- Arrêt of March 4, 2014

04/03/2014 - 2010AR2511

Case law

Summary

Samenvatting 1

In de mate dat een ouder zijn driejarig zoontje rustig liet wandelen tussen de rekken, kort voor de kassa's, en hem niet aan de hand vasthield, heeft hij geen handelwijze aan de dag gelegd die onverenigbaar is met deze van een normaal zorgvuldige en voorzichtige winkelbezoeker in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst. De aanwezigheid van een vrij lopend jong kind op de plaats van het schadegeval is alles behalve buitengewoon.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2010/AR/2511

INZAKE VAN :

Mevrouw Nadia D.,

appellante tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 17 mei 2010,

vertegenwoordigd door Meester Conny MOONS, advocaat te 9200 DENDERMONDE, Dr. Emiel Van Winckellaan 14,

1ste kamer

TEGEN :

De heer B. M.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester Claudia SALAMONE, advocaat te 1780 WEMMEL, de Liburg Stirumlaan 248,

Onrechtmatige daad. Fout. Bewijs. Zorgvuldigheidscriterium Grootwarenhuis. Winkelbezoekers. Ongeval ingevolge het gedrag van een kind . Het niet bij de hand vasthouden van een kind van ongeveer drie jaar: in casu geen fout. Tevens in casu geen bewijs van objectieve onrechtmatige daad van het kind.

In de mate dat een ouder zijn driejarig zoontje rustig liet wandelen tussen de rekken, kort voor de kassa's, en hem niet aan de hand vasthield, heeft hij geen handelwijze aan de dag gelegd die onverenigbaar is met deze van een normaal zorgvuldige en voorzichtige winkelbezoeker in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst. De aanwezigheid van een vrij lopend jong kind op de plaats van het schadegeval is alles behalve buitengewoon.

_____________________________________________

Gelet op de stukken van de rechtspleging, inz.:

- het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel (22ste kamer), na tegenspraak uitgesproken op 17 mei 2010, waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, op 10 september 2010 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van appellante, op 21 juni 2011 ter griffie neergelegd;

- de conclusie van geïntimeerde, op 15 maart 2011 ter griffie neergelegd.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 27 januari 2014 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

I. Procedure

1. Appellante stelt hoger beroep in tegen het bestreden vonnis dat haar oorspronkelijke vordering ongegrond verklaart en de gerechtskosten ten laste legt van appellante.

2. Appellante vordert met de hervorming van het bestreden vonnis, om haar oorspronkelijke vordering gegrond te verklaren, dienvolgens geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een provisie van 2.164,00 euro en om verder een gerechtsdeskundige aan te stellen met de opdracht de geleden en toekomstige lichamelijke schade in oorzakelijk verband met het schadegeval van 17 juli 2004 te bepalen, minstens te zeggen voor recht dat geïntimeerde gedeeltelijk aansprakelijk is voor de schade geleden door appellante, met veroordeling van geïntimeerde tot de kosten van het geding.

Het hoger beroep werd tijdig en regelmatig ingesteld en is ontvankelijk.

3. Geïntimeerde besluit tot de ongegrondheid van het hoger beroep, met veroordeling van appellant tot betaling van de gerechtskosten.

II. Relevante feitelijke gegevens

4. Op zaterdag 17 juli 2004, omstreeks 10 uur 30', is appellante, geboren op 11 maart 1947, ten val gekomen in het grootwarenhuis GB te Wemmel toen zij (bijna) in aanvaring kwam met de kleine E. M., minderjarige zoon van geïntimeerde. Zij verloor even het bewustzijn en liep verwondingen aan de knie en enkel op.

5. De heer VC, werkzaam bij in het grootwarenhuis, noteerde het volgende in zijn ongevallenboekje:

"Plaats van het ongeval: rayon.

Omstandigheden: gevallen bij het ontwijken van kinderen van mr. M. (+ adres en telefoon).

Getuigen: VC.

Kwetsuur: knie + enkel / bewusteloos.

Zorgen: eerste hulp + ambulance."

6. Appellante legde op 18 augustus 2004 een verklaring aan de verzekeraar af waarin zij toegeeft zich het hele gebeuren niet goed meer te herinneren. Zij vervolgde:

"Wat er allemaal voor de val is gebeurd, herinner ik mij dat ik van de kassa ben weggegaan en terug tussen de rekken naar de vleesafdeling ben gegaan. Gelopen heb ik zeker niet gegaan, wel doorgestapt, omdat ik de kassa niet wou ophouden door mijn afwezigheid. Ik weet nog heel goed dat (geïntimeerde) met zijn kinderen tussen de rekken stond, dus zeker niet in de gang voor de kassa's. Toen ik tussen de rekken en ter hoogte van de familie M. was, heeft de kleine E. plots een beweging gemaakt en plots voor mijn voeten gelopen, waardoor ik met hem in contact ben gekomen en wij samen op de grond zijn gevallen. Na mijn val is dhr. VC (werknemer in de GB) mij de eerste hulp bij het ongeval komen toedienen. Er is ook een zekere B. D. (van de GB) ter plaatse geweest. (...). Ik wil er nog bij vermelden dat ik tussen de rekken uiterst rechts ging. Mijn winkelkar liet ik ook aan de kassa staan."

7. Geïntimeerde legde op 17 augustus 2004 ook een verklaring af:

"Zaterdag 17 juli, omstreeks 10 uur 30', bevond ik mij in het grootwarenhuis GB te Wemmel met mijn zoon E. (bijna 3 jaar, 98 cm en 15 kg) en mijn dochter E.. Wij wachtten in de file voor de kassa om te betalen wanneer (appellante) (die 2 of 3 personen voor ons stond) zich heeft omgedraaid in het rek met twee stukken vlees. Terwijl we wachtten, wandelde mijn zoon in de gang voor de kassa's. (Appellante) was zichtbaar gehaast. Zij heeft mijn zoontje niet gezien, die op hetzelfde ogenblik naar mij toekwam. Wanneer mijn zoontje de dame heeft gezien, heeft hij nog willen achteruitstappen, doch het was te laat. (Appellante) die gehaast was, heeft mijn zoon willen ontwijken door een stap naar rechts te zetten. Zij heeft haar evenwicht verloren. Zij heeft nog geprobeerd om haar evenwicht te herwinnen, maar zij is toch op de grond gevallen (+/- 2 m tot 2,50 m ver). Naar mijn mening heeft de heer VC, die vermeld wordt als getuige, niet gezien wat er is gebeurd. Hij is aangekomen nadat (appellante) is gevallen. Ik denk dat de aansprakelijkheid van mijn zoon niet is betrokken." (verklaring, vrij vertaald in het tussenvonnis van 23 mei 2008)".

8. Op 30 juli 2004 voegde de heer VC aan zijn inschrijving in het ongevallenboekje nog toe wat volgt:

"Ik wil bij deze ook erop wijzen dat betrokken persoon (= geïntimeerde) mij zijn adres en telefoonnummer doorgaf daar hij zich verantwoordelijk achtte voor het ongeval veroorzaakt door toedoen van zijn kind."

9. Bij tussenvonnis van 23 mei 2008 heeft de eerste rechter op het verzoek van appellante een getuigenverhoor bevolen.

10. De heren VC en Dh. bevestigden de feiten niet te hebben gezien. Volgens de heer VC bevonden de partijen zich "in de rayons. (Appellante) bevond zich op de grond, in de rayons, op enkele meters afstand van de kassa." Volgens beide getuigen zou geïntimeerde hebben verklaard dat hij verzekerd was en dat de verzekering zou tussenkomen.

11. Bij het eindvonnis oordeelde de eerste rechter dat appellante geen bewijs leverde van een (objectief) onrechtmatige daad van het kind van geïntimeerde. Enkel het feit dat appellante het kind ontweek staat vast en het is niet aangetoond dat het kind een fout beging.

III. Bespreking

12. Appellante haalt vooreerst de buitengerechtelijke bekentenis aan in hoofde van geïntimeerde die onmiddellijk na de feiten minstens impliciet heeft erkend dat de foutieve gedraging van zijn zoon het ongeval heeft veroorzaakt.

In het tussenvonnis van 23 mei 2008 oordeelde de eerste rechter:

" Zelfs indien (geïntimeerde) zijn aansprakelijkheid zou hebben erkend, wat dient te worden bewezen, maakt dit geen buitengerechtelijke bekentenis uit, en belet niets hem die aansprakelijkheid alsnog te betwisten.( zie in die zin H. Minjauw en J. Vandendriessche, Bewijs door bekentenis" in Bestendig Handboek Verbintenissenrecht, losbladig, VI.3, nrs 5375-5378).

De verklaringen afgelegd door (geïntimeerde) onmiddellijk na het ongeval zijn wel relevant in de mate zij betrekking hebben op de erkenning van materiële feiten."

Tegen het tussenvonnis heeft appellante geen hoger beroep ingesteld.

13. Appellante blijft aanvoeren dat geïntimeerde onmiddellijk na de feiten zijn schuld heeft erkend en zich verantwoordelijk achtte voor het ongeval dat door zijn zoon werd veroorzaakt. Die schulderkenning zou dan ook een buitengerechtelijke bekentenis uitmaken.

Bij het tussenvonnis van 23 mei 2008 heeft de eerste rechter geoordeeld dat zelfs indien appellante het bewijs zou leveren van haar bewering dat geïntimeerde zijn aansprakelijkheid zou hebben erkend, dit geen buitengerechtelijke bekentenis uitmaakt. Deze beslissing is definitief nu appellante tegen het tussenvonnis geen hoger beroep heeft ingesteld.

De omstandigheid dat geïntimeerde zijn identiteit, telefoonnummer en adres kenbaar maakte alsook meedeelde dat hij een verzekering Familiale aansprakelijkheid had onderschreven, impliceert bovendien niet dat hij bepaalde feiten erkende die zijn aansprakelijkheid op zich bewijzen en evenmin dat hij de schijn wekte zijn aansprakelijkheid te erkennen.

14. Het staat te dezen vast dat appellante ten val kwam bij het ontwijken van het kind van geïntimeerde maar dit volstaat niet om een (objectief) onrechtmatige daad in hoofde van het kind aan te tonen. Appellante legt geen enkele verklaring van omstaanders in die zin voor en bewijst haar stelling niet. Dat het ongeval zich tussen de rekken voordeed bewijst geen (objectieve) fout van het kind nu de rekken heel dicht bij de kassa's gelegen zijn (("op enkele meters afstand van de kassa") zodat de versie van geïntimeerde niet tegengesproken wordt. Geen enkel objectief gegeven wijst naar enige bruuske of wilde beweging in hoofde van het kind.

15. Een eigen fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek is in hoofde van geïntimeerde evenmin aangetoond. In de mate dat hij zijn driejarig zoontje rustig liet wandelen tussen de rekken, kort voor de kassa's, en hem niet aan de hand vasthield, heeft geïntimeerde geen handelwijze aan de dag gelegd die onverenigbaar is met deze van een normaal zorgvuldige en voorzichtige winkelbezoeker in dezelfde concrete omstandigheden geplaatst. De aanwezigheid van een vrij lopend jong kind op de plaats van het schadegeval is alles behalve buitengewoon.

Het hoger beroep is ongegrond.

16. De gerechtskosten:

De gerechtskosten worden ten laste gelegd van appellante als in het ongelijk gestelde partij.

Gelet op de gevorderde onderzoeksmaatregel wordt de rechtsplegingsvergoeding begroot op het basistarief zoals vastgesteld bij artikel 3 van het K.B. van 26 oktober 2007 .

Het basisbedrag bedraagt na indexatie 1.320 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtsprekende na tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt appellante in de gerechtskosten van het hoger beroep, begroot

- in hoofde van haarzelf op euro 1.506 ( 186 rolrecht + 1.320 rechtsplegingsvergoeding) e,

- in hoofde van geïntimeerde op euro 1.320 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

04/03/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

Evrard JANSSENS DE BISTHOVEN, Raadsheer,

Marc DEBAERE, Raadsheer,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

V. DE VIS M. DEBAERE

E. JANSSENS DE BISTHOVEN A. DE PREESTER

Free keywords

  • Grootwarenhuis. Loslopend kind van bijna drie jaar, niet aan de hand van diens moeder. Buietncontractuele aansprakelijkheid. Zorgvundigheidsnorm. Quid bewijs van objectieve onrechtmatige daad van het minderjarig kind. Buitengerechtelijke bekentenis: bewijswaarde