- Arrêt of February 17, 2014

17/02/2014 - 2013kr209

Case law

Summary

Samenvatting 1

I. Het urgentievereiste dient onderzocht te worden niet alleen door de eerste rechter maar tevens in graad van hoger beroep op het ogenblik van de uitspraak in beroep.

II. De ratio legis van artikel 31 Veldwetboek bestaat hierin dat wanneer een eigenaar werken dient uit te voeren aan niet - gemeenschappelijke delen - wat hier het geval is - waarvoor noodzakelijkerwijze het naburig erf dient betreden te worden die eigenaar - zelfs ingeval van weigering van de nabuur - het naburig erf mag betreden op de minst beschadigbare plaats en behoudens vergoeding van de veroorzaakte schade.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2013/KR/209

INZAKE VAN :

Mevrouw E. P., wonende te 3000 LEUVEN,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 juli 2013,

vertegenwoordigd door Meester Ivo MERCELIS, advocaat te 3000 LEUVEN, Sint-Jacobsplein 20,

1ste kamer

TEGEN :

De heer L. D., wonende te

geïntimeerde, in persoon verschijnende, bijgestaan door Meester Arnaut DE SCHREYE, advocaat te 3111 WEZEMAAL, Beversluis 8,

I. Kortgeding. Hoger beroep tegen de beschikking van de eerste rechter. Urgentievereiste bij de beoordeling van de zaak in hoger beroep

II. Artikel 31 Veldwetboek. Noodzakelijke herstellingswerken aan het dak van een huis die slechts kunnen uitgevoerd mits het aanbrengen van een stelling op het eigendom van de gebuur.

I. Het urgentievereiste dient onderzocht te worden niet alleen door de eerste rechter maar tevens in graad van hoger beroep op het ogenblik van de uitspraak in beroep.

II. De ratio legis van artikel 31 Veldwetboek bestaat hierin dat wanneer een eigenaar werken dient uit te voeren aan niet - gemeenschappelijke delen - wat hier het geval is - waarvoor noodzakelijkerwijze het naburig erf dient betreden te worden die eigenaar - zelfs ingeval van weigering van de nabuur - het naburig erf mag betreden op de minst beschadigbare plaats en behoudens vergoeding van de veroorzaakte schade.

_______________________________________________

....

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe hem te machtigen een stelling te plaatsen op het perceel van appellante vanaf de datum van de tussen te komen beschikking, minstens vanaf de betekening ervan, op straffe van een dwangsom van 5.000 euro per dag vertraging.

1.2. De eerste rechter heeft (1) deze vordering ontvankelijk en deels gegrond verklaard en (2) huidige geïntimeerde gemachtigd om een stelling te plaatsen op het perceel van appellante vanaf de derde dag na de betekening van de tussengekomen beschikking tot het beëindigen van de werken of tot uiterlijk 19 augustus 2013 om 8u 's morgens op straffe van een dwangsom van 2.000 euro per dag vertraging vanaf de derde dag na betekening.

1.3. In hoger beroep vraagt appellante de vordering af te wijzen bij gebrek aan hoogdringendheid.

Ondergeschikt verklaart zij zich bereid geïntimeerde toe te laten een stelling te plaatsen op haar eigendom maar onder zeer strikte voorwaarden - zoals opgesomd in haar conclusie op p. 6 en 7 - en mits betaling van een gebruiksvergoeding voor de grond - die niet nader bepaald wordt - en mits vergoeding van de schade.

1.4....

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar de bestreden beschikking.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat het eigendom van geïntimeerde paalt aan dit van appellante, meer bepaald aan haar naast haar woning gelegen oprit dewelke leidt naar achtergelegen garages.

Aan de woning van geïntimeerde - die verhuurd wordt aan studenten die vanaf september 2013 wensten in het pand te trekken - dienen noodzakelijke verbouwingswerken te worden uitgevoerd aan het dak waarvan de structuur aan het rotten is.

2.3. Volgens geïntimeerde moet voor de uitvoering van die werken een stelling geplaatst worden tegen zijn muur die een gedeelte van de oprit van appellante in beslag zal nemen.

Appellante weigert echter dat een dergelijke stelling geplaatst zou worden. Het is eerst in haar syntheseconclusie van 20 december 2013 dat zij zich bereid verklaarde om die stelling te laten plaatsen maar dan onder strikte voorwaarden.

III. Bespreking.

3.1. Appellante betwist - voor het eerst in hoger beroep - dat de vordering een hoogdringend karakter zou hebben.

Zij voert aan dat geïntimeerde geen gebruik heeft gemaakt van de machtiging hem verleend door de eerste rechter omdat hij toen niet beschikte over de vereiste bouwvergunning die tot op heden nog steeds niet zou zijn verleend.

Geïntimeerde voert hier tegen aan dat voor de werken die hij wenst uit te voeren geen bouwvergunning vereist is.

3.2. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan in kort geding uitspraak doen in alle zaken die hij spoedachtend acht.

Er is sprake van hoogdringendheid wanneer een onmiddellijke beslissing wenselijk is om schade van een bepaalde omvang dan wel ernstige ongemakken te voorkomen. Het is bovendien de gevraagde maatregel die urgent dient te zijn.

Het kort geding - dat voor de rechtsonderhorige een buitengewoon rechtsmiddel moet blijven - wordt door degene die zich op blijkbaar bedreigde rechten beroept slechts op legitieme wijze gebruikt wanneer hij aantoont dat zonder de vandaag door hem gevorderde doeltreffende maatregel te verkrijgen, zijn rechten onherstelbaar geschaad, of minstens ernstig bedreigd zouden worden.

Dit brengt met zich mee dat de urgentievereiste niet alleen dient onderzocht te worden door de eerste rechter maar tevens dient nagegaan te worden in graad van hoger beroep op het ogenblik van de uitspraak

Het kort geding kan immers niet tot doel hebben de rechten van de eisende partij te bevestigen door hem zo in een blijkbaar betere situatie te plaatsen wanneer hij zich zal aanbieden bij de feitenrechter.

Er kan geen hoogdringendheid meer erkend worden wanneer de situatie waarover de oorspronkelijke eiser zich beklaagt oud is en nuttige maatregelen vroeger hadden kunnen genomen worden.

3.3. In deze blijkt dat geïntimeerde dakwerken wil uitvoeren waarvoor de aanwezigheid van een stelling nodig is die (deels) geplaatst dient te worden op het eigendom van appellante.

Geïntimeerde was van oordeel dat de zaak hoogdringend was gezien de zeer slechte staat van het dak en omdat het gebouw - bestaande uit studentenverblijven - in de loop van september terug ter beschikking diende gesteld te worden van de huurders.

De urgentie werd in eerste aanleg niet betwist.

3.4. Uit de neergelegde foto's blijkt afdoend dat het dak in kwestie zich inderdaad in een zeer slechte staat bevindt, dat stukken ervan naar beneden vallen en de huidige situatie een onmiddellijk gevaar oplevert voor personen die zich in de onmiddellijke omgeving van het bewuste gebouw willen begeven dat bovendien verhuurd wordt aan studenten.

Geïntimeerde bewijst derhalve op afdoende wijze dat de zaak nog steeds hoogdringend is en alhoewel niet betwist door appellante de urgentievereiste ook aanwezig was in eerste aanleg.

De eerste rechter oordeelde overigens desbetreffend dat de urgentie niet betwist werd en trouwens aanwezig was omwille van het gevarenrisico en het dienen ter beschikking stellen van het pand in september 2013.

3.5. In dat verband stelt appellante ten onrechte dat de geïntimeerde de eerste rechter zou misleid hebben door niet te vermelden dat zijn bouwaanvraag geweigerd werd op 2 augustus 2013 waardoor op het ogenblik van de uitspraak van de eerste rechter de urgentievereiste niet verwezenlijkt was.

De bouwvergunning heeft geen uitstaans met de werken die geïntimeerde thans bij hoogdringendheid wenst uit te voeren. Voor deze specifieke werken is overigens geen bouwvergunning vereist zoals trouwens tevens blijkt uit de e-mail van architect VANREUSEL van 28 augustus 2013.

Ten overvloede wordt erop gewezen dat de bouwvergunning waarnaar appellante telkens verwijst om de hoogdringendheid - thans - te betwisten betrekking heeft op het verbouwen/uitbreiden van het pand tot 13 studentenkamers die voldoen aan de hedendaagse norm (= elke kamer zou beschikken over een eigen sanitaire cel enz.).

Deze bouwaanvraag werd aanvankelijk geweigerd omdat de bouwplannen voorzagen in (1) het aanbrengen van een nieuw raam in de zijgevel wat een eenzijdige erfdienstbaarheid zou creëren, (2) het aanleggen van een dakterras aan kamer 6 met rechtstreekse inkijk in kamer 7 wat in strijd is met de bepalingen van het B.W., (3) het aanbrengen van twee dakvlakvensters met rechtstreeks zicht op het aanpalend perceel en (4) het opofferen van de buitenruimte met berging ten voordele van de uitbreiding van studentenkamers.

Na aanpassing werd de bouwaanvraag inmiddels goedgekeurd op 22 november 2013.

De eerste rechter werd bijgevolg geenszins "misleid" bij zijn beoordeling van de urgentievereiste gezien de telkens door appellante aangewende bouwaanvraag en weigering ervan geen uitstaans heeft met huidige vordering zoals gesteld door geïntimeerde.

3.6. Appellante is verder de mening toegedaan dat artikel 31 Veldwetboek - waarop geïntimeerde zijn vordering steunt - niet van toepassing is omdat de muur tussen haar eigendom en dit van geïntimeerde gemeenschappelijk is.

Ook deze redenering kan niet gevolgd worden gezien geïntimeerde geen werken overweegt aan welk danige gemeenschappelijke delen ook.

De ratio legis van artikel 31 Veldwetboek bestaat hierin dat wanneer een eigenaar werken dient uit te voeren aan niet - gemeenschappelijke delen - wat hier het geval is - waarvoor noodzakelijkerwijze het naburig erf dient betreden te worden die eigenaar - zelfs ingeval van weigering van de nabuur - het naburig erf mag betreden op de minst beschadigbare plaats en behoudens vergoeding van de veroorzaakte schade.

Het feit dat de noodzakelijke herstellingswerken aan het dak van het eigendom van geïntimeerde slechts kunnen uitgevoerd mits het aanbrengen van een stelling op het eigendom van appellante staat afdoend vast en is niet voor ernstige betwisting vatbaar gelet op de door geïntimeerde neergelegde stukken.

Ten overvloede wordt erop gewezen dat de oprit van appellante een breedte heeft van ongeveer 6 meter terwijl de aan te brengen stelling amper 1,5 meter in beslag zal nemen zodat appellante nog beschikt over een vrije ruimte van 4,5 meter wat geen onoverkomelijke stoornis uitmaakt. Ingeval van beschadiging beschikt appellante overigens conform artikel 31 Veldwetboek over een recht op schadeloosstelling.

3.6. Appellante verzet zich - in ondergeschikte orde - niet (meer) tegen het aanbrengen van de bewuste stelling maar koppelt hieraan een aantal strikte voorwaarden.

Uit die voorwaarden blijkt de vrees van appellante dat geïntimeerde een aanvang zou willen nemen met de werken voorzien in zijn bouwaanvraag die aanvankelijk geweigerd werd en thans toegekend werd, waarvan echter geen concreet bewijs voorligt.

De bestreden beschikking wordt derhalve deels bevestigd mits de aanpassingen zoals omschreven in het beschikkend gedeelte van huidig arrest.

...

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak...

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en slechts gegrond in de hierna volgende mate.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond

Hervormt de bestreden beschikking in die zin dat geïntimeerde gemachtigd wordt om een stelling te plaatsen op het perceel van appellante, gelegen te 3000 Leuven, ..., teneinde enkel herstellingswerken uit te voeren aan het dak van zijn eigendom en dit vanaf de derde dag na betekening van huidig arrest tot uiterlijk 1 maand na het plaatsen van die stelling.

Voor het overige wordt de bestreden beschikking bevestigd in zoverre hierin uitspraak wordt gedaan over de dwangsom - met dien verstande dat de opgelegde dwangsom ingaat vanaf de derde dag volgend op de betekening van huidig arrest - en de kosten.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

17/02/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Stefaan RAES, Raadsheer,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Free keywords

  • I. Kortgeding. Hoger beroep tegen de beschikking van de eerste rechter. Urgentievereiste bij de beoordeling van de zaak in hoger beroep II. Artikel 31 Veldwetboek. Noodzakelijke herstellingswerken aan het dak van een huis die slechts kunnen uitgevoerd mits het aanbrengen van een stelling op het eigendom van de gebuur.