- Arrêt of February 18, 2014

18/02/2014 - 2013AR2684

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer een gewone rechtbank, op grond van de artikelen 1382 en 1383 BW, rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwets- of wetsregels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en dat die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de gewone rechtbank, gezien het gezag van gewijsde "erga omnes" van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout tot herstel aanleiding geeft als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2010/AR/1160

INZAKE VAN :

De VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door haar regering, in de persoon van de Minister van Werk, Onderwijs en Vorming, waarvan de burelen gevestigd zijn te 1210 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 15, Hendrik Consciencegebouw,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 15 januari 2010,

vertegenwoordigd door Meester V. KYMPERS loco Meester Ph. VAN STEENKISTE, advocaat te 1200 BRUSSEL, Ter Kamerenstraat 22 C bus 9,

1ste kamer

TEGEN :

1) Mevrouw M. M., in haar hoedanigheid van wettelijke erfgename van wijlen de heer R. M., overleden op 23 juli 2013,

eerste geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Ingrid MARTENS, advocaat te 9000 GENT, Gustaaf Callierlaan 291,

2) Het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 1000 BRUSSEL, Emile Jacqmainlaan 20, vertegenwoordigd door de afgevaardigd bestuurder, mevrouw Raymonda Verdyck,

tweede geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester VALLET loco Meester Marc STOMMELS, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Britselei 3 bus 1,

Onrechtmatige daad. Fout. Fout van ambtenaar. Machtoverschrijding. Arrest van de Raad van State. Nietigverklaring van de administratieve handeling wegens machtoverschrijding. Gezag van gewijsde van het arrest "erga omnes". Beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter.

Wanneer een gewone rechtbank, op grond van de artikelen 1382 en 1383 BW, rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwets- of wetsregels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en dat die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de gewone rechtbank, gezien het gezag van gewijsde "erga omnes" van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout tot herstel aanleiding geeft als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is.

_________________________________________________

1 De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 15 januari 2010.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

1. De heer M. fungeerde vanaf 14 januari 1956 als studiemeester¬opvoeder aan de Rijkstechnische School te Tongeren en werd bij Ministerieel Besluit van 10 maart 1960 als zodanig vast benoemd.

Bij Ministerieel Besluit van 20 mei 1963 werd hij vast benoemd als studiemeester-opvoeder in het avondonderwijs en bij Ministerieel Besluit van 3 december 1975 werd hij in die hoedanigheid geaffecteerd aan de Rijksleergangen voor Technisch Onderwijs (RLTO) te Tongeren.

2. Bij Ministerieel Besluit van 7 februari 1966 werd de heer M. tevens benoemd als leraar in het avondonderwijs en werd als zodanig aangesteld aan de Rijksleergangen voor Technisch Onderwijs (RLTO) te Hasselt.

3. Ten slotte werd de heer M. bij Koninklijk Besluit van 27 maart 1970 vast benoemd als directiesecretaris. Hij werd in die hoedanigheid eerst geaffecteerd aan het Rijksinstituut voor Technisch Onderwijs te Tongeren, vervolgens aan het Hoger Rijksinstituut voor Toerisme, Hotelwezen en Voedingsbedrijven te Hasselt. Uiteindelijk werd hij bij Ministerieel Besluit van 17 augustus 1988 als directiesecretaris geaffecteerd aan het Koninklijk Technisch Atheneum (KTA) te Sint-Truiden.

4. De heer M. was gedurende een periode met ziekteverlof voor wat betreft zijn functie van leraar te Hasselt.

5. Toen zijn betaald ziekteverlof uitgeput raakte, vroeg de VLAAMSE GEMEENSCHAP om een onderzoek door de Pensioencommissie. De hoofdgeneesheer van de Administratieve Gezondheidsdienst besliste op 22 oktober 1992 dat de heer M. op medisch vlak, wegens definitieve ongeschiktheid voor elke functie, de voorwaarden vervulde om toegelaten te worden tot het tijdelijk vroegtijdig pensioen (zie: stuk nr. 3 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

Bij aangetekend schrijven van 16 november 1992 werd aan de heer M. meegedeeld dat hij met ingang van 1 december 1992 vroegtijdig met pensioen werd gesteld (zie: stuk nr. 1 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

6. De heer M. heeft tegen deze beslissing geen beroep aangetekend, maar heeft bij aangetekend schrijven van 17 november 1992 geantwoord dat de beslissing enkel betrekking had op het ambt van leraar aan de Rijksleergangen voor Technisch Onderwijs te Hasselt (zie: stuk nr. 2 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

7. De heer M. heeft vervolgens op 26 november 1992 een pensioenaanvraag ingediend voor zijn betrekking van leraar te Hasselt.

8. Bij dienstbrief van 8 april 1993, die gold als besluit van oppensioenstelling, deelde de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO) hem mee dat hij ambtshalve definitief op pensioen werd gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid voor zijn functie van leraar te Hasselt, met ingang van 1 december 1992 (zie: stuk nr. 5 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

9. Bij dienstbrief van 13 mei 1993, die gold als besluit van oppensioenstelling, deelde de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs (ARGO) aan de heer M. mee dat hij eveneens ambtshalve definitief op pensioen werd gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid voor zijn functie van studiemeester¬opvoeder te Tongeren, met ingang van 1 december 1992 (zie: stuk nr. 8 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

10. De heer M. was niet akkoord met de oppensioenstelling voor zijn functie van studiemeester-opvoeder te Tongeren en diende op 22 juni 1993 een verzoekschrift tot vernietiging in bij de Raad van State.

11. Bij arrest van 1 juni 1999 vernietigde de Raad van State het besluit van de ARGO d.d. 13 mei 1993 op grond van onder meer volgende overweging: "Overwegende dat blijkens het administratief dossier de verwerende partij gedaan heeft alsof ze het aantal verlofdagen dat verzoeker met toepassing van de aangehaalde bepaling gekregen had, ongesplitst kon doen gelden voor zijn twee betrekkingen, die van studiemeester-opvoeder te Tongeren en die van leraar te Hasselt; dat ze dit niet kon; dat verzoekers verlofdagen wegens ziekte of gebrekkigheid per betrekking berekend hadden moeten worden; dat, immers, zijn ziekte- of gebrekkigheidstoestand kon verschillen van de ene betrekking naar de andere nu die betrekkingen van elkaar verschillen, de ene een betrekking van studiemeester-opvoeder in een onderwijsinstelling te Tongeren, de andere een betrekking van leraar in een onderwijsinstelling te Hasselt."

De Raad van State argumenteerde bovendien dat de Administratieve Gezondheidsdienst de brief van de heer M., waarin hij stelde dat de ongeschiktheid "voor elke functie" (zoals vermeld in de beslissing van de Administratieve Gezondheidsdienst d.d. 22 oktober 1992) diende te worden begrepen als een ongeschiktheid voor het ambt van leraar te Hasselt, niet weersproken had (zie: stuk nr. 1 bundel van de heer M. en stuk nr. 11 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

12. De heer M. heeft vervolgens bij aangetekend schrijven van 19 juni 1999 de ARGO verzocht om tot uitvoering van voormeld arrest over te gaan. Hij wenste voor zijn betrekking als studiemeester-opvoeder te Tongeren met pensioen te gaan op 1 september 1995. Hij vroeg ook de terugbetaling van een volgens hem ten onrechte terugvordering en afhouding van wedde ten belope van 41.210 BEF ( euro 1.021,60), de betaling van zijn wedde vanaf februari 1993 tot 1 september 1995 en van de kosten van het beroep (zie: stuk nr. 2 bundel van de heer M. en stuk nr. 12 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

13. Het GEMEENSCHAPSONDERWIJS (nieuwe benaming voor ARGO) was akkoord met de wijziging van de datum van oppensioenstelling en met de betaling van de kosten van het beroep. Wat de wedde betrof, diende de heer M. zich te richten tot de VLAAMSE GEMEENSCHAP, departement Onderwijs (zie: stuk nr. 3 bundel van de heer M. en stuk nr. 13 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

Het besluit van oppensioenstelling d.d. 13 mei 1993 werd ingetrokken en de heer M. werd in zijn functie van studiemeester-opvoeder te Tongeren op pensioen gesteld met ingang van 1 september 1995 (zie: stuk nr. 7 bundel van de heer M. en stuk nr. 16 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

14. Wat het aspect wedde betrof, richtte de heer M. zich bij aangetekend schrijven van 9 augustus 1999 tot de VLAAMSE GEMEENSCHAP, departement Onderwijs (zie: stuk nr. 4 bundel van de heer M. en stuk nr. 14 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

15. De VLAAMSE GEMEENSCHAP antwoordde dat de heer M. op grond van het arrest van de Raad van State geen achterstallige wedde of terugbetaling van het teruggevorderde loon, kon vorderen. Zij stelde wel dat door voormeld arrest de fout van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS vaststond, zodat de heer M. desgevallend schadevergoeding kon vorderen op grond van art. 1382 B.W. (zie: stuk nr. 5 bundel van de heer M. en stuk nr. 15 bundel van de VLAAMSE GEMEENSCHAP).

16. Aangezien geen minnelijke regeling kon worden bereikt, liet de heer M. het GEMEENSCHAPSONDERWIJS en de VLAAMSE GEMEENSCHAP dagvaarden, ter inleiding van huidig geding.

"

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde de heer M. de veroordeling van de VLAAMSE GEMEENSCHAP en het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, hoofdelijk, in solidum of de ene of de andere, tot de betaling aan hem van 6.884,00 EUR, plus de vergoedende intresten daarop vanaf 1 februari 1993 tot datum dagvaarding waarna de gerechtelijke interesten. Hij vroeg verder de VLAAMSE GEMEENSCHAP en het GEMEENSCHAPSONDERWIJS te veroordelen tot het opmaken van "een geregulariseerde loopbaanfiche conform de uitspraak van de Raad van State en op basis hiervan de Administratie der Pensioenen opdracht te geven het pensioen van eiser te herzien met terugwerkende kracht tot 1 september 1995".

Het GEMEENSCHAPSONDERWIJS concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering. Ondergeschikt vroeg het de VLAAMSE GEMEENSCHAP te veroordelen tot vrijwaring.

De VLAAMSE GEMEENSCHAP concludeerde tot de ongegrondheid van de vorderingen.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van de heer M. ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond. Hij veroordeelde het GEMEENSCHAPSONDERWIJS en de VLAAMSE GEMEENSCHAP in solidum tot betaling aan de heer M. van 6.884,00 EUR, plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 1 juni 1999 tot datum van uitspraak waarna de verwijlinteresten aan dezelfde rentevoet. Hij veroordeelde verder het GEMEENSCHAPSONDERWIJS tot betaling aan de heer M. van de vergoedende intresten aan de wettelijke rentevoet op 6.884,00 EUR vanaf 1 februari 1993 tot 1 juni 1999.

Hij verklaarde de vordering tot vrijwaring van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS ongegrond.

3.3

In hoger beroep herneemt de VLAAMSE GEMEENSCHAP haar oorspronkelijk verweer. Zij vraagt het incidenteel hoger beroep van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS alleen gegrond te verklaren voor zover het strekt tot afwijzing van de vordering van de heer M. tot betaling van een vergoeding voor morele schade van 2.473,94 EUR.

De heer M. concludeerde tot de ongegrondheid van de hogere beroepen. Na zijn overlijden op 23 juli 2013 heeft Michele M. het geding hervat als zijn rechtsopvolger.

Het GEMEENSCHAPSONDERWIJS concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep van de VLAAMSE GEMEENSCHAP. Bij incidenteel hoger beroep herneemt het zijn verweer met betrekking tot de niet-ontvankelijkheid, minstens ongegrondheid van de vordering. Het herneemt verder zijn vordering tot vrijwaring tegen de VLAAMSE GEMEENSCHAP.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

4.1.1 De ontvankelijkheid van de vordering

Het GEMEENSCHAPSONDERWIJS werpt de niet-ontvankelijkheid op van de vordering op grond van de artikelen 34 en 55 van het bijzonder decreet van 19 december 1988 betreffende de Autonome Raad voor het Gemeenschapsonderwijs. Deze artikelen (die opgeheven zijn vanaf 1 april 1999 door het decreet van 14 juli 1998) bepaalden dat het GEMEENSCHAPSONDERWIJS (toen nog ARGO) bevoegd is voor het administratief beheer van de loopbaan van het onderwijspersoneel, dat de Vlaamse regering het administratief en geldelijk statuut van het personeel van het gemeenschapsonderwijs bepaalt, en dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP rechtstreeks de wedden betaalt van het personeel. Het valt niet in te zien hoe daaruit een niet-ontvankelijkheid van huidige vordering tegen het GEMEENSCHAPSONDERWIJS kan volgen; het GEMEENSCHAPSONDERWIJS legt dat ook niet uit.

Of uit de vermelde bepalingen volgt dat mevrouw M. een vordering heeft tegen de VLAAMSE GEMEENSCHAP of het GEMEENSCHAPSONDERWIJS of niet, betreft de grond van de vordering.

Het incidenteel hoger beroep van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS is dus ongegrond.

4.1.2 De grond van de vordering

Ten onrechte betwist het GEMEENSCHAPSONDERWIJS het bestaan van de fout.

Bij arrest van 1 juni 1999 heeft de Raad van State het besluit van de ARGO van13 mei 1993 vernietigd. De Raad van State overwoog dat een personeelslid op grond van artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 15 januari 1994 ter toepassing van het statutair Koninklijk Besluit van 22 maart 1969 niet definitief ongeschikt kan verklaard worden wegens ziekte of gebrekkigheid alvorens hij de gezamenlijke verloven heeft opgebruikt, dat de ARGO de verlofdagen van de heer M. per betrekking had moeten berekenen en dat de ARGO ten onrechte het aantal verlofdagen dat de heer M. gekregen had, ongesplitst heeft doen gelden, en dat de ARGO niet kon voortgaan op de brief van de administratieve gezondheidsdienst naar luid waarvan de heer M. ongeschikt was "voor elke functie", omdat de heer M. daarop had geantwoord bij aangetekende brief van 17 november 1992 dat de ongeschiktheid "voor elke functie" alleen betrekking had op het ambt van leraar te Hasselt en dat hij het ambt van directiesecretaris in Tongeren bleef uitoefenen, wat de gezondheidsdienst niet had "weersproken", en dat de ARGO in elk geval zelf de niet-medische vraag had moeten oplossen of de heer M. ook voor zijn betrekking te Tongeren al zijn verlofdagen had opgebruikt .

Wanneer een gewone rechtbank, op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwets- of wetsregels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en dat die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de gewone rechtbank, gezien het gezag van gewijsde "erga omnes" van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout tot herstel aanleiding geeft als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is .

Dat de Raad van State in het arrest van 1 juni 1999 niet het woord machtsoverschrijding heeft gebruikt, is uiteraard zonder belang. De afdeling administratie van de Raad van State vernietigt op grond van overtreding wegens substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, of op grond van overschrijding of afwending van macht, en overtreding van vormen is in deze evident niet aan de orde .

Gelet op het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad van State, is de kritiek van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS met betrekking tot de toepassing door de Raad van State van artikel 41 van het Koninklijk Besluit van 15 januari 1994 ter toepassing van het statutair Koninklijk Besluit van 22 maart 1969 zonder belang.

Zoals voor de eerste rechter voert het GEMEENSCHAPSONDERWIJS aan dat het bij zijn beslissing gebonden was door de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst (van de federale overheid). Ook daarover is echter uitdrukkelijk anders beslist door de Raad van State:

"dat de administratieve gezondheidsdienst die brief [van de heer M. van 17 november 1992] niet weersproken heeft; dat de verwerende partij derhalve die brief niet zonder meer kon interpreteren als slaande ook op de "functie" van studiemeester-opvoeder te Tongeren, temeer daar het medisch onderzoek uitsluitend op vraag van de onderwijsinstelling te Hasselt had plaatsgevon¬den; dat bovendien de verwerende partij rechtens wel gebonden was door de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst in haar medisch aspect -was verzoeker medisch definitief ongeschikt?-, maar zelf de niet¬-medische vraag moest oplossen of verzoeker ook voor zijn betrekking te Tongeren al zijn verlofdagen had opge¬bruikt; "

Voor zoveel als nodig bevestigt het hof deze overweging: de ARGO was niet gebonden in zijn beoordeling, behalve voor wat betreft het medisch oordeel met betrekking tot het functioneren van de heer M. in zijn betrekking in Hasselt.

Als oorzaak in het aansprakelijkheidsrecht geldt een handeling (met inbegrip van een nalaten), een feit of een toestand die in concreto noodzakelijk was voor het optreden van de schade, zonder dat daarbij vereist is dat deze handeling of toestand, op zichzelf beschouwd, bij machte was om de schade teweeg te brengen. Er is geen oorzakelijk verband wanneer de fout of het tot aansprakelijkheid aanleiding gevend feit geen in concreto noodzakelijke voorwaarde, geen conditio sine qua non was voor het optreden van de schade. Een feit is oorzakelijk voor een bepaald schadegeval, als het wegdenken van dit feit de verdwijning van het schadegeval meebrengt.

Het wegdenken van de (beweerde) fout, om te zien of de concrete schade zich dan ook zou hebben voorgedaan, leidt in huidig geval tot volgende conclusie.

Door de fout van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS in zijn dienstbrief van 13 mei 1993, is de heer M. met ingang van 1 december 1992 op pensioen gesteld wegens lichamelijke ongeschiktheid voor zijn functie van studiemeester¬opvoeder te Tongeren.

Zonder de fout van ARGO was de heer M. nog niet op pensioen gesteld en had hij nog langer zijn wedde ontvangen, dat wil zeggen van 1 december 1992 tot 1 september 1995, datum van zijn uiteindelijke oppensioenstelling voor zijn betrekking in Tongeren. Voor december 1992 en januari 1993 is wedde teruggevorderd door de VLAAMSE GEMEENSCHAP voor 1.021,57 EUR; voor 1 februari 1993 tot 1 september 1995 raamt mevrouw M. het weddeverlies op 3.383,50 EUR. Het GEMEENSCHAPSONDERWIJS voert geen betwisting over de bedragen.

Ten onrechte voert het GEMEENSCHAPSONDERWIJS ook met betrekking tot het verband tussen fout en schade aan dat het gebonden was door de beslissing van de administratieve gezondheidsdienst. Het hof verwijst naar zijn antwoord daarop hierboven.

Evenzeer onterecht werpt het GEMEENSCHAPSONDERWIJS op dat niet hij maar de VLAAMSE GEMEENSCHAP heeft beslist om voor december 1992 en januari 1993 wedde terug te vorderen en voor 1 februari 1993 tot 1 september 1995 wedde in te houden. Zoals het GEMEENSCHAPSONDERWIJS zelf aanvoert, betaalt de VLAAMSE GEMEENSCHAP rechtstreeks de wedden uit, maar is het GEMEENSCHAPSONDERWIJS bevoegd voor het administratief beheer van de loopbaan van het onderwijspersoneel (zie hierboven onder punt 4.1.1.). De VLAAMSE GEMEENSCHAP vermag met andere woorden niet anders dan bij de uitbetaling van wedde de beslissingen van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS te eerbiedigen. De VLAAMSE GEMEENSCHAP was dus gehouden om de weddebetalingen aan de heer M. vanaf december 1992 aan te passen aan de beslissing tot oppensioenstelling van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS.

Het GEMEENSCHAPSONDERWIJS is dus aan mevrouw M. betaling verschuldigd van een schadevergoeding gelijk aan de teruggevorderde en ingehouden wedden, voor in hoofdsom in totaal 4.405,07 EUR.

De heer M. vorderde voor de eerste rechter ook een vergoeding van morele schade van 2.478,94 EUR. De eerste rechter heeft die vordering in de motivering van het vonnis uitdrukkelijk en ondubbelzinnig afgewezen omdat de schade niet wordt bewezen. Het bedrag van de veroordeling dat vermeld is in het dispositief van het vonnis bestaat echter uit de som van de vordering met betrekking tot weddeterugvordering en -inhouding en het bedrag van de gevorderde morele schadevergoeding. De morele schadevergoeding is dus duidelijk enkel door een materiële vergissing opgenomen in de veroordeling. Het hof bevestigt de beoordeling van de eerste rechter van dit onderdeel van de vordering. De door de heer M. geleden schade bestaat uit inkomstenverlies. Elk inkomensverlies is onaangenaam, maar dat opent geen recht op een afzonderlijke vergoeding van morele schade. Mevrouw M. bewijst niet dat de heer M. als gevolg van het besluit van de ARGO van 13 mei 1993 een afzonderlijke morele schade heeft geleden. Mevrouw M. vermeldt dit deel van de vordering overigens niet meer in conclusie.

Mevrouw M. herneemt in hoger beroep ook niet de vordering met betrekking tot de pensioenregularisering, zodat het verweer van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS op dat punt zonder belang is.

De VLAAMSE GEMEENSCHAP is niet mee gehouden tot betaling van de schadevergoeding. Zij is niet aansprakelijk voor de fout van de ARGO of het GEMEENSCHAPSONDERWIJS. Dat zij volgens het decreet moet instaan voor de rechtstreekse betaling van de wedde, doet daaraan niets af: mevrouw M. vordert in deze geen achterstallige wedde, maar schadevergoeding. Dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP zonder de fout van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS wel had moeten betalen aan de heer M., impliceert niet dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP de schade van mevrouw M. uit de fout van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS moet vergoeden.

De eerste rechter veroordeelde de VLAAMSE GEMEENSCHAP in solidum met het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, op grond van de overweging dat de VLAAMSE GEMEENSCHAP een fout beging door na het vernietigingsarrest van 1 juni 1999 niet over te gaan tot terugbetaling van de teruggevorderde en ingehouden wedden. Het stond nochtans niet aan de VLAAMSE GEMEENSCHAP om zelf te oordelen dat het administratief statuut van de heer M. door de vernietiging retroactief gewijzigd was en dat daaruit een betalingsverplichting van wedden volgde. Dat zou strijdig zijn met de boven vermelde bij decreet toegekende bevoegdheden van respectievelijk het GEMEENSCHAPSONDERWIJS (beheer van de loopbaan) en de VLAAMSE GEMEENSCHAP (betaling).

Dat de vernietiging van de beslissing van de ARGO van 13 mei 1993 bij arrest van 1 juni 1999 geldt erga omnes, doet daaraan niets af; de VLAAMSE GEMEENSCHAP kon ook dan niet zich in de plaats stellen van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, bevoegd voor het administratief beheer van de loopbaan van het onderwijspersoneel.

Om dezelfde reden kan de vordering tot vrijwaring van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS tegen de VLAAMSE GEMEENSCHAP niet gegrond bevonden worden. Er is geen reden waarop de VLAAMSE GEMEENSCHAP het GEMEENSCHAPSONDERWIJS zou moeten vrijwaren voor de gevolgen van diens eigen fout. Het is overigens opmerkelijk dat het GEMEENSCHAPSONDERWIJS voor deze vordering tot vrijwaring ook geen grond vermeldt; zijn conclusie op dit punt is beperkt tot de vermelding dat het die vordering instelt. De vrijwaringsplicht volgt ook niet uit de verplichting van de VLAAMSE GEMEENSCHAP tot rechtstreekse uitbetaling van de wedden.

5 De kosten

De gerechtskosten van het hoger beroep worden ten laste gelegd van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, de in hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij op hoger beroep van de VLAAMSE GEMEENSCHAP.

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt dat basisbedrag gelet op de waarde van de vordering (geïndexeerd) 990,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk;

Verklaart het hoger beroep van de VLAAMSE GEMEENSCHAP ontvankelijk en gegrond als volgt:

Hervormt het vonnis voor zover het oordeelt over de grond van de vordering, en spreekt opnieuw recht als volgt:

Verklaart de vordering van mevrouw M. zoals gericht tegen de VLAAMSE GEMEENSCHAP ongegrond.

Verklaart het incidenteel hoger beroep van het GEMEENSCHAPSONDERWIJS ongegrond.

Het veroordeelt het GEMEENSCHAPSONDERWIJS tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van de VLAAMSE GEMEENSCHAP op euro 1.176 ( 186 rolrecht + 990 rechtsplegingsvergoeding),

-

- in hoofde van M. op euro 990 rechtsplegingsvergoeding en

- in hoofde van GEMEENSCHAPSONDERWIJS op euro 990 rechts-plegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

18/02/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Free keywords

  • Onrechtmatige daad. Fout. Fout van ambtenaar. Machtoverschrijding. Arrest van de Raad van State. Nietigverklaring van de administratieve handeling wegens machtoverschrijding. Gezag van gewijsde van het arrest "erga omnes". Beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter.