- Arrêt of February 25, 2014

25/02/2014 - 2010AR3137

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer een gewone rechtbank, op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwets- of wetsregels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en dat die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de gewone rechtbank, gezien het gezag van gewijsde "erga omnes" van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout tot herstel aanleiding geeft bij bewijs van het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade.

De stelling dat er enkel een fout is indien de overheid zich niet heeft gedragen als een normaal zorgvuldige overheid kan niet gevolgd worden; de toetsing aan het gedrag van een normaal zorgvuldige overheid is slechts aan de orde indien de bestreden beslissing van die overheid niet is genomen in strijd met een rechtsnorm die hem een welbepaald gedrag oplegt of verbiedt. De schending van een specifieke norm wordt alleen niet als fout beschouwd in geval van een rechtvaardigingsgrond zoals onoverwinnelijke dwaling. Ten onrechte besluit men daaruit dat er steeds onoverwinnelijke dwaling is wanneer de overheid heeft gehandeld zoals elke redelijke en voorzichtige persoon.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2010/AR/3137

INZAKE VAN :

Het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, in de persoon van de Vlaamse Minister voor Leefmilieu, Natuur en Cultuur, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koolstraat 35,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 juli 2010,

vertegenwoordigd door Meester Jan STAELENS loco Meester Bart STAELENS, advocaat te BRUGGE, Gerard Davidstraat 46 bus 1,

1ste kamer

TEGEN :

De naamloze vennootschap KODEVA, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te 8610 KORTEMARK, Ichtegemstraat 29, ingeschreven bij de Kruispuntbank van Ondernemingen onder het nummer 0424.574.443,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Dirk VAN HEUVEN, advocaat te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 6/24,

Milieuvergunning. Varkenskwekerij. Onrechtmatige daad van de overheid. Vereiste van fout van de administratieve overheid. Zorgvuldigheidsbeginsel: draagwijdte. Impact op het bewijs van de fout, van een tussengekomen arrest van de Raad van State inzake de nietigverklaring van de administratieve beslissing. Draagwijdte ‘erga omnes' van dit vernietigingsarrest.

Wanneer een gewone rechtbank, op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwets- of wetsregels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en dat die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de gewone rechtbank, gezien het gezag van gewijsde "erga omnes" van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout tot herstel aanleiding geeft bij bewijs van het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade.

De stelling dat er enkel een fout is indien de overheid zich niet heeft gedragen als een normaal zorgvuldige overheid kan niet gevolgd worden; de toetsing aan het gedrag van een normaal zorgvuldige overheid is slechts aan de orde indien de bestreden beslissing van die overheid niet is genomen in strijd met een rechtsnorm die hem een welbepaald gedrag oplegt of verbiedt. De schending van een specifieke norm wordt alleen niet als fout beschouwd in geval van een rechtvaardigingsgrond zoals onoverwinnelijke dwaling. Ten onrechte besluit men daaruit dat er steeds onoverwinnelijke dwaling is wanneer de overheid heeft gehandeld zoals elke redelijke en voorzichtige persoon.

1 . De procedure

In dit arrest oordeelt het hof over het hoger beroep tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 29 juli 2010.

De bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaronder artikel 24, zijn nageleefd.

Het arrest wordt gewezen na tegenspraak.

De partijen verklaren dat het vonnis niet werd betekend. Het hoger beroep is tijdig en regelmatig naar vorm ingesteld.

2 De feiten

De eerste rechter heeft de relevante feiten correct en volledig weergegeven als volgt:

"

1. De NV Kodeva baat een varkenshouderij uit aan de Kortemarkstraat 193 in Torhout. De milieuvergunning van het bedrijf liep af op 23 december 1997. Pas op 8 december 1997 vroeg de exploitant een nieuwe vergunning aan, voor de uitbating van een fokkerij met 5060 mestvarkens.

2. De bestendige deputatie van de provincieraad van West-¬Vlaanderen verleende op 16 april 1998 een vergunning op proef voor een periode van een jaar voor de exploitatie van een fokkerij met 3795 mestvarkens.

Tegen deze proefvergunning werd beroep aangetekend door de Vlaamse Landmaatschappij, die betoogde dat de inrichting op grond van de toepasselijke reglementering onvoldoende mestafzet bewees.

Bij besluit van 15 oktober 1998 verklaarde de Vlaamse minister van Leefmilieu en Tewerkstelling dit beroep gegrond. De proefvergunning werd opgeheven en de aangevraagde vergunning werd geweigerd.

Op 17 december 1998 diende de NV Kodeva bij de Raad van State een verzoekschrift in tot nietigverklaring, alsook een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van deze ministeriële beslissing.

Bij arrest van 20 mei 1999 heeft de Raad van State de vordering tot schorsing verworpen wegens ontstentenis van ernstige middelen die de nietigverklaring konden verantwoorden.

3. De varkensfokkerij werd inmiddels verder zonder milieuvergunning uitgebaat.

Op 9 februari 2001 diende de NV Kodeva een nieuwe milieuvergunningsaanvraag in voor de uitbating van een fokkerij met 5060 mestvarkens. De bestendige deputatie weigerde deze vergunning op 16 augustus 2001. De NV Kodeva tekende tegen deze weigering een beroep aan.

De raadsman van de NV Kodeva stuurde bovendien op 25 oktober 2001 aan de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw een uitdrukkelijk verzoek om het ministerieel besluit van 15 oktober 1998 in te trekken. Er werd uiteengezet dat de reglementering inzake mestafzet inmiddels gewijzigd was, en dat de NV Kodeva aan de gewijzigde reglementering voldeed.

Bij besluit van de bevoegde minister van 22 februari 2002 werd het beroep van de NV Kodeva tegen de weigeringsbeslissing van 16 augustus 2001 ongegrond verklaard. De NV Kodeva tekende tegen deze ministeriële beslissing andermaal een beroep aan tot nietigverklaring bij de Raad van State.

Met een brief van 12 augustus 2002 antwoordde de afdeling Milieuvergunningen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap aan de raadsman van de NV Kodeva dat, na een nieuw onderzoek van het dossier, niet kon worden ingegaan op het verzoek tot intrekking van het besluit van 15 oktober 1998.

De NV Kodeva diende op 28 november 2002 andermaal een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een varkenshouderij met 5060 mestvarkens.

Op 12 december 2002 werd de NV Kodeva door de procureur des Konings bij de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge gedagvaard voor de correctionele rechtbank wegens de exploitatie zonder milieuvergunning.

De Raad van State betekende op 4 maart 2003 aan de partijen het auditoraatsverslag met betrekking tot het verzoek tot nietigverklaring van het ministerieel besluit van 15 oktober 1998. De auditeur adviseerde de vernietiging.

De bestendige deputatie besliste op 13 juni 2003 aan de NV Kodeva een proefvergunning te verlenen voor een periode aflopend op 31 december 2003 voor de uitbating van een varkenshouderij met 5060 mestvarkens. De Vlaamse Landmaatschappij tekende tegen deze beslissing een beroep aan.

4. Op 23 juli 2003 ging de NV Kodeva over tot dagvaarding van het Vlaams Gewest teneinde deze te horen veroordelen tot een schadevergoeding, provisioneel begroot op 50.000 euro.

Ondergeschikt werd de aanstelling gevraagd van een deskundige om de schade te ramen.

De zaak werd naar de algemene rol verwezen om de partijen toe te staan haar in staat te stellen.

5. De Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking verklaarde inmiddels het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij tegen de proefvergunning van 13 juni 2003 gegrond bij besluit van 18 november 2003. De door de NV Kodeva aangevraagde vergunning werd geweigerd. Tegen deze beslissing diende de NV Kodeva andermaal een verzoek in tot nietigverklaring bij de Raad van State.

6. Bij arrest van 29 juni 2004 vernietigde de Raad van State het ministerieel besluit van 15 oktober 1998.

De Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur ging daarop over tot een nieuw onderzoek van het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij tegen de proefvergunning van 16 april 1998. Bij ministerieel besluit van 15 december 2004 werd het beroep van de Vlaamse Landmaatschappij ongegrond verklaard, en werd aan de NV Kodeva een vergunning verleend voor de exploitatie van een varkenshouderij met 5060 mestvarkens voor een termijn van 20 jaar die aanvangt op 24 december 1997.

De NV Kodeva zet uiteen dat zij inmiddels ook werd vrijgesproken door de correctionele rechtbank te Brugge.

In een arrest van 19 mei 2005 heeft de Raad van State de afstand van geding vastgesteld van de NV Kodeva in de zaak strekkende tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 22 februari 2002.

Bij arrest van 6 september 2007 stelde de Raad van State de afstand van geding vast in de zaak betreffende het annulatieberoep van het ministerieel besluit van 18 november 2003.

7. De NV Kodeva heeft dan haar eis voor de rechtbank aangepast en de schadevergoeding die zij van het Gewest vorderde begroot op 85.764,63 EUR, te vermeerderen met gerechtelijke intresten vanaf 4 september 2006. Het Vlaams Gewest antwoordde in hoofdorde dat de eis verjaard was.

In het tussenvonnis van 18 mei 2007 stelde de rechtbank vast dat de toepassing van artikel 100, eerste lid, 10, van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991, tot het besluit leidde dat de eis tot vergoeding van de schade die door het besluit van 15 oktober 1998 werd veroorzaakt, verjaard is op 1 januari 2003. Volgens de rechtbank werd de verjaring door het verzoekschrift bij de Raad van State dat in tussentijd was ingediend niet geschorst of gestuit.

De rechtbank besliste hierop om, alvorens recht te doen, volgende prejudiciële vraag te richten aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 100, 1 ° van de wetten op de rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij K.B. van 17 juli 1991, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet doordat de door deze bepaling geviseerde schuldvorderingen uit een onrechtmatige daad lastens de Gemeenschappen en de Gewesten, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschiedde binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar waarin zij ontstonden, verjaren, en dit terwijl de verjaring van de overige schuldvorderingen uit een onrechtmatige daad pas een aanvang neemt vanaf het ogenblik van de feitelijke kennis van de schade of vanaf de dag volgens op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt zich effectief heeft voorgedaan?"

Het Grondwettelijk Hof zegde in het arrest van 26 september 2007 waarin op de prejudiciële vraag werd geantwoord voor recht dat artikel 100, eerste lid, 10, van de bij koninklijk besluit van 17 juni 1991 gecoördineerde wetten op de rijkscomptabiliteit de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schenden, in zoverre het voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van de buitencontractuele aansprakelijkheid van de federale Staat, de gemeenschappen en de gewesten, te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan de vordering is ontstaan.

"

3 Het onderwerp van de vordering

3.1

Voor de eerste rechter vorderde KODEVA de veroordeling van het VLAAMSE GEWEST tot de betaling aan haar van een schadevergoeding van 86.480,93 EUR, plus de gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding. Ondergeschikt vroeg zij de aanstelling van een deskundige voor de begroting van de schade.

Het VLAAMSE GEWEST concludeerde tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering.

3.2

De eerste rechter verklaarde de vordering van KODEVA ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelde het VLAAMSE GEWEST tot betaling aan KODEVA van 34.307,95 EUR, plus de vergoedende intresten daarop aan de wettelijke rentevoet vanaf 23 juli 2003. Hij veroordeelde het VLAAMSE GEWEST tot betaling van 75% van de kosten en KODEVA tot betaling van 25 %.

3.3

In hoger beroep concludeert het VLAAMSE GEWEST opnieuw tot de niet-ontvankelijkheid, minstens de ongegrondheid van de vordering.

KODEVA concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep. Bij incidenteel hoger beroep herneemt zij haar oorspronkelijke vordering. Ondergeschikt vraagt zij de aanstelling van een deskundige.

4 De gronden van de beslissing en het antwoord op de middelen van de partijen

4.1 De grond van het hoger beroep

4.1.1 De ontvankelijkheid van de vordering

Het VLAAMSE GEWEST concludeert naar luid van het petitum van zijn conclusie tot de niet-ontvankelijkheid van de vordering, maar ontwikkelt geen middel dat daartoe strekt. Het hof ziet er geen dat ambtshalve aan te voeren is. Het VLAAMSE GEWEST herneemt ook niet zijn middel met betrekking tot de verjaring dat de eerste rechter verworpen heeft met toepassing van artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek zoals gewijzigd bij Wet van 25 juli 2008.

4.1.2 De grond van de vordering

4.1.2.1 De fout

Zoals voor de eerste rechter betwist het VLAAMSE GEWEST het bestaan van de fout waarop KODEVA haar vordering op grond van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek steunt.

Zoals vermeld heeft de Raad van State bij arrest van 29 juni 2004 het ministerieel besluit van 15 oktober 1998 vernietigd. Wanneer een gewone rechtbank, op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, rechtsgeldig kennis neemt van een aansprakelijkheidsvordering ten gevolge van machtsoverschrijding wegens miskenning door de administratieve overheid van de grondwets- of wetsregels volgens welke zij op een bepaalde manier iets niet of wel moet doen, en dat die machtsoverschrijding door de Raad van State met nietigverklaring van die administratieve handeling is gesanctioneerd, moet de gewone rechtbank, gezien het gezag van gewijsde "erga omnes" van zodanige beslissing tot nietigverklaring, noodzakelijk beslissen dat de administratieve overheid van wie de nietig verklaarde handeling uitgaat, een fout heeft begaan en dat die fout tot herstel aanleiding geeft als het oorzakelijk verband tussen de machtsoverschrijding en de schade bewezen is . Het VLAAMSE GEWEST betoogt uitgebreid op grond van interpretatie van rechtspraak (onder meer met betrekking tot het gevolg van een vernietigingsarrest van het Grondwettelijk Hof) dat er enkel een fout is indien de overheid zich niet heeft gedragen als een normaal zorgvuldige overheid. De stelling kan niet gevolgd worden; de toetsing aan het gedrag van een normal zorgvuldige overheid is slechts aan de orde indien de bestreden beslissing van die overheid niet is genomen in strijd met een rechtsnorm die hem een welbepaald gedrag oplegt of verbiedt. De schending van een specifieke norm wordt alleen niet als fout beschouwd in geval van een rechtvaardigingsgrond zoals onoverwinnelijke dwaling . Ten onrechte begrijpt het VLAAMSE GEWEST daaruit dat er steeds onoverwinnelijke dwaling is wanneer de overheid heeft gehandeld zoals elke redelijke en voorzichtige persoon.

In casu heeft de Raad van State vernietigd omdat het VLAAMSE GEWEST bij de beslissing van 15 oktober 1998 de mestproductie van KODEVA niet heeft berekend zoals zij dat in haar verzoekschrift had gedaan. Daardoor is de mestproductie van 5060 varkens aangerekend in plaats van de 3795 vergunde, is er geen rekening gehouden met de overdracht van een entiteit aan de BVBA DECORTE zoals nochtans bleek uit de mestbankaangifte van 6 maart 1998, en is de productie meegeteld van 60.000 patrijzen die nooit van KODEVA waren. Aldus is een verkeerde toepassing gemaakt van artikel 4 §1, 2°, a) van het besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 tot uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen ("de som van de grondgebonden afzet, de afzet via verwerking en de afzet via export, moet minstens even groot zijn als de som van de vergunde producties van alle inrichtingen van het bedrijf samen;"). Dat is een rechtsnorm die de overheid een welbepaald gedrag oplegt.

Ten onrechte voert het VLAAMSE GEWEST aan dat er onoverwinnelijke dwaling is omdat dat de Raad van State in het vernietigingsarrest een andere beoordeling maakte dan in het arrest met betrekking tot het verzoek tot schorsing. Terecht overwoog de eerste rechter dat enerzijds de beoordeling in het administratief kort geding slechts prima facie gebeurt en op grond van een summier onderzoek, en dat anderzijds de fout van het VLAAMSE GEWEST niet als een onoverwinnelijke dwaling kan beschouwd worden, aangezien het zonder meer de productie van 1.265 mestvarkens aanrekent terwijl het in het besluit zelf uitdrukkelijk overweegt dat daarvoor geen vergunning is verleend en dat KODEVA zich daarbij neerlegt . Een dergelijke tegenstrijdigheid in de motivering kan bezwaarlijk begrepen worden als een onoverwinnelijke dwaling in rechte.

Terecht heeft de eerste rechter het als een fout beschouwd van KODEVA zelf niet op gepaste wijze te hebben gereageerd op het beroepsschrift van de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ. De passiviteit van KODEVA op dat moment was niet verzoenbaar met het gedrag van een normaal zorgvuldige persoon in dezelfde omstandigheden. Een adequate reactie van KODEVA zou de toepassing van de verkeerde berekeningswijze meteen onder de aandacht gebracht hebben. Dit verbreekt niet de band tussen de fout van het VLAAMSE GEWEST en de schade, maar brengt mee dat KODEVA een deel van de schade zelf moet dragen. De eerste rechter heeft op grond van de zwaarwichtigheid van de respectieve fouten terecht geoordeeld dat KODEVA zelf moet instaan voor 25 % van de schade. Het hof verwijst naar de juiste en pertinente overwegingen van de eerste rechter ter zake en maakt die tot de zijne (punt 14 van het vonnis). Het incidenteel hoger beroep van KODEVA is ongegrond.

Zoals voor de eerste rechter voert het VLAAMSE GEWEST aan dat KODEVA door de fout eigenlijk voordeel heeft genoten, omdat na de vernietiging door de Raad van State op 15 december 2004 een nieuw ministerieel besluit is genomen waarbij het beroep van de VLAAMSE LANDMAATSCHAPPIJ werd verworpen en KODEVA een vergunning werd verleend voor 5060 varkens. Deze stelling kan niet gevolgd worden. Het besluit van 15 december 2004 is genomen op grond van de toen geldende, gewijzigde regelgeving en omdat de proefvergunning ook was vervallen, en vormt een latere gebeurtenis die de toestand van de schadelijder wel heeft beïnvloed, maar die vreemd is aan de onrechtmatige daad en de schade . Zoals de eerste rechter overweegt, heeft de retroactiviteit van de vergunning van 15 december 2004 alleen tot gevolg gehad dat op KODEVA geen aansprakelijkheid meer woog wegens uitbating zonder vergunning, maar is dat zonder belang omdat dit los staat van de schadevergoeding die KODEVA nu vordert.

4.1.2.2 De schade

Met betrekking tot de kosten van verdediging en juridische bijstand voor de Raad van State, voor twee regularisatieaanvragen en een procedure in verband met de superheffing heeft de eerste rechter op grond van pertinente en oordeelkundige motieven, die het hof tot de zijne maakt, geoordeeld dat zij in oorzakelijk verband staan met de fout van het VLAAMSE GEWEST en dat zij als bewezen gelden (punt 17 en 19 van het vonnis). Het zelfde geldt voor de kosten van verdediging in een strafprocedure wegens uitbating zonder milieuvergunning; KODEVA brengt daarover in hoger beroep stukken bij . Het hof maakt de overwegingen van de eerste rechter (punt 20) tot de zijne. Ook aan de overwegingen van de eerste rechter met betrekking tot de kosten voor een gespecialiseerd milieubureau en dossierkosten kan het hof niets toevoegen (punt 21).

Terecht heeft de eerste rechter de post met betrekking tot de kosten voor een stedenbouwkundige vergunning verworpen omdat een oorzakelijk verband met de fout van het VLAAMSE GEWEST niet wordt aangetoond.

Ook in hoger beroep levert KODEVA geen concreet bewijs met betrekking tot administratieve kosten, verloren uren of overuren zodat daarvoor geen vergoeding kan toegekend worden. Met betrekking tot de post "bevriezingsschade" mag aangenomen worden dat het gebrek aan investeringen dat KODEVA aantoont inderdaad een gevolg is van de onzekerheid waarin KODEVA verkeerde door de fout van het VLAAMSE GEWEST. Een concrete en precieze raming is niet voorhanden zodat de eerste rechter terecht een gematigde raming in billijkheid heeft gemaakt van 2.500,00 EUR. Het hof houdt de overwegingen van de eerste rechter (punt 23) hier voor herhaald.

5 De kosten

De gerechtskosten van het hoger beroep worden ten laste gelegd van het VLAAMSE GEWEST, de in het ongelijk gestelde partij.

Er is geen reden om voor de rechtsplegingsvergoeding voor de eerste aanleg of het hoger beroep af te wijken van de toepassing van het basisbedrag. De zaak voor het hof is niet kennelijk complex, de kosten van de andere procedures dan die voor de gewone rechter worden reeds vergoed, de draagkracht van het VLAAMSE GEWEST is zonder belang, en het vasthouden van het VLAAMSE GEWEST aan zijn standpunt maakt niet dat de toekenning van het basisbedrag een kennelijk onredelijk karakter krijgt.

Met toepassing van het Koninklijk besluit van 26 oktober 2007 bedraagt het basisbedrag gelet op de waarde van de vordering in hoger beroep (geïndexeerd) 2.200,00 EUR.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de hogere beroepen ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt het VLAAMSE GEWEST tot de betaling van de kosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van appellant op euro 2.386 ( 186 rolrecht + 2.200 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 2.200 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

25/02/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

Free keywords

  • Vlaams Gewest. Milieuvergunning.Varkenskwekerij. Varkenshouderij. Onrechtmatige daad. Fout. Zorgvuldigheidsplicht van de overheid. Impact 'erga omnes' van een arrest van de Raad van State. Gezag van gewijsde.