- Arrêt of March 11, 2014

11/03/2014 - 2012AR117

Case law

Summary

Samenvatting 1

De kosten die een persoon die schade heeft geleden, heeft moeten maken om zijn schade te bewijzen, in casu een eenzijdig door een gerechtsdeurwaarder opgemaakt proces-verbaal van vaststelling, en dat dus geen tegensprekelijk karakter heeft, kunnen niet ten laste gelegd worden van de persoon die deze schade heeft veroorzaakt. Dergelijke kosten maken geen kosten van het geding uit in eigenlijke zin.


Arrêt - Integral text

ARREST

Het Hof van Beroep te BRUSSEL, eerste kamer, na beraadslaging, spreekt volgend arrest uit :

Rep. Nr. 2014/

A.R. nr. 2012/AR/117

INZAKE VAN :

De heer M. M.,

appellant tegen een vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 13 oktober 2011

vertegenwoordigd door Meester S. STRICKAERT loco Meester Jan OPSOMMER, advocaat te 9700 OUDENAARDE, Gentstraat 152,

1ste kamer

TEGEN :

De heer G. E.,

geïntimeerde, vertegenwoordigd door Meester O. DELAEY loco Meester Theo VAN LINT, advocaat te 1860 MEISE, Hoogstraat 31,

414 en 204.

Gerechtskosten. Begrip en omvang Eenzijdig opgesteld procesverbaal van vaststelling door een gerechtsdeurwaarder, opdat een schadelijder zijn schade zou kunnen bewijzen.

De kosten die een persoon die schade heeft geleden, heeft moeten maken om zijn schade te bewijzen, in casu een eenzijdig door een gerechtsdeurwaarder opgemaakt proces-verbaal van vaststelling, en dat dus geen tegensprekelijk karakter heeft, kunnen niet ten laste gelegd worden van de persoon die deze schade heeft veroorzaakt. Dergelijke kosten maken geen kosten van het geding uit in eigenlijke zin.

__________________________________________________

Gelet op de procedurestukken:

• het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 13 oktober 2011, beslissing die betekend werd op 14 december 2011;

• het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof op 13 januari 2012;

• de syntheseconclusie van appellant neergelegd ter griffie op 13 en 16 juli 2012;

• de conclusie van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 12 september 2012.

Gehoord de advocaten van partijen ter openbare terechtzitting van 27 januari 2014 en gelet op de stukken die zij neerlegden.

Het hoger beroep werd regelmatig naar vorm en termijn ingesteld en is bijgevolg ontvankelijk.

I. Voorwerp van de vorderingen.

1.1. De oorspronkelijke eis van geïntimeerde strekte ertoe in hoofdorde appellant te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van 4.277,56 euro plus de vergoedende intresten vanaf 11 mei 2009 en de gerechtelijke intresten. Deze vordering werd nadien bij conclusie herleid tot 4.077,56 euro doch als gerechtskost werd - naast de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding - bijkomend een bedrag aangerekend van 200 euro voor het opstellen van het proces - verbaal van vaststelling.

In ondergeschikte orde vorderde hij toegelaten te worden tot het houden van een getuigenverhoor.

In nog meer ondergeschikte orde verzocht hij om de aanstelling van een deskundige.

Huidige appellant verzocht in ondergeschikte orde de "persoonlijke verschijning" van de heer C. te bevelen. Hij vroeg tevens - bij wijze van tegenvordering - de betaling van een schadevergoeding ad 1.000 euro wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding.

1.2. De eerste rechter heeft (1) de hoofdvordering (= 4.077,56 euro + intresten) integraal toegekend zoals in hoofdorde gesteld, (2) de tegenvordering afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond en (3) appellant veroordeeld in de kosten van het geding bestaande uit de dagvaardingskosten en de rechtsplegingsvergoeding alleen.

1.3. In hoger beroep verzoekt appellant de vordering integraal af te wijzen - minstens van het getuigenverhoor van de heer C. te bevelen met navolgend plaatsbezoek - en herneemt hij zijn vordering tot schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding.

1.4. Geïntimeerde vraagt in conclusie het bestreden vonnis te willen bevestigen in al zijn onderdelen.

Ter zitting van 27 januari 2014 vroeg geïntimeerde akte te nemen van de uitbreiding van zijn eis met 200 euro, zijnde de kosten van het proces-verbaal van vaststelling waartegen appellant zich verzet heeft.

II. De relevante feiten.

2.1. De eerste rechter heeft de feiten die aanleiding hebben gegeven tot huidig geschil precies en volledig omschreven zodat het hof desbetreffend verwijst naar het bestreden vonnis.

2.2. Samengevat komt het hierop neer dat op 15 mei 2009 gerechtsdeurwaarder Ann Vercauteren - op verzoek van geïntimeerde - een P.V. van vaststelling opmaakte - waarvan de kosten het voorwerp zijn van de eisuitbreiding van geïntimeerde - waarin zij vastlegde dat 90% van het achterliggend perceel, dat voorheen beplant was met spinazie, vernield werd. Zij stelde tevens vast dat de grond omgewoeld was en er duidelijke tractorsporen zichtbaar waren.

Bij aangetekend schrijven van 18 mei 2009 deelde geïntimeerde aan appellant mede dat deze op 9 mei bedreigingen had geuit en vervolgens was overgegaan tot het vernietigen van de beplanting op het desbetreffende perceel. Tevens werd appellant in gebreke gesteld om de toegebrachte schade te vergoeden.

Bij e-mail van 29 mei 2009 betwistte appellant enige vernieling te hebben aangebracht aan de beplanting van geïntimeerde.

2.3. De heer C. legde op 20 augustus 2009 een verklaring af t.a.v. de rechtsbijstandverzekeraar van geïntimeerde.

Hij verklaarde geen band te hebben met één der partijen maar het schadegeval te hebben zien gebeuren.

Desbetreffend zal hij het volgende verklaren:

"Op 11 mei was ik aanwezig te paard tijdens het voorval waar ik een blauwe tractor met breker aan het werk zag in het veld, die bezig was met het vernielen van de spinazieoogst, waarbij ik de heer M. M. herkende."

III. Bespreking.

3.1. De vernieling van 90% van de spinazieoogst blijkt uit het P.V. van vaststelling van de gerechtsdeurwaarder opgesteld op 15 mei 2009.

Uit dat P.V. blijkt dat op het veld in kwestie duidelijk tractorsporen zichtbaar zijn en aan de zijkanten van het veld nog sporen te vinden zijn van spinazieplanten.

Getuige C. heeft het in zijn verklaring ook over een tractor - van blauwe kleur - en herkende hij appellant als diegene die het spinazieveld aan het vernielen was.

Er is geen reden om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van deze getuige wiens uitleg overeenstemt met de vaststellingen gedaan door de gerechtsdeurwaarder en wiens verklaring kort na de feiten werd afgelegd.

Appellant betwist overigens niet dat tussen hem en geïntimeerde een ernstige betwisting bestaat. Zo verwijt appellant aan geïntimeerde zijn oogst te vernielen door gebruik te maken van zijn eigendom om met zijn tractor zijn eigen veld te kunnen bereiken.

Al deze elementen in hun geheel genomen, tonen afdoend aan dat appellant wel degelijk de schade heeft aangericht zoals het zich in concreto heeft voorgedaan.

De feiten dateren van mei 2009 en het is thans noch opportuun noch nuttig om deze getuige te verhoren onder ede.

3.2. De argumenten die appellant inroept tegen voornoemde objectieve gegevens kunnen niet ernstig aanvaard worden.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat geïntimeerde zijn eigen oogst zou vernielen.

Nergens blijkt evenmin dat de oogst vernield werd ingevolge een hevige regenval op 14 mei 2009.

Het K.B. van 15 maart 2010 heeft Grimbergen niet opgenomen als rampgebied en een hevige regenval legt niet uit hoe er dan nog tractorsporen konden vastgesteld worden door de gerechtsdeurwaarder op 15 mei 2009 en waarom dan niet het ganse veld van geïntimeerde overspoeld werd. Een hevige regenval laat geen jonge spinazieplantjes ongemoeid gelegen op de rand van het veld noch de beplanting op naburige percelen.

Zoals de eerste rechter terecht stelt, tonen de objectieve gegevens van het dossier afdoend aan dat de vernieling van de spinazieoogst wijst op een menselijke tussenkomst.

3.3. De eerste rechter heeft de schade in redelijkheid en in billijkheid begroot.

Appellant brengt desbetreffend geen concrete elementen naar voren die aanleiding geven tot een herberekening.

Gelet op de aard van de zaak is het niet opportuun om een deskundigenonderzoek te bevelen. Het hof is in staat om zich op grond van de voorliggende gegevens desbetreffend een oordeel te vormen. Het advies van een specialist ter zake is niet vereist.

De houding van appellant aangaande de schade is overigens ambigu. Enerzijds betwist hij de gevorderde schade maar anderzijds verzet hij zich tegen de aanstelling van een deskundige.

3.4. Geïntimeerde heeft ter zitting van 27 januari 2014 zijn oorspronkelijke eis uitgebreid met 200 euro zijnde de kosten voor het opmaken van het proces - verbaal van vaststelling van 15 mei 2009 door gerechtsdeurwaarder Vercauteren.

De kosten die geïntimeerde heeft moeten maken om zijn schade te bewijzen en die geen tegensprekelijk karakter hebben, kunnen niet ten laste gelegd worden van appellant.

De eerste rechter oordeelde terecht dat dergelijke kosten geen kosten van het geding uitmaken in eigenlijke zin en heeft appellant op dat punt even terecht enkel veroordeeld tot betaling van de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding.

3.5. Appellant stelt een vordering in schadevergoeding in wegens het instellen van een tergend en roekeloos geding.

Geïntimeerde wordt zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in het gelijk gesteld.

Hiermede is aangetoond dat geïntimeerde geenszins een vordering heeft ingesteld die een tergend en roekeloos karakter heeft.

Deze vordering werd terecht afgewezen.

3.6. Appellant en geïntimeerden vragen een rechtsplegingsvergoeding ad 715 euro wat het geïndexeerd basisbedrag is gelet op het gevorderde.

Er is geen reden om af te wijken van het basistarief.

Dit bedrag komt toe aan geïntimeerde als de in het gelijk gestelde partij.

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verklaart de eisuitbreiding van geïntimeerde ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis in al zijn onderdelen.

Veroordeelt appellant in de kosten van hoger beroep, in totaal begroot

- in hoofde van hemzelf op euro 901 (196 rolrecht + 715 rechtsplegingsvergoeding), en

- in hoofde van geïntimeerde op euro 715 rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de burgerlijke eerste kamer van het hof van beroep te Brussel, op

11/03/2014

waar aanwezig waren en zitting hielden :

Astrid DE PREESTER, Voorzitter,

bijgestaan door Viviane DE VIS, Griffier.

Free keywords

  • Gerechtskosten: begrip en omvang. Procesverbaal van vaststelling, door een gerechtsdeur