- Arrêt of February 12, 2014

12/02/2014 - 2013AR2452

Case law

Summary

Samenvatting 1

Zij laten gelden dat krachtens art. 1050, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep kan worden ingesteld, samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis.

Vermits de wetgever in deze omschrijving van het begrip "eindvonnis" verwijst naar de uitputting van de rechtsmacht over "een" geschilpunt, is er geen terminologisch onderscheid gemaakt tussen het vonnis waarmee de rechter zijn rechtsmacht uitput over "een" bepaald geschilpunt waaromtrent tussenpartijen betwisting bestaat, m.a.w. een eindbeslissing over dat geschilpunt en het vonnis waarmee de rechter zijn rechtsmacht geheel uitput over "alle" geschilpunten. Onder de term "eindvonnis" van art. 19 van het Gerechtelijk Wetboek moet zowel een eindbeslissing als een eindvonnis in de voormelde betekenis worden begrepen.

Door te beslissen dat de eis van Nelis ontvankelijk was, heeft de eerste rechter geen eindbeslissing genomen, vermits in de stand van het geding, zoals deze zich toen voordeed, er geen geschil over de ontvankelijkheid van deze eis bestond. Desbetreffend heeft hij zijn rechtsmacht ook niet over enig geschilpunt uitgeput.

Maatregelen van inwendige aard zijn beslissingen waarbij de rechter geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard, of geen enkele feitelijke kwestie of rechtskwestie beslecht, of daarover een beslissing wijst, zodat die beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan één van de partijen.

Het hof besluit hieruit dat de beslissing tot samenvoeging van aard was, het desbetreffend tussen partijen gerezen geschilpunt te beslechten in het voordeel van de ene en in het nadeel van de andere.


Arrêt - Integral text

1. GROUPE HAUSSMANN BELGIUM NV,

met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Boudewijnlaan 14-15,

met ondernemingsnummer 0437.648.261,

2. I.G.H. BVBA,

met maatschappelijke zetel te 1000 BRUSSEL, Boudewijnlaan 14-15,

met ondernemingsnummer 0439.287.759,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. KARLSSAN J. loco Mr. DESTERNES Florence, advocaat te 1160 BRUSSEL, avenue Tedesco 7,

tegen het vonnis van de vakantiekamer van de Rechtbank van koophandel te Mechelen van 31 juli 2013

tegen

1. NELIS BOUWONDERNEMING NV,

met vennootschapszetel te 2280 GROBBENDONK, Hazerlaardreef 13,

met ondernemingsnummer 0404.039.048,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. MEEUS Senne loco Mr. DE SMET Tom, advocaat te 2800 MECHELEN, Grote Nieuwedijkstraat 417,

2. NEBOUW BVBA,

met vennootschapszetel te 2560 NIJLEN, Lindekensbaan 91/B,

met ondernemingsnummer 0463.676.628,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. LEVRIE Marc loco Mr. QUICK Frans, advocaat te 2820 RIJMENAM, Lange Dreef 18.

1. DE FEITEN

1.1.

De NV Nelis Bouwonderneming heeft voorgehouden dat zij voor een werf te Brussel, Vlaamse steenweg 54 en een werf te Brussel, Zeehondstraat 19, twee onderaannemingsovereenkomsten sloot met de NV Groupe Haussmann Belgium en dat werd overeengekomen dat de facturen zouden worden uitgereikt ten laste van de BVBA IGH.

Volgens de NV Nelis Bouwonderneming bleven zeven facturen voor een totale som van euro 40 372,12 onbetaald. Zij zou van deze facturen slechts een gedeeltelijke betaling hebben ontvangen ten belope van euro 10 846,95.

1.2.

De BVBA Nebouw beweert dat zij een onderaannemingsovereenkomst sloot met de NV Nelis Bouwonderneming voor de werf Zeehondstaat 19 te Brussel.

Volgens de NV Nebouw schreef zij twee facturen uit op naam van de NV Nelis Bouwonderneming, samen ten belope van euro 27 111,93.

Zij houdt voor dat ze geen betaling verkreeg.

2. DE VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

2.1.

In een dagvaarding van 23 mei 2013, om te verschijnen voor de rechtbank van koophandel te Mechelen, heeft de NV Nelis Bouwonderneming de hoofdelijke veroordeling gevorderd van de BVBA IGH en van de NV Groupe Haussmann Belgium tot de betaling van de som van euro 33 562,38, vermeerderd met de conventionele interesten naar rato van 10% op de som van euro 40 372,12 vanaf de vervaldagen van de facturen, met de gerechtelijke intresten en de proceskosten.

De NV Nelis Bouwonderneming vorderde op grond van de aannemingsovereenkomst met de NV Groupe Haussmann Belgium waarop, volgens haar, haar algemene voorwaarden van toepassing zijn, inclusief de daarin vermelde forumkeuze.

2.2.

In een dagvaarding van 10 juni 2013, om te verschijnen voor de rechtbank van koophandel te Mechelen, vorderde de BVBA Nebouw de veroordeling van de NV Nelis Bouwonderneming en van de BVBA IGH, solidair, in solidum, minstens van de ene bij gebreke van de andere, tot de betaling van de som van euro 27 111,93, vermeerderd met de intresten volgens de Wet op de betalingsachterstand in handelszaken en met de proceskosten.

De eis van de BVBA Nebouw tegen de NV Nelis Bouwonderneming werd gesteund op de overeenkomst van onderaanneming van partijen.

De eis van de BVBA Nebouw tegen de BVBA IGH betreft de rechtstreekse vordering van de onderaannemer tegen de bouwheer.

2.3.

In beide zaken hebben de gedaagden de territoriale bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Mechelen betwist.

Zij hebben ook betwist dat de werken in kwestie werden uitgevoerd volgens de regels van de kunst en volgens de overeenkomsten van partijen.

2.4.

In het bestreden vonnis van 31 juli 2013 verklaarde de rechtbank van koophandel te Mechelen zich territoriaal bevoegd om kennis te nemen van de beide zaken en voegde deze samen.

Alvorens verder over de grond van beide zaken te oordelen, werd een bouwkundig deskundigenonderzoek bevolen.

2.5.

De NV Groupe Haussmann Belgium, hierna in ‘t kort Haussmann genoemd en de BVBA IGH stelden een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep in bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 28 augustus 2013.

De zaak werd behandeld met toepassing van art. 1066 van het Gerechtelijk Wetboek ter terechtzitting van 26 november 2013, enkel met betrekking tot het bevoegdheidsgeschil.

3. DE STANDPUNTEN IN HOGER BEROEP

3.1.

Haussmann en BVBA IGH verzoeken de samenvoeging van de oorspronkelijk, afzonderlijk aanhangig gemaakte zaken, bij hervorming van het bestreden vonnis ongedaan te maken.

Ten aanzien van de eis van de NV Nelis Bouwonderneming verzoeken zij:

"de hoofdvordering van de NV Nelis Bouwonderneming onontvankelijk en ongegrond te verklaren, gelet op de territoriale onbevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Mechelen"

en

"te bevestigen dat de Franstalige kamer van de rechtbank van koophandel te Brussel bevoegd is en de zaak daarnaar te verzenden."

Ondergeschikt vragen zij een deskundigenonderzoek.

Ten aanzien van de eis van de BVBA Nebouw verzoekt BVBA IGH deze eis onontvankelijk en ongegrond te verklaren.

In het geval het hof de samenvoeging van beide zaken toch zou bevestigen, verzoekt BVBA IGH de zaak met betrekking tot de eis van de BVBA Nebouw ook te verzenden naar de Franstalige kamer van de rechtbank van koophandel te Brussel.

3.2.

De NV Nelis Bouwonderneming, hierna in 't kort Nelis genoemd, verzoekt het hoger beroep van Haussmann en van BVBA IGH onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis te bevestigen.

Zij vraagt Haussmann en BVBA IGH te verwijzen in de proceskosten.

3.3.

De BVBA Nebouw, hierna in 't kort Nebouw genoemd, concludeert tot de afwijzing van het hoger beroep van Haussmann en van BVBA IGH als onontvankelijk, minstens als ongegrond.

Nebouw heeft een tegeneis ingesteld en vordert de veroordeling van Haussmann en van BVBA IGH, solidair, in solidum, minstens van de ene bij gebreke van de andere, tot de betaling van een schadevergoeding van euro 2 000,00 wegens procesrechtsmisbruik.

Nebouw heeft ook een incidenteel beroep ingesteld en vordert de veroordeling van Haussmann en BVBA IGH, solidair, in solidum, minstens van de ene bij gebreke van de andere, tot de betaling van euro 15 000,00 en te zeggen voor recht dat de betaling van de ene, de andere zal bevrijden.

Voor het overige besluit Nebouw tot de bevestiging van het bestreden vonnis en tot de terugzending van de zaak naar de rechtbank van koophandel te Mechelen voor verdere afdoening.

Nebouw verzoekt Haussmann en BVBA IGH te veroordelen tot de proceskosten in hoger beroep.

4. BEOORDELING

De ontvankelijkheid van het hoger beroep van Haussmann en van BVBA IGH.

4.1.

Nelis en Nebouw werpen de onontvankelijkheid op van het hoger beroep van Haussmann en IGH.

Zij laten gelden dat krachtens art. 1050, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, tegen een beslissing inzake bevoegdheid slechts hoger beroep kan worden ingesteld, samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Zij houden voor dat het bestreden vonnis geen eindvonnis is, ook al heeft de eerste rechter hun eisen ontvankelijk verklaard en een deskundigenonderzoek bevolen.

Haussmann en BVBA IGH verzoeken hun hoger beroep ontvankelijk te verklaren. Volgens hen is het bestreden vonnis wel een eindvonnis in de zin van art. 1050, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek.

4.2.

Naar luid van art. 19 van het Gerechtelijk Wetboek, is een vonnis een eindvonnis in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt is uitgeput, behoudens de rechtsmiddelen door de wet bepaald.

Vermits de wetgever in deze omschrijving van het begrip "eindvonnis" verwijst naar de uitputting van de rechtsmacht over "een" geschilpunt, is er geen terminologisch onderscheid gemaakt tussen het vonnis waarmee de rechter zijn rechtsmacht uitput over "een" bepaald geschilpunt waaromtrent tussenpartijen betwisting bestaat, m.a.w. een eindbeslissing over dat geschilpunt en het vonnis waarmee de rechter zijn rechtsmacht geheel uitput over "alle" geschilpunten. Onder de term "eindvonnis" van art. 19 van het Gerechtelijk Wetboek moet zowel een eindbeslissing als een eindvonnis in de voormelde betekenis worden begrepen.

Krachtens art. 1050, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis.

Aldus kan in de regel steeds onmiddellijk een rechtsmiddel worden aangewend tegen eindbeslissingen in de zin van art. 19 van het Gerechtelijk Wetboek. Zoals voormeld, kan tegen een beslissing inzake bevoegdheid met toepassing van art. 1050, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek slechts hoger beroep worden ingesteld, samen met het hoger beroep tegen het eind vonnis.

4.3.

Haussmann en BVBA IGH werpen aan de exceptie van onontvankelijk van hun hoger beroep, zoals voorgedragen door Nelis en Nebouw, tegen dat het bestreden tussenvonnis een eindvonnis (eindbeslissing) is, in de voormelde zin, waartegen hoger beroep openstond.

Zij voeren aan dat het verbod van onmiddellijk hoger beroep tegen uitspraken inzake bevoegdheid (art. 1050, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek), slechts geldt voor beslissingen inzake bevoegdheid die uitgesproken worden samen met een vonnis alvorens recht te doen, waarin geen uitspraak gedaan wordt over enig geschilpunt.

Volgens Haussmann en BVBA IGH is het bestreden vonnis een gemengd vonnis, waarbij zowel uitspraak werd gedaan over de territoriale bevoegdheid van de geadiëerde rechter, als over de ingediende excepties van onontvankelijkheid van de oorspronkelijke hoofdeisen van Nelis en van Nebouw. Zij laten gelden dat de eerste rechter in het bestreden vonnis zijn rechtsmacht uitputte over deze geschilpunten zodat zijn vonnis, niettegenstaande hierbij ook uitspraak over de bevoegdheid werd gedaan, onmiddellijk appellabel was.

4.4.

Het staat vast dat de oorspronkelijke eisen van Nelis en van Nebouw in het bestreden vonnis ontvankelijk werden verklaard.

Haussmann en BVBA IGH houden dus voor dat door deze beslissing de rechtsmacht van de eerste rechter werd uitgeput over de door hen ingediende excepties van onontvankelijkheid.

Haussmann en BVBA IGH dienden in eerste aanleg inzake A/13/975 volgende "excepties van onontvankelijkheid " in:

 territoriale onbevoegdheid van de eerste rechter: Haussmann voerde aan dat tussen haar en Nelis een forumbeding was overeengekomen met een exclusieve forumkeuze voor de Brusselse rechtbanken, Franstalige kamers.

 territoriale onbevoegdheid van de eerste rechter: Haussmann en BVBA IGH voerden aan dat naar gemeen recht (art. 624, 1ste, 2de en 3de van het Gerechtelijk Wetboek) enkel de rechtbank van koophandel te Brussel territoriaal bevoegd was om kennis te nemen van het geschil.

Zo blijkt dat deze excepties uitsluitend bevoegdheidsexcepties waren.

De eerste rechter heeft recht gedaan over deze excepties van onbevoegdheid, doch deze beslissing betreft een beslissing zoals bedoeld in art. 1050, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, zijnde de uitzondering tegen de onmiddellijke appellabiliteit van vonnissen, zoals bedoeld in art. 1050, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek. In zoverre de eerste rechter derhalve in het bestreden vonnis besliste over het geschilpunt van de territoriale bevoegdheid, heeft hij geen eindbeslissing genomen die vatbaar was voor onmiddellijk hoger beroep.

 het ontbreken van enige rechtsband tussen BVBA IGH en Nelis: deze zogenaamde exceptie van onontvankelijkheid slaat niet op de onontvankelijkheid van de eis van Nelis, maar raakt de grond van de betwisting van zijn vordering. BVBA IGH heeft dit trouwens goed beseft, vermits zij in fine van haar argumentatie in haar tweede conclusie van 17 juli 2013, p. 9, onder de titel: "Onontvankelijkheid van de hoofdvordering ten opzichte van de BVBA IGH" besloot dat de eis van Nelis te haren opzichte "ongegrond" moest worden verklaard. Door te beslissen dat de eis van Nelis ontvankelijk was, heeft de eerste rechter de grond van de zaak niet geraakt en heeft hij zich dus ook niet uitgesproken over het verweermiddel van BVBA IGH, dat erin bestond dat er tussen haar en Nelis geen rechtsband bestond en dat door BVBA IGH ten onrechte verpakt werd als een exceptie van onontvankelijkheid. Over het desbetreffende verweer, heeft de eerste rechter zijn rechtsmacht nog niet uitgeput.

Door te beslissen dat de eis van Nelis ontvankelijk was, heeft de eerste rechter geen eindbeslissing genomen, vermits in de stand van het geding, zoals deze zich toen voordeed, er geen geschil over de ontvankelijkheid van deze eis bestond. Desbetreffend heeft hij zijn rechtsmacht ook niet over enig geschilpunt uitgeput.

BVBA IGH diende in eerste aanleg inzake A/13/1108 de volgende "excepties van onontvankelijkheid" in:

 het ontbreken van enige rechtsband tussen BVBA IGH en Nebouw: ook in dit verband merkt het hof op dat deze zogenaamde exceptie van onontvankelijkheid niet slaat op de onontvankelijkheid van de eis van Nebouw, maar de grond van de betwisting van haar vordering betreft. BVBA IGH heeft in fine van haar argumentatie in haar conclusie van 17 juli 2013, p. 6, onder de hoofding: "Onontvankelijkheid van de hoofdvordering t.o.v. van de BVBA IGH" besloten dat de eis van Nebouw te haren opzichte "ongegrond" moest worden verklaard.

Het hof herhaalt de voormelde redengeving in die zin dat de eerste rechter, door te beslissen dat de eis van Nebouw ontvankelijk was, de grond van de zaak niet heeft geraakt en hij zich dus ook niet heeft uitgesproken over het verweermiddel van BVBA IGH, dat erin bestond dat er tussen haar en Nebouw geen rechtsband bestond en dat door BVBA IGH ten onrechte verpakt werd als een exceptie van onontvankelijkheid. Over het desbetreffende verweer heeft de eerste rechter zijn rechtsmacht nog niet uitgeput.

 territoriale onbevoegdheid van de eerste rechter: BVBA IGH verwees naar de voormelde forumkeuze, die voorkomt in de aannemingsovereenkomsten die werden gesloten tussen Nelis en Haussmann en concludeerde tot de niet tegenwerpelijkheid aan haar van de forumkeuze in de algemene voorwaarden van Nebouw.

 territoriale onbevoegdheid van de eerste rechter: BVBA IGH voerde aan dat naar gemeen recht (art. 624, 1ste, 2de en 3de van het Gerechtelijk Wetboek) enkel de rechtbank van koophandel te Brussel territoriaal bevoegd was om kennis te nemen van het geschil met Nebouw.

Het betreft dus telkens excepties van onbevoegdheid, die geen aanleiding hebben gegeven tot een beslissing over de ontvankelijkheid van de ingediende eisen. Tegen de beslissingen over deze excepties is slechts hoger beroep mogelijk, samen met het eindvonnis.

Door te beslissen dat de eis van Nebouw ontvankelijk was, heeft de eerste rechter geen eindbeslissing genomen, vermits in de stand van het geding, zoals deze zich toen voordeed, er geen geschilpunt over de ontvankelijkheid van deze eis bestond, wel over de gegrondheid ervan en de eerste rechter door zijn beslissing, zijn rechtsmacht niet over enig desbetreffend geschilpunt heeft uitgeput.

4.5.

In het bestreden vonnis werd verder beslist tot de samenvoeging wegens samenhang van de zaken A.R. A/13/975 en A.R. A/13/1108.

De eerste rechter heeft tot deze samenvoeging beslist in het kader van de betwisting die was gerezen tussen Nelis, enerzijds en Haussmann en BVBA IGH, anderzijds in de zaak A.R. A/13/975.

In haar conclusie van 17 juli 2013 inzake A.R. A/13/975 vorderde Nelis immers de samenvoeging van de zaak met de zaak Nebouw vs BVBA IGH, ingeschreven onder het algemeen rolnummer A.R. A/13/1108. Zij verwees ter ondersteuning van haar vraag tot samenvoeging naar de samenhang tussen beide zaken.

In hun conclusie van 17 juni 2013 inzake A.R. A/13/975 hebben Haussmann en BVBA IGH zich tegen de samenvoeging met de zaak A.R. A/13/1108 verzet, betwistend dat er tussen beide zaken samenhang bestond.

De vraag rijst of de beslissing van de eerste rechter tot de voormelde samenvoeging, geldt als een eindbeslissing, dan wel als een beslissing van inwendige aard, in welk geval deze beslissing met toepassing van art. 1046 van het Gerechtelijk Wetboek niet voor hoger beroep vatbaar zou zijn.

Maatregelen van inwendige aard zijn beslissingen waarbij de rechter geen enkel geschil van feitelijke of juridische aard, of geen enkele feitelijke kwestie of rechtskwestie beslecht, of daarover een beslissing wijst, zodat die beslissing geen onmiddellijk nadeel kan berokkenen aan één van de partijen.

Zoals voormeld, hebben partijen inzake A.R. A/13/975 tegenstrijdige standpunten ingenomen met betrekking tot de vraag van Nelis tot samenvoeging van de zaak met de zaak AR A/13/1108. Het is dus zeker dat tussen deze partijen een geschilpunt bestond dat door hen aan de vrije beoordeling van de feitenrechter werd voorgelegd.

De beoordeling van dit geschilpunt raakt het belang van de betrokken partijen. Nelis verwachtte immers haar belangen beter te kunnen behartigen na de gevraagde samenvoeging, omdat dan de betwistingen met haar opdrachtgever(s) en met haar onderaannemer tegelijk konden worden beslecht. Haussmann en BVBA IGH, van hun kant, vreesden dat hun geschil met Nelis voor hen complexer zou worden door de samenvoeging met de zaak, ingeleid door Nebouw en door de taal van de rechtspleging. Het hof besluit hieruit dat de beslissing tot samenvoeging van aard was, het desbetreffend tussen partijen gerezen geschilpunt te beslechten in het voordeel van de ene en in het nadeel van de andere.

Aldus blijkt dat de beslissing tot samenvoeging geen beslissing van inwendige aard was, maar een eindbeslissing waarmee de eerste rechter met uitputting van zijn rechtsmacht heeft geoordeeld over een geschilpunt dat een onmiddellijk nadeel/voordeel heeft kunnen meebrengen voor één van de partijen.

De beslissing van samenvoeging is dus niet alleen vatbaar voor hoger beroep, maar geldt als een eindbeslissing, waarmee tegelijk met toepassing van art. 1050, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek hoger beroep kon worden ingesteld tegen de in hetzelfde vonnis genomen beslissingen inzake bevoegdheid.

4.6.

Het hof verklaart het hoger beroep van Haussmann en BVBA IGH ontvankelijk.

De territoriale (on-)bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Mechelen inzake A.R. A/13/975 en inzake A.R. A/13/1108.

4.7.

In haar conclusie, neergelegd ter griffie van de eerste rechter, op 10 juni 2013 inzake A.R. A/13/975, heeft Haussmann, vóór ieder ander verweer (art. 854 van het Gerechtelijk Wetboek) de territoriale onbevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Mechelen opgeworpen. Zij wees de rechtbank van koophandel te Brussel, Franstalige kamer, aan als de bevoegde rechter.

Deze exceptie van territoriale onbevoegdheid liet Haussmann steunen op het art. 9.3 van de overeenkomsten die zij respectievelijk op 17 mei 2011 en 4 juli 2012 sloot met Nelis.

Nelis heeft geconcludeerd tot de afwijzing van deze exceptie van territoriale onbevoegdheid en heeft daarbij gesteund op volgende argumenten:

 de samenhang van de zaak A.R. A/13/975 met de aanhangige zaak A.R. A/13/1108 (Nebouw vs Nelis en BVBA IGH), waarvoor de rechtbank van koophandel te Mechelen, volgens haar, onbetwistbaar territoriaal bevoegd was om van beide zaken kennis van te nemen;

 de aanvaarding door Haussmann van art. 12 van haar factuurvoorwaarden, waarin de territoriale bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Mechelen was bedongen.

4.8.

In haar conclusie, neergelegd ter griffie van de eerste rechter op 17 juli 2013 inzake A.R. A/13/1108, heeft BVBA IGH de territoriale onbevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Mechelen opgeworpen. Zij heeft haar exceptie laten steunen op het forumbeding van artikel 9.3 van de overeenkomsten van 17 mei 2011 en van 4 juli 2012, gesloten tussen Haussmann en Nelis.

4.9.

De eerste rechter heeft besloten tot zijn territoriale bevoegdheid op grond van samenhang van de zaak A.R. A/13/975 met de zaak A.R. A/13/1108.

Voor de eerste rechter werden de voormelde excepties van territoriale onbevoegdheid ter beoordeling gesteld.

Tegelijk moest de eerste rechter zich uitspreken over het verzoek van Nelis, ingediend door middel van haar conclusie van 17 juli 2003, tot samenvoeging van beide voormelde zaken.

In het bestreden vonnis werd terecht vastgesteld dat de rechtbank van koophandel te Mechelen territoriaal bevoegd was om kennis te nemen van de vorderingen ingediend inzake A.R. A/13/1108 (Nebouw vs Nelis - BVBA IGH).

De eerste rechter heeft de territoriale bevoegdheid van de rechtbank van koophandel te Mechelen terecht kunnen steunen op het art. 12 van de algemene voorwaarden van Nebouw, toepasselijk in de rechtsverhouding tussen Nebouw en de oorspronkelijke eerste gedaagde Nelis inzake A.R. A/13/1108. Deze territoriale bevoegdheid was trouwens eveneens in overeenstemming met de toepassing van het art. 624, 1° van het Gerechtelijk Wetboek.

Aan de juistheid van deze beoordeling werd niet afgedaan door de omstandigheid dat BVBA IGH in dezelfde zaak A.R. A/13/1108 als tweede gedaagde betrokken was. De rechter die territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van een vordering die bij hem aanhangig is gemaakt, kan met toepassing van art. 566 van het Gerechtelijk Wetboek eveneens uitspraak doen over de hiermee samenhangende vorderingen, ook al zouden die, wanneer ze afzonderlijk zouden worden ingesteld, voor verschillende rechtbanken moeten worden gebracht. De omstandigheid dat de rechter zijn territoriale bevoegdheid ontleent aan een conventioneel bevoegdheidsbeding, sluit de toepassing van de regels inzake samenhang niet uit.

Krachtens art. 634 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de regels betreffende de tegenvorderingen, de vorderingen tot tussenkomst, de aanhangigheid en de samenhang, zoals bepaald zijn in art. 563, 564, 565 en 566, van toepassing op de territoriale bevoegdheid.

Na zijn territoriale bevoegdheid terecht te hebben vastgesteld over minstens één van de zaken (A.R. A/13/1108) waarvan de samenvoeging werd gevraagd, vermocht de eerste rechter met toepassing van voormeld art. 566 van het Gerechtelijk Wetboek de samenvoeging met de andere zaak (A.R. A/11/975) te bevelen, na te hebben vastgesteld dat beide zaken samenhangend waren, ook al zouden die zaken voor verschillende rechtbanken moeten worden gebracht indien er geen samenhang was.

4.10.

Uit de facturen van Nebouw aan Nelis, voorwerp van de hoofdeis van Nebouw inzake A.R. A/13/1108, blijkt dat de in rekening gebrachte sommen betrekking hebben op de uitvoering van werken op de werf Zeehondstraat te Brussel ("Groupe Haussmann").

De werken aan het gebouw Zeehondstraat te Brussel zijn het voorwerp van één van de overeenkomsten tussen Haussmann en Nelis van 4 juli 2012.

Deze overeenkomst van 4 juli 2012 is, samen met de overeenkomst tussen Haussmann en Nelis van 17 mei 2011 m.b.t. de werf Vlaanderenstraat 54 te Brussel, het voorwerp van de hoofdeis ingesteld door Nelis inzake A.R. A/13/975.

Aldus is gebleken dat de ingediende vorderingen slaan op de rechtsverhoudingen tussen de bouwheer (Haussmann en/of BVBA IGH), de hoofdaannemer (Nelis) en de onderaannemer (Nebouw) van alleszins éénzelfde werf (Zeehondstraat).

Aldus blijkt dat tussen de vorderingen in beide zaken (A.R. A/13/975 en A.R. A/13/1108) onderling een zo nauw verband bestaat, dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaak afzonderlijk worden berecht.

De eerste rechter heeft dan ook terecht met toepassing van art. 30 van het Gerechtelijk Wetboek, de samenhang tussen de voormelde vorderingen vastgesteld. Op grond van deze samenhang en om redenen van goede rechtsbedeling, heeft de eerste rechter de exceptie van territoriale onbevoegdheid van Haussmann inzake A.R. A/13/975 terecht afgewezen.

4.11.

Het hof besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep van Haussmann en BVBA IGH.

Het incidenteel beroep van Nebouw.

4.12.

Nebouw vordert dat Haussmann en BVBA IGH zouden worden veroordeeld tot de betaling aan haar van een provisionele som van euro 15 000,00.

Haussmann en BVBA IGH concluderen tot de afwijzing van dit incidenteel beroep van Nebouw als ongegrond.

De eerste rechter heeft er terecht op gewezen dat zowel Haussmann als BVBA IGH hebben betwist dat de werken in kwestie volgens de regels van de kunst werden uitgevoerd. Verder werd in het bestreden vonnis geoordeeld dat het noodzakelijk is voor de oplossing van het geschil, alvorens verder recht te doen, een deskundigenonderzoek te bevelen. Nebouw toont niet aan dat er enige grond bestaat om desbetreffend thans anders te oordelen. Dit is in de actuele stand van het geding des te meer het geval, vermits Nebouw vooralsnog niet aantoont lastens welke partij als bouwheer (Haussmann en/of BVBA IGH) zij een rechtstreekse eis als onderaannemer bezit.

Het incidenteel beroep van Nebouw is dan ook ongegrond.

De tegeneis van Nebouw.

4.13.

Nebouw vordert de veroordeling van Haussmann en van BVBA IGH tot de betaling van een schadevergoeding van euro 2 000,00 wegens procesrechtsmisbruik.

Haussmann en BVBA IGH concluderen tot de afwijzing van deze tegeneis als ongegrond.

4.14.

Nebouw steunt het zogenaamde procesrecht onder meer op de onontvankelijkheid van het hoger beroep van Haussmann en van BVBA IGH. Voormeld is echter gebleken dat dit hoger beroep ontvankelijk is.

Nebouw voert tevens ter ondersteuning van haar tegeneis aan dat Haussmann en BVBA IGH het rechtsmiddel van hoger beroep hebben aangewend, op een wijze zoals geen enkele andere redelijke procespartij het zou doen. Klaarblijkelijk bedoelt Nebouw dat Haussmann en BVBA IGH geen redelijk belang hebben laten gelden bij het instellen van het hoger beroep. Laatstgenoemden hebben evenwel door middel van hun hoger beroep de beslissing van de eerste rechter over de territoriale bevoegdheid aangevochten. Ook al worden zij desbetreffend in het ongelijk gesteld, moet worden aangenomen dat zij door het door hen gekozen forum na te streven, een redelijk processueel voordeel op het oog hadden. Het is dan ook door Nebouw niet aangetoond dat Haussmann en BVBA IGH door hoger beroep in te stellen, kennelijk handelden in strijd met het optreden van een normaal voorzichtige en bedachtzame procespartij, geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden.

Het hof verklaart de tegeneis van Nebouw dan ook ongegrond.

De proceskosten.

4.15.

Haussmann en BVBA IGH zijn ten aanzien van Nelis de in het ongelijk gestelde partij, die met toepassing van art. 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek tot de proceskosten in hoger beroep moeten worden veroordeeld.

Haussmann en BVBA IGH, enerzijds en Nebouw, anderzijds, zijn ieder in hun onderlinge eisen omtrent enig geschilpunt in het ongelijk gesteld. Het is dan ook overeenkomstig art. 1017, 4de lid van het Gerechtelijk Wetboek raadzaam de proceskosten in hoger beroep tussen deze partijen om te slaan in de hierna bepaalde mate.

5. BESLISSING

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van de NV Groupe Haussmann Belgium en van de BVBA IGH ontvankelijk, doch ongegrond.

Het hof verklaart het incidenteel beroep van de BVBA Nebouw toelaatbaar, doch ongegrond.

Het hof bevestigt het bestreden vonnis.

Het hof zendt de zaak met toepassing van art. 1068, 2de lid van het Gerechtelijk Wetboek, voor verdere afdoening terug naar de rechtbank van koophandel te Mechelen.

Het hof veroordeelt NV Groupe Haussmann Belgium en de BVBA IGH tot de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van de NV Nelis Bouwonderneming. Deze kosten bedragen aan de zijde van NV Nelis Bouwonderneming: de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep van euro 2 200,00.

Het hof veroordeelt NV Groupe Haussmann Belgium en de BVBA IGH tot 2/3de en de BVBA Nebouw tot 1/3de van de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van deze partijen. Deze kosten bedragen in het geheel:

 aan de zijde van NV Groupe Haussmann Belgium en van de BVBA IGH: niet vereffend bij gebreke van omstandige opgave (art 1021 van het Gerechtelijk Wetboek);

 aan de zijde van de BVBA Nebouw: de rechtsplegingsvergoeding van euro 2 200,00.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest waarover raadsheer A. Verhaert mede beraadslaagd heeft, is deze wettelijk verhinderd en verkeert zij in de onmogelijkheid om dit arrest mede te ondertekenen.

Handelend volgens art. 785 van het Gerechtelijk Wetboek, tekenen de voorzitter en de raadsheer, die mede hebben beraadslaagd en de griffier in openbare zitting van 12 februari 2014.

F. PEETERS Kamervoorzitter

K. VAN HAELST Raadsheer

A. VERHAERT Raadsheer

N. SCHUEREMANS Griffier

N. SCHUEREMANS K. VAN HAELST F. PEETERS

De voorzitter van de tweede kamer heeft dit arrest uitgesproken overeenkomstig art. 782bis, eerste lid Ger.W. in openbare zitting van 12 februari 2014.

F. PEETERS Voorzitter

N. SCHUEREMANS Griffier

N. SCHUEREMANS F. PEETERS

Free keywords

  • Hoger beroep

  • tussenvonnis bevoegdheid

  • eindvonnis

  • samenvoeging -eindvonnis