- Arrêt of May 6, 2011

06/05/2011 - 2010/AB/00631

Case law

Summary

Samenvatting 1

Op de verjaringstermijn van art. 29 V.T.Wb.Sv. lastens de werknemer te kunnen toepassen, moet de werkgever een bewezen misdrijf aantonen, op wie dus de bewijslast rust. Gelet op het niet bewezen zijn van de draagwijdte van de afspraken, faalt hij in deze bewijslast en toont hij niet aan dat de constitutieve elementen van een misdrijf bewezen zijn.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 MEI 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

G.W. , wonende te

[xxx],

appellant,

vertegenwoordigd door mr. GOOSSENS Kizzy loco mr. LIEVESOENS Valérie, advocaat te 3580 BERINGEN, Koerselsesteenweg 56.

Tegen:

EVB SYSTEMS BVBA, met maatschappelijke zetel te

5753 PM DEURNE NEDERLAND, Dr. H. Van Doorneweg, 44,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. DEJONGHE Johan loco mr. GEUKENS Paul, advocaat te 3700 TONGEREN, Moerenstraat 1.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 26 april 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 2290/07).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 5 juli 2010;

- de conclusie voor de appellant, neergelegd ter griffie op 4 januari 2011,

- de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 19 januari 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 8 april 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer G.W. kwam op 1 augustus 2003 als bediende in dienst van de bvba EVB Systems (hierna aangeduid als EVB).

Op 10 februari 2006 werd hij ontslagen met een opzeggingstermijn van 3 maanden, waarbij de partijen akkoord gingen dat deze inging op 1 maart 2006, zodat de arbeidsovereenkomst effectief beëindigd werd op 31 mei 2006.

2. Bij aangetekende brieven van 18 april 2006 en 4 mei 2006 schreef de heer G.W. zijn werkgever aan omwille van het niet betalen van lonen, eindejaarspremie en kostenvergoedingen.

Nadien heeft ook de vakorganisatie van de heer G.W. bij brieven van 1 juni 2006,

3 juli 2006, 12 juli 2006, 18 juli 2006 en 10 augustus 2006 deze ingebrekestellingen hernomen, waardoor er sporadisch betalingen gebeurden, die volgens de heer G.W. niet de volledige afrekening dekten.

3. Daarom heeft de heer G.W. op 2 februari 2007 de bvba gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Brussel en hij vorderde, na aanpassing in besluiten, betaling van:

- achterstallig loon mei 2006 of euro 219,49

- achterstallig vakantiegeld 2005-2006 of euro 4.645,66

- voorgeschoten kasgelden of euro 4.113,61

- onkosten januari tot en met mei 2006 of euro 5.152,64

meer de wettelijke en gerechtelijke intresten en de gerechtskosten.

Tevens vroeg hij afgifte van de sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom.

De bvba EVB Systems stelde bij besluiten van 10 maart 2008 een tegenvordering in terugbetaling van euro 3.000 wegens ten onrechte betaalde autofinanciering en in betaling van euro 3.627,29 wegens achtergehouden gereedschap en middelen; tevens vroeg de bvba de gerechtelijke compensatie tussen de hoofd- en de tegenvordering.

4. Bij tussenvonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 9 maart 2009 werd vastgesteld dat het achterstallig loon en het vakantiegeld inmiddels betaald werden, zodat de bvba enkel nog veroordeeld werd tot betaling van de wettelijke intresten vanaf de datum van opeisbaarheid tot aan de datum van betaling.

Wat betreft de kasgelden maakte de eerste rechter een afrekening en veroordeelde de bvba tot betaling aan de heer G.W. van een bedrag van euro 1.685,08.

Tevens werd de bvba veroordeeld tot afgifte van de nodige sociale documenten.

De tegenvordering werd ontvankelijk verklaard en gegrond wat betreft de teruggave van het materiaal. Er bleef discussie over welk materiaal nog in het bezit was van de heer G.W., zodat de eerste rechter de veroordeling beperkte tot teruggave van het materiaal, eigendom van de bvba, dat nog in het bezit was van de heer G.W..

De debatten werden heropend wat betreft de onkostenvergoeding en de vraag tot terugbetaling van de ten onrechte betaalde autofinanciering, met verzoek aan de bvba om het financierings- of leasingscontract voor te leggen en met opdracht aan partijen om hun vordering exact te begroten.

5. In het eindvonnis van 26 april 2010 aanvaardde de eerste rechter de verjaring van de tegenvordering niet, omdat de terugbetaling van de financieringskosten gesteund was op een misdrijf, waarvan de constitutieve elementen aanwezig zijn.

De tegenvordering, ingesteld bij besluiten van 10 maart 2008, werd om die reden niet verjaard verklaard, wegens de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 26 V.T. W. Sv.

De tegenvordering werd gegrond verklaard ten bedrage van euro 10.174,67.

Tevens preciseerde de eerste rechter de materialen die moesten worden teruggegeven en ze verwees hiervoor naar de lijst in stuk 22 van de werkgever.

Een dwangsom werd niet toegekend.

Voor de hoofdvordering met betrekking tot de onkostenvergoeding acteerde de eerste rechter dat de heer G.W. hierop niet meer aandrong.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 5 juli 2010, tekende de heer G.W. hoger beroep aan tegen het eindvonnis van 26 april 2010, waarbij hij voor de autofinanciering de verjaring inroept van de tegenvordering op grond van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet; hij stelt dat de bvba geen misdrijf bewijst, zodat de delictuele verjaringstermijn niet kan worden toegepast.

Tevens betwist hij dat de onkosten onrechtmatig in rekening zijn gebracht omdat er dienaangaande een afspraak was.

Voor hem is de oorspronkelijke tegenvordering in terugbetaling dan ook onontvankelijk minstens ongegrond.

Hij houdt verder voor dat de materialen die hij dient terug te geven, teruggegeven zijn.

Dit deel van de tegenvordering acht hij ontvankelijk, doch ongegrond.

Wat betreft zijn hoofdvordering in betaling van onkostenvergoeding zegt hij dat hij hiervan nooit afstand heeft gedaan en dat hij deze heeft aangehouden, zodat hij nog steeds betaling vraagt van het bedrag van euro 5.152,64.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

Betaling autokosten

2. Voor de afrekening van de onkosten discuteren partijen vooral over de aanrekening van de autokosten.

Over de afspraken rond het in rekening brengen van deze kosten werd in de arbeidsovereenkomst van 1 augustus 2003 niets bepaald.

De heer G.W. houdt dienaangaande voor dat hij maandelijks voor het bedrijfsmatig gebruik van zijn wagen een bedrag gelijk aan de afbetaling van zijn financiering mocht inbrengen en dat dit zo overeengekomen was omdat zijn loon eerder aan de lage kant was. Dit hield volgens hem in dat hij deze onkosten elke maand opnieuw kon inbrengen, ongeacht de duurtijd van zijn financieringscontract.

EVB erkent enkel dat zij zich tot de terugbetaling van de financiering heeft geëngageerd.

Partijen spreken elkaar dus tegen over de draagwijdte van hun aanvankelijke afspraken, maar ze brengen geen van beiden bewijs voor van hun beweringen ter zake.

2. Indien het standpunt van de heer G.W. correct is, dan valt er op zijn onkostennota's niets aan te merken en dan kan lastens hem uiteraard geen misdrijf van valsheid, oplichting of misbruik van vertrouwen en bedrog worden weerhouden.

EVB beroept zich op deze misdrijven omdat haar tegenvordering, ingesteld bij besluiten van 10 maart 2008, bij toepassing van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet verjaard is, zodat zij zich wil steunen op de verjaringstermijn van artikel 26 V.T. Wb. Sv., waarvoor zij een bewezen misdrijf ten laste van de heer G.W. moet kunnen leggen. De bewijslast voor een dergelijk misdrijf ligt bij EVB. Gelet op het niet bewezen zijn van de draagwijdte van de afspraken, faalt zij in deze bewijslast en toont ze niet aan dat de constitutieve elementen van een misdrijf bewezen zijn.

Ten onrechte heeft de eerste rechter dan ook de vordering ex delicto en de eruit voortvloeiende verjaringstermijn aanvaard. De tegenvordering van EVB werd ingesteld meer dan een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst, zodat deze verjaard is bij toepassing van artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet.

Op dit punt is het hoger beroep gegrond.

3. De heer G.W. heeft in verband met de betaling van zijn onkosten echter ook zelf een hoofdvordering ingesteld, waarin de betaling van de autokosten buiten de periode van het financieringscontract is opgenomen.

Als eisende partij heeft de heer G.W. de bewijslast in verband met deze vordering, maar gelet op het feit dat hij evenmin de juiste afspraken bewijst en gelet op de betwisting door EVB, faalt ook hij in de op hem rustende bewijslast, zodat zijn vordering op dit punt niet kan worden toegekend.

Dit brengt met zich mee dat deze kosten niet bewezen zijn, zodat de onkostendeclaraties moeten worden verminderd met 5 x euro 598,51 = euro 2.992,55.

Terecht argumenteert EVB dat er evenmin bewijsstukken worden aangebracht in verband met de kosten van verzekering en wegentaks.

Deze bedragen ( euro 133,27 + euro 45,09) x 5 maanden = euro 891,80

De overige onkosten worden door stukken verantwoord en zijn niet betwist.

Deze belopen euro 5.152,64 - euro 2.992,55 - euro 891,80 = euro 1.268,29.

In die mate is de hoofdvordering en het hoger beroep gegrond.

Hoewel de heer G.W. zijn vordering voor de eerste rechter niet op een erg duidelijke wijze heeft geformuleerd, dient samen met hem te worden vastgesteld dat hij van deze vordering geen afstand heeft gedaan, daar hij deze zelfs uitdrukkelijk hernam op p. 1 van zijn besluiten na tussenvonnis, neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel op 9 juni 2009.

Evenmin werd een afstand op het zittingsblad geacteerd.

De teruggave van de goederen

4. EVB heeft in haar oorspronkelijke tegeneis, geformuleerd bij besluiten van 10 maart 2008 geen teruggave van goederen gevraagd; zij vroeg enkel betaling van

euro 6.627,29, waarin een bedrag van euro 3.627,29 begrepen was wegens achtergehouden gereedschappen en middelen.

Er was daarbij vanaf het begin discussie of en in welke mate de goederen van de werkgever waren teruggegeven.

Niettemin heeft de eerste rechter in het tussenvonnis van 9 maart 2009 dit onderdeel van de tegenvordering gegrond verklaard in de mate dat de heer G.W. veroordeeld werd tot teruggave van het materiaal, eigendom van EVB en nog in zijn bezit.

Tegen dit tussenvonnis is er geen hoger beroep ingesteld.

Partijen leggen in hun wederzijdse conclusies uit dat zij niettemin nadien zijn blijven discuteren over welke goederen teruggegeven waren, zodat ze in wezen een discussie hebben gevoerd over de uitvoering van het tussenvonnis.

Alleszins brengt ook hier geen enkele van de partijen bewijs voor zijn standpunt aan. EVB heeft zelfs naar verschillende lijsten verwezen (vergelijk haar stukken 18, 19 en 22), zodat niet uit te maken is over welke goederen het juist gaat.

De tegenvordering in teruggave van de door EVB aangeduide goederen is daardoor ongegrond.

Het hoger beroep is op dit punt dus gegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond,

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende,

Verklaart de hoofdvordering van de heer G.W. in verband met de terugbetaling van onkosten in volgende mate gegrond;

Veroordeelt de bvba EVB Systems tot betaling aan de heer G.W. van een bedrag van euro 1.268,29, meer de verwijlintresten vanaf 1 juni 2006 en de gerechtelijke intresten.

Verklaart de tegenvordering van de bvba EVB Systems in verband met de terugbetaling van de kosten van autofinanciering verjaard en verklaart de tegenvordering in teruggave van welbepaalde goederen ongegrond.

Compenseert de gerechtskosten en legt de dagvaardingskosten ten bedrage van euro 119,28 ten laste van de bvba EVB Systems en zegt dat voor het overige elke partij zijn eigen kosten van rechtspleging dient te dragen.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Georges JACOBS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Koen DRIES, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Georges JACOBS, Koen DRIES.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 6 mei 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • STRAFVORDERING

  • Burgerlijke vordering ex delicto

  • Bewijslast materieel bestanddeel misdrijf

  • Geen bewijs over aanvankelijke afspraken.