bij de Raad voor de Journalistiek een "nota van argumenten" neer waarin hij in hoofdorde verzocht dat de Raad zich onbevoegd zou verklaren omdat deze noch personele noch materiële bevoegdheid had, omdat een strafprocedure hangende was en omdat de Raad niet voldeed van de vereisten van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. In ondergeschikte orde - indien de Raad zich wel bevoegd zou verklaren - vroeg appellant vast te stellen dat hij geen journalistieke deontologische regels had overtreden.

2.3. Bij exploot betekend op 11 juni 2009 ging appellant over tot het dagvaarden van geïntimeerde in kort geding teneinde geïntimeerde het verbod te horen opleggen om (1) de in haar schoot opgerichte Raad van Journalistiek uitspraak te laten doen over voornoemde klacht onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per overtreding van dit verbod en (2) enige publicatie of mededeling te doen of mede te bewerkstelligen op de website van de Raad voor de Journalistiek, in het tijdschrift "De journalist" of op enige andere wijze over gezegde klacht onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per overtreding van dit verbod. Geïntimeerde stelde een tegenvordering in tot het bekomen van schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding.

Bij beschikking gewezen op 24 juni 2009 heeft de kort gedingrechter deze vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard in die zin dat aan geïntimeerde het verbod werd opgelegd om enige publicatie of mededeling te doen of mede te bewerkstelligen op de website van de Raad voor de Journalistiek, in het tijdschrift "De journalist" of op enige andere wijze over gezegde klacht onder verbeurte van een dwangsom van 5.000 euro per overtreding van dit verbod, met een maximum van gecumuleerde dwangsommen van 50.000 euro.

Deze maatregel gold tot er een beslissing ten gronde zou worden gewezen over deze aangelegenheid en voor zover appellant binnen de maand na betekening van die beschikking een vordering ten gronde instelde.

De tegenvordering werd ongegrond verklaard.

Deze beschikking werd op 25 juni 2009 betekend aan appellant.

2.4. Herhaalde malen verzocht de raadsman van appellant mede te delen of er reeds een uitspraak was gewezen n.a.v. de klacht van mevrouw W. en in bevestigend geval van een kopij van die beslissing te willen overmaken.

Op 10 juli 2009 deelde geïntimeerde - bij monde van de heer VOETS (= secretaris - generaal van de Raad ) - mee dat een beslissing in die zaak was gevallen op 9 juli 2009 maar dat de Raad voorlopig geen inhoudelijke mededeling wenste te doen over deze beslissing gelet op de inmiddels tussengekomen beschikking van de kort gedingrechter van 24 juni 2009.

2.5. Op 17 augustus 2009 vorderde de procureur des Konings te Leuven appellant te verwijzen naar de correctionele rechtbank uit hoofde van de tenlasteleggingen A1a1, A1b1 en A2 (= kwaadwillig een bepaald feit ten laste te hebben gelegd dat de eer kan krenken of aan verachting kan blootstellen en belaging).

De raadkamer te Leuven heeft op 5 februari 2010 appellant voor voornoemde feiten buiten vervolging gesteld.

De beslissing van de raadkamer werd bevestigd door de K.I. bij arrest gewezen op 23 september 2010 waarin gesteld wordt:

"Dat hij erkent een aantal artikels gepubliceerd te hebben in de internetversie van de krant Morsum Magnificat over mevrouw W. waarin hij melding maakt van feiten van dierenmishandeling, het verrichten van zwartwerk, misbruik van middelen van de staat en diefstal ten nadele van de staat.

Dat hij als onderzoeksjournalist als zijn plicht beschouwt hierover te schrijven en dat zijn artikels gestaafd zijn met bewijsmateriaal en hij de bekomen informatie met de nodige journalistieke zorgvuldigheid heeft behandeld.

(...)

Overwegende dat de essentiële bestanddelen van laster en eerroof, belaging en lasterlijke aangifte niet aanwezig zijn;

Overwegende dat tegen alle inverdenkinggestelden dan ook generlei bezwaar bestaat."

Voornoemd arrest werd gewezen na de uitspraak van de in deze zaak bestreden beslissing.

2.6. Appellant beweert in zijn conclusie dat het niet hij is die lasterlijke verhalen en onwaarheden publiceert maar dat hij zelf het slachtoffer is geworden van internetlaster vanwege mevrouw W. die hem te pas en te onpas als journalist en als persoon in grove en beledigende bewoordingen door het slijk halen, internetlaster die tot op heden blijft doorgaan en waarover hij eerstdaags klacht zal neerleggen met burgerlijke partijstelling tegen die dame.

III. Bespreking.

3.1. Ten gronde betwist appellant de bevoegdheid van de Raad om te beoordelen of hij al dan niet een professionele fout zou hebben begaan en meent hij dat dit een fout uitmaakt in de zin van artikel 1382 e.v. B.W. en o.a. artikel 6.1. EVRM. omdat de Raad uitspraak doet over zijn burgerlijke rechten terwijl de Raad een orgaan is dat niet bij wet is ingesteld.

Hij vraagt echter de kans te krijgen om hierover nader te concluderen na kennisname van de door de Raad genomen beslissing van 9 juli 2009.

3.2. Artikel 877 Ger.W. bepaalt dat wanneer er gewichtige, bepaalde en met elkaar overeenstemmende vermoedens bestaan dat een partij of een derde een stuk onder zich heeft dat het bewijs inhoudt van een ter zake dienend feit, de rechter kan bevelen dat het stuk of een eensluidend verklaard afschrift ervan bij het dossier van de rechtspleging wordt gevoegd.

3.3. Uit de stukken van het dossier blijkt het volgende:

- Op 18 september 2008 liet de secretaris - generaal van de Raad voor de Journalistiek - op briefpapier van die Raad - aan appellant weten dat een klacht tegen hem was ingediend door mevrouw Rita W. uit Bekkevoort en verzocht hij appellant om zijn reactie op die klacht te laten kennen;

- Op 14 oktober 2008 heeft appellant een brief gericht naar de Raad met een uiteenzetting van de feiten en zijn argumenten;

- Op 2 maart 2009 werd appellant door de Raad opgeroepen om een hoorzitting bij te wonen op 9 april 2009;

- Deze hoorzitting vond uiteindelijk plaats op 2 juni 2009;

- Tijdens die zitting heeft appellant een omstandige "nota van argumenten" neergelegd waarin hij o.a. de bevoegdheid van de Raad om zich uit te spreken over een dergelijke aangelegenheid in vraag stelde;

- Op 10 juli 2009 liet de secretaris - generaal van de Raad voor de Journalistiek aan appellante weten dat de Raad op zijn bijeenkomst van 9 juli jl. een beslissing had genomen over de klacht van mevrouw W. maar dat gelet op de recente beschikking van de rechter in kort geding de Raad voorlopig geen inhoudelijke mededeling wenste te doen over die beslissing.

De Raad heeft derhalve eerst een ganse procedure gewijd aan de klacht ingediend door mevrouw W. en heeft het - in de door haar toedoen gestarte procedure - nodig geacht om appellant te horen.

In de briefwisseling uitgaande van de Raad is verder steeds sprake van "een beslissing" die de Raad genomen heeft over de klacht van mevrouw W. tegen appellant en dat "die beslissing" alleen niet wordt medegedeeld gelet op de recente uitspraak van de kort gedingrechter van 24 juni 2009.

3.4. Gelet op het voorgaande staat de huidige uitleg van geïntimeerde als zou hij niet kunnen verplicht worden een loutere "opinie" over appellant mede te delen wat een inbreuk zou uitmaken op de "vrijheid van drukpers, het verbod van preventieve acties en het recht op vrije meningsuiting" haaks op de feitelijke precedenten zoals hier voren geschetst.

N.a.v. de klacht van mevrouw W. heeft de Raad een bepaalde procedure gevolgd waarna hij wel degelijk "een beslissing" heeft genomen zoals tekstueel aangekondigd in zijn bericht van 10 juli 2009.

Appellant die het voorwerp uitmaakt van een dergelijke "beslissing" heeft het recht hiervan kennis te nemen. Indien zijn rechten door die "beslissing" in enigermate zouden zijn geschonden, heeft hij het principieel recht om hiertegen op te komen. De neerlegging van die "beslissing " is derhalve cruciaal om verder te kunnen beoordelen of appellant op enigermate in zijn rechten geschonden werden, zoals hij voorhoudt.

3.5. De voorwaarden voor de toepassing van artikel 877 Ger.W. zijn in deze wel degelijk voorhanden zodat het dan ook behoort in te gaan op het verzoek van appellant vooraleer verder uitspraak te doen ten gronde.

Het behoort tevens het bevel tot overlegging te koppelen aan een dwangsom zoals hierna bepaald gelet op de kennelijke onwil van geïntimeerde desbetreffend.

Het bestreden vonnis wordt hervormd.

3.6. Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn - voorlopig althans - niet ter zake dienend in het licht van wat voorafgaat.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en in de hierna volgende mate gegrond.

Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zoverre hierin de vordering van appellant ontvankelijk werd verklaard en opnieuw recht sprekende voor het overige,

Verklaart de vordering van appellant ingesteld bij toepassing van artikel 19, alinea 2 Ger.W. gegrond als volgt.

Beveelt aan geïntimeerde bij wijze van voorlopige maatregel de "beslissing" van 9 juli 2009 m.b.t. de klacht ingediend door mevrouw W. tegen appellant neer te leggen op de griffie van het hof van beroep teneinde er te worden gevoegd aan het proceduredossier gekend onder het A.R. nummer 2010/AR/2200.

Zegt dat dit stuk dient neergelegd te worden binnen de acht dagen na kennisgeving aan partijen door de griffie van huidige beslissing zoniet wordt een dwangsom opgelegd van 100 euro per dag waarbij de dwangsom maximaal kan oplopen tot 12.500 euro.

Stelt de zaak uit op de openbare terechtzitting van 24 december 2013 om 11.20 uur (10') teneinde de vooruitgang van de zaak na te gaan en eventueel een conclusiekalender op te stellen.

Houdt de beslissing over de gerechtskosten aan.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

05/11/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Free keywords

  • Gerechtelijk privaatrecht. Rechterlijke bevolen overlegging van stukken, onder verbeurte van een dwangsom (art. 877 Ger. W.). Vonnis niet vatbaar voor verzet of hoger beroep (art. 880 Ger. W.). Raad voor de journalistiek: bevoegdheid. Deontologie van de journalisten. Laster en eerroof.