- Arrêt of January 28, 2014

28/01/2014 - 2010AR319

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer een melkveehouder een beroep doet op een tijdelijke bedrijfsverzorger ten einde een week met zijn gezin op vakantie te kunnen gaan, is de bedrijfsrunner ertoe gehouden zorgvuldig te werk te gaan en het bedrijf (en de koeien) niet te verwaarlozen, op straffe van in te moeten staan voor schadeloosstelling voor de diverse schadeposten op grond van zijn contractuele beroepsaansprakelijkheid.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2010/AR/2263

INZAKE VAN :

1) De heer E. N.,

2) Mevrouw G.N.

beiden handelende in eigen naam, qualitate qua de huwelijksgemeenschap en in hun hoedanigheid van beheerders over de persoon en de goederen van hun minderjarige kinderen S. N., geboren op 2 april 1996, N. en L. N., geboren op 14 oktober 1997,

appellanten tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 9 juni 2010,

vertegenwoordigd door Meester Magda N., advocaat te 2470 RETIE, Sint-Martinusstraat 38/103,

1ste kamer

TEGEN :

De V.Z.W. A., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Madeleine DANIELS, advocaat te 3000 LEUVEN, Koningin Elisabethlaan 8,

Wanneer een melkveehouder een beroep doet op een tijdelijke bedrijfsverzorger ten einde een week met zijn gezin op vakantie te kunnen gaan, is de bedrijfsrunner ertoe gehouden zorgvuldig te werk te gaan en het bedrijf (en de koeien) niet te verwaarlozen, op straffe van in te moeten staan voor schadeloosstelling voor de diverse schadeposten op grond van zijn contractuele beroepsaansprakelijkheid.

____________________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Leuven op 9 juni 2010, beslissing waarvan geen akte van betekening wordt overgelegd;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 10 augustus 2010;

• de syntheseconclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 29 april 2011;

• de syntheseconclusie van appellanten neergelegd ter griffie op 29 juni 2011.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 17 december 2013 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van E. N. strekte ertoe huidige geïntimeerde (die vrijwillig tussenkwam in de procedure) in solidum met de VZW A. ANTWERPEN (thans niet meer in zake) te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 3.493 euro plus intresten.

Bij verzoekschrift neergelegd op 27 mei 2009 kwamen G. N. in eigen naam en het echtpaar N. - N. q.q. vrijwillig tussen in het geding.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de VZW A. ANTWERPEN buiten zake gesteld en (2) de vordering tegen huidige geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

1.3. In hoger beroep hernemen appellanten hun oorspronkelijke vordering met dien verstande dat zij hun eis herleiden tot het bedrag van 2.848 euro en ondergeschikt de aanstelling vragen van een gerechtelijke deskundige met o.a. als opdracht advies te geven over de door hen geleden schade ingevolge de fouten van de bedrijfshulp van geïntimeerde begaan in de periode van 23 juli 2007 tot 29 juli 2007.

1.4. Geïntimeerde vraagt het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en bijgevolg het bestreden vonnis te willen bevestigen.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat de heer N. melkveehouder is en in de week van 23 tot 29 juli 2007 een beroep deed op een bedrijfsverzorger - aangesteld door geïntimeerde - om hem met zijn echtgenote en zijn kinderen toe te laten thuis een week vakantie te nemen.

2.3. Volgens appellanten was deze bedrijfsverzorger niet in staat om het bedrijf te runnen. Zo zou hij de koeien te laat gemolken hebben, de koeien onvoldoende eten en drinken hebben gegeven, zou er zand zijn terecht gekomen in de maïskuil en werden twee kalveren getroffen door diarree wegens slechte verzorging en voeding.

Appellanten vragen vergoed te worden voor de opgelopen schade die zij begroten aan de hand van een eenzijdig - niet-gedateerd - verslag opgesteld door een bedrijfsadviseur van X..

III. Bespreking.

3.1. Geïntimeerde stelt in haar conclusie dat niet betwist wordt dat er misschien inderdaad ergens eens iets misgelopen is, maar dat de juiste gevolgen en de schade betwist worden.

Zij verzet zich tevens tegen de aanstelling van een deskundige omdat dit volgens haar overbodig zou zijn gezien de melkfacturen voorliggen en er geen deskundige nodig is om deze te verstaan, er voor het overige geen andere bewijzen of stukken voorhanden zijn en tenslotte geen deskundigenonderzoek vereist is om de morele schade te bepalen of te oordelen over het al dan niet gewettigd zijn van een factuur van SBB.

3.2. Er wordt niet ernstig betwist dat de bedrijfsverzorger - aangesteld door geïntimeerde - eerder onzorgvuldig te werk is gegaan bij het uitvoeren van zijn opdracht.

De (contractuele) fout staat bijgevolg afdoend vast in hoofde van geïntimeerde.

3.3.1. Appellanten vorderen vooreerst een bedrag van 1.188 euro aan inkomstenverlies wegens het dalen van de melkproductie in de periode van 23 tot 29 juli 2007.

Het zogenaamde melkverlies wordt gesteund op een verslag van SBB dat eenzijdig is en niet eens gedateerd is. De gegevens vermeld in dit verslag dienen bijgevolg met de nodige omzichtigheid benaderd te worden.

Appellanten maakten 3 melkfacturen over aan de tegenpartij voor de maanden juni, juli en augustus 2007.

Op deze facturen wordt de hoeveelheid melk aangegeven die om de 3 dagen werd opgehaald.

Uit deze facturen blijkt dat op 27 juli 2007 2.144 liter melk werd opgehaald wat lager ligt dan de normale productie maar dat op 30 juli 2007 3.167 liter melk werd opgehaald wat dan weer een stuk hoger ligt dan de gemiddelde productie.

In de maand juli werd gemiddeld 2.662 liter melk geproduceerd, in de maand juni 2.528 liter en in de maand augustus 2.507 liter.

Uit de eigen melkfacturen van appellanten blijkt bijgevolg hoegenaamd niet dat het onzorgvuldig optreden van de bedrijfsverzorger in kwestie enige invloed heeft gehad op de gemiddelde melkproductie voor de maand juli 2007 die zelfs hoger lag dan deze van de maanden juni en augustus 2007.

Appellanten brengen bijgevolg het bewijs niet bij dat door de begane fout zij enig inkomstenverlies hebben geleden ingevolge een vermindering van de melkproductie.

3.3.2. In dit verband werpen appellanten ook nog op dat de bedrijfsleider is moeten inspringen en vragen zij 210 euro voor 6 arbeidsuren (a rato van 35 euro/uur) die bijkomend moesten geleverd worden.

Zoals hierna verder zal uiteengezet worden, heeft geïntimeerde niet gefactureerd voor het inhuren van een arbeidskracht gedurende 7 dagen zodat in dat geval appellanten die bijkomende arbeidsuren evenmin kunnen aanrekenen.

3.4. Appellanten houden verder voor dat "een" kalf ingevolge een verkeerde voeding diarreepillen diende in te nemen en dat het kalf in kwestie - samen blijkbaar met nog een ander kalf - hierdoor bij verkoop minder heeft/hebben opgebracht in vergelijking met een gezond kalf.

In het verslag SBB is slechts sprake van één kalf dat verkeerd gevoederd werd.

Voor het overige leggen appellanten een factuur neer van de aankoop van 2 x 12 zakjes DIAKUR daterend van 1 augustus 2006 en een verkoopfactuur van 1 augustus 2007 waaruit blijkt dat appellanten 2 kalveren verkocht hebben aan de BVBA Z. voor een bedrag van 425 euro.

Uit dergelijke stukken kan evenmin op afdoende wijze afgeleid worden dat een kalf/kalveren ziek is/zijn geworden door toedoen van de bedrijfsverzorger in kwestie en hierdoor kalveren werden verkocht aan een minprijs.

3.5. Appellanten hebben hun oorspronkelijke vordering - zoals gesteld voor de eerste rechter - herleid en hebben een bedrag van 610 euro in mindering gebracht, zijnde de kosten die geïntimeerde (normaliter) zou aangerekend hebben voor het gebruik van de diensten van een bedrijfshulp.

Thans staat vast - en wordt niet meer betwist - dat geïntimeerde nooit kosten heeft aangerekend voor die prestatie.

3.6. Appellanten vragen verder de betaling van een bedrag van 363 euro, inclusief BTW, zijnde de kosten voor het opstellen van het verslag door SBB.

Dit verslag is volledig eenzijdig opgesteld, niet eens gedateerd, en bevat een wirwar aan eerder onduidelijke gemiddelden bovendien gesteund op gegevens die enkel verstrekt werden door appellanten zelf.

Geïntimeerde dient niet in staan voor het opstellen van bewijsstukken die geen tegensprekelijk karakter hebben en louter gesteund zijn op gegevens afkomstig van appellanten.

3.7. Appellanten vorderen een morele schadevergoeding van 30 euro per dag gedurende 7 dagen voor elk van de vijf leden van het gezin, hetzij in totaal 1.050 euro.

Zij houden voor dat hun vertrouwen in geïntimeerde beschaamd werd terwijl uit de stukken blijkt dat zij in 2008, 2009 en 2010 een beroep bleven doen op geïntimeerde om vakantie te kunnen nemen. Hun vertrouwen werd blijkbaar niet zodanig beschaamd dat zij in de toekomst nog weigerden samen te werken met geïntimeerde.

Appellanten hebben het tevens over de teleurstelling omdat alle geplande uitstappen niet zijn kunnen doorgaan. Nergens blijkt uit dat appellanten enig trip/uitstap of dergelijke meer hebben moeten afzeggen. De bedrijfshulp is overigens 7 dagen gebleven en heeft in die periode ook gepresteerd terwijl appellanten hiervoor geen vergoeding hebben moeten betalen.

Appellanten geven overigens zelf toe dat de tekortkomingen van de bedrijfshulp van hen op 7 dagen 6 uur bijkomend werk heeft gevergd wat meteen aantoont dat er voldoende vrije tijd overbleef om de geplande uitstappen en dies meer te verwezenlijken.

De morele schade wordt bijgevolg voldoende gecompenseerd door appellanten vrij te stellen tot betaling van het bedrag van 610 euro .

3.8. Geïntimeerde stelt terecht dat de aanstelling van een gerechtelijke deskundige - voor het eerst gevraagd in hoger beroep - niet opportuun is gelet op de aard van de door appellanten neergelegde stukken.

De te onderzoeken stukken zijn vrij eenvoudig en het hof acht de bijstand niet nodig van een expert om zich een oordeel te kunnen vormen over het hangende geschil.

3.9. Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

Het verzoek tot aanstelling van een deskundige wordt verworpen.

Alle overige door partijen ingeroepen middelen zijn niet terzake dienend in het licht van wat voorafgaat.

3.10. Appellanten vragen een rechtsplegingsvergoeding ad 715 euro en geïntimeerde ad 650 euro.

Gelet op de omvang van het gevorderde (= schaal van 2.500,01 euro tot 5.000 euro) bedraagt het geïndexeerd basisbedrag 715 euro .

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van henzelf op euro 901 (186 rolrecht + 715 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 715 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

28/01/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Free keywords

  • Aanneming van werk en diensten. Melkveehouderijg. Tijdelijke bedrijfsverzorger. Bedrijfsrunner. Contractuele professionele aansprakelijkheid. Fout. Zorgvundigheidsplicht. Verwaarlozing van het bedrijf. Schade. Diverse schadeposten