- Arrêt of January 13, 2014

13/01/2014 - 2012AR383

Case law

Summary

Samenvatting 1

De appellante voegt toe dat de rechten en de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten van 14 januari 1998 haar naderhand door F. F.-G. zijn overgedragen conform het gemeen recht, dit meer bepaald bij toepassing van de artikelen 1690 (overdracht van schuldvordering), 1271 (schuldvernieuwing) of 1275 (delegatie) B.W.

Schuldvernieuwing door verandering van contractpartij (in welk geval alleen de appellante nog contractpartij is) en delegatie door toevoeging van een contractpartij (in welk geval de appellante contractpartij is met behoud van F. F.-G. als medecontractpartij) veronderstellen beide de toestemming van de wederpartij(en) van F. F.-G. bij de overeenkomsten van 14 januari 1998.

Anders dan bij schuldvernieuwing is bij overdracht van schuldvordering de toestemming van de wederpartij(en) van F. F.-G. niet vereist.

Tegen de gecedeerde schuldenaar kan de overdracht van schuldvordering worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan de gecedeerde schuldenaar ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend (artikel 1690, tweede lid B.W.).

De ter kennis gebrachte overdracht van schuldvordering kan enkel gelden en tegenwerpbaar zijn aan de derde geïntimeerde en haar rechtsopvolgers wat betreft de rechten die voor F. F.-G. voortvloeien uit de optieovereenkomsten van 14 januari 1998, niet inzake de daarbij aangegane verplichtingen.


Arrêt - Integral text

2012/AR/383

NV FINSPICO ZUID, met vennootschapszetel gevestigd te 2018 Antwerpen, Quinten Matsijslei 36 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0862.351.774;

appellante,

vertegenwoordigd door mr. Frederik Erdman, advocaat te 2000 Antwerpen, Amerikalei 25-27 bus 16;

tegen het vonnis van de eerste B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 8 september 2011, aldaar gekend onder nr. A.R. 06/6104/A;

tegen:

1. NV EURO IMMO STAR, met vennootschapszetel gevestigd te 1070 Brussel, Brogniezstraat 54 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0451.777.894;

vertegenwoordigd door mr. Peter Flamey, advocaat te 2018 Antwerpen, Jan van Rijswijcklaan 16;

2. NV FIF-FSI, met vennootschapszetel gevestigd te 1050 Brussel, Louizalaan 64 bus 1 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0867.095.371;

vertegenwoordigd door mr. Sébastien Ryelandt, advocaat te 1050 Brussel, Louizalaan 65 bus 2;

3. NMBS HOLDING NV van publiek recht, met vennootschapszetel gevestigd te 1060 Brussel,

Frankrijkstraat 58 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0203.430.576;

vertegenwoordigd door mr. Koen De Winter, advocaat te 2000 Antwerpen, Meir 24;

4. NV SOPIMA, met vennootschapszetel gevestigd te 1000 Brussel, De Meeûssquare 35 en inge-schreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0459.667.558;

vertegenwoordigd door mr. Bart Heynickx loco mrs. Lieven Peeters & Alexander Hansebout,

advocaten te 1000 Brussel, Havenlaan 86C bus 414;

5. NV ONTWIKKELING NIEUW ZUID, met vennootschapszetel gevestigd te 2000 Antwerpen, Jan

van Gentstraat 7 bus 402 en ingeschreven in de kruispuntbank der ondernemingen onder nr. 0827.487.895;

vertegenwoordigd door mr. Wim Herreman loco mr. Marian Vanden Broeck, advocaat te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122 bus 3c;

geïntimeerden,

* * * * *

1. De feiten

De feitelijke gegevens die aan het geschil ten grondslag liggen, kunnen worden samengevat als volgt:

- op 14 januari 1998 worden twee overeenkomsten afgesloten tussen de NV NMBS (de derde geïntimeerde), de NV Euro Immo Star (de eerste geïntimeerde) en de NV Finspico Zuid in oprichting, daarbij vertegenwoordigd door F. F.-G., meer bepaald:

i. een verkoop- en aankoopbelofte met betrekking tot de percelen C en D, bouwgrond voor appartementen, gelegen te Antwerpen, aan de Ledeganckkaai;

ii. en een optiecontract met betrekking tot de percelen E en F, eveneens bouwgrond voor

appartementen, gelegen te Antwerpen, aan de Ledeganckkaai;

beide overeenkomsten bevatten "voorafgaande verklaringen" waarvan de (nagenoeg identieke) inhoud luidt als volgt:

"De NMBS is eigenaar van een aantal terreinen te Antwerpen, samen genoemd "ANTWERPEN NIEUW ZUID" of in het kort ANZ, gelegen te 2000 Antwerpen, aan de Ledeganckkaai achter de Van der Sweepstraat. EIS is eigenaar van een perceel grond van +/- 320 m² ingesloten in de gron-den van ANZ. EIS bezit de intellectuele rechten op de volledige ontwikkeling van de gronden van ANZ en alle ontwikkelingsplannen die voor deze terreinen bestaan. EIS zal een structuurplan bij de Stad Antwerpen voor goedkeuring indienen.

FINSPICO is bereid erzich toe te verbinden om aan de geplande ontwikkeling deels uitvoering te geven en zich financieel te verbinden";

aan beide overeenkomsten is een uittreksel van een plan gehecht (afkomstig uit een structuur-plan uitgewerkt door architect V.) waarop de in de overeenkomsten genoemde percelen C, D, E en F te indicatieven titel zijn aangeduid;

vooraleer nader in te gaan op de inhoud van beide overeenkomsten, moet, voor een goed be-grip, worden toegelicht welke rol de NV FIF-FSI (de tweede geïntimeerde) en de NV Sopima (de vierde geïntimeerde) in deze zaak spelen;

bij KB van 14 juni 2004 tot hervorming van de beheersstructuren van de spoorweginfrastruc-tuur wordt het Fonds voor Spoorweginfrastructuur, later omgevormd tot de NV FIF-FSI opgericht,

dat de rechten en de verplichtingen van de NV NMBS uit (onder meer) de overeenkomsten van 14 januari 1998 overneemt; bij toepassing van datzelfde KB wordt het beheer en het ten gelde maken van de betrokken gronden toevertrouwd aan de NV Sopima;

bij KB van 10 november 2006 wordt een einde gesteld aan de opdracht van de NV Sopima en komt het beheer en het ten gelde maken van de overgedragen gronden dientengevolge op-nieuw toe aan de NV FIF-FSI;

- bij de verkoop- aankoopbelofte van 14 januari 1998:

i. belooft de NV NMBS als kandidaat-verkoper te zullen verkopen aan de NV Finspico Zuid in oprichting als kandidaat-koper die belooft te zullen kopen onder de voorwaarden en tegen de overeengekomen prijs: de percelen C en D, bouwgrond voor appartementen aan de Ledeganckkaai met elk een benaderende oppervlakte van respectievelijk ± 2.200 m²;

ii. verbindt de NV Euro Immo Star zich ertoe vóór einde januari 1998 bij de stad Antwerpen een structuurplan in te dienen dat de mogelijkheid voorziet op de betrokken percelen appartementsgebouwen van 6 bovengrondse bouwlagen op te richten, zodat in totaal op elk perceel 48 appartementen van ± 150 m² kunnen gebouwd worden met bijhorende ondergrondse parkingplaatsen;

iii. wordt overeengekomen dat het verkoopcompromis zal worden ondertekend binnen de 30 dagen nadat partijen het voorwerp van de verkoop definitief op plan zullen hebben aange-duid (dat laatste moet gebeuren binnen de 15 dagen nadat het structuurplan van de NV Eu-ro Immo Star door de stad Antwerpen goedgekeurd werd);

iv. wordt als opschortende voorwaarde (waaraan de koper mag verzaken) bedongen dat de

koper vóór 5 januari 2001 een bouwvergunning bekomt voor het project;

v. wordt de verkoopprijs vastgesteld op 72.000.000 (oude) BEF of 1.784.833,38 EUR per bouw-perceel;

vi. en wordt in een aanhangsel van dezelfde datum bepaald dat de NV Finspico Zuid in oprich-ting zich ertoe verbindt de bepalingen van artikel 13bis Venn. W. (thans artikel 60 Venn. W.) na te leven;

- bij het optiecontract, insgelijks van 14 januari 1998:

i. verklaren de NV NMBS en de NV Euro Immo Star optie tot aankoop te verlenen aan de NV Finspico Zuid in oprichting (optiehouder), die aanvaardt zonder dat die aanvaarding een verplichting inhoudt om van de optie gebruik te maken, van twee percelen (E en F) bouwgrond voor appartementen aan de Ledeganckkaai, met elk een benaderende oppervlakte van 2.200 m², waarin begrepen is het terrein van ± 320 m² van de NV Euro Immo Star;

ii. verbindt de NV Euro Immo Star zich ertoe vóór einde januari 1998 bij de stad Antwerpen een structuurplan in te dienen dat de mogelijkheid voorziet op de betrokken percelen appartementsgebouwen van 6 bovengrondse bouwlagen op te richten, zodat in totaal op elk perceel 48 appartementen van ± 150 m² kunnen gebouwd worden met bijhorende ondergrondse parkingplaatsen;

iii. wordt overeengekomen dat de exacte ligging van de percelen tussen partijen zal bepaald worden binnen 15 dagen nadat het structuurplan van de NV Euro Immo Star door de stad Antwerpen principieel goedgekeurd werd;

iv. wordt verder bedongen dat van deze optie slechts gebruik kan worden gemaakt "vanaf he-den" tot op de tweede verjaardag, om 17.30 uur, van de notariële aankoopakte van de twee naastliggende percelen (C en D), zij het uiterlijk op 31 december 2003;

v. en wordt in een aanhangsel van dezelfde datum bepaald dat de NV Finspico Zuid in oprich-ting zich ertoe verbindt de bepalingen van artikel 13bis Venn. W. (thans artikel 60 Venn. W.) na te leven;

- bij aangetekende brief, verzonden op 29 december 2003, uitgaande van de NV Finspico Zuid (de appellante) en gericht aan de NV NMBS laat eerstgenoemde weten dat zij als optiehouder in het raam van de optieovereenkomst van 14 januari 1998 haar optie wenste uit te oefenen;

- bij aangetekende brief van 16 februari 2006 stelt de NV Sopima (lasthebber van de NV FIF-FSI) de NV Finspico Zuid in gebreke om, gelet op het lichten van de optie door laatstgenoemde bij aangetekende brief van 29 december 2003, binnen de 90 dagen over te gaan tot de aankoop van de percelen E en F overeenkomstig de voorwaarden van het optiecontract, met het verzoek over te gaan tot het doen opstellen van de ontwerpakte;

- verkoopovereenkomsten komen tussen de partijen nooit tot stand;

- bij notariële akte van 29 oktober 2010, verleden voor notaris J. B. te Antwerpen, verkoopt de NV FIF-FSI de betrokken gronden aan de NV Ontwikkeling Nieuw Zuid (de vijfde geïntimeerde).

2. De voorafgaande rechtspleging.

2.1. Bij het bestreden vonnis op 8 september 2011 op tegenspraak verleend door de eerste B kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen:

- wordt de hoofdvordering van de appellante, voor zover gericht tegen de vierde geïntimeerde, zonder voorwerp verklaard;

- wordt de hoofdvordering en de vordering tot gedwongen tussenkomst van de appellante, alsook de tegenvordering van de derde geïntimeerde ontvankelijk, maar ongegrond verklaard;

- wordt de tegenvordering van de tweede geïntimeerde ontvankelijk en als volgt gegrond ver-klaard: wordt voor recht gezegd dat de twee overeenkomsten van 14 januari 1998 zonder voor-werp zijn geworden;

- wordt de appellante veroordeeld tot de gedingkosten;

- en wordt het meergevorderde als ongegrond afgewezen.

2.2. Bij haar op 3 februari 2012 ter griffie neergelegd "verzoekschrift hoger beroep" tekent de appellante hoger beroep aan tegen het hierboven bedoelde vonnis van 8 september 2011.

2.3. De zaak werd vastgesteld bij toepassing van artikel 747, § 2, derde lid Ger. W. en behandeld op de terechtzitting van 3 december 2013.

3. De standpunten in hoger beroep

3.1. Naar luid van haar op 5 juli 2013 ter griffie neergelegde "conclusies in hoger beroep" vraagt de appellante:

- haar hoger beroep ontvankelijk, toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen, voor zover daarbij de tegenvordering van de derde geïnti-meerde ontvankelijk, maar ongegrond wordt verklaard en haar vorderingen ontvankelijk worden verklaard;

- het bestreden vonnis voor het overige te wijzigen en opnieuw te oordelen als volgt:

i. te zeggen voor recht dat de twee overeenkomsten van 14 januari 1998 geldige overeenkomsten zijn, waarbij het voorwerp van de overeenkomsten zal bepaald worden door een landmeter op kosten van de koper op het ogenblik dat de bevoegde overheden definitief zullen hebben vastgelegd wat de bestemming en de indeling van het Nieuw Zuid zal zijn (uitvoerbaar bestemmingsplan);

ii. te zeggen voor recht dat de tweede geïntimeerde, als rechtsopvolger van de derde geïnti-meerde, een contractuele wanprestatie heeft begaan door de gronden, voorwerp van de overeenkomsten van 14 januari 1998, over te dragen aan de vijfde geïntimeerde;

iii. de eerste geïntimeerde verbod op te leggen haar aandeel in de gronden op gelijk welke wij-ze over te dragen aan de vijfde geïntimeerde of aan een andere derde partij, dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000.000,00 EUR per inbreuk vanaf de betekening van de tussen te komen beslissing aan haar;

iv. te oordelen dat de vijfde geïntimeerde zich schuldig heeft gemaakt aan derdemedeplichtig-heid aan contractbreuk door de betrokken gronden aan te kopen;

v. te oordelen dat de verkoopovereenkomst van 29 oktober 2010 nietig is, minstens niet

tegenwerpbaar aan haar;

vi. ondergeschikt, te oordelen dat de tweede en de vijfde geïntimeerde aan haar, de ene

wegens contractuele wanprestatie en de andere op grond van artikel 1382 B.W., hoofdelijk en solidair, de ene bij gebreke aan de andere, een schadevergoeding verschuldigd zijn, op heden provisioneel begroot op 1.000.000,00 EUR, onder voorbehoud van vermeerdering of vermindering in de loop van het geding;

vii. te oordelen dat de eerste geïntimeerde een contractuele wanprestatie heeft begaan door niet en/of niet tijdig een structuurplan op te maken en in te dienen bij de stad Antwerpen;

viii. uiterst ondergeschikt, te oordelen dat de eerste en de tweede geïntimeerde onzorgvuldig hebben gehandeld door zich op ontijdige wijze te ontdoen van hun contractuele verplichtingen tegenover haar en hen dientengevolge hoofdelijk, de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot betaling van een forfaitair bedrag van 1.000.000,00 EUR, onder voorbehoud van vermeerdering en/of vermindering in de loop van het geding;

- het tussen te komen arrest gemeen te verklaren aan de derde en aan de vierde geïntimeerde;

- en de geïntimeerden hoofdelijk, de ene bij gebreke van de andere, te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

3.2. Bij haar op 5 september 2013 ter griffie neergelegde "hernemende tevens syntheseconclusie" vraagt de eerste geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellante niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren;

- haar incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; bijgevolg het bestreden vonnis teniet te doen en de oorspronkelijke vordering van de appellante niet ontvankelijk te verklaren;

- de in hoger beroep gewijzigde vordering van de appellante niet ontvankelijk te verklaren;

- en de appellante te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

3.3. Bij haar op 5 september 2013 ter griffie neergelegde "synthese conclusie in hoger beroep" vraagt de tweede geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellante ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen, behalve voor zover de oorspronkelijke vordering van de

appellante daarbij ontvankelijk werd verklaard;

- en de appellante te veroordelen tot de kosten van het hoger beroep.

3.4. Bij haar op 12 augustus 2013 ter griffie neergelegde "laatste conclusie in hoger beroep - syntheseconclusie" vraagt de derde geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellante toelaatbaar, maar ongegrond te verklaren;

- haar incidenteel beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren;

- bijgevolg de oorspronkelijke vordering van de appellante niet toelaatbaar te verklaren;

- en de appellante te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

3.5. Bij haar op 4 september 2013 ter griffie neergelegde "tweede aanvullende en syntheseconclu-sie" vraagt de vierde geïntimeerde:

- het hoger beroep van de appellante niet ontvankelijk te verklaren;

- minstens het bestreden vonnis te bevestigen;

- in ieder geval de appellante te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

3.6. Bij haar op 5 september 2013 ter griffie neergelegde "syntheseconclusie" vraagt de vijfde geïn-timeerde:

- het hoger beroep van de appellante, indien ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren;

- haar incidenteel beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren; bijgevolg de oorspronkelijke vor-dering van de appellante niet ontvankelijk te verklaren;

- de nieuwe voor het eerst in graad van hoger beroep geformuleerde eis tot schadevergoeding niet ontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren;

- en de appellante te veroordelen tot de kosten van de beide aanleggen.

4. Beoordeling

4.1. Toelaatbaarheid van het hoger beroep

4.1.1. Het hof heeft kennis genomen van de door de wet vereiste processtukken, in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het bestreden vonnis van 8 september 2011, waarvan de akte van betekening van 6 januari 2012 niet wordt voorgelegd (maar waaromtrent geen betwisting bestaat), en stelt vast dat door de appellante tegen dat vonnis tijdig, regelmatig naar vorm en op ontvankelijke wijze hoger beroep werd aangetekend.

4.1.2. Ter terechtzitting van 3 december 2013 verklaren de eerste, de vierde en de vijfde geïntimeerde, bij monde van hun onderscheiden raadslieden, dat zij de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de appellante niet langer betwisten.

4.1.3. Ook de incidentele beroepen van de eerste, de tweede, de derde en de vijfde geïntimeerde zijn tijdig, regelmatig naar vorm en ontvankelijk.

4.2. Grond van de betwisting

4.2.1. Aangaande de vraag naar het titularisschap van de rechten en de verplichtingen die voort-vloeien uit de overeenkomsten van 14 januari 1998

4.2.1.1. De betwisting tussen de partijen betreft in eerste orde de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vorderingen van de appellante. Sommige geïntimeerden betwisten die ontvankelijkheid bij wijze van incidenteel beroep. Zij wijzen erop dat hier niet werd voldaan aan de voorwaarden van

artikel 60 Venn. W. zodat de appellante niet bewijst titularis te zijn van de rechten en de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten van 14 januari 1998.

De appellante, daarin gevolgd door de eerste rechter, is wel integendeel van oordeel dat haar oor-spronkelijke vorderingen wel degelijk ontvankelijk zijn. Weliswaar werd hier niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 60 Venn. W. De rechten en de verplichtingen die voortvloeien uit de over-eenkomsten van 14 januari 1998 zouden haar door F. F.-G. evenwel zijn overgedragen conform het gemeen recht.

4.2.1.2. Bij artikel 17 Ger.W. wordt voorgeschreven dat de rechtsvordering niet kan worden toe-

gelaten, indien de eiser geen hoedanigheid en geen belang heeft om ze in te dienen.

Degene die beweert titularis te zijn van een subjectief recht heeft het vereiste belang en de vereiste hoedanigheid om dat recht uit te oefenen door het instellen van een rechtsvordering.

De appellante beweert aanspraak te kunnen maken op de rechten en de verplichtingen die voort-vloeien uit de overeenkomsten van 14 januari 1998. Zij heeft dan ook hoedanigheid en belang bij haar oorspronkelijke vorderingen. Die vorderingen blijven ontvankelijk.

De vraag of de appellante al dan niet effectief titularis is van de rechten en de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten van 14 januari 1998, betreft de grond van de zaak. Anders dan de appellante laat gelden is de tweede geïntimeerde, die betwist dat de appellante titularis is van de betrokken rechten en verplichtingen zonder de ontvankelijkheid van haar oorspronkelijke vorderingen aan te vechten bij wijze van incidenteel beroep, daarom wel degelijk "consequent ... met zichzelf". Op de grond van de zaak wordt hierna verder ingegaan.

4.2.1.3. Sommige geïntimeerden laten gelden dat de appellante geen titularis is van de rechten en

de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten van 14 januari 1998. Die overeenkomsten werden immers aangegaan door de NV Finspico Zuid in oprichting, terwijl naderhand niet werd voldaan aan de voorwaarden bedoeld bij artikel 60 Venn. W., zodat de appellante geen titularis is geworden van die rechten en verplichtingen.

Bij artikel 60 Venn. W. wordt voorgeschreven:

"Tenzij anders is overeengekomen, zijn zij die in naam van een vennootschap in oprichting en vooral-eer deze rechtspersoonlijkheid heeft verkregen, in enigerlei hoedanigheid een verbintenis hebben aangegaan, persoonlijk en hoofdelijk aansprakelijk, behalve wanneer de vennootschap binnen twee jaar na het ontstaan van de verbintenis het in artikel 68 bedoelde uittreksel heeft neergelegd en zij bovendien die verbintenis binnen twee maanden na voormelde neerlegging heeft overgenomen. In dit laatste geval, wordt de verbintenis geacht van het begin af door de vennootschap te zijn aangegaan".

Het wordt niet betwist dat hier niet werd voldaan aan de voorwaarden bedoeld bij deze wetsbepa-ling, aangezien de appellante eerst op 23 december 2003 en dus laattijdig werd opgericht, zodat de appellante niet kan worden geacht van meet af aan partij te zijn bij de overeenkomsten van 14 januari 1998.

Bij gebreke van een andersluidend beding, is het gevolg daarvan dat F. F.-G. persoonlijk en hoofde-lijk aansprakelijk is voor de verbintenissen die uit de overeenkomsten van 14 januari 1998 voort-vloeien. Dat impliceert dat F. F.-G. daardoor ook de mogelijkheid heeft verkregen de uit de aangegane verbintenissen voortvloeiende rechten persoonlijk uit te oefenen.

4.2.1.4. De appellante betwist dat als dusdanig niet. Zij voegt er alleen aan toe dat de rechten en

de verplichtingen die voortvloeien uit de overeenkomsten van 14 januari 1998 haar naderhand door F. F.-G. zijn overgedragen conform het gemeen recht, dit meer bepaald bij toepassing van de artikelen 1690 (overdracht van schuldvordering), 1271 (schuldvernieuwing) of 1275 (delegatie) B.W.

4.2.1.5. Schuldvernieuwing door verandering van contractpartij (in welk geval alleen de appellante nog contractpartij is) en delegatie door toevoeging van een contractpartij (in welk geval de appellante contractpartij is met behoud van F. F.-G. als medecontractpartij) veronderstellen beide de toestemming van de wederpartij(en) van F. F.-G. bij de overeenkomsten van 14 januari 1998. Aangezien de betrokken geïntimeerden die toestemming betwisten, draagt de appellante daarvan de bewijslast.

Met de geïntimeerden stelt het hof vast dat de appellante de beweerde schuldvernieuwing door verandering van contractpartij met bevrijding van F. F.-G. niet bewijst. Uit geen enkel stuk blijkt de aanvaarding ervan door de wederpartij(en) van F. F.-G.

Tot bewijs van de beweerde schuldvernieuwing in de hierboven bedoelde zin verwijst de appellante in het bijzonder, enerzijds naar de inhoud van het KB van 30 december 2004 tot vaststelling van de lijsten van de passiva en van de activa bedoeld in artikel 454, § 2, tweede lid van de programmawet van 22 december 2003 die door de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen aan het Fonds voor spoorweginfrastructuur overgedragen worden en anderzijds naar de inhoud van de brief op

9 juni 2006 door de eerste geïntimeerde aan haar gericht.

Uit de inhoud van het KB van 30 december 2004 blijkt niet dat de geïntimeerden of één onder hen zouden hebben toegestemd met schuldvernieuwing in de hierboven bedoelde zin. In de bijlagen van het KB komen de gronden, voorwerp van de overeenkomsten van 14 januari 1998, alleen ter sprake als één van de activa die de derde geïntimeerde aan de tweede geïntimeerde overdraagt.

In bijlage 1 bij het KB van 30 december 2004 wordt bepaald:

"...

Aan het FIF wordt de eigendom overgedragen van 34 zogenaamde « varoliseerbare » gronden, die gedetailleerder beschreven zijn in bijlagen 1.2 tot 1.4 ...".

De bijgevoegde lijst van die activa geeft een overzicht van de gronden waarvan sprake onder verwij-zing naar 34 fiches.

In "fiche 15" staat te lezen:

"...

Het FIS neemt de rechten en verbintenissen over voortvloeiend uit de verkoopscontracten en opties afgesloten door de NMBS of een rechtsvoorganger van de NMBS :

- Verkoop-aankoopbelofte van 14 januari 1998 + aanhangsel d.d. 14 januari 1998 met N.V. Finspico Zuid en Euro Immo Star

- Optiecontract d.d. 14 januari 1998 + aanhangsel d.d. 14 januari 2008 met N.V. Finscipo Zuid en Euro Immo Star

- ...".

Van schuldvernieuwing door verandering van contractpartij met bevrijding van F. F.-G. is in het be-trokken KB en zijn bijlagen met geen woord sprake. Hetzelfde geldt ten aanzien van de brief op 9 juni 2006 door de eerste geïntimeerde toegestuurd aan de appellante.

Die brief, die enkel uitgaat van de eerste geïntimeerde, gewaagt met geen woord van enige schuld-vernieuwing in de hierboven bedoelde zin. In die brief wijst de eerste geïntimeerde alleen maar alle voorheen geformuleerde aanspraken van de appellante af in de hiernavolgende bewoordingen:

"...

Wij kunnen met de inhoud van uw schrijven niet akkoord gaan.

Zoals u weet:

EIS heeft een eerste ontwerpstructuurplan ingediend (opgemaakt door ir.-arch. J. V.) welk aanvanke-lijk niet aanvaard werd door de Stad Antwerpen. Na besprekingen met de Stad werd beslist een nieuw structuurplan en verkavelingsplan met alle bouwreglementeringen te laten opmaken door arch. J. C. in opdracht van EIS. Op basis van dit structuurplan, werd in opdracht van EIS/NMBS een MER-studie en een BPA opgemaakt; één en ander in overleg met de Stad. Dit voorstel van BPA ligt nu ter goed-keuring bij de Stad Antwerpen.

EIS heeft verder, op uw verzoek, het contract van vrij zaakvoerderschap beëindigd voor de horecazaak ‘Harwich' in september - oktober 2004, zodat het terrein van EIS voor vrij en onbelast kon worden verkocht.

EIS heeft dus langs haar zijde al haar verbintenissen voortvloeiend uit de optieovereenkomst van

14 januari 1998 nageleefd en treft terzake geen enkel verwijt.

...".

Ook de inhoud van de brief op 9 juni 2006 door de eerste geïntimeerde aan de appellante toege-stuurd, impliceert geen bewijs van aanvaarding door de eerste geïntimeerde van schuldvernieuwing in de hierboven bedoelde zin. Dat de eerste geïntimeerde zich beperkt tot verweer ten gronde, zonder daarbij het recht van optreden zelf van de appellante in vraag te stellen, kan daaraan geen afbreuk doen, dit mede gelet op wat volgt.

4.2.1.6. Anders dan bij schuldvernieuwing is bij overdracht van schuldvordering de toestemming van de wederpartij(en) van F. F.-G. niet vereist. Tegen de gecedeerde schuldenaar kan de overdracht van schuldvordering worden ingeroepen vanaf het ogenblik dat zij aan de gecedeerde schuldenaar ter kennis werd gebracht of door hem werd erkend (artikel 1690, tweede lid B.W.).

Bij brief van 24 december 2003 heeft F. F.-G. aan de derde geïntimeerde laten weten wat volgt:

"...

Betreft: Optiecontract dd. 14 januari 1998 afgesloten tussen NMBS als optiegever, NV FINSPICO ZUID in oprichting, vertegenwoordigd door Mevrouw F.-G., optiehouder en de NV EURO IMMO STAR met betrekking tot twee percelen bouwgrond voor appartementen aan de Ledeganckkaai (percelen E en F)

Geachte,

Gelieve in bijlage aan te treffen kopij van mijn brief aan NV FINSPICO ZUID, waarin ik aan deze ven-nootschap overdraag alle rechten en verplichtingen voortvloeiend uit het optiecontract dd. 14 januari 1998 met betrekking tot twee percelen (percelen "E" en "F") bouwgrond voor appartementen aan de Ledeganckkaai met elk een benaderende oppervlakte van 2.200 m² (dus in totaal ± 4.400 m²) waarbij is inbegrepen het terrein van ± 320 m² van EIS); Deze percelen zijn aangeduid op het plan aangehecht aan het optiecontract en maken deel uit van de 5e en de 6e fase van het project "Antwerpen Nieuw Zuid".

Deze brief geldt als kennisgeving conform artikel 1619 B.W.

...".

Deze brief bewijst de kennisgeving op 24 december 2003 door F. F.-G. aan haar toenmalige con-tractpartij (de derde geïntimeerde) van een overdracht van haar schuldvordering aan de appel-lante. Die overdracht van schuldvordering betreft evenwel enkel het optiecontract van 14 januari 1988. Bovendien kan een overdracht van schuldvordering enkel rechten tot voorwerp hebben, geen schulden.

Het hof stelt verder vast dat de appellante in het raam van het onderhavige geding melding heeft gemaakt van de overdracht van schuldvordering haar door F. F.-G. gedaan in het raam van beide overeenkomsten van 14 januari 1998. Minstens op die manier zijn de contractpartijen van F. F.-G. in kennis gesteld van de overdracht aan de appellante van de rechten die voortvloeien ook uit de verkoop-/aankoopbelofte van 14 januari 1998.

Het wederkerig karakter van de overeenkomsten van 14 januari 1998 kan niets veranderen aan wat voorafgaat. Zij belet de overdracht van de daaruit voortvloeiende schuldvordering niet.

4.2.1.7. Bovendien staat vast dat de appellante ook werd aanvaard als schuldenaar in het raam van de optieovereenkomst van 14 januari 1998. De appellante betwist dat als dusdanig niet. De geïnti-meerden wel, maar kunnen daarin niet alle worden gevolgd.

Bij aangetekende brief van 16 februari 2006 heeft de vierde geïntimeerde (daartoe op dat ogenblik bevoegd als vertegenwoordiger van de tweede geïntimeerde, zelf rechtsopvolger van de derde geïntimeerde), onder verwijzing naar het lichten op 24 december 2003 door de appellante van de optie in het raam van het optiecontract van 14 januari 1998, de appellante in gebreke gesteld om over te gaan tot de aankoop van de percelen E en F. Daaruit volgt impliciet dat de appellante op dat ogenblik door de tweede geïntimeerde werd erkend als titularis van de verplichtingen die voortvloeien uit

de optieovereenkomst van 14 januari 1998. Wat dat betreft, ligt derhalve een afdoende bewijs voor van de door de appellante ingeroepen delegatie door toevoeging van een schuldenaar (waardoor de appellante dienaangaande contractpartij is geworden, zij het met behoud van F. F.-G. als medecontractpartij).

De toestand is anders wat betreft de verkoop-/aankoopbelofte van 14 januari 1998. In dat verband wordt de ingeroepen delegatie door de appellante niet aangetoond.

4.2.1.8. Slotsom van wat voorafgaat is dat de appellante bewijst:

- ingevolge een overdracht van schuldvordering door F. F.-G. te haren gunste gedaan, titularis te zijn van de rechten die voortvloeien uit de beide overeenkomsten van 14 januari 1998;

- ingevolge delegatie ook titularis te zijn van de verplichtingen die voortvloeien uit de optie-overeenkomst van 14 januari 1998,

dit telkens met behoud van F. F.-G. als medecontractpartij.

Daaruit volgt dat de appellante thans als dusdanig ertoe gerechtigd is de uitvoering te vervolgen van beide overeenkomsten van 14 januari 1998, dit evenwel binnen de grenzen waarin aan die overeenkomsten uitwerking moet worden gegeven.

4.2.2. Aangaande de vraag naar de uitwerking die aan de overeenkomsten van 14 januari 1998 moet worden gegeven

4.2.2.1. De appellante laat onder meer gelden dat, anders dan in beide overeenkomsten van 14 januari 1998 uitdrukkelijk bedongen, de eerste geïntimeerde geen structuurplan bij de stad Antwer-pen heeft ingediend, minstens niet vóór einde januari 1998, en dat door de stad Antwerpen dienaangaande geen beslissing werd genomen. Zij vordert om die reden (weliswaar ondergeschikt) dat voor recht zou worden gezegd dat "de eerste geïntimeerde zich schuldig heeft gemaakt aan een contractuele wanprestatie door niet en/of minstens niet tijdig een structuurplan op te maken en in te dienen bij de stad Antwerpen hetwelk haar en FSI in de mogelijkheid zou stellen om de contractuele afspraken t.o.v. concluante verder uit te voeren".

De geïntimeerden betwisten deze beweringen van de appellante. Zij houden voor dat wel degelijk het bij de overeenkomsten van 14 januari 1998 bedoelde structuurplan werd ingediend (het zoge-naamde plan V.), maar dat dit plan door de stad Antwerpen niet werd goedgekeurd en ook nooit nog zal worden goedgekeurd (dit ingevolge de grondige wijziging van het project Antwerpen Nieuw Zuid doorgevoerd wegens de oprichting ter plaatse van het nieuwe justitiepaleis). Aangezien daar-door het voorwerp van de betrokken overeenkomsten (de verkochte percelen) niet meer be-paalbaar zou zijn, zijn die overeenkomsten sindsdien vervallen.

4.2.2.2. Dat de appellante "noch voor de eerste rechter noch in de procedures in kort geding ooit be-twist heeft dat (de eerste geïntimeerde) het plan Voncke wel degelijk heeft besproken met de over-heden die bevoegd zijn in het kader van de gewenste bestemming van het gebied ter plaatse gekend als "Antwerpen Nieuw Zuid'", doet niets ter zake. Het niet-betwisten van een door een procespartij aangevoerd feit impliceert in principe geen erkenning of bekentenis daarvan en kan dan ook steeds worden herroepen (o.a. Cass. 27 februari 1998, Arr. Cass. 1998, 248). Dat geldt ook hier. Het andersluidend standpunt van de geïntimeerden wordt niet bijgetreden.

4.2.2.3. In beide overeenkomsten van 14 januari 1998 wordt uitdrukkelijk bedongen dat de exacte ligging van de verkochte percelen tussen de partijen zal worden bepaald binnen de 15 dagen nadat het door de eerste geïntimeerde vóór einde januari 1998 ingediende structuurplan (dat de mogelijkheid voorziet op de betrokken percelen appartementsgebouwen van 6 bovengrondse bouwlagen

op te richten, zodat in totaal op elk perceel 48 appartementen van ± 150 m² kunnen gebouwd wor-den met bijhorende ondergrondse parkingplaatsen) door de stad Antwerpen goedgekeurd werd. Het antwoord op de vraag of door de eerste geïntimeerde al dan niet (tijdig) een structuurplan met de voormelde inhoud werd ingediend en, in bevestigend geval, welke beslissing van de stad Antwerpen daarop is gevolgd, is bijgevolg cruciaal bij de beoordeling van de vraag welke uitwerking aan de overeenkomsten van 14 januari 1998 moet worden gegeven.

4.2.2.4. Het hof stelt vast dat geen van de partijen vooralsnog enig stuk voorlegt, afkomstig van de stad Antwerpen, waaruit blijkt dat de stad Antwerpen indertijd enige beslissing zou hebben genomen omtrent een door de eerste geïntimeerde ingediend structuurplan dat beantwoordt aan de contractuele omschrijving daarvan.

4.2.2.5. Bij artikel 961/1 Ger. W. wordt voorgeschreven:

"Zo het getuigenbewijs toelaatbaar is, mag de rechter van derden verklaringen in schriftelijke vorm aannemen die hem inzicht kunnen verschaffen in de betwiste feiten waarvan zij persoonlijk weet heb-ben".

Alvorens nader te oordelen, verzoekt het hof, bij toepassing van deze wetsbepaling, de stad

Antwerpen over te gaan tot overlegging van een schriftelijke verklaring conform de voorschriften

van artikel 961/2 Ger. W. omtrent de hiernavolgende betwiste feiten:

- heeft de NV Euro Immo Star bij de stad Antwerpen met betrekking tot de percelen, voorwerp van de overeenkomsten van 14 januari 1998, een structuurplan ingediend dat de mogelijkheid voorziet op de betrokken percelen appartementsgebouwen van 6 bovengrondse bouwlagen op te richten, zodat in totaal op elk perceel 48 appartementen van ± 150 m² kunnen gebouwd wor-den met bijhorende ondergrondse parkingplaatsen ?

- in bevestigend geval, om welk structuurplan gaat het precies ?

- steeds in bevestigend geval, heeft die indiening plaatsgehad vóór eind januari 1998 ? Zo niet, wanneer dan wel ?

- nog altijd in geval een dergelijk structuurplan werd ingediend, welke beslissing heeft de stad Antwerpen daarover genomen ?

5. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

het hof:

- verklaart het hoger beroep van de appellante en de incidentele beroepen van de eerste, de tweede, de derde en de vijfde geïntimeerde ontvankelijk;

- wijst de incidentele beroepen van de eerste, de tweede, de derde en de vijfde geïntimeerde af als ongegrond;

- verzoekt, alvorens nader te oordelen, conform de artikelen 877 e.v. Ger. W. de stad Antwerpen, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, waarvan de kantoren gevestigd zijn op het stadhuis te 2000 Antwerpen, Grote Markt 1, de overlegging door voeging bij het dossier van de rechtspleging, van haar schriftelijke verklaring in de zin van de artikelen 961/1-3 Ger. W. omtrent de feiten hierboven in nummer 4.2.2.5 nader omschreven;

- bepaalt dat deze overlegging dient te geschieden door toezending bij aangetekende brief aan de griffie van dit hof en binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van dit arrest;

- zegt voor recht dat de stad Antwerpen binnen deze drie maanden desgevallend, hetzij haar schriftelijke opmerkingen, hetzij haar verzoek om in raadkamer te worden gehoord, kan doen toekomen op de griffie van dit hof;

- beveelt aan de griffier de kennisgeving van dit arrest door gerechtsbrief aan de stad Antwer-pen;

- heropent de debatten en stelt de zaak in voortzetting op de zitting van 2 JUNI 2014 om 12.00 uur (voorziene pleitduur: 30 minuten), dit evenwel enkel ter controle van de naleving door de stad Antwerpen van dit bevel en met het oog op de vaststelling van een eventuele aanvullende conclusiekalender en een nieuwe pleitdatum;

- houdt de beslissing omtrent de gedingkosten aan.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van DERTIEN JANUARI TWEEDUIZEND VEERTIEN door:

M. BLEYENBERGH raadsheer, dd. voorzitter

B. CATTOIR raadsheer

R. LYEN raadsheer

G. VELTMANS griffier

G. VELTMANS R. LYEN

B. CATTOIR M. BLEYENBERGH

Free keywords

  • Schuldvernieuwing

  • art. 1271 BW

  • verandering van contractpartij Delegatie

  • art. 1275 BW

  • toevoeging van contractpartij Overdracht van schuldvordering

  • art. 1690 BW