- Arrêt of May 21, 2013

21/05/2013 - 2012-AR-0898

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer een aanslag gevestigd is op meerdere belastingplichtigen in onverdeeldheid en de aanslag wordt slechts naar één van hen verstuurd; dan moet de administratie nog bewijzen dat en wanneer de andere belastingplichtige(n) kennis genomen heeft:hebben van de aanslag om te kunnen bewijzen wanneer de bezwaartermijn voor die andere belastingplichtige(n) van start ging en dus dat zijn/haar bezwaarschrift laattijdig was


Arrêt - Integral text

Hof van beroep

te Gent

5e kamer

________

terechtzitting

van

21-05-2013

BELASTINGEN

Nr.2012/AR/898

in de zaak van:

1. PROJECTONTWIKKELING N.V.,

met maatschappelijke zetel te 9190 STEKENE, Polken 33; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0415.460.502,

2. AMSTO N.V.,

met maatschappelijke zetel te 9031 DRONGEN, Koninginnelaan 2/3; ingeschreven in de kruispuntbank van ondernemingen onder het nummer 0419.219.944,

appellanten,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VERHAEGHE Paul, advocaat te 1083 BRUSSEL, de Villegaslaan 6

tegen:

HET VLAAMS GEWEST, IVA Vlaamse Belastingdienst, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering in de persoon van de Vlaamse minister voor Financiën, Begroting en Ruimtelijke Ordening, Sport en Werk, Koning Albert II laan 19 te 1210 BRUSSEL,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. VANDEVIVER Filiep, advocaat te 9000 GENT, Zieklien 14-16

spreekt het Hof het volgend arrest uit:

1. De procedure

Bij verzoekschrift van 29 maart 2012 hebben de appellanten hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, op 11 januari 2012 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt uitspraak gedaan:

Verklaart de vordering ontoelaatbaar.

Veroordeelt de eiseressen samen tot de kosten van het geding, langs de zijde van de verweerster begroot op 2.750,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

De appellanten vragen in hoger beroep aan het hof om:

Akte verlenen van het hoger beroep.

De vordering van concluantes ontvankelijk en gegrond te verklaren.

Bijgevolg het vonnis van 11 januari 2012 van de zesde burgerlijke kamer bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent (AR 08/2.450/A; Rep. Nr. 12/444) te niet te doen, en opnieuw rechtdoende.

De bestreden beslissing van 15 april 2008 te niet te doen en de betwiste aanslag in de onroerende voorheffing aanslagjaar 2007, kohierartikel 207090852238, te vernietigen en geheel te ontheffen.

Ondergeschikt, naar recht te zeggen dat het behoort dat een proportionele vermindering wordt toegekend tot de berekening op grond van een kadastraal inkomen van 1168 EUR per 1 november 2007.

Voor zover het ingediende bezwaarschrift laattijdig wordt bevonden, naar recht te zeggen dat is voldaan aan de voorwaarden van artikel 376, § 1 WIB 92 om ambtshalve ontheffing te verlenen.

Voor zover niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 376, § 1 WIB 92 om ambtshalve ontheffing te verlenen, volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof aangaande de uitsluiting van de toepassing van artikel 376, § 3, 2° WIB 92 voor het aanslagjaar 2007 inzake onroerende voorheffing in het Vlaams Gewest:

"Schendt het artikel 376, § 3, 2° WIB 92, zoals van toepassing in het Vlaamse Gewest en gewijzigd door het artikel 30 van het Decreet van het Vlaams Parlement d.d. 24 december 2004 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2005, zoals van toepassing in het aanslagjaar 2007, de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, doordat het recht op proportionele ontheffing of vermindering van de onroerende voorheffing zoals voorzien door het artikel 257, § 2, 3° WIB 92 en van toepassing in het Vlaamse Gewest in het aanslagjaar 2007, wordt uitgesloten van de toepassing van een ambtshalve ontheffing als niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 376, § 1 WIB 92 maar wanneer de bestreden aanslag slaat op meerdere onroerende goederen die werden afgebroken gedurende de belastbare periode waarop deze aanslag betrekking heeft ?"

Voor zover geen prejudiciële vraag wordt gesteld, noch toepassing wordt gemaakt van artikel 376 § 3, 2° WIB 92, en het artikel 376, § 1 WIB 92 zo wordt uitgelegd dat dit artikel niet toelaat om rekening te houden met nieuwe feiten ontstaan na de vestiging van de onroerende voorheffing en het verstrijken van de bezwaartermijn inzake de toepassing van de proportionele vermindering, verblijft de vraag omtrent de geldigheid van de vestiging van de belasting ingevolge de nieuwe bescheiden :

"Is het redelijk verantwoord vanuit de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet om de wettelijke voorwaarden inzake ambtshalve ontheffing, zoals voorzien door artikel 376 § 1 WIB 92 tegen het ontstaan van een belasting, en die zo geacht kan worden de feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen die aanleiding geven tot het vestigen van een belasting, ook van toepassing te verklaren op een ambtshalve ontheffing die toepassing verzoekt van een wettelijke bepaling die toelaat om na de vestiging van de belasting, een vrijstelling of een vermindering te bekomen van de belasting die op zich wettig werd gevestigd, maar die steunt op feiten en omstandigheden van na de vestiging van de belasting ?"

Geïntimeerde te veroordelen tot de terugbetaling van de ten onrechte geïnde belastingen, vermeerderd met moratoriuminteresten sedert datum van betaling tot aan datum van algehele terugbetaling, en de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding, onder voorbehoud van indexatie, te begroten op de basisvergoeding van 2.750,- EUR voor elke aanleg.

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Nadat ambtshalve onderzocht werd of het hoger beroep ontvankelijk en toelaatbaar is, dit af te wijzen als ongegrond;

Dienvolgens het vonnis van 11/01/2012, verleend door de 6de fiscale Kamer van de Rechtbank van Eerste te GENT en gekend onder het A.R.-nr. 08/2450/A, te bevestigen in al zijn onderdelen;

Appelanten, Oorspronkelijke Eiseressen, solidair en in solidum, de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de kosten van de procedure in graad van beroep, met inbegrip van de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding begroot op het basisbedrag van 2'750.00 EUR.

2. De feitelijke gegevens

De appellanten zijn elk voor de helft en dit vanaf hun gezamenlijke aankoop op 28 januari 2004, onverdeelde mede-eigenaars van een onroerend goed, gelegen te Eeklo aan het Gebroeders Van de Woestijneplein, nr. 12, bij het kadaster gekend als gelegen in Eeklo, 2de afdeling, onder legger nr. 43352/12072, sectie F, nr. 686/T/3, als fabriekscomplex met (toen) een kadastraal inkomen van 86.812,00 euro (niet-geïndexeerd).

De tweede appellante heeft voor zichzelf en de eerste appellante een tijdig bezwaarschrift ingediend met betrekking tot de aanslag in de onroerende voorheffing van de aanslagjaren 2004 en 2005; voor het aanslagjaar 2006 hebben de appellanten elk voor zich een bezwaarschrift ingediend. Over die jaren gaat het huidige geschil niet.

Het geschil gaat alleen over de aanslag in de onroerende voorheffing voor het aanslagjaar 2007, gevestigd op naam van de eerste appellante en rechthebbenden, onder kohierartikel 207090852238, uitvoerbaar verklaard op 14 juni 2007 voor een te betalen bedrag van 42.419,69 euro. Het aanslagbiljet vermeldt als datum van verzending 25 juni 2007.

Na die datum heeft de tweede appellante enkele brieven tot de geïntimeerde gericht, maar de geïntimeerde heeft de aangetekende brief van de eerste appellante, gedateerd op 8 oktober 2007, op 8 oktober 2007 verstuurd en door de geïntimeerde op 10 oktober 2007 ontvangen, als (eerste) bezwaarschrift voor het aanslagjaar 2007 beschouwd. In die zin heeft de geïntimeerde met haar brief van 12 oktober 2007 aan de eerste appellante laten weten dat ze op 10 oktober 2007 het bezwaarschrift met betrekking tot de genoemde aanslag voor het aanslagjaar 2007 ontvangen had.

In de betreffende brief worden samengevat de volgende argumenten aangevoerd:

1. Er werd meermaals meegedeeld dat de eerste appellante slechts voor 50% mede-eigenaar is samen met de tweede appellante maar dat zij klaarblijkelijk voor 100% als belastingschuldige behandeld wordt;

2. De goederen zijn al van voor de aankoop onproductief wegens onvrijwillige leegstand;

3. Al in 2005 werden de afbraakwerken aangevat, maar problemen met asfalt en de vaststelling van bodemverontreiniging deden de afbraakwerken langer duren.

Nadat bericht was ontvangen dat voor het aanslagjaar 2004 ontheffing was verleend, heeft de eerste appellante met haar brief van 6 november 2007 voor de aanslagjaren 2005, 2006 en 2007 eenzelfde ontheffing gevraagd, met terugbetaling van wat al was betaald, meer interest.

De tweede appellante heeft op haar beurt, deze keer namens zichzelf en de eerste appellante, onder de vermelding dat ze telefonisch vernomen had dat ook voor het aanslagjaar 2005 kwijtschelding zou worden verleend, aangedrongen op een beslissing omtrent de onroerende voorheffing voor de aanslagjaren 2006 en 2007.

De geïntimeerde had ondertussen het dossier voor gebruikelijk advies overgemaakt aan de FOD Financiën, Administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen (AKRED).

Daartoe werd aan de appellanten gevraagd om een vragenlijst in te vullen.

Het advies van AKRED werd door de geïntimeerde ontvangen op 18 maart 2008. Het advies geeft samengevat weer:

1) Wat de periode vóór het begin van de afbraak betreft:

- Het gebouwd onroerend goed:

• bleef tijdens het betwiste aanslagjaar 2007 volledig onproductief gedurende de periode 01/01/2007 tot 28/02/2007, zijnde 60 dagen;

• was gedurende die periode niet gemeubeld, buiten gebruik en heeft geen inkomsten opgebracht.

- Die improductiviteit was echter afhankelijk van de wil van de belastingplichtige, vermits de sloopvergunning al in 2004 werd bekomen en het pand nooit te huur werd gesteld.

2) Wat betreft de periode van het begin van de afbraak tot het einde van de maand waarin de afbraakwerken zijn beëindigd:

• Het gebouw werd slechts gedeeltelijk gesloopt, waarbij de afbraakwerken liepen van 01/03/2007 tot 31/10/2007, derwijze dat het kadastraal inkomen na afbraak geschat kan worden op 1.168,00 euro.

3) Wat de periode van de eerste van de maand volgend op de beëindiging van de afbraak tot einde van het aanslagjaar aangaat:

• Met toepassing van artikel 473 en 494 §5 WIB92 wordt het kadastraal inkomen na afbraak geacht te bestaan vanaf 01/11/2007.

• Het nieuw KI heeft voor de onroerende voorheffing uitwerking vanaf het aanslagjaar 2008.

In zijn directeurbeslissing van 15 april 2008 wees de geïntimeerde het bezwaar af als onontvankelijk wegens laattijdigheid.

Met een verzoekschrift van 10 juli 2008 stelden de appellanten hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

De zesde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Gent heeft in zijn vonnis van 11 januari 2012, zoals hoger vermeld, de vorderingen van de appellanten als onontvankelijk afgewezen.

Het is tegen dat vonnis dat de appellanten hoger beroep hebben ingesteld.

3. De betwistingen tussen de partijen

3.1. De ontvankelijkheid van het bezwaar

De appellanten voeren met reden aan dat de geïntimeerde het bewijs moet leveren dat en op welke datum het aanslagbiljet werd verzonden.

De geïntimeerde kan zich daarbij evenwel op alle bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed, beroepen, dus ook op vermoedens.

3.1.1. Het hof stelt vast dat de appellanten vóór ze kennis namen van de beslissing over het bezwaar, nooit hebben aangevoerd dat ze geen aanslagbiljet ontvangen hadden. Integendeel: in de brief waarin namens de appellanten voor het eerst bezwaar geuit wordt met betrekking tot de bestreden aanslag voor het aanslagjaar 2007, zijnde de brief van de eerste appellante van 8 oktober 2007, wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van het kohierartikel waaronder die aanslag is gevestigd. Vermits er voordien nooit enige briefwisseling plaatsvond met betrekking tot aanslagjaar 2007 (alleen m.b.t. aanslagjaren 2004 tot 2006), staat vast dat de informatie die de appellanten hadden over de bestreden aanslag hen uit geen ander document kon bekend zijn dan uit het aanslagbiljet. Zij moeten dus het aanslagbiljet hebben ontvangen, wat het bewijs insluit dat de geïntimeerde het aan de appellanten heeft verstuurd.

Van dan af is er geen enkele reden om er aan te twijfelen dat de verzending van het aanslagbiljet (afgifte aan de postdiensten) heeft plaatsgevonden op de datum die op het aanslagbiljet staat vermeld zijnde 25 juni 2007.

De ontvangst van het aanslagbiljet wordt, conform de ontvangsttheorie met toepassing van de principes zoals voorzien in artikel 53bis, 2° Ger.W., geacht te zijn gebeurd op de derde werkdag die volgt op maandag 25 juni 2007, zijnde donderdag 28 juni 2007. Vanaf die dag begon de bezwaartermijn van drie maanden te lopen om te eindigen op donderdag 27 september 2007.

Zoals aangegeven kan geen enkel eerder geschrift uitgaande van de appellanten of namens hen aan de geïntimeerde gericht beschouwd worden als een bezwaarschrift dan de brief van de eerste appellante van 8 oktober 2007, afgaande op de voorliggende envelop verstuurd op 9 oktober 2007 en door de geïntimeerde ontvangen op 10 oktober 2007.

De appellanten kunnen niet gevolgd worden in hun stelling dat zij in hun brieven van 29 juni 2007 en 10 juli 2007 al bezwaar zouden hebben aangetekend. Deze brieven verwijzen op geen enkele manier naar de bestreden aanslag. Ten onrechte stellen zij dat de administratie op dat vlak soepel moet zijn en dat het strikt genomen niet vereist is te melden welke belasting voor welk aanslagjaar gevestigd bij welk kohierartikel wordt betwist. De appellanten gaan er aan voorbij dat het binnen de gebonden bevoegdheid die de administratie in dat kader heeft, moeilijk kan verdedigd worden dat een controleambtenaar het formuleren van een bezwaar zou mogen vermoeden op basis van grieven en vragen vanwege een belastingplichtige die uitdrukkelijk verwijzen naar andere aanslagjaren. Dat de gegevens in de brieven onmiskenbaar relevant zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de op dat moment al gevestigde aanslag voor het aanslagjaar 2007, betekent niet dat de betreffende brieven — die uitdrukkelijk en uitsluitend verwijzen naar de aanslagen voor de aanslagjaren 2004 tot 2006 (de brief van 10 juli 2007 zelfs uitsluitend naar aanslagjaar 2006) — kunnen beschouwd worden als een bezwaarschrift voor het aanslagjaar 2007.

Overigens hebben zij nooit geprotesteerd tegen het feit dat de geïntimeerde met een brief van 12 oktober 2007 heeft laten weten het bezwaarschrift met betrekking tot de bestreden aanslag voor het aanslagjaar 2007 te hebben ontvangen. Zij hebben toen nooit beweerd dat er al vóór hun brief van 8 oktober 2007 een bezwaar was geformuleerd voor het aanslagjaar 2007.

Tegen die achtergrond kan ook het feit dat de geïntimeerde haar directeurbeslissing over het bezwaar richtte aan de tweede appellante niet beschouwd worden als een bewijs dat de geïntimeerde de brieven van 29 juni 2007 en 10 juli 2007 — die wel uitgingen van de tweede appellante — terwijl de brieven van 8 oktober 2007 en de latere brieven telkens van de eerste appellante uitgingen — als bezwaarschriften erkende. Bovendien heeft de eerste appellante in haar brief van 6 november 2007 uitdrukkelijk melding gemaakt van haar gevolmachtigde dhr. Johan DE VLIEGER, jurist, p/a .N.V. AMSTO [de tweede appellante], adres naar waar de geïntimeerde haar directeurbeslissing over het bezwaar (terecht) heeft verstuurd.

3.1.2. De appellanten roepen ook in dat het aanslagbiljet enkel naar de eerste appellante en niet naar de tweede appellante werd verzonden zodat de bezwaartermijn niet tegen de tweede appellante zou kunnen beginnen lopen zijn.

Er kan in eerste instantie worden opgemerkt dat op het aanslagbiljet duidelijk staat aangegeven dat de eerste appellante — die als enige expliciet op het aanslagbiljet wordt genoemd — slechts eigenaar is voor de helft maar met de vermelding dat de belastingplichtige naast de eerste appellante ook de ‘rechthebbenden' zijn. Daarmee is voldoende tegemoet gekomen aan de vereiste van artikel 133 KBWIB92 om de belasting op naam van de belastingschuldigen ten kohiere te brengen. Met ingang van 18 mei 2007 was bovendien artikel 393 §2 WIB92 (als 2de paragraaf ingevoerd door artikel 66 van de wet van 27 april 2007, B.S. 8 mei 2007) toepasselijk dat luidt:

Het kohier is uitvoerbaar tegen de personen die er niet zijn in opgenomen in de mate zij gehouden zijn tot de betaling van de belastingschuld op grond van het gemeen recht of op grond van de bepalingen van dit Wetboek.

Concreet is de aanslag dus ook rechtsgeldig op naam van de tweede appellante gevestigd.

Daarmee is evenwel de vraag nog niet beantwoord of en op welk moment de tweede appellante, aan wie het aanslagbiljet niet door de diensten van de geïntimeerde werd toegestuurd, kennis kreeg van het aanslagbiljet en dus van de aanslag. Dat de tweede appellante voldoende als belastingplichtige is aangeduid en dat de aanslag tegen haar kan worden uitgevoerd, heeft geen enkele betekenis, noch gevolg ten aanzien van het kennis geven aan haar van de aanslag.

Het hof kan slechts vaststellen dat uit niets kan worden afgeleid dat de eerste appellante het aanslagbiljet aan de tweede appellante heeft overgemaakt binnen de bezwaartermijn gerekend vanaf de op het aanslagbiljet vermelde datum van ontvangst, laat staan ‘onmiddellijk' of zelfs op dezelfde dag. Onder randnummer 3.1.1. is uiteengezet dat alle brieven daterend van vóór het bezwaarschrift van 8 oktober 2007 geen betrekking hadden op het aanslagjaar 2007. Dat die brieven van 29 juni 2007 en 10 juli 2007, die telkens uitgingen van de tweede appellante, op geen enkele manier melding maken van de aanslag voor het aanslagjaar 2007, kan zelfs doen vermoeden dat de tweede appellante van die betreffende aanslag nog niet op de hoogte was (gebracht door de eerste appellante).

Het enkele feit dat de twee appellanten gezamenlijke belangen en diverse onderlinge contacten hadden, bewijst nog niet dat de eerste appellante het aanslagbiljet aan de tweede appellante heeft overgemaakt, laat staan op welk moment.

Dat bewijs vloeit evenmin voort uit het feit dat de eerste appellante naderhand voor de afhandeling van het bezwaar tegen de bestreden aanslag aan de tweede appellante mandaat gegeven heeft, en ook niet uit vergelijkbare overeenkomsten die voor andere aanslagjaren al voorheen zouden hebben bestaan.

Bij gebrek aan bewijs van het moment waarop de tweede appellante kennis kreeg van de bestreden aanslag, is haar bezwaar dat op 10 oktober 2007 bij de geïntimeerde werd ingediend, tijdig. Vermits er maar één aanslag werd gevestigd, geldt het tijdig bezwaar trouwens voor de gehele aanslag.

Het bezwaar werd dan ook ten onrechte als onontvankelijk beschouwd door de eerste rechter. Het hoger beroep is gegrond.

3.2. Ten gronde: over het recht op kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing

3.2.1. De ingeroepen wetsbepalingen zijn de volgende:

Artikel 257, §2, 3° WIB92 (versie Vlaamse Gewest):

§ 2. Op aanvraag van de belanghebbende wordt:

(...)

3° kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing verleend voorzover het belastbaar inkomen ingevolge artikel 15 kan worden verminderd.

(...)

Artikel 15, §1, 1° WIB92:

Het kadastraal inkomen wordt proportioneel verminderd naar verhouding tot de duur en de omvang van de onproductiviteit, van het ontbreken van genot van inkomsten of van het verlies ervan:

1° wanneer een niet gemeubileerd gebouwd onroerend goed in de loop van het jaar gedurende ten minste 90 dagen volstrekt niet in gebruik is genomen en volstrekt geen inkomsten heeft opgebracht

(. . .).

Artikel 257, §2bis, 3° WIB92 (versie Vlaamse Gewest):

§ 2bis. Er kan geen kwijtschelding of proportionele vermindering worden verleend als het onroerend goed langer dan twaalf maanden niet in gebruik is genomen, rekening houdende met het vorige aanslagjaar. Deze bepaling is echter niet van toepassing op:

(...)

3° een onroerend goed waarvan door toedoen van een ramp, overmacht, een lopende gerechtelijke of administratieve procedure of onderzoek of een niet-afgehandelde procedure van erfenis de belastingplichtige zijn zakelijke rechten niet kan uitoefenen. De onroerende voorheffing is opnieuw verschuldigd vanaf 1 januari van het aanslagjaar volgend op het jaar waarin de omstandigheden die het vrij genot van het onroerend goed belemmerden, wegvallen.

(. . . ).

3.2.2. Er wordt algemeen aangenomen dat de belastingplichtige moet bewijzen dat de improductiviteit ontstaan en gehandhaafd werd op een wijze die onvrijwillig was, dat wil zeggen onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige. Dat wordt in het bijzonder in de tekst van artikel 257, §2bis, 3° WIB92 uitgedrukt waar het gaat om gevallen waarin er sprake is van een ramp, overmacht of een lopende procedure.

De vrijstellingsvereiste dat de improductiviteit die langer dan 12 maanden duurt onafhankelijk is van de wil van de belastingplichtige, is ingegeven door de bedoeling om leegstand en verkrotting gedurende te lange tijd tegen te gaan wanneer deze door de belastingplichtige in de hand gewerkt wordt of in stand gehouden wordt om gebruik te maken van de tijd ten einde zich een voordeel te verschaffen (bijv. een hogere verkoopwaarde van het onroerend goed door een evolutie op de markten of door een wijziging in de bestemming op vlak van ruimtelijke ordening of door eigen wijzigingen in bouwplannen om een hoger rendement te bekomen enz.).

De vereiste dat het niet in gebruik nemen of het niets opbrengen van een onroerend goed onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige moet zijn, veronderstelt dat de belastingplichtige bepaalde opties had: het moet gaan om situaties waarin de belastingplichtige, naast de keuze die tot improductiviteit leidde ook een andere keuze had die het onroerend goed wel deed opbrengen.

Het enkele feit dat een eigenaar nog slechts één enkele bedoeling had met zijn onroerend goed en de daaraan beantwoordende bestemming een tijd lang improductiviteit met zich bracht, laat nog niet toe te concluderen dat die improductiviteit er gekomen is afhankelijk van de wil van die belastingplichtige. Daarmee is immers nog niet vastgesteld of er enige (vrije) keuze was voor de belastingplichtige.

3.2.3. Op basis van het dossier blijkt duidelijk dat de appellanten een grotendeels vervallen fabriekssite kochten uit een faillissement waarbij zij ongetwijfeld van bij aanvang de bedoeling hadden om er een bouwproject te realiseren. Het herbestemmen van industriezone naar (o.a.) woongebied, was van bij aanvang de onbetwiste bedoeling van het gemeentebestuur. Het onroerend goed is overigens gelegen in het centrum van Eeklo, naast een grote school.

Uit de stukken blijkt dat de appellanten, opgejaagd door de aanpalende school die al ten aanzien van de curator van wie de site gekocht werd, de vrederechter gevat had om op te komen tegen de gevaarlijke toestand van de leegstaande gebouwen, onmiddellijk een sloopaanvraag hebben ingediend. Zij hebben die vergunning al op 12 juli 2004 bekomen.

Het voorliggend dossier geeft verder voldoende steun aan de stelling van de appellanten dat zij vanaf dan geconfronteerd werden met een problematiek van asbestvervuiling die de afbraak niet alleen duurder maakte, maar ook en vooral vertraagde.

Ondertussen was de gemeente al begonnen met het maken van een nieuw Bijzonder Plan van Aanleg: al op 10 juni 2004 werd aan de provincie Oost-Vlaanderen gevraagd advies te geven inzake het voorontwerp BPA 't Kaaiken.

De appellanten hebben nooit verzwegen dat ze slechts een beperkte afbraak deden (wellicht om de site veilig te maken) omdat ze de grote investeringen van afbraak slechts wilden maken op voorwaarde dat ze konden zeker zijn dat ze er een bouwproject konden realiseren, terwijl ze daartoe moesten wachten op de administratieve afhandeling inzake ruimtelijke ordening (goedkeuring BPA, waarna pas een bouwvergunning kon worden aangevraagd).

Voor het hof is het duidelijk dat de gebouwen niet meer konden verhuurd worden en dus niet op die manier productief gemaakt worden met behoud van de vroegere bestemming. De gebouwen waren vervallen of minstens zouden veel te grote kosten nodig zijn geweest om ze weer bruikbaar en productief te maken. Het hof stelt weliswaar vast dat het kopgebouw wel nog als bruikbaar werd bestempeld, nu de gemeente de wens had uitgedrukt het nog niet (meteen) te slopen omdat het als scoutslokaal of kringloopwinkel kon gebruikt worden, maar uiteindelijk zijn daarvoor nooit stappen gezet, terwijl ook op dat punt de appellanten afhankelijk waren van het initiatief van de gemeente (dat er nooit kwam).

De enige realistische wijze waarop de appellanten het onroerend goed productief konden maken was dan ook door het volledig af te breken en een nieuwbouwproject te realiseren.

Dat de appellanten uiteindelijk wachtten tot 1 maart 2007 om de (eigenlijke) afbraakwerken te starten, hoewel ze al sinds 2004 een sloopvergunning hadden, hield slechts verband met de onzekerheid die voor hen bestond omtrent de stedenbouwkundige bestemming en mogelijkheden. Vermits de vraag tot kwijtschelding/proportionele vermindering voor de aanslagjaren 2004 tot 2006 ook daarop gesteund was, heeft de geïntimeerde dit argument ook bijgetreden toen het voor die jaren het bezwaar gegrond verklaarde.

Zodra voldoende klaarheid bestond omtrent de stedenbouwkundige bestemming, hebben de appellanten het nodige gedaan om tot het (opnieuw) productief worden van de site te kunnen komen.

Het hof oordeelt dat in die omstandigheden ook voor het aanslagjaar 2007 sprake is van improductiviteit van het volledige onroerend goed onafhankelijk van de wil van de appellanten.

De vordering van de appellanten is dan ook in die zin gegrond dat de bestreden aanslag moet worden vernietigd.

4. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 2.750,00 euro toepasselijk.

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en als volgt gegrond;

vernietigt het bestreden vonnis in al zijn beschikkingen;

doet opnieuw recht en verklaart de vordering van de appellanten ontvankelijk en als volgt gegrond;

vernietigt de directeurbeslissing over het bezwaar van 15 april 2008;

vernietigt de aanslag in de onroerende voorheffing die op naam van de appellanten is gevestigd voor het aanslagjaar 2007 onder kohierartikel 2070908522/38 en beveelt de terugbetaling van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de moratoriumintresten.

veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt:

- aan de kant van de appellanten:

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 2.750,00 EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.750,00 EUR

- aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in fiscale zaken, op EENENTWINTIG MEI TWEEDUIZEND EN DERTIEN.

Aanwezig de Heren:

A. De Meue, Kamervoorzitter, Voorzitter,

G. Tillekaerts en D. Vandeputte, Raadsheren,

M. Vanderbeeken, griffier.

Free keywords