- Arrêt of March 7, 2011

07/03/2011 - 2010/AB/00625

Case law

Summary

Samenvatting 1

Uit artikel 1, eerste ld van het Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van de personen met een handicap, blijkt dat de aan het Vlaams Agentschap toegekende bevoegdheid een discretionaire bevoegdheid is.

Inderdaad beschikt dit Agentschap over een beoordelingsvrijheid die het de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop het zijn bevoegdheid uitoefent en de meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen.

In dit geval is de bevoegdheid van de rechter beperkt. Enkel de wettigheid van de beslissing kan onderzocht worden.

Hiernaast kan de rechter een marginale toetsing doorvoeren waarbij hij kan ingrijpen bij kennelijke onredelijkheid.


Arrêt - Integral text

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 7 MAART 2011.

5DE KAMER

Not. 582 1° Ger. W.

Tegemoetkomingen mindervaliden

Tegensprekelijk

Definitief

In de zaak:

HET VLAAMS AGENTSCHAP VOOR PERSONEN MET EEN HANDICAP, met zetel gevestigd te 1210 BRUSSEL, Sterrenkundelaan 30.

Appellant, vertegenwoordigd door Mr K. DEMEESTER, advocaat te Gent.

Tegen:

C. S. , wonende te [xxx]

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. K. LYSENS loco Mr. R. VANDEBROEK, advocaat te Leuven.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 19 mei 2010,

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 1 juli 2010;

 de conclusies van de partijen;

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 3 januari 2011 waarna de debatten gesloten werden.

Het Openbaar Ministerie heeft op 7 januari zijn schriftelijk advies ter griffie neergelegd. De partijen konden tot uiterlijk 31 januari een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neerleggen, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

 

I. FEITEN

Mevrouw C. S. is de moeder van Y.D. en L.D., een op 10 april 2002 geboren tweeling, waarvan niet ter discussie kan staan dat zij een zeer ernstige fysieke en mentale handicap hebben. Daar hun toenmalige woning niet beantwoordde aan de vereisten om beide kinderen thuis op te vangen, gingen mevrouw C. S. en haar echtgenoot op zoek naar een bouwgrond die hen zou toelaten een aan de handicap van hun kinderen aangepaste woning te bouwen. Uiteindelijk vonden zij een bouwgrond, zij het dat deze op een hellend terrein lag.

De aangezochte architect maakte een ontwerp voor een woning waarvan de woonkamer op het niveau van de tuin lag doch bijna twee meter lager dan het straatniveau. Het gevolg hiervan was dat er een hoogteverschil van 1,2 meter was tussen de gemeenschappelijke leefruimte van het gezin en de kamers van beide kinderen. Om dit probleem op te lossen werd een plateaulift geplaatst.

Op 25 september 2006 deed mevrouw C. S. een aanvraag om inschrijving en bijstand bij het Vlaams Fonds voor sociale integratie van personen met een handicap, thans Vlaams Agentschap voor personen met een handicap (hierna genoemd het VAPH), dat deze aanvraag op 4 oktober 2006 ontving.

Op 14 februari 2007 werd een adviesrapport individuele materiële bijstand opgesteld.

Op 22 augustus 2007 adviseerde het Kennis- en ondersteuningscentrum met betrekking tot het hefplatform en de onderhoudskosten, dat dit verviel indien men alle kernruimten op één niveau bouwt, waarbij voornamelijk werd gesteld dat problemen hadden kunnen worden vermeden indien de bouwplannen waren voorgelegd aan de dienst.

Met aangetekende brief van 16 oktober 2007 meldde het VAPH aan de heer D., echtgenoot van mevrouw C. S., dat de dienst zich voornam een beslissing te nemen, waarbij geen tegemoetkoming zou worden verleend voor een bijdrage in het factuurbedrag van een plateaulift in een nieuwbouwwoning en voor een bijdrage in het factuurbedrag van een onderhoudscontract van deze lift.

Op 11 december 2007 ontving het VAPH van mevrouw C. S. een gemotiveerd verzoek tot heroverweging.

De adviescommissie stelde voor het verzoek tot heroverweging te weigeren, daar zij van oordeel was dat de noodzaak aan het plaatsen van een plateaulift inherent is aan de keuze gemaakt bij het bouwen van de woning en had kunnen voorkomen worden.

Met aangetekende brief van 29 april 2008 meldde het VAPH dat het agentschap het advies van de adviescommissie zou volgen en geen tegemoetkoming zou verlenen.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met brief, ontvangen op de griffie van de Arbeidsrechtbank te Brussel op 22 juli 2008, tekende mevrouw C. S. beroep aan tegen deze beslissing.

b.-

Met vonnis van 19 mei 2010 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ontvankelijk en gegrond. Zij vernietigde de bestreden beslissing van het VAPH en zegde voor recht dat dit moest tussenkomen in het factuurbedrag van de plateaulift voor de woning en in het bijhorend onderhoudscontract.

Het VAPH werd verwezen in de kosten van het geding.

c.-

Het vonnis werd met gerechtsbrief van 2 juni 2010 ter kennis gebracht van partijen.

d.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 1 juli 2010 tekende het VAPH hoger beroep aan tegen dit vonnis. Het vorderde dit te hervormen, de oorspronkelijke vordering ongegrond te verklaren en de bestreden beslissing te bevestigen.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

Artikel 1 eerste lid van Besluit van de Vlaamse Regering van 13 juli 2001 tot vaststelling van de criteria, voorwaarden en refertebedragen van de tussenkomsten in de individuele materiële bijstand voor de sociale integratie van de personen met een handicap (hierna het IMB-besluit) bepaalt dat binnen de perken van de kredieten, vastgelegd op de begroting van het VAPH, overeenkomstig de bepalingen van het IMB-besluit individuele materiële bijstand kan worden verleend voor de sociale integratie van personen met een handicap.

Uit deze bepaling blijkt dat de aan het VAPH toegekende bevoegdheid een discretionaire bevoegdheid is. Inderdaad beschikt het VAPH over een beoordelingsvrijheid die het agentschap de mogelijkheid biedt zelf te oordelen over de wijze waarop het zijn bevoegdheid uitoefent en de meest geschikt lijkende oplossing te kiezen binnen de door de wet gestelde grenzen.

(vgl. Cass. 4 maart 2004, Arr. Cass. 2004, nr. 124; Cass. 3 januari 2008, NjW 2008, 123)

Wanneer een beslissing genomen wordt door een orgaan in het kader van een aan dit orgaan toegekende discretionaire bevoegdheid, is de bevoegdheid van de rechter beperkt: de beslissing van de rechter mag er niet toe leiden dat de discretionaire bevoegdheid van de administratie wordt beperkt vermits anders het principe van de scheiding van de machten zou worden miskend. De rechter mag bijgevolg enkel de wettigheid van de beslissing onderzoeken.

(vgl. M. Delange, Les pouvoirs du juge dans le droit de la sécurité sociale, CUP, Université de Liège, 2002, 83, met verwijzingen)

Het onderzoek van de wettigheid van deze beslissing heeft zowel betrekking op de externe wettigheid van de handeling, meer bepaald de bevoegdheid van degene die de beslissing heeft genomen en de naleving van vormvoorschriften die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, als op de interne wettigheid, meer bepaald machtsafwending, fouten in feite of in rechte en dergelijke.

(vgl. Cass. 7 november 1975, RCJB 1977, 417, noot A. Vanwelkenhuyzen)

Bij beslissingen genomen in het kader van een discretionaire bevoegdheid kan de rechterlijke macht een rechtmatigheidscontrole doorvoeren, zonder de elementen 'doelmatigheid ' of 'opportuniteit' te mogen beoordelen, en wordt tevens aanvaard dat de rechter een marginale toetsing kan doorvoeren, waarbij hij zich niet mag mengen in het beleid dat het bestuur voert, maar wel kan ingrijpen bij kennelijke onredelijkheid, dit is wanneer het bestuur niet in redelijkheid tot de genomen beslissing is kunnen komen.

(vgl. J. Put, Discretionaire bevoegdheden in het socialezekerheidsrecht, in D. Simoens, D. Pieters, J. Put, P. Schoukens, Y. Stevens (eds.), Sociale zekerheid in vraagvorm, Liber Amicorum Jef Van Langendonck, Intersentia, Antwerpen - Oxford, 2005, 352)

Aan de orde is bijgevolg de vraag of de beslissing van het VAPH om geen tussenkomst te verlenen in het factuurbedrag van de plateaulift en het bijhorende onderhoudscontract, hetzij onwettig, hetzij onredelijk was.

Het arbeidshof kan geen onwettigheid in de beslissing vaststellen: de genomen beslissing behoort tot de bevoegdheid van het VAPH, er werden geen vormvoorschriften miskend, en ook fouten in feite of in rechte worden niet aangetoond.

De beslissing van het VAPH kan evenmin als onredelijk worden beschouwd.

Naar het oordeel van het arbeidshof heeft het VAPH terecht geoordeeld dat het agentschap niet gehouden kan zijn een tegemoetkoming te verlenen voor kosten die het gevolg zijn van een ondoordachte keuze. Aldus is het VAPH in redelijkheid tot de genomen beslissing gekomen.

Terecht merkt het VAPH in dit verband op dat het thans gestelde probleem vermeden had kunnen worden indien de diensten van het VAPH vroeger waren geraadpleegd. Het feit dat de diensten van het VAPH zich niet hebben laten bijstaan door een technisch deskundige brengt niet met zich dat de beslissing van het VAPH onredelijk zou zijn.

Vermits de beslissing van het VAPH niet was aangetast door onwettigheid of onredelijkheid, dient zij te worden bevestigd.

Het hoger beroep is gegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer J.J. André, advocaat-generaal,

Recht sprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis in de mate dat het de vordering van mevrouw C. S. gegrond verklaarde, en opnieuw recht doende, verklaart deze vordering ongegrond;

Bevestigt bijgevolg de beslissing van het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap van 29 april 2008;

Verwijst het Vlaams Agentschap voor personen met een handicap in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van beide partijen begroot op 160,36 EUR.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

D. RYCKX : Raadsheer.

W. VAN CALSTER : Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige,

P. MANS : Raadsheer in sociale zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

W. VAN CALSTER, P. MANS,

D. DE RAEDT, D. RYCKX,

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 7 maart 2011 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, bijgestaan door D. DE RAEDT, griffier,

D. DE RAEDT, D. RYCKX,

Free keywords

  • SOCIALE VOORZORG

  • SOCIALE RECLASSERING VAN DE MINDERVALIDEN

  • Vlaams Agentschap voor personen met een handicap

  • Discretionaire bevoegdheid.