- Arrêt of December 17, 2013

17/12/2013 - 2013kr64

Case law

Summary

Samenvatting 1

De rechter in kort geding is bijgevolg bevoegd om binnen de grenzen van zijn opdracht, aan de bestuursoverheid maatregelen, inzonderheid verbodsmaatregelen, op te leggen die noodzakelijk zijn ter voorkoming of stopzetting van een ogenschijnlijke aantasting door die overheid van de subjectieve rechten die de hoven en rechtbanken moeten vrijwaren, ook al is die handeling verricht ter uitvoering van een beslissing van een magistraat van het openbaar ministerie

De kortgedingrechter kan nagegaan of de verzoeker-gedetineerde, gelet op zijn gezondheidstoestand, op een dergelijke kaduke wijze medisch wordt behandeld en begeleid dat dit een inbreuk uitmaakt op zijn subjectieve rechten zoals vervat in de artikelen 2, 3 en 5 van het E.V.R.M.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2013/

A.R. nr. 2013/KR/64

INZAKE VAN :

De BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Justitie, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 115,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 28 januari 2013,

vertegenwoordigd door Meester Peter VERGUCHT, advocaat te 1700 DILBEEK, Ninoofsesteenweg 255,

1ste kamer

TEGEN :

De heer M. K., gedomicilieerd te ..., thans verblijvende in de gevangenis te Gent,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Walter VAN STEENBRUGGE, en door Meester Pieter-Bram LAGAE, advocaten te 9820 MERELBEKE, Jozef Hebbelynckstraat 2,

Artikel 584 Ger. W. Omvang van de bevoegdheid van de kortgedingrechter . Strafuitvoering. Gevangenis. Medische begeleiding.

De rechter in kort geding is bijgevolg bevoegd om binnen de grenzen van zijn opdracht, aan de bestuursoverheid maatregelen, inzonderheid verbodsmaatregelen, op te leggen die noodzakelijk zijn ter voorkoming of stopzetting van een ogenschijnlijke aantasting door die overheid van de subjectieve rechten die de hoven en rechtbanken moeten vrijwaren, ook al is die handeling verricht ter uitvoering van een beslissing van een magistraat van het openbaar ministerie

De kortgedingrechter kan nagegaan of de verzoeker-gedetineerde, gelet op zijn gezondheidstoestand, op een dergelijke kaduke wijze medisch wordt behandeld en begeleid dat dit een inbreuk uitmaakt op zijn subjectieve rechten zoals vervat in de artikelen 2, 3 en 5 van het E.V.R.M.

++++++++++++++++++++++++++++++++++++

Gelet op de procedurestukken:

• de voor eensluidend verklaarde beschikking uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg, zetelende in kort geding, te Brussel op 28 januari 2013, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 29 maart 2013;

• de conclusie van appellant neergelegd ter griffie op 11 en 12 september 2013;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 10 oktober 2013.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 12 november 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep en het incidenteel beroep werden regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en zijn bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe appellant te horen veroordelen erop toe te zien dat (1) de strafuitvoering bij wijze van effectieve vrijheidsberoving in zijnen hoofde wordt opgeschort, en te zeggen voor recht dat de strafuitvoering enkel zal kunnen geschieden via modaliteiten (bv elektronisch toezicht) die toelaten te voorzien in een aangepaste en tot op heden in de Belgische gevangeniscontext afwezige adequate psychiatrische behandeling, onder verbeurte van een dwangsom van 100.000 euro en (2) hij ontseind wordt, onder verbeurte van een dwangsom van 2.000 euro per dag vertraging vanaf 48u na de betekening van de tussen te komen beschikking.

Ondergeschikt vroeg geïntimeerde de aanstelling van een geneesheer - deskundige teneinde (samengevat) zijn medische toestand te onderzoeken en omstandig advies te geven of betrokkene in de huidige gevangeniscontext afdoend therapeutisch en menselijk behandeld kan worden en in afwachting van de uitkomst van het deskundigenonderzoek de strafuitvoering op te schorten.

Huidige appellant verzocht om deze vordering niet ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard, (2) huidige appellant veroordeeld om er voor te zorgen dat (a) binnen de vijf dagen na de tussengekomen beschikking een geneesheer - psychiater - verbonden aan de gevangenis waar huidige geïntimeerde actueel verbleef - betrokkene zou ontvangen voor consultatie en onderzoek, na kennis te hebben genomen van de medische attesten en verslagen die reeds medegedeeld werden of nog zouden medegedeeld worden alsmede van nota's of verslagen i.v.m. eventuele incidenten die zich reeds zouden hebben voorgedaan in de gevangenis, (b) de geneesheer - psychiater in functie van zijn bevindingen aan de gevangenisdirectie zou mededelen welke aangepaste aanpak geïntimeerde desgevallend vereiste (bv i.v.m. het aantal personen op cel van geïntimeerde, het hoe reageren bij incidenten met medegevangenen of personeel van de gevangenis, welke vorm een verhoogde aandacht wegens zelfmoorddreiging moet aangenomen worden...) en (c) de geneesheer - psychiater of een vervanger ten laatste één maand later een nieuwe evaluatie van de situatie zou uitvoeren.

1.3. In hoger beroep vraagt appellant de oorspronkelijke vordering niet ontvankelijk minstens ongegrond te verklaren.

1.4. Bij incidenteel beroep herneemt geïntimeerde zijn vordering zoals gesteld voor de eerste rechter.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat geïntimeerde tot driemaal toe correctioneel veroordeeld werd tot gevangenisstraffen, zijnde een gevangenisstraf van 2 jaar met uitstel (= Brugge dd. 3 februari 2006), een gevangenisstraf van 8 maanden met uitstel (= Brussel dd. 6 februari 2007) en een effectieve gevangenisstraf van 3 jaar (= Gent dd. 25 juni 2012) .

Deze veroordelingen zijn inmiddels definitief geworden.

2.3. Op 15 oktober 2012 ontving geïntimeerde het bericht dat hij zich moest aanbieden bij de gevangenis zo niet zou hij geseind worden als voortvluchtig.

De raadsman van geïntimeerde liet bij fax van 29 oktober 2012 en 5 november 2012 zowel aan de gevangenisdirectie als aan het openbaar ministerie weten dat zijn cliënt zich onmogelijk kon aanbieden omwille van medische redenen die - volgens de gevoegde medische attesten - betrekking zouden hebben op angststoornissen.

Het openbaar ministerie antwoordde op 8 november 2012 dat rechterlijke beslissingen moeten uitgevoerd worden, dat betrokkene zich wel degelijk moest aanbieden en de medische attesten overgemaakt werden aan de gevangenis. Geïntimeerde bood zich niet vrijwillig aan.

De gevangenisdirectie antwoordde op 13 november 2012 dat het dossier van betrokkene m.b.t. zijn elektronisch toezicht ten gepaste tijde zou worden overgemaakt aan de strafuitvoeringsrechtbank en dat hij inmiddels geseind werd.

Op 12 november 2012 diende de raadsman van geïntimeerde ook een genadeverzoek in.

Op 7 januari 2013 werd geïntimeerde gevat en overgebracht naar de gevangenis te Gent.

2.4. Geïntimeerde houdt voor dat hij op 4 februari 2013 gezien werd door de gevangenispsychiater van de gevangenis van Gent - in het bijzijn van zijn eigen psychiater - maar nadien door een ware hel ging.

Hij hekelt het gebrek aan therapie en inhoudelijke psychiatrische gesprekken waarbij hem hoge dosissen medicatie worden toegediend die hem niet doen kalmeren maar integendeel angstaanvallen bezorgden waarbij hij het gevoel had te zullen sterven.

2.5. Na het tussenkomen van de bestreden beschikking werd op 19 februari 2013 overwogen geïntimeerde te transfereren naar Merksplas.

Na tussenkomst van o.a. de persoonlijke psychiater van geïntimeerde die van oordeel was dat zulk een transfer de situatie alleen kon verslechten, werd hiervan afgezien.

Uiteindelijk werd geïntimeerde op 21 juni 2013 toch effectief getransfereerd naar Merksplas.

Hij is van oordeel dat ook in die gevangenis de medische omkadering ondermaats is en dat bovendien noch zijn familie noch zijn psychiater hem regelmatig kunnen komen bezoeken.

III. Bespreking.

3.1. Geïntimeerde beroept zich op een aantasting van een aantal van zijn subjectieve rechten zoals beschermd in de artikelen 2, 3 en 5 E.V.R.M.

Appellant is de mening toegedaan dat de kort gedingrechter niet bevoegd is om zich uit te spreken over de vordering - zoals gesteld door geïntimeerde - en deze bijgevolg niet ontvankelijk is.

Volgens appellant strekt de vordering van geïntimeerde er immers toe de kort gedingrechter te laten bepalen van welke strafuitvoeringsmodaliteit hij zou kunnen genieten en wordt bijgevolg aan de kort gedingrechter gevraagd zich in de plaats te stellen van de uitvoerende macht of mogelijks zelfs van de exclusief bevoegde strafuitvoeringsrechtbanken. Bovendien zou door een dergelijke vordering de kort gedingrechter ertoe verplicht worden om op "definitieve" wijze vrijheidsberoving als straf uit te sluiten. Appellant noemt in dit verband de gebruikte term "opgeschort" geheel contradictorisch met de draagwijdte van de door geïntimeerde gestelde vordering.

3.2. Geïntimeerde vraagt de strafuitvoering bij wijze van effectieve vrijheidsberoving in zijnen hoofde op te schorten in afwachting van een aangepaste en tot op heden - volgens hem - in de Belgische gevangeniscontext afwezige psychiatrische behandeling onder verbeurte van een dwangsom.

De kortgeding rechter doet weliswaar uitspraak bij voorraad zonder nadeel toe te brengen aan de zaak zelf wat niet wijst op een beperking van de rechtsprekende bevoegdheid van de rechter in kort geding.

Dit houdt enkel in dat de rechter ten gronde in geen enkel opzicht gebonden is door wat de rechter in kort geding beslist heeft.

De rechter in kortgeding mag derhalve ordenend optreden mits hij op redelijke wijze omspringt met de achterliggende rechtsnormen ingeval van urgentie - die hier niet in vraag wordt gesteld - en mits een gepaste afweging van de belangen van de gedingpartijen.

De vordering zoals gesteld door geïntimeerde beantwoordt aan de hier voren uiteengezette criteria.

3.3. Verder wordt niet betwist dat de strafuitvoering op zich behoort tot de bevoegdheid van het openbaar ministerie en de strafuitvoeringsrechtbanken.

Appellant beroept zich ten onrechte op artikel 40 van de Grondwet en het beginsel van de scheiding der machten.

Geïntimeerde voert in huidig debat immers geen betwisting over de beslissing van de strafuitvoering op zich.

Hij is enkel de mening toegedaan dat in de gevangenis waarin hij verblijft hij onvoldoende medisch wordt begeleid en ingevolge deze gebrekkige medische begeleiding zijn subjectieve rechten worden geschonden zoals voorzien in artikel 2 (= subjectief recht op leven), artikel 3 (= niemand mag onderworpen worden aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen) en artikel 5 (= subjectief recht op een niet-onrechtmatige vrijheidsberoving) van het E.V.R.M.

Het komt aan de kort gedingrechter toe bij toepassing van artikel 584 Ger.W. aan de overheid zodanige maatregelen op te leggen, door middel van een gebod of een verbod teneinde aan een ogenschijnlijke onrechtmatige aantasting van een subjectief recht een einde te stellen dan wel deze te voorkomen.

Dit principe is eveneens van toepassing in strafzaken. Wanneer de kort gedingrechter bij hoogdringendheid en bij voorraad tussenkomt, zet hij het beginsel van de autonomie van het strafrecht niet op de helling. Het volstaat dat de regels die eigen zijn aan de strafrechtspleging zich niet tegen een dergelijk optreden verzetten.

Artikel 584 Ger.W. bepaalt overigens dat de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg uitspraak doet - onder de gestelde voorwaarden - in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht ontrekt, wat in deze niet het geval is.

De rechter in kort geding is bijgevolg bevoegd om binnen de grenzen van zijn opdracht, aan de bestuursoverheid maatregelen, inzonderheid verbodsmaatregelen, op te leggen die noodzakelijk zijn ter voorkoming of stopzetting van een ogenschijnlijke aantasting door die overheid van de subjectieve rechten die de hoven en rechtbanken moeten vrijwaren, ook al is die handeling verricht ter uitvoering van een beslissing van een magistraat van het openbaar ministerie .

3.4. De kort geding rechter heeft zich derhalve terecht - op grond van oordeelkundige motieven - bevoegd verklaard om in huidige aangelegenheid een beslissing te nemen en heeft even terecht de vordering ontvankelijk verklaard.

Op dit punt wordt de bestreden beschikking bevestigd.

3.5. Derhalve dient nagegaan te worden of geïntimeerde, gelet op zijn gezondheidstoestand, op een dergelijke kaduke wijze medisch wordt behandeld en begeleid dat dit een inbreuk uitmaakt op zijn subjectieve rechten zoals vervat in de artikelen 2, 3 en 5 van het E.V.R.M.

In dit verband dient onderlijnd te worden dat geïntimeerde - in huidige aangelegenheid - ten onrechte verwijst naar rechtspraak van het Europees Hof.

In deze rechtspraak gaat het telkens om geïnterneerden die een niet repressieve vrijheidsberoving ondergaan dewelke volgens het Europees Hof niet in een gewoon penitentiair milieu kan plaatsvinden maar in een gespecialiseerde instelling of bij wijze van uitzondering in een psychiatrische annex van een gevangenis.

Geïntimeerde werd niet geïnterneerd en die vraag werd - volgens de gegevens van het dossier - nooit gesteld.

Geïntimeerde werd integendeel tot driemaal toe correctioneel veroordeeld tot een straf bestaande uit een gevangenisstraf, eerst met uitstel en het laatst effectief waardoor het voordeel van het uitstel kwam te vervallen. Nergens blijkt bovendien uit dat geïntimeerde hoger beroep heeft aangetekend tegen die correctionele veroordelingen waaruit mag besloten worden dat hij in die beslissingen berust heeft.

De vrijheidsberoving van geïntimeerde is een repressieve maatregel en de behandeling van de geestestoestand van betrokkene is - in tegenstelling met internering - niet gericht op zijn reïntegratie in de maatschappij zodat de principes vervat in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens m.b.t. de wijze waarop een internering moet worden uitgevoerd, in deze niet van toepassing zijn.

3.6. Uit de concrete gegevens van het dossier blijkt het volgende wat de medische begeleiding/opvang betreft van geïntimeerde tijdens zijn gevangenisverblijf:

- geïntimeerde werd gevat op 7 januari 2013 - na geseind te zijn geweest en hangende de procedure in eerste aanleg - en werd dan overgebracht naar de gevangenis van Gent;

- op 7 januari 2013 - de dag van zijn aanhouding - vond een consultatie plaats bij Dr. TIBERGHIEN, op 8 januari 2013 bij gevangenispsychiater VAN CAUWENBERGHE, op 9 januari 2013 opnieuw bij Dr. TIBERGHIEN, op 10 januari 2013 bij Dr. BRUSSEEL en op 14 januari 2013 opnieuw bij Dr. TIBERGHIEN;

- op 4 februari 2013 vond een nieuw onderzoek plaats door gevangenispsychiater VAN CAUWENBERGH in het bijzijn van Dr. AUDENAERT, psychiater van geïntimeerde;

- tijdens dat onderzoek werd de toestand van geïntimeerde besproken - na kennisname van de medische attesten en verslagen medegedeeld door de raadsman van geïntimeerde - en werd zijn medicatie aangepast nadat vastgesteld werd dat er zich sedert de arrestatie van geïntimeerde geen incidenten hadden voorgedaan;

- bij die gelegenheid werd geïntimeerde voorgedragen bij de zorgequipe met het oog op een meer intensieve begeleiding;

- eén en ander werd medegedeeld aan de gevangenisdirectie op 5 februari 2013 en aan de raadsman van geïntimeerde op 15 februari 2013;

- op dat ogenblik stond reeds vast dat geïntimeerde niet verder kon verblijven in de gevangenis te Gent die geen eigenlijk "strafhuis" is maar enkel bedoeld is voor een "tijdelijk" verblijf;

- bij monde van de raadsman van appellant werd bij schrijven van 28 februari 2013 aangekondigd dat zou worden overgegaan tot een tweede evaluatie, dat er inmiddels reeds 10 consultaties hadden plaatsgevonden met de gevangenispsychiater en 15 consultaties met de algemene geneesheren van de gevangenis, geïntimeerde slechts één maal het bezoek had gekregen van zijn eigen psychiater op 10 januari 2013, geïntimeerde het blijkbaar niet nodig achtte meer beroep te doen op zijn eigen psychiater, de toegediende medicatie het resultaat was van een uitgebreid overleg tussen de gevangenispsychiater en de eigen psychiater van geïntimeerde waarvan het medicatieschema nauwkeurig werd opgevolgd en dat m.b.t. de zogenaamde paniekaanvallen van geïntimeerde door niemand uit de gevangenis hiervan melding werd gemaakt terwijl betrokkene elk kwartier werd gezien en nooit enige destabilisatie werd opgemerkt;

- op 4 maart 2013 vond de aangekondigde tweede evaluatie plaats door de gevangenispsychiater te Gent;

- in het verslag van die tweede evaluatie wordt gesteld dat er zich nog steeds geen ernstige incidenten hebben voorgedaan, de paniekaanvallen onder controle worden gehouden met medicatie en bepaalde rituelen, de medicatie werd aangepast op voorstel van de eigen psychiater van geïntimeerde, betrokkene tot dan weigerde deel te nemen aan de activiteiten georganiseerd door het zorgteam en hij alleen zijn therapie wenste voort te zetten met zijn eigen psychiater;

- dit verslag werd overgemaakt aan de raadsman van geïntimeerde op 5 maart 2013;

- uit de mail van 8 april 2013 vanwege de gevangenisdirectie blijkt dat geïntimeerde nog steeds weigerde deel te nemen aan de activiteiten van het zorgteam en zich beperkte tot zorgwandeling, bepaalde lichaamsbewegingen en een gesprek met de psycholoog;

- uit de verslagen van 8 april 2013 en 11 juni 2013 opgesteld door de eigen psychiater van geïntimeerde blijkt dat betrokkene van nabij gevolgd werd en geregeld geëvalueerd werd;

- de eigen psychiater van geïntimeerde zal overigens vaststellen dat betrokkene recidiverend nog ernstige paniekaanvallen heeft maar dat zijn patiënt vanuit het hem geleerde kader de symptomen ten dele kan plaatsen zodat het nog zelden leidt tot doodsangst en verder nog dat inzake medicamenteuze behandeling er geen verdere opties zijn;

- voor de transfer van geïntimeerde naar Merksplas werd de medische situatie van betrokkene op 9 juli 2013 besproken door de gevangenispsychiater van Gent met de diensten van Merksplas; uit deze fax blijkt andermaal dat geïntimeerde veelvuldig op consultatie ging en kon gaan bij de gevangenispsychiater en overige bevoegde diensten te Gent en tevens opgevolgd werd door zijn eigen psychiater die na elk bezoek een nota achterliet onder gesloten omslag en wiens voorschriften werden opgevolgd;

- sedert zijn overbrenging wordt geïntimeerde intensief opgevolgd zowel door de medische dienst als door de gevangenispsychiater te Merksplas (zie stukken 14 en 19, dossier appellant) en ontvangt hij geregeld bezoek in tegenstelling met wat aanvankelijk gevreesd werd en als reden werd aangegeven om niet overgeplaatst te worden naar Merksplas (zie stuk 13 en 15, dossier appellant);

- geïntimeerde verblijft blijkbaar in het paviljoen V, zijnde een paviljoen met open zalen waardoor hij niet meer in een cel dient te verblijven (zie o.a. stuk 57, dossier geïntimeerde);

- in de gemeenschappelijke leefzaal is er vanzelfsprekend veel controle en wordt hij daags gezien door de verplegers bij het uitdelen van de medicatie;

- geen enkel incident heeft zich inmiddels voorgedaan waaruit zou blijken dat de toestand van geïntimeerde niet zou zijn gestabiliseerd;

- de gevangenisdirectie van Merksplas moest vaststellen dat geïntimeerde onjuiste informatie doorgaf over zijn medische toestand aan diens raadsman (zie stukken 16 en 17, dossier appellant);

- een uitvoerig rapport werd opgesteld op 4 september 2013 door de gevangenispsychiater van Merksplas waaruit andermaal blijkt dat geïntimeerde opgevolgd wordt (zie stuk 19, dossier appellant).

3.7. Uit hetgeen voorafgaat, kan alleen maar besloten worden dat geïntimeerde van zeer nabij op medisch en humaan vlak wordt opgevolgd.

Nergens blijkt uit dat zijn behandeling en opvolging in de gevangenis van Merksplas - waar hij thans vertoeft - dergelijke mankementen zou vertonen dat welk danig subjectief recht - waarop hij zich beroept - op ernstige wijze dreigt geschonden te worden.

Geïntimeerde vraagt in ondergeschikte orde de aanstelling van een geneesheer - deskundige teneinde (1) zich te vergewissen van? de mogelijke medische omkadering in de rijksgevangenis waar hij zijn straf uitzit (= thans Merksplas) en (2) omstandig advies te geven of hij in dergelijke gevangeniscontext afdoende therapeutisch (en menswaardig) behandeld kan worden.

Over de gezondheidstoestand van geïntimeerde en de medische omkadering werd door beide partijen een lijvig dossier neergelegd bestaande uit vele medische attesten en rapporten opgesteld door deskundigen in de materie zodat er in de gegeven omstandigheden geen reden is om een gerechtelijke deskundige aan te stellen. Het hof kan op grond van die stukken zich een oordeel vormen zonder een beroep te moeten doen op een gerechtelijke deskundige.

Bovendien blijkt uit die stukken ook dat geïntimeerde niet steeds de juiste informatie doorgeeft over zijn situatie en zijn behandeling in de gevangenis aan zijn eigen raadsman.

Ten overvloede wordt er tenslotte op gewezen dat geïntimeerde eerder "een pleidooi" houdt voor het behandelen van gedetineerden met psychische problemen buiten de gevangenismuren - wat eerder een (filosofisch) criminologisch debat uitmaakt - maar in deze zaak in concreto niet aantoont in welke mate de behandeling en de ondersteuning waarvan geïntimeerde thans in de gevangenis van Merksplas geniet een inbreuk zou kunnen vormen op zijn fundamentele rechten zoals voorzien in het EVRM.

3.8. De bestreden beschikking wordt bijgevolg op dat punt hervormd.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn, in het licht van wat vooraf gaat, niet ter zake dienend.

3.9. Appellant vraagt een rechtsplegingsvergoeding van 1.320 euro wat het geïndexeerd basisbedrag is voor vorderingen die niet in geld waardeerbaar zijn.

Dit bedrag komt toe aan appellant als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en deels gegrond.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Hervormt het bestreden vonnis behoudens in zoverre hierin de vordering ontvankelijk werd verklaard en de gerechtskosten begroot werden en opnieuw recht sprekende voor het overige,

Verklaart de vordering integraal ongegrond.

Veroordeelt geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen, deze van het hoger beroep in totaal begroot

- in hoofde van appellant op euro 1.480 ( 160 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

17/12/2013

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Free keywords

  • Artikel 584 Ger. W. Omvang van de bevoegdheid van de kortgedingrechter . Strafuitvoering. Gevangenis. Medische begeleiding van de gedetineerde.