- Arrêt of April 8, 2011

08/04/2011 - 2010/AB/00050

Case law

Summary

Samenvatting 1

De beëindiging van de arbeidsovereenkomst door gerechtelijke ontbinding vereist in elk geval dat één van beide partijen haar verbintenissen in vrij belangrijke mate niet nakomt, iets waarover de feitenrechter op een in cassatie onaantastbare wijze oordeelt. Een arbeidsovereenkomst kan niet gerechtelijk ontbonden worden bij een onbelangrijke fout.

De verwijten i.v.m. pesterijen zijn noch bevestigd door de preventieadviseur, noch door de bevoegde geneesheer van de Dienst Toezicht op het welzijn op het werk; betrokken heeft evenmin gebruik gemaakt van de mogelijkheid van art. 32decies van de Welzijnswet, waarbij de voorzitter van de arbeidsrechtbank een staking van de pestfeiten en zelfs voorlopige maatregelen, zoals de toepassing van preventiemaatregelen, kan opleggen. Geen gerechtelijke ontbinding.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 APRIL 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

M.V. , wonende te [XXX],

appellante,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. SCHEYS Veerle, advocaat te 3500 HASSELT, Kolonel Dusartplein 34 bus 1.

Tegen:

BELGACOM NV van publiek recht, (gedinghervatter voor Telindus Nv) met maatschappelijke zetel te

1030 BRUSSEL, Koning Albert II-laan 27,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. DEWAERSEGGER Marian loco mr. VAN OLMEN Chris, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 221.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 17 december 2009 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1e B kamer (A.R. 09/785/A).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 19 januari 2010;

- de akte van hervatting van het geding, neergelegd ter openbare terechtzitting van 2 maart 2010;

- de conclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 9 juli 2010,

- de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 26 mei 2010 en de aanvullende en syntheseconclusie, neergelegd ter griffie op 12 augustus 2010;

- het tussenarrest van dit hof en deze kamer van 26 november 2010

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 11 maart 2011, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie een mondeling advies uitbracht, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Mevrouw M.V. kwam op 1 september 2003 in dienst van de N.V. Telindus in de functie van Operations Manager. Partijen ondertekenden op 8 juli 2003 hiertoe een geschreven arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

In de loop van de tewerkstelling werd haar functie verschillende malen gewijzigd.

Vanaf 1 juli 2004 werd ze aangesteld als Operations Manager bij A2Z Solutions.

Vanaf 20 oktober 2004 werd ze Proces Manager.

In het voorjaar 2005 werd deze functietitel gewijzigd in IMS Manager.

Ze had daarbij een verantwoordelijke en coördinerende functie.

2. Bij de sociale verkiezingen van 2004 werd mevrouw M.V. verkozen als plaatsvervangend personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad. Ze stelde zich opnieuw kandidaat bij de sociale verkiezingen van 2008 doch werd niet herkozen.

3. Uit het verhaal van mevrouw M.V. en uit de door de partijen voorgelegde stukken blijkt o.m. dat zij in de loop van haar tewerkstelling moeilijkheden ondervond in verband met de uitvoering van haar taak en de invulling van haar functie.

Ze was herhaalde malen ziek.

Zonder exhaustief te zijn, kan het hiernavolgende worden vastgesteld.

Op 22 februari 2006 legde mevrouw M.V. bij de preventieadviseur een officiële klacht neer in het kader van geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk wegens:

in diskrediet brengen

geen enkele aandacht, geen info over werk en organisatie, systematisch bekritiseren, geen duidelijke jobomschrijving, ondermijning van persoon.

De klacht was gericht tegen Koenraad D' Helft, Stefaan Stiers en Marc Van Mol.

Mevrouw M.V. wenste geen bemiddeling en gaf als getuigen op: Ludo Hellemans en Roger Michiels.

4. Op 11 april 2006 besloot de preventieadviseur dat er geen grensoverschrijdend gedrag op het vlak van pesterijen werd aangetoond zodat het overbodig was acties voor te stellen voor deze specifieke situatie.

In het kader van de risicoanalyse en het globaal- preventieplan achtte de preventieadviseur het aangewezen preventieve maatregelen voor te stellen met name:

• een duidelijke functietitel + jobomschrijving

• systematisch evalueren van personeelsleden, aangevuld met verbeteringen bij minder goede scores

• correcte informatie en communicatie naar personeelsleden inzake HAY- systeem.

Ook de werkgever stelde een aantal acties voor om tot een behoorlijke re-integratie van de werknemers te komen, voornamelijk op het punt van de evaluaties.

5. Mevrouw M.V. was niet tevreden met dit onderzoek en vroeg bijkomende onderzoeksdaden, waarbij zij verwees naar drie getuigenverklaringen van collega's.

De preventieadviseur interpelleerde hierop de werkgever, maar uiteindelijk werd besloten om het onderzoek niet te heropenen.

Het verdere feitenrelaas blijft blijk geven van een algemene en grote ontevredenheid.

Mevrouw M.V. was ook herhaaldelijk arbeidsongeschikt.

In haar beroepsbesluiten verbindt zij haar gezondheidstoestand met haar tewerkstellingsproblemen en zij haalt aan dat haar arts de aanbeveling gaf om knopen door te hakken met betrekking tot haar tewerkstelling.

Via tussenkomst van haar raadsman werd gezocht naar een minnelijke regeling; op 30 oktober 2008 maakte de HR- manager een voorstel van dading over, maar uiteindelijk bleek men geen oplossing te vinden.

Mevrouw M.V. nam in dit kader ook contact op met dr. Costermans, attaché geneesheer van de FOD WASO Toezicht op het welzijn op het werk Directie Vlaams-Brabant, met wie ze een onderhoud had samen met haar raadsman.

Dr. Costermans toetste de opmerkingen van mevrouw M.V. bij de werkgever en liet op 12 januari 2009 aan de raadsman van mevrouw M.V. weten:

De preventieadviseur concludeerde dat er geen grensoverschrijdend gedrag inzake pesterijen aangetoond was. Dat houdt in dat de werkgever niet verplicht kan worden maatregelen te treffen tegen pesterijen.

De preventieadviseur deed niettemin een aantal aanbevelingen. De HR Director kon mij op overtuigende wijze aantonen dat alle aanbevelingen uitgevoerd werden. Er werd effectief gezocht naar aangepast werk, doch de conclusie van de zoektocht naar aangepast werk was dat het meest gepaste werk dat binnen MS (Managed Services) was, waarbij mevr. M.V. niet onder het rechtstreeks gezag van de heer Stiers, maar onder dat van de heer Hellemans werkt. Bij mijn weten is de heer Hellemans geen pleger van pesterijen.

De behandeling van de klacht van mevrouw Annette M.V. van 22 februari 2006 dient bijgevolg als volledig beëindigd beschouwd te worden.

Als Annette M.V. zich na het beëindigen van haar ziekteverlof terug aanbiedt op het werk, zal de werkgever haar werk moeten aanbieden en zij zal dat werk moeten uitvoeren. Daar is geen andere keuze.

6. Hoewel mevrouw M.V. samen met haar raadsman haar situatie volledig had kunnen toelichten bij dr. Costermans, verwijt zij deze dat hij zich foutief heeft laten inlichten, daar de heer Stiers wel degelijk haar hiërarchische overste bleek te zijn. Ze stelt dat zij ten aanzien van deze persoon fysiek blokkeert en dat het voor haar onmogelijk is onder hem te werken.

De moeilijkheden en de ziekteperiodes bleven voortduren.

Sinds 20 april 2009 is mevrouw M.V. onafgebroken in ziekteverlof.

7. Op 27 april 2009 legde mevrouw M.V. een tegensprekelijk verzoekschrift meer bij de arbeidsrechtbank te Leuven, waarbij zij de gerechtelijke ontbinding van haar arbeidsovereenkomst vroeg, alsook een provisionele schadevergoeding van euro 100.000.

De N.V. Telindus stelde een tegeneis wegens tergend en roekeloos geding en vroeg een schadevergoeding van euro 15.000.

8. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 17 december 2009 werden beide vorderingen afgewezen als zijnde ontvankelijk doch niet gegrond met veroordeling van mevrouw M.V. tot betaling van de gerechtskosten.

9. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 19 januari 2010, tekende mevrouw M.V. hoger beroep aan en hernam ze haar vordering in gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst, uit te spreken op datum van het tussengekomen arrest; zij vroeg een schadevergoeding van euro 200.000 meer de vergoedende en gerechtelijke intresten en de gerechtskosten.

Op 2 maart 2010 hervatte de NV Belgacom het geding namens de N.V. Telindus; zij vroeg de bevestiging van het vonnis met veroordeling van mevrouw M.V. tot de gerechtskosten van het hoger beroep. Zij tekende geen incidenteel beroep aan in verband met de afwijzing van haar tegenvordering.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van de bestreden vonnissen wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

De gerechtelijke ontbinding

2. Op grond van artikel 32 van de arbeidsovereenkomstenwet kan een arbeids-overeenkomst worden beëindigd volgens de algemene wijzen waarop de verbintenissen teniet gaan.

In overeenstemming met artikel 1184 BW kan elk van de partijen bij een wederkerige overeenkomst de ontbinding in rechte vorderen van deze overeenkomst, ingeval de andere partij haar verbintenissen niet nakomt. Hieruit volgt dat ook een arbeids-overeenkomst gerechtelijk kan worden ontbonden (Cass. 26 oktober 1981, Arr. Cass. 1981 -82, 291; Cass. 23 november 1981, R.W. 1981 -82, 1045 met noot).

De beëindiging van de arbeidsovereenkomst door gerechtelijke ontbinding vereist in elk geval dat één van beide partijen haar verbintenissen in vrij belangrijke mate niet nakomt, iets waarover de feitenrechter op een in cassatie onaantastbaar wijze oordeelt. (Arbh. Brussel 31 januari 1989, R.W. 1989-90, 21; M. Davagle, La résolution judiciaire du contrat de travail, Ors. 2008, 3; C. Wantiez, La résolution judiciaire du contrat de travail : quelques précisions, JTT 1989, 137-19, zie nr. 2)

Een arbeidsovereenkomst kan niet gerechtelijk ontbonden worden bij een onbelangrijke fout; de fout dient een reële ernst te vertonen, die schade berokkent aan de belangen van de medecontractant. (Arbh. Bergen 10 augustus 1989, JTT 1990, 343)

3. De langdurige arbeidsongeschiktheid van mevrouw M.V., die thans al duurt vanaf 20 april 2009 tot heden, wijst erop dat zij in een behartenswaardige situatie vertoeft.

Zij werd aangeworven voor een functie met verantwoordelijkheid, die onvermijdelijk stress meebrengt. Wanneer bij het einde van haar arbeidsongeschiktheid haar medische toestand haar in staat zal stellen om deze functie opnieuw op te nemen, zullen partijen wederzijds moeten zoeken naar optimale randvoorwaarden voor een adequate uitoefening van dergelijke functie.

Deze zorg voor een reëel welzijn op het werk, waarbij tevens de economische noodwendigheden van de werkgever moeten in acht worden genomen, doen er echter niet aan af dat naar het oordeel van het hof mevrouw M.V. geen tekortkoming aantoont die een voldoende ernst vertoont om tot de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst te besluiten.

4. Mevrouw M.V. verwijst dienaangaande naar:

4.1 Het zogenaamde verbod aan de interne preventieadviseur om het onderzoek naar de door haar ingediende klacht wegens pesterijen te heropenen.

Uit de e-mail van de preventieadviseur van 7 juli 2008 blijkt enkel dat de preventieadviseur zelf het initiatief heeft genomen om aangaande de vraag van mevrouw M.V. tot heropening van het onderzoek, het standpunt van de CEO van Telindus te vragen die daarop zijn mening heeft meegedeeld.

Hieruit blijkt niet dat de CEO verbod heeft opgelegd; hij heeft enkel geantwoord op een vraag en zijn standpunt overgemaakt.

Overigens handelt de preventieadviseur onafhankelijk van werkgever en werknemer en stond het haar vrij, indien nodig, te doen wat hoorde te worden gedaan.

Dr. Costermans van de Dienst Toezicht op het welzijn op het werk heeft overigens op 14 januari 2009 de conclusie van de preventieadviseur bevestigd dat er geen grensoverschrijdend gedrag inzake pesterijen aangetoond was en dat de behandeling van de klacht als volledig beëindigd diende beschouwd te worden.

De grief van mevrouw M.V. toont dan ook geen tekortkoming van de werkgever aan.

4. 2. Het niet uitvoeren van de door de preventieadviseur voorgestelde maatregelen

Dr. Costermans concludeert dienaangaande: De preventieadviseur deed niettemin een aantal aanbevelingen. De HR Director kan mij op overtuigende wijze aantonen dat alle aanbevelingen uitgevoerd werden.

De concrete moeilijkheden, waarnaar mevrouw M.V. verwijst, doen aan deze conclusie geen afbreuk, maar wijzen hoogstens op samenwerkingsproblemen die in elke onderneming kunnen voorkomen en die inherent mogelijk zijn in de dynamische context, waarbinnen de bedrijfsvoering moet gebeuren. Ze wijzen niet op een tekortkoming van de kant van de werkgever.

De werkgever wijst er op dat de functies en functietitels duidelijk zijn en kenbaar zijn via intranet en de who's who.

Mevrouw M.V. bevestigt op p. 14 van haar beroepsbesluiten dat ze inderdaad via intranet haar functie in het organigram opzocht.

Het echte probleem zat hem niet in de functie, maar wel in de concrete taakinvulling, die diende te worden aangepast aan de evoluties die zich voordeden tijdens haar talrijke ziekteperiodes. Het is begrijpelijk dat de onderneming hierbij wat zoekwerk diende te doen. Uit het relaas van mevrouw M.V. blijkt dat ze op dat punt weinig geduld had en dat ze zeer snel ontevredenheid en argwaan ventileerde.

Uit de e-mail van 9 februari 2009 van de heer Hellemans blijkt nochtans dat men haar inschakeling na haar ziekteperiodes besprak en invulde.

Alleszins heeft ze nooit de werkgever binnen een redelijke termijn in gebreke gesteld dat haar functie essentieel zou gewijzigd zijn.

Tevens ontkent ze niet dat haar loon, voordelen, wagen... steeds op een zelfde niveau behouden bleven. Het probleem van haar wagen werd overigens naar haar wensen opgelost.

Ook het verwijt in verband met het niet plaats vinden van de evaluaties is niet consistent, omdat ze anderzijds de evaluaties aanvecht en bekritiseert. (p. 16 beroepsbesluiten) Ze werd overigens geëvalueerd in 2006, 2007 en 2008.

Alleszins toont mevrouw M.V. niet aan dat er een zo ernstige tekortkoming langs werkgeverszijde zou zijn dat de gerechtelijke ontbinding kan worden uitgesproken.

De vaststellingen van dr. Costermans, die ter plekke een onderzoek deed, wijzen in de tegengestelde richting.

Samenwerkingsproblemen moeten immers samen worden opgelost en zowel mevrouw M.V. zelf als de werkgever dienen hierbij een constructieve houding aan te nemen.

4. 3. Voortdurend wijzigen leidinggevende

Gelet op het feit dat de werkgever het gezagsrecht heeft, kan hem niet kwalijk genomen worden dat hij het interne organogram wijzigt in functie van de economische noodwendigheden van de onderneming.

Het feit dat mevrouw M.V. emotioneel en heftig reageert op de persoon van de heer Stiers, kan aan de werkgever niet ten kwade geduid worden.

Dr. Costermans bevestigt dat mevrouw M.V. niet onder het rechtstreeks gezag van de heer Stiers werkt maar wel onder dat van de heer Hellemans.

Ten onrechte verwijt mevrouw M.V. aan de werkgever dat dr. Costermans hierover foutief zou zijn ingelicht.

Zij verwijst hiervoor naar haar e-mail van 20 januari 2009 aan de heer Stiers, maar deze dateert van na het bezoek van dr. Costermans aan Telindus (9 januari 2009).

Bovendien bevestigt deze e-mail enkel dat de heer Stiers haar hiërarchische verantwoordelijke is, maar dat haar functionele overste de heer Allonsius is; in de e-mail legt de heer Stiers uit wie voor welk onderdeel het aanspreekpunt van mevrouw M.V. is en hieruit blijkt dat hijzelf met haar zo goed als geen rechtstreeks contact had, daar dit telkens gebeurde via andere medewerkers.

Dit stuk bevestigt dan ook eerder de vaststelling van dr. Costermans dat men binnen de onderneming werk maakt van het uitvoeren van de aanbevelingen van de preventieadviseur en dat men mevrouw M.V. behoedt voor rechtstreeks contact met de heer Stiers, met wie zij het moeilijk blijkt te hebben.

4. 4. Gebrekkige informatieverschaffing

Mevrouw M.V. verwijst hier naar e-mails van 17 november 2008 (haar stuk 29).

In deze e-mail beantwoordt de HR Director de door mevrouw M.V. gestelde vraag en wijst ze op de veranderingen die zich tijdens haar ziekteperiode hebben voorgedaan. Dit wijst niet op een gebrekkige informatieverschaffing.

De wijziging in het organigram zijn geen fout van de werkgever en mevrouw M.V. toont niet aan dat zij hierover minder dan normaal werd ingelicht.

Uit de hierboven besproken e-mails van 17 november 2008, 20 januari 2009 en 9 februari 2009 volgt dat haar vragen beantwoord werden op een behoorlijke manier.

4. 5. Negeren en uitsluiten

Dit onderdeel betreft subjectieve gewaarwordingen, die geen tekortkoming van de werkgever aantonen.

4. 6. Niet nakomen van de verplichtingen inzake aanvullende verzekeringen

Mevrouw M.V. verwijst naar administratieve onvolkomenheden die werden rechtgezet. Klaarblijkelijk is er over bepaalde onderdelen nog onderhandeling, maar dit toont aan dat men naar een juiste wederzijdse oplossing zoekt.

5. Aldus wordt niet aangetoond dat de werkgever zich schuldig zou gemaakt hebben aan een zo ernstige tekortkoming dat de ontbinding van de arbeidsovereen-komst zich dient op te dringen.

De ingeroepen tekortkomingen bewijzen derhalve noch afzonderlijk genomen, noch in hun samenhang bezien, dat er een dermate ernstige fout zou zijn langs de zijde van de werkgever dat de gerechtelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst dient te worden uitgesproken.

Belgacom wijst er bovendien op dat ze voorafgaandelijk niet in gebreke is gesteld.

Davagle merkt hierbij op dat deze voorwaarde vanuit juridisch oogpunt aan belang inboet, omdat de dagvaarding kan gelden als ingebrekestelling. (Davagle, a.w., Ors 2008, 8, nr. IV)

Als geldige ingebrekestelling wordt inderdaad aanvaard, elke akte die een sommatie bevat waaruit de schuldenaar noodzakelijk heeft moeten opmaken dat hij in gebreke werd gesteld zijn verbintenis na te komen. (vgl. Cass. 28 maart 1994, Arr. Cass. 1994, 319)

Hierbij dient wel te worden overwogen dat een ingebrekestelling een verwittiging inhoudt en het aan de wederpartij mogelijk moet maken om te remediëren. Gelet echter op de omstandigheid dat mevrouw M.V. sinds 20 april 2009 onafgebroken ziek is en dat de procedure werd ingeleid bij tegensprekelijk verzoekschrift van 27 april 2009, kon Telindus/Belgacom dienaangaande geen enkel nuttig initiatief meer nemen.

Oordeelkundig wijst het Openbaar Ministerie er ook op dat mevrouw M.V., indien ze volhoudt dat er pestfeiten zijn, ze evenmin gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid van art. 32decies van de Welzijnswet, waarbij de voorzitter van de arbeidsrechtbank een staking van de pestfeiten en zelfs voorlopige maatregelen, zoals de toepassing van preventiemaatregelen, kan opleggen.

Uit dit alles volgt dat de eerste rechter terecht het verzoek van mevrouw M.V. tot gerechtelijke ontbinding heeft afgewezen als zijnde ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Gelet op het eensluidend mondeling advies van eerste advocaat generaal D. Soetemans ter zitting van 11 maart 2011, waarop werd gerepliceerd;

Recht sprekend op tegenspraak

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt mevrouw M.V. tot betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van Belgacom begroot op rechtsplegingsvergoeding basisbedrag euro 1.200 en door het hof wegens indexatie vereffend op euro 1.320

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Paul DEPRETER, Andre LEURS.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 8 april 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN.