- Arrêt of April 8, 2011

08/04/2011 - 2010/AB/00414

Case law

Summary

Samenvatting 1

Stilzitten tijdens procedure geen rechtsverwerking.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 APRIL 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

VASTGOED MANAGEMENT TEAM NV, met maatschappelijke zetel te 1740 TERNAT, Assesteenweg 243,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. JANSSEN Miet loco mr. DU BOIS Kris, advocaat te 1500 HALLE, Vandenpeereboomstraat 66-68.

Tegen:

G.T. , wonende te [XXX],

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. STROOBANTS Veerle loco mr. SIMEONS Veerle, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat 29 b1.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- de voor eensluidend verklaarde afschriften van de bestreden vonnissen, uitgesproken op tegenspraak op 28 januari 2010 en 25 maart 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 17227/05).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 27 april 2010;

- de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 5 november 2010,

- de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 6 september 2010;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 11 maart 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer G.T. kwam op 1 juli 2004 in dienst van de bvba Vastgoed Management Team als handelsvertegenwoordiger voor de regio Groot Dilbeek, Lennik, Zellik en Vlezenbeek.

Er werd een geschreven arbeidsovereenkomst opgemaakt, die in artikel 3 een proefbeding bevatte. Dit document werd gedateerd op 1 juli 2004, doch de heer G.T. ondertekende dit pas op 4 oktober 2004, zoals blijkt uit de vermelding van de datum bij zijn handtekening.

2. Bij aangetekend schrijven van 5 oktober 2004 beëindigde de werkgever deze arbeidsovereenkomst zonder opzeggingstermijn noch opzeggingsvergoeding wegens een ononderbroken arbeidsongeschiktheid van langer dan 7 dagen tijdens de proefperiode met verwijzing naar artikel 79 van de arbeidsovereenkomstenwet.

3. Bij aangetekend schrijven van de vakorganisatie van de heer G.T. van 19 oktober 2004 werd het bestaan van de proefperiode betwist en vorderde men een opzeggingsvergoeding van 3 maanden.

Op 18 november 2004 verzond de werkgever de eindafrekening en de sociale documenten, zonder dat aan het verzoek van de vakorganisatie werd voldaan.

4. Partijen bereikten op die wijze geen overeenstemming, zodat de heer G.T. op 4 oktober 2005 de NV dagvaardde in betaling van:

- een opzeggingsvergoeding van 3 maanden of euro 10.125,20

- vakantiegeld bij uitdiensttreding of euro 1.394,39

- achterstallig loon of euro 361,32

- terugbetaling GSM kosten of euro 543,13

meer de gerechtelijke intresten en de kosten.

De NV Vastgoed Management Team legde op 15 mei 2009 conclusies neer, waarin een tegenvordering werd gesteld:

- in betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding en procesverloop van euro 2.500

- in afgifte van koelkast en vaatwasmachine of ondergeschikt betaling van euro 657,99

5. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 28 januari 2010 werd de hoofdvordering als volgt gegrond verklaard:

- een opzeggingsvergoeding van 3 maanden of euro 10.125,20

- vakantiegeld bij uitdiensttreding of euro 1.394,39

- achterstallig loon of euro 361,32

- terugbetaling GSM kosten of euro 428,93

meer de gerechtelijke intresten op netto vanaf de dagvaarding tot 1 mei 2006 en vanaf 22 oktober 2008 tot de datum van betaling;

de tegenvordering werd ongegrond verklaard;

de NV werd reeds veroordeeld tot betaling van de dagvaardingskosten van euro 102,94, waarna de partijen de gelegenheid werden gegeven om een standpunt in te nemen over de rechtsplegingsvergoeding.

Bij vonnis van 25 maart 2010 werd de NV veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding van euro 1.100.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 27 april 2010, tekende de NV Vastgoed Management Team hoger beroep aan tegen de vonnissen van 28 januari 2010 en 25 maart 2010.

Ze vroeg dat de oorspronkelijke vordering niet toelaatbaar, minstens ongegrond zou worden verklaard en dat de tegenvordering wat betreft de teruggave van de koelkast en een vaatmachine of ondergeschikt tot terugbetaling van de waarde ervan of euro 657,99 gegrond zou worden verklaard, met veroordeling van de heer G.T. tot betaling van de gerechtskosten van beide aanleggen.

De heer G.T. tekende enkel incidenteel beroep wat betreft de herleiding van de gerechtelijke intresten, maar aanvaardt de beslissing van de eerste rechter m.b.t. de herleiding van de GSM kosten.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van de bestreden vonnissen wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het beperkte incidenteel beroep.

De ingeroepen niet toelaatbaarheid van de hoofdvordering wegens rechtsverwerking en rechtsmisbruik

2. De NV betwist de aanspraken van de heer G.T. door zich te beroepen op de figuur van de rechtsverwerking omwille van het niet efficiënt benaarstigen van de procedure.

Men spreekt van rechtsverwerking wanneer de titularis van een subjectief recht door toedoen van zijn eigen gedragingen een recht geheel of gedeeltelijk verliest omdat het verder uitoefenen ervan strijdig is met de voorheen ingenomen houding (vgl. W. van Eeckhoutte, De rechtsverwerking in het arbeidsovereenkomstenrecht, Soc. Kron. 1990, 233).

De leer van de rechtsverwerking wordt niet aanvaard als rechtsbeginsel, omdat het B.W. de mogelijkheid openlaat, binnen de grenzen van de verjaring, een contractueel recht niet onmiddellijk uit te oefenen. (vgl. Cass. 17 mei 1990, Pas. 1990, I 1061; zie in dezelfde zin de door de eerste rechter geciteerde cassatiearresten van 1 oktober 1993 en 17 oktober 2008) Niet betwist wordt dat de heer G.T. binnen de verjaringstermijn van artikel 15 arbeidsovereenkomstenwet tot dagvaarding is overgegaan. Op grond van artikel 2244 B.W. stuit deze dagvaarding de verjaring tot het tijdstip waarop een definitieve beslissing wordt uitgesproken.

Artikel 747 § 2 Ger. W. en het toenmalige art. 751 Ger. W. verschaften de mogelijkheid aan de NV om de procedure te activeren en duidelijkheid te bekomen over de proceshouding van de heer G.T..

Het loutere stilzitten is alleszins niet voldoende om rechtsverwerking te doen intreden.

Het stilzwijgen moet omstandig of gekwalificeerd zijn, d.w.z. dat het, gelet op de begeleidende omstandigheden, bij de wederpartij het gerechtvaardigd vertrouwen doet ontstaan dat de rechthebbende zijn recht of bevoegdheid niet zal uitoefenen.

(vgl. A. Van Oevelen, Afstand van recht en rechtsverwerking in het individuele arbeidsovereenkomstenrecht, in : M. Rigaux (ed.), Actuele problemen van het arbeidsrecht 4, Maklu, Antwerpen-Apeldoorn 1993, 64)

Voor rechtsverwerking is tevens vereist dat het stilzitten van de werknemer aan de andere partij nadeel heeft toegebracht. (vgl. W. van Eeckhoutte, De rechtsverwerking in het arbeidsovereenkomstenrecht, Soc. Kron. 1990, 233)

3. Uit het dossier van de rechtspleging voor de arbeidsrechtbank te Brussel kan het volgende worden afgeleid:

Op 4 oktober 2005 werd dagvaarding uitgebracht

Op 12 oktober 2007 meldde mr. Simeons dat ze de vakorganisatie ACLVB opvolgde

Op 22 oktober 2008 werden besluiten voor de heer G.T. neergelegd

Op 4 februari 2009 werd namens de heer G.T. een verzoekschrift 747 §2 neergelegd

Op 9 maart 2009 volgde de beschikking 747 §2

Slechts op 15 mei 2009 werden besluiten voor de NV neergelegd.

Partijen bevestigen wel dat de NV in de loop van januari 2006 besluiten aan de vertegenwoordiger van de vakorganisatie overmaakte.

Deze besluiten werden echter niet neergelegd ter griffie in overeenstemming met artikel 742 Ger. W.

Door zelf artikel 742 Ger. W.niet na te leven, is de NV slecht geplaatst om voor te houden dat de normale rechtsgang niet is gevolgd en op grond hiervan rechtsverwerking in te roepen als gevolg van een abnormale voortgang van de procedure.

4. Terecht heeft de eerste rechter dan ook het beroep op rechtsverwerking verworpen. De eerste rechter wijst er oordeelkundig op dat nergens uit blijkt dat de heer G.T. afstand zou hebben gedaan van zijn vordering, temeer daar een dergelijke afstand strikt moet worden uitgelegd en enkel kan afgeleid worden uit feiten en gedragingen die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.

In verband met de procesgang dient bovendien rekening te worden gehouden met de opvolging van 12 oktober 2007 en het is uiteindelijk de heer G.T. zelf die door het neerleggen van een verzoekschrift 747 § 2 de voortgang van de procedure uitlokte, waarna slechts op 15 mei 2009 voor de eerste maal door de NV besluiten ter griffie werden neergelegd.

In die omstandigheden kan noch rechtsverwerking, noch rechtsmisbruik in hoofde van de heer G.T. worden weerhouden. Er is geen reden om de toekenning van gerechtelijke intresten te beperken en het incidenteel beroep van de heer G.T. is op dit punt gegrond.

De geldigheid van het proefbeding

5. Artikel 67 §1 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt:

De arbeidsovereenkomst kan een beding van proeftijd bevatten. Op straffe van nietigheid moet dat beding voor iedere bediende afzonderlijk schriftelijk worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de bediende in dienst treedt.

6. De NV erkent in haar syntheseconclusie in hoger beroep dat de heer G.T. pas in oktober 2004 tot ondertekening van de arbeidsovereenkomst is overgegaan, zodat vaststaat dat het proefbeding niet uiterlijk op het tijdstip waarop de heer G.T. in dienst trad, schriftelijk werd vastgesteld. Uit de stukken blijkt inderdaad dat de arbeidsovereenkomst door de heer G.T. slechts op 4 oktober 2004 werd ondertekend, zijnde na de indiensttreding op 1 juli 2004.

Het proefbeding is dan ook nietig, zodat de NV zich hierop niet kon beroepen in verband met de opzeggingsregeling. De overige beweringen van de N.V. zijn niet ter zake dienend.

7. Terecht vordert de heer G.T. dan ook betaling van een opzeggingsvergoeding van 3 maanden, hetzij euro 10.125,25, waarvan de becijfering niet wordt betwist.

Het hoger beroep is voor dit onderdeel ongegrond.

Het saldo gewaarborgd loon en het vakantiegeld bij uitdiensttreding

8. Het feit dat de heer G.T. tijdens de maand oktober in zijn tweede week ziekte was, houdt in dat de NV gewaarborgd loon dient te betalen, zoals correct op de loonbrief becijferd. Ze bewijst niet dit saldo betaald te hebben en ze werpt in haar syntheseconclusie overigens op dat zij dit niet dient te betalen en nooit heeft beweerd dit wel gedaan te hebben.

Dit saldo is dan ook verschuldigd.

Voor het onderdeel van het vakantiegeld einde dienst worden geen grieven ingeroepen; het hof kan verwijzen naar de beoordeling van de eerste rechter, die als herhaald wordt beschouwd.

Het hoger beroep is op deze onderdelen ongegrond.

GSM kosten

9. Oordeelkundig verwees de eerste rechter naar artikel 7 van de arbeidsovereen-komst en zij heeft op basis van de voorgelegde stukken de bewezen kosten becijferd.

De argumenten die de NV thans nog laat gelden hebben betrekking op de kosten die door de eerste rechter niet werden weerhouden.

Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

Teruggave van koelkast en vaatwasmachine

10. De heer G.T. stelt dat deze goederen bij het einde van de arbeidsovereenkomst zijn teruggegeven. Bij de eindafrekening van 18 november 2004 heeft de NV deze teruggave niet gevraagd, zodat de teruggave door de heer G.T. kan worden aangenomen.

Alleszins erkent de NV dat deze goederen inmiddels door het tijdsverloop waardeloos zijn, zodat een veroordeling tot teruggave geen enkele zin zou hebben; een vervangende schadevergoeding voor een teruggave op heden zou gelet op de waardeloosheid euro 0 moeten bedragen.

Het hoger beroep is ongegrond.

De gerechtskosten van het hoger beroep dienen ten laste te worden gelegd van de N.V. en er is geen reden om deze te beperken tot het minimumbedrag.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond,

verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk doch ongegrond,

Bevestigt de bestreden vonnissen met dien verstande dat de gerechtelijke intresten op de nettobedragen verschuldigd zijn vanaf de datum der dagvaarding tot de datum van de effectieve betaling.

Veroordeelt de NV Vastgoed Management Team tot betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van de heer G.T. begroot op rechtsplegingsvergoeding basisbedrag euro 1.100 en door het hof wegens indexatie vereffent op euro 1.210

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Paul DEPRETER, Andre LEURS.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 8 april 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • ALGEMENE BEGINSELEN.