- Arrêt of November 15, 2011

15/11/2011 - 2010AH314

Case law

Summary

Samenvatting 1

De rechtsvordering van de werkgever tot terugvordering van onverschuldigd betaalde socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing die onrechtmatig aan de werknemer werden betaald na het einde van de arbeidsovereenkomst, maakt geen rechtsvordering uit die ontstaan is uit de arbeidsovereenkomst. Op deze rechtsvordering is de verjaringstermijn van artikel 2262bis Burgerlijk Wetboek van toepassing en niet de verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

De rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling (artikel 1376 BW) verplicht de werknemer die onverschuldigd de fiscale bedrijfsvoorheffing van de werkgever heeft ontvangen om dit terug te geven.

Artikel 26 van de RSZ-wet verhindert dat de werknemer op grond van de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling (artikel 1376 BW) veroordeeld zou worden tot terugbetaling van de werknemersbijdrage voor de sociale zekerheid die hem ten onrechte door de werkgever werd uitbetaald.


Arrêt - Integral text

ARREST

A.R. 2010/AH/314

OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIJFTIEN NOVEMBER TWEEDUIZEND EN ELF.

In de zaak:

F. C.,

wonende te 3582 Koersel, Vrevijverstraat 11,

appellant,

verschijnend bij mr. SEGERS H., advocaat te Beringen.

tegen

V. S. NV,

met zetel te 3930 Hamont-Achel, Lozenweg 30,

geïntimeerde,

verschijnend bij mr. OFFERMANS loco mr. SERRIEN K., advocaat te Brussel.

Het hof, na de zaak in beraad te hebben genomen, spreekt in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgende arrest uit.

Gelet op de uiteenzetting van de middelen van partijen tijdens de openbare terechtzitting van 4 oktober 2011.

Gelet op de processenverbaal van de openbare terechtzitting van 7 december 2010 en 4 oktober 2011.

I. RECHTSPLEGINGSSTUKKEN

Gelet op de stukken van de rechtspleging, in het bijzonder:

- het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt gewezen op tegenspraak tussen partijen op 4 oktober 2010 en waarvan geen betekening wordt voorgelegd;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, op 25 oktober 2010;

- de beschikking d.d. 21 december 2010 overeenkomstig artikel 747 §2 Ger.W.;

- de conclusies van geïntimeerde ontvangen ter griffie op 3 februari 2011;

- de conclusies van appellant ontvangen ter griffie op 25 maart 2011;

- de aanvullende conclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 20 mei 2011;

- de syntheseconclusies van appellant ontvangen ter griffie op 23 juni 2011;

- de syntheseconclusies van geïntimeerde neergelegd ter griffie op 31 augustus 2011.

II. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Met een verzoekschrift, op 25 oktober 2010 ontvangen ter griffie van dit hof, tekende appellante hoger beroep aan tegen een vonnis (A.R 210/0818) van 4 oktober 2010 van de arbeidsrechtbank te Hasselt.

Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en is regelmatig naar de vorm.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

III. FEITEN EN VOORAFGAANDE RECHTSPLEGING

1.

In het kader van een rechtsgeding, voortspruitend uit de afwikkeling van de in de periode van 24 september 1990 en 2 augustus 1995 bestaand hebbende arbeidsovereenkomst, werd geïntimeerde NV V. S. (hierna verder vernoemd als de NV) bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 22 april 2002 veroordeeld tot betaling van bepaalde bedragen aan haar exwerknemer, appellant F. C..

In het beschikkende gedeelte van dit vonnis werd het als volgt verwoord (stuk 7 stukkenbundel NV ; met verwerende partij wordt de NV bedoeld, met eisende partij wordt F. C. bedoeld) :

"Veroordeelt verwerende partij om aan eisende partij de bedragen te betalen van

* 11.248,19 EUR ten titel van saldo opzeggingsvergoeding

* 1.090,21 EUR ten titel van eindejaarspremie

* 1,00 EUR provisioneel ten titel van vakantiegeld

Te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten.

Zegt voor recht dat op de aldus toegekende bedragen de sociale en fiscale inhoudingen dienen te geschieden overeenkomstig de wettelijke bepalingen en dat de wettelijke intresten vanaf de respectievelijke vervaldata en gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot de dag der algehele betaling verschuldigd zijn op de netto-eisbare bedragen.

Beveelt de afgifte van de aangepaste sociale documenten.

Legt de gedingkosten ten laste van de verwerende partij (/).

Staat de voorlopige tenuitvoerlegging toe van dit vonnis niettegenstaande alle verhaal, zonder borgstelling en met uitsluiting van het vermogen tot kantonnement".

Bij arrest van dit arbeidshof d.d. 9 februari 2004 werden de tegen dit vonnis ingestelde hogere beroepen ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en werd het bestreden vonnis bevestigd (stuk 8 stukkenbundel NV).

2.

Ter uitvoering van het (bij voorraad uitvoerbaar verklaarde) vonnis d.d. 22 april 2002, betaalde de NV tussentijds op 30 juli 2002 aan gerechtsdeurwaarder Daenen een bedrag van 19.344,40 EUR, na een deurwaardersaanmaning waarbij de volgende afrekening werd gepresenteerd (stukken 3, 4 en 5 stukkenbundel NV) :

 hoofdsom: 12.339,40 EUR

- kosten geding: 138,45 EUR

- rechtsplegingsvergoeding: 191,87 EUR

- expeditie: 6,00 EUR

- kosten van uitvoering: 417,41 EUR

- totaal intresten: 6.161,59 EUR

- inningsrecht: 89,42 EUR

 totaal: 19.344,14 EUR

3.

Op 27 december 2006 ging de NV over tot dagvaarding van F. C. bij de rechtbank van eerste aanleg van Hasselt, erop gericht om F. C. te horen veroordelen tot de betaling van:

- een bedrag van 5.058,43 EUR aan ten onrechte ontvangen bijdragen;

- de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Tevens werd de uitvoerbaarheid van het uit te spreken vonnis gevorderd.

De NV voerde in de gedinginleidende dagvaarding aan dat, in uitvoering van het vonnis van 22 april 2002, ten onrechte in handen van F. C. de sociale zekerheidsbijdragen (werknemer) ten belope van 1.741,64 EUR werden betaald, evenals de bedrijfsvoorheffing (bijdrage werknemer) ten belope van 3.316,79 EUR, hetzij samen 5.058,43 EUR.

Bij vonnis van 19 maart 2010 verklaarde de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt zich materieelrechtelijk onbevoegd om kennis te nemen van het geschil, en zij verwees de zaak naar de volgens haar wel bevoegde rechtbank, de arbeidsrechtbank te Hasselt.

4.

Middels een op 6 mei 2010 bij de arbeidsrechtbank neergelegde conclusie breidde de NV haar oorspronkelijke vordering uit.

Ze vorderde om F. C.te horen veroordelen tot de betaling van een bedrag van 7.451,55 EUR, bestaande uit:

- een bedrag van 1.470,14 EUR aan RSZ-inhoudingen op de opzeggingsvergoeding;

- een bedrag van 142,49 EUR aan RSZ-inhoudingen op de eindejaarspremie;

- een bedrag van 3.060,53 EUR aan bedrijfsvoorheffing op de opzeggingsvergoeding;

- een bedrag van 296,64 EUR aan bedrijfsvoorheffing op de eindejaarspremie;

- een bedrag van 2.481,75 EUR aan onverschuldigde intresten.

Bij vonnis van 4 oktober 2010 van de arbeidsrechtbank van Hasselt werd:

- de vordering van de NV ontvankelijk en gegrond verklaard;

- F. C. veroordeeld tot de betaling aan de NV van een bedrag van 7.451,55 EUR, meer de gerechtelijke intresten vanaf 27 december 2006 tot de dag der algehele betaling;

- F. C. veroordeeld tot de kosten van het geding.

5.

Tegen dit vonnis van de arbeidsrechtbank van Hasselt d.d. 4 oktober 2010 stelde F. C. hoger beroep in bij dit hof.

IV. EISEN IN HOGER BEROEP

1.

Appellant (F. C.) vordert om:

- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te wijzigen en opnieuw recht te doen;

- voor recht te zeggen dat de oorspronkelijke vordering van de NV verjaard, alleszins ongegrond is;

- voor recht te zeggen dat de vordering van de NV niet kan gesteld worden op de rechtsfiguur van onverschuldigde betaling;

- de NV te veroordelen tot de kosten van beide aanleggen;

In ondergeschikte orde vraagt F. C. vast te stellen dat:

- de uitbreiding tot toekenning van wettelijke intresten op de oorspronkelijke som van 5.058,43 EUR, thans herleid tot 4.969,80 EUR, verjaard was op het ogenblik van het instellen van deze vordering, gelet op de betaling d.d. 30 juli 2002 en het stellen van deze vordering in 2009;

- de NV enkel aanspraak kan maken op de gerechtelijke intresten op de som van 4.969,80 EUR gezien art. 1378 B.W. niet van toepassing is.

2.

Geïntimeerde (NV V. S.) verzoekt om:

- het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;

- het bestreden vonnis te bevestigen;

- F. C. te veroordelen tot de betaling van een bedrag van 7.451,55 EUR, meer de gerechtelijke intresten vanaf de datum van dagvaarding tot de dag der algehele betaling;

- F. C. te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep, ex aequo et bono begroot op 1.250 EUR;

- F. C. te veroordelen tot de kosten van het geding.

V. BEOORDELING

V.a. Inzake de ontvankelijkheid van de vordering van de NV

1.

F. C. heeft in hoofdorde als verweer aangevoerd dat de door de NV ingestelde vordering, ingeleid via dagvaarding van 27 december 2006, verjaard (en dus onontvankelijk) zou zijn.

F. C. stelt dat er sprake is van een vordering die ontstaan is uit een arbeidsovereenkomst, en dat daarop de verjaringsregeling van de Arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 van toepassing is.

Nu de arbeidsovereenkomst reeds beëindigd is in 1995, is volgens F. C. de desbetreffende vordering, ingeleid via dagvaarding van 27 december 2006, verjaard.

De NV contesteert deze zienswijze en stelt dat de vordering haar grondslag vindt in de onverschuldigde betaling die zij aan F. C. uitvoerde, en zij verwijst voor deze rechtsfiguur naar de bepalingen van artikel 1376 B.W.

De NV stelt dat de 10jarige verjaringstermijn van artikel 2262bis B.W., te rekenen vanaf het ogenblik van de onverschuldigde betaling (hier 30 juli 2002), van toepassing is, en dat bijgevolg haar op 27 december 2006 ingeleide rechtsvordering niet verjaard is.

2.

Opdat de NV zich zou kunnen beroepen op de toepassing van de voor de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling toepasselijke verjaringsregeling, moet vooreerst worden nagegaan of er effectief sprake is geweest van een onverschuldigde betaling.

Naar het oordeel van het hof is dit wel degelijk het geval.

Feit is dat de NV op 30 juli 2002 aan de gerechtsdeurwaarder een bedrag van 19.344,14 EUR betaalde, waarin, volgens de eraan voorafgaande deurwaardersafrekening, het bedrag van 12.339,40 EUR aan "hoofdsom" vervat lag (stukken 345 stukkenbundel NV) (zie hoger, sub III.2.).

In het vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 22 april 2002 (stuk 7 stukkenbundel NV), in uitvoering waarvan deze betaling werd verricht, werd bij de bepaling van dit bedrag (de som van de vermelde bedragen van 11.248,19 EUR + 1.090,21 EUR + 1,00 EUR) in het beschikkende gedeelte eveneens expliciet geoordeeld :

"Zegt voor recht dat op de aldus toegekende bedragen de sociale en fiscale inhoudingen dienen te geschieden overeenkomstig de wettelijke bepalingen /".

Daaraan werd toegevoegd : "/ en dat de wettelijke intresten vanaf de respectievelijke vervaldata en gerechtelijke intresten vanaf de dagvaarding tot de dag der algehele betaling verschuldigd zijn op de nettoeisbare bedragen".

Op die wijze vermeld, kon er na lezing van het beschikkende gedeelte van dit vonnis redelijkerwijze geen twijfel over bestaan dat de NV in principe aan F. C. enkel het nettoeisbare bedrag diende uit te betalen, nadat op de vermelde bedragen de sociale en fiscale inhoudingen waren verricht.

3.

Met "sociale inhoudingen" wordt bedoeld, de uit hoofde van de 'sociale zekerheidswetgeving' te verrichten inhoudingen.

Artikel 14 van de RSZwet van 27 juni 1969 ('Wet tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders') en artikel 23 van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid van 29 juni 1981 bepalen dat de bijdragen voor sociale zekerheid worden berekend op grond van het werknemersloon in de zin van artikel 2 van de Loonbeschermingswet van 12 april 1965.

De opzeggingsvergoeding en eindejaarspremie liggen vervat in dit loonbegrip (cf. VAN EECKHOUTTE W., Sociaal Compendium Sociale Zekerheidsrecht 201011, Mechelen, Wolters Kluwer 2010, nrs. 10516 en 10528).

In artikel 17 § 1 van de RSZwet en artikel 38 § 1 van de Algemene Beginselenwet Sociale Zekerheid worden de bijdragevoeten inzake de werknemersbijdragen vermeld.

Artikel 23 van de RSZwet bepaalt dat de bijdrage van de werknemer door de werkgever bij iedere betaling van het 'loon' wordt ingehouden ; deze is alsdan, samen met de eigen werkgeversbijdrage, aan de R.S.Z. verschuldigd.

Rekening houdend met deze wettelijke bepalingen had de NV normalerwijze op het in het vonnis bepaalde brutobedrag de nodige sociale zekerheidsbijdragen (werknemersbijdragen) dienen in te houden, en had zij deze niet aan F. C. mogen uitbetalen.

4.

Met "fiscale inhoudingen" wordt bedoeld, de uit hoofde van de 'fiscale wetgeving' te verrichten inhoudingen.

De rijksinwoners zijn aan de personenbelasting onderworpen (artikel 3 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 /WIB). Dit gebeurt op grond van al hun in het WIB als belastbaar vermelde inkomsten (artikel 5 WIB), waaronder de beroepsinkomsten (artikel 6 WIB).

De belasting wordt geheven bij wijze van voorheffingen (artikel 249 WIB), die nadien zullen worden verrekend met de definitief verschuldigde belastingen (artikelen 276 en 296 WIB).

Artikel 270 WIB bepaalt dat bedrijfsvoorheffing verschuldigd is door de schuldenaars van de bezoldigingen van de werknemers, m.a.w. door de werkgevers.

De werkgevers moeten deze bedrijfsvoorheffing 'in de Schatkist storten' (artikel 87 van het uitvoeringsK.B./WIB van 27 augustus 1993), en de aldus aan de bron verschuldigde bedrijfsvoorheffing wordt vastgesteld volgens de schalen en bijhorende regels, vermeld in bijlage III bij dit uitvoeringsK.B./WIB (cf. artikel 88 van het K.B.).

Rekening houdend met deze wettelijke bepalingen had de NV normalerwijze op het in het vonnis bepaalde brutobedrag eveneens de nodige fiscale bedrijfsvoorheffing moeten inhouden, en had zij deze niet aan F. C. mogen uitbetalen.

5.

In tegenstelling tot hetgeen F. C. schijnt voor te houden, is er dus wel degelijk een wettelijke basis voorhanden (de "wettelijke bepalingen" waarnaar in het vonnis van 22 april 2002 werd verwezen) overeenkomstig dewelke op de toegekende bedragen de sociale en fiscale inhoudingen dienden te geschieden.

Aan F. C. kwam derhalve in principe niet het hem uitbetaalde brutobedrag toe, maar enkel het nettobedrag dat normalerwijze overbleef nadat de NV op het brutobedrag de sociale zekerheidsbijdragenwerknemer en de fiscale bedrijfsvoorheffing zou hebben ingehouden overeenkomstig de hiervoren vermelde regelgeving.

De NV heeft met de betaling van het brutobedrag, hierbij inbegrepen de sociale en fiscale inhoudingen die ze er normalerwijze op moest inhouden, meer uitbetaald aan F. C. dan datgene waartoe zij in uitvoering van het vonnis van 22 april 2002 en rekening houdend met de toepasselijke regelgeving gehouden was.

In die zin is er, m.b.t. hetgeen door de NV teveel werd betaald, onmiskenbaar sprake van een onverschuldigde betaling in de zin van artikel 1376 B.W. :

F. C. heeft (per vergissing) van de NV iets ontvangen dat hem niet verschuldigd was.

6.

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 1376 B.W. is hij die bij vergissing (of met zijn weten) iets ontvangen heeft dat hem niet verschuldigd was, verplicht het terug te geven aan degene van wie hij het ontvangen heeft zonder dat het verschuldigd was.

Dit rechtsbeginsel en deze rechtsfiguur is voor verbintenissen uit overeenkomsten geïncorporeerd in artikel 1235 B.W., hetgeen bepaalt dat wat betaald is zonder verschuldigd te zijn, teruggevorderd kan worden.

De rechtsgrond van de terugvordering vindt hier dus zijn grondslag in de rechtsfiguur van de 'onverschuldigde betaling', in de zin van artikel (1235 en) 1376 (e.v.) B.W..

Het gaat om een persoonlijke rechtsvordering die verjaart volgens de daarop toepasselijke gemeenrechtelijke verjaringstermijn van 10 jaar, vermeld in artikel 2262bis B.W.

7.

De aanvoering van F. C. dat de rechtsvordering van de NV verjaard zou zijn aangezien er sprake is van een uit een arbeidsovereenkomst ontstane vordering waarop de (één en vijfjarige) verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet van toepassing zou zijn, is onjuist.

Wanneer namelijk een betaling na het beëindigen van de arbeidsovereenkomst en in uitvoering van een daaromtrent gedane rechterlijke uitspraak onverschuldigd is gebeurd, dan is het voor de bepaling van de toepasselijke verjaringstermijn van geen belang of het geschil in uitvoering waarvan de betaling gebeurde betrekking had op een voordien bestaand hebbende arbeidsovereenkomst.

De vordering tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde vloeit op zich niet voort uit de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en werknemer, maar is een vordering die berust op de artikelen 1235 en 1376 B.W. inzake onverschuldigde betaling en die onderworpen is aan de algemene verjaringstermijn (vgl. Cass. 12 december 1985, R.W. 198687, 276 ; Cass. 21 mei 2001, nr. S0001164N, www.juridat.be ; Cass. 13 juni 2002, nr. C990405N, www.juridat.be).

Specifiek m.b.t. de rechtsvordering van de werkgever tot terugvordering van lonen die hij onrechtmatig aan de werknemer uitbetaalde na het eindigen van de arbeidsovereenkomst, heeft het Hof van Cassatie trouwens reeds geoordeeld dat het geen rechtsvordering is die in de zin van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet uit die overeenkomst ontstaat (Cass. 18 december 2006, R.W. 20082009, 955 ; een integrale versie van dit arrest werd door de NV bijgebracht als haar stuk 11).

Het is m.a.w. duidelijk dat onderhavige rechtsvordering (van de NV) tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde geen rechtsvordering is die ontstond uit de arbeidsovereenkomst als zodanig, maar wel uit een nadien te situeren onverschuldigde betaling, zodat de verjaringstermijn van artikel 2262bis B.W. er onverminderd op van toepassing is.

8.

De onverschuldigde betaling vond hier plaats op 30 juli 2002.

De rechtsvordering tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde werd uitgebracht via een dagvaarding van 27 december 2006.

De rechtsvordering tot terugvordering werd bijgevolg tijdig uitgebracht binnen de lopende 10jarige verjaringstermijn die een aanvang nam op 31 juli 2002.

Deze rechtsvordering is derhalve niet verjaard, en is ontvankelijk.

De andersluidende argumentatie van F. C. faalt en wordt door het hof verworpen.

V.b. Ten gronde, inzake de fiscale bedrijfsvoorheffing

1.

Het is thans niet meer nodig om nogmaals de juridische grondslag van de daaromtrent door de NV ingestelde rechtsvordering tot terugbetaling van de fiscale bedrijfsvoorheffing, die zij verkeerdelijk en/of per vergissing aan F. C. betaalde, te herhalen.

Het hof verwijst hier op nuttige wijze naar hetgeen hij daaromtrent hoger, sub V.a. reeds overwogen heeft.

Er is onmiskenbaar sprake van een door de NV verrichte onverschuldigde betaling.

In toepassing van artikel 1376 B.W. is F. C. verplicht om hetgeen hij op die wijze onverschuldigd ontvangen heeft, "terug te geven aan degene van wie hij het ontvangen heeft", hier de NV.

2.

De desbetreffende vordering inzake terugbetaling van de fiscale bedrijfsvoorheffing behelst in hoofdsom een totaalbedrag van 3.357,17 EUR (3.060,53 EUR bedrijfsvoorheffing op de opzeggingsvergoeding + 296,64 EUR op de eindejaarspremie).

Deze afrekening van de NV werd door F. C. cijfermatig niet wezenlijk gecontesteerd en komt het hof correct voor.

3.

Anders dan F. C. aanvoert, kan aan dit bedrag ook het bedrag worden toegevoegd van de op het ogenblik van de deurwaardersafrekening d.d. 29 juli 2002 erop vervallen intresten.

De betaling van de intresten (hierbij inbegrepen deze op het onverschuldigd betaalde) gebeurde in uitvoering van bedoeld vonnis van de arbeidsrechtbank te Hasselt d.d. 22 april 2002 (" / te vermeerderen met de wettelijke en de gerechtelijke intresten").

Als uitvoerbare titel, nadien bevestigd door dit arbeidshof, vermag zulks thans niet meer te worden betwist.

In functie van het door de NV totaal in hoofdorde gevorderde bedrag van 4.969,80 EUR, waarin ook de onverschuldigd betaalde bedrijfsvoorheffing ten belope van 3.357,17 EUR vervat ligt, werd door de NV een totaalbedrag aan vervallen intresten gekoppeld van 2.481,75 EUR.

Het bedrag aan vervallen intresten, overeenstemmend met het gedeelte inzake de fiscale bedrijfsvoorheffing, stemt alsdan verhoudingsgewijze (geprorateerd) overeen met :

2.481,75 EUR x 3.357,17/4.969,80sten

= 1.676,46 EUR.

4.

De vordering van de NV inzake de terugbetaling van (onverschuldigd betaalde) bedrijfsvoorheffing en 'aankleven', bedraagt zodoende :

3.357,17 EUR hoofdsom + 1.676,46 EUR vervallen intresten

= 5.033,63 EUR.

Dit bedrag van 5.033,63 vormt het als hoofdsom terugvorderbare bedrag.

De vordering van de NV is in die mate gegrond.

5.

Zoals door de eerste rechters terecht werd geoordeeld, kunnen op het totaalbedrag (dus zowel op de hoofdsom als op het bedrag van de vervallen intresten) nalatigheidsintresten worden aangerekend.

F. C. heeft weliswaar een punt alwaar hij aanvoert dat er in toepassing van artikel 1378 B.W. geen intresten vanaf de betaling van het onverschuldigde kunnen worden aangerekend, nu niet blijkt dat hij te kwader trouw ontvangen had hetgeen hem niet verschuldigd was.

Dit impliceert enkel dat de intrestentoerekening niet kan worden toegepast vanaf 30 juli 3002, maar verhindert geenszins dat er in het kader van de daaropvolgende rechtsprocedure tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde alsnog gerechtelijke intresten kunnen worden toegerekend.

De intresten kunnen hier wel degelijk worden aangerekend vanaf de datum van dagvaarding, en het gaat alsdan om moratoire gerechtelijke intresten aan de wettelijke intrestvoet.

De andersluidende argumentatie van F. C. faalt en wordt verworpen.

6.

F. C. heeft nog beargumenteerd dat niet bewezen is dat de NV de desbetreffende bedrijfsvoorheffing aan de fiscus zou hebben overgemaakt (en koppelt daaraan de zienswijze dat hijzelf de ontvangen bedrijfsvoorheffing niet dient terug te betalen zolang de NV deze betaling aan de fiscus niet bewijst).

Dit is een argument dat als zodanig niet dienend is in functie van het gerezen geschil, dat handelt over een rechtsvordering tot terugvordering van een door de NV aan F. C. uitgevoerde onverschuldigde betaling.

In functie van deze rechtsvordering van de NV en de daarbij toepasselijke rechtsfiguur (de onverschuldigde betaling) diende enkel te worden aangetoond dat de NV terzake een onverschuldigde betaling aan F. C. heeft verricht, bewijs dat effectief geleverd werd.

De al dan niet door de NV t.a.v. de fiscus uitgevoerde betaling van de bedrijfsvoorheffing is een element dat daaraan vreemd is en dat niet van aard is om enige invloed uit te oefenen op deze door de NV opzichtens F. C. ingestelde rechtsvordering.

Niettemin blijkt uit de door de NV voorgelegde stukken dat zij bedoeld bedrag aan bedrijfsvoorheffing wel degelijk via tussenkomst van haar sociaal secretariaat aan de fiscus heeft overgemaakt (cf. stukken 10 en 18 stukkenbundel NV).

De NV betaalde dus de kwestieuze bedrijfsvoorheffing aan de gerechtigde daarvan (de 'Schatkist', vertegenwoordigd door de daartoe bevoegde fiscale diensten).

De volgehouden andersluidende argumentatie van F. C. is bijgevolg, benevens irrelevant in functie van onderhavige betwisting, eveneens manifest onjuist, en ze wordt door het hof verworpen.

V.c. Ten gronde, inzake de sociale zekerheidsbijdragen

Er bestaat een duidelijk wettelijk beletsel dat eraan in de weg staat dat F. C. veroordeeld zou worden tot terugbetaling van de sociale zekerheidsbijdragen (werknemersbijdragen) waarvan de NV nagelaten heeft om ze in te houden (en die dus een onverschuldigde betaling uitmaken ; zie hoger, sub V.a.).

Artikel 26 van de RSZwet bepaalt immers het navolgende :

"De werkgever mag op de werknemer niet de werknemersbijdrage verhalen, waarvan hij de inhoudingen te gepasten tijde zou nagelaten hebben te verrichten".

Deze verbodsbepaling raakt de openbare orde (vgl. Cass. 12 september 1988, J.T.T. 1988, 423).

Het verbod van artikel 26 van de RSZwet verhindert dat de werknemer op grond van de rechtsfiguur van de onverschuldigde betaling (artikel 1376 B.W.) veroordeeld zou worden tot terugbetaling van de werknemersbijdrage voor de sociale zekerheid die hem ten onrechte door de werkgever werd uitbetaald (vgl. Cass. 27 februari 1995, J.T.T. 1995, 439).

De door de NV opzichtens F. C. ingestelde rechtsvordering tot terugbetaling van de werknemersbijdrage voor de sociale zekerheid die zij per vergissing aan F. C. deed, kan bijgevolg niet worden gehonoreerd en is ongegrond.

Het vonnis a quo waarbij er anders over geoordeeld werd, wordt m.b.t. dit aspect door het hof hervormd, en het door F. C. ertegen ingestelde hoger beroep is in die mate gegrond.

V.d. Inzake het (beweerde) tergend en roekeloos hoger beroep

De NV stelt dat F. C., doordat hij tegen het uitvoerig gemotiveerd vonnis van de arbeidsrechtbank toch hoger beroep instelde, een proceshouding innam die getuigt van misbruik en kwade trouw.

De NV vordert vanwege F. C. een schadevergoeding wegens tergend en hoger beroep ten belope van 1.250 EUR.

Het hof is van oordeel dat deze vordering niet kan worden gehonoreerd.

Eerstens had F. C. het hem door de wet verstrekte recht om tegen het vonnis a quo het rechtsmiddel van het hoger beroep aan te wenden en om het geschil aan de hernieuwde beoordeling van een beroepsrechter (dit hof) voor te leggen.

De aanwending van dit recht maakt op zich geen procesmisbruik uit ; de NV poneert zulks wel, maar zij heeft niet aangetoond dat er m.b.t. dit gegeven sprake zou zijn van een in hoofde van F. C. bestaande kwade trouw.

Tweedens is het hoger beroep gedeeltelijk gegrond (zie vorig punt, sub V.c.), waardoor ook het beweerde 'tergende' of 'roekeloze' karakter van het hoger beroep wordt ontkracht.

Kortom :

de desbetreffende vordering van de NV tot het bekomen van een schadevergoeding wegens beweerd tergend en roekeloos hoger beroep is ongegrond.

V.e. Gerechtskosten

Nu elk der partijen omtrent een geschilpunt in het ongelijk werd gesteld (de rechtsvordering van de NV tot terugbetaling van het onverschuldigd betaalde werd slechts gedeeltelijk gegrond verklaard), acht het hof het raadzaam om in toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger.W. de gerechtskosten voor beide aanleggen om te slaan als volgt :

F. C. wordt veroordeeld tot 2/3 van de gerechtskosten ;

de NV wordt veroordeeld tot 1/3 van de gerechtskosten.

Het bedrag van de (geïndexeerde) rechtsplegingsvergoedingen voor onderhavige beroepsprocedure bij dit hof dient conform de bepalingen van artikel 2 van van het K.B. van 26 oktober 2007 tot vaststelling van het tarief van de rechtsplegingsvergoeding, en rekening met het bedrag van de door de NV ingestelde vordering, op 990 EUR (geïndexeerd bedrag) te worden bepaald.

oOo

In zoverre ze in de hogervermelde overwegingen niet reeds beantwoord werden, zijn de eventueel resterende andersluidende argumenten van partijen niet van aard om afbreuk te doen aan de door het hof toegepaste beoordeling; het hof laat ze voorts als niet dienend buiten beschouwing.

oOo

O P D I E G R O N D E N,

Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, tweede kamer.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken waarvan de voorschriften werden nageleefd.

Na beraadslaging, recht doende op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk en in de hierna bepaalde mate gegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis van de arbeidsrechtbank van Hasselt van 4 oktober 2010 in zoverre erdoor de vordering van NV V. S. ontvankelijk werd verklaard, en in zoverre de vordering inzake de terugbetaling van de onverschuldigd betaalde fiscale bedrijfsvoorheffing en de daarop vervallen intresten, slaande op een bedrag van 5.033,63 EUR vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf 27 december 2006, erdoor gegrond werd verklaard.

Vernietigt voor het overige het bestreden vonnis en opnieuw ten gronde recht doende omtrent het vernietigd verklaard gedeelte van het bestreden vonnis,

Verklaart de door NV V. S. opzichtens F. C. ingestelde vordering tot terugbetaling van de onverschuldigd betaalde werknemersbijdragen inzake sociale zekerheid en daarop vervallen intresten ongegrond.

Verklaart de door NV V. S. opzichtens F. C. ingestelde vordering tot het bekomen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Wijst het meer of anders gevorderde af.

Veroordeelt in toepassing van artikel 1017, lid 4 Ger.W. F. C. tot 2/3 van de gerechtskosten en NV V. S. tot 1/3 van de gerechtskosten, en vereffent deze als volgt:

- aan de zijde van F. C. op 900 EUR rechstplegingsvergoeding eerste aanleg en 990 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

- aan de zijde van NV V. S. op 224,89 EUR dagvaardingskosten, 900 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg en 990 rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen door

de heer P. CEUPPENS, raadsheer, voorzitter van de kamer,

de heer, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

de heer, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door mevrouw N. VANHEES, griffier,

N. VANHEES P. CEUPPENS

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van vijftien november tweeduizend en elf.

N. VANHEES P. CEUPPENS

Free keywords

  • Rechtswetenschap

  • recht

  • wetgeving

  • burgerlijk wetboek

  • sociaal recht

  • betaling van socialezekerheidsbijdragen en bedrijfsvoorheffing aan werknemer

  • onverschuldigde betaling bedrijfsvoorheffing

  • verjaring

  • geen terugbetaling socialezekerheidsbijdragen

  • I B