- Arrêt of May 27, 2011

27/05/2011 - 2010/AB/00991

Case law

Summary

Samenvatting 1

Een absoluut nietige opzegging in de zin van art. 37 § 1, 4° van de AOW kan niet worden gedekt.

De nietigheid van de opzegging tast de geldigheid van het ontslag niet aan, wat niet afhangt van welbepaalde vormen.

Het feit dat bij een nietige opzegging de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk beëindigd wordt, neemt niet weg dat de werknemers vanaf zijn ontslag elke overeenkomst kan sluiten over de modaliteiten van het ontslag, met name dat de arbeidsovereenkomst nog een bepaalde tijd wordt uitgevoerd.

Zelfs indien de werknemer zou willen voorhouden dat zijn akkoord enkel betrekking had op het dekken van de nietigheid van de opzeggingsbrief, waarbij dit akkoord geen gevolg kon hebben, dan nog moet vastgesteld worden dat hij zich gedurende meer dan 2 jaar niet op het ontslag heeft beroepen dat voortvloeide uit deze nietige ontslagbrief. Hij dient dan ook beschouwd te worden als afstand te hebben gedaan van zijn recht om dat onmiddellijk ontslag in te roepen, zodat zijn arbeidsovereenkomst is blijven voortduren. In die omstandigheden blijft de arbeidsovereenkomst voortduren tot ze op een andere wijze wordt beëindigd. Geen bewijs ontslag door werkgever.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 27 MEI 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

ETS NOOTENS HENRI NV, met maatschappelijke zetel te

1030 BRUSSEL, Georges Rodenbachstraat 75,

appellante,

mevrouw NOOTENS Valerie-Anne en de heer NOOTENS Pierre-Henri verschijnen in persoon als vertegenwoordigers van de NV, bijgestaan door mr. GEEREBAERT Paul, advocaat te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan 3.

Tegen:

CH.R. , wonende te

[xxx],

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. SWENNEN Remi, advocaat te 1731 ZELLIK, Noorderlaan 30.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden tussenvonnis, uitgesproken op tegenspraak op 3 september 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 2420/10).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 29 oktober 2010;

- de conclusie en de aanvullende conclusie voor de appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 31 januari 2011 en 21 maart 2011,

- de conclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 6 december 2010, 20 januari 2011 en 28 februari 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 29 april 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 5 oktober 1981 ondertekenden de heer Ch.R. en de NV Ets. Henri Nootens (hierna afgekort als Nootens) een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd als commercieel afgevaardigde voor de sector Antwerpen, Limburg en Vlaams-Brabant.

Nootens is gespecialiseerd in de verkoop van medische benodigdheden voor in hoofdzaak ziekenhuizen.

Op 16 april 2007 overhandigde Nootens een schrijven aan de heer Ch.R., waarin gesteld wordt dat de arbeidsovereenkomst beëindigd wordt met een opzeggingstermijn, die een aanvang zou nemen op 1 mei 2007 en zou eindigen op 31 december 2009.

Nootens houdt voor dat er op die wijze tegemoetgekomen werd aan de wens van de heer Ch.R. om op brugpensioen te gaan.

De heer Ch.R. ondertekende deze brief pour réception et accord (voor ontvangst en akkoord); dit staat alleszins zo geschreven op het exemplaar dat de werkgever voorlegt.

2. Nootens stelt dat zij steeds in de overtuiging is geweest dat de heer Ch.R., met het oog op brugpensioen, tot 31 december 2009 in dienst bleef, reden waarom er op 30 december 2009 een gemoedelijke afscheidsdrink plaatsvond.

Ook was er voor opvolgers gezorgd, die door de heer Nootens werden voorbereid.

De documenten einde tewerkstelling werden aan de heer Nootens overgemaakt, waaronder een door het sociaal secretariaat vooringevuld C4-formulier, waarbij het vlak C opengelaten werd met o.m. de datum en de wijze van beëindiging en de reden van werkloosheid.

Nootens betaalde in januari 2010 een aanvullende vergoeding brugpensioen aan de heer Ch.R., doch deze stortte het bedrag terug.

3. Op 6 januari 2010 werd Nootens door de raadsman van de heer Ch.R. in gebreke gesteld, omdat de opzeggingsbrief van 16 april 2007 nietig was, daar hij niet aangetekend werd verzonden.

Na briefwisseling tussen de raadslieden van partijen kwamen ze niet tot overeenstemming.

4. Op 12 februari 2010 legde de heer Ch.R. een tegensprekelijk verzoekschrift neer op de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel en hij vorderde betaling van:

- een opzeggingsvergoeding van 34 maanden of euro 437.068,69

- een uitwinningsvergoeding van euro 102.839,69

- een schadevergoeding voor onrechtmatig ingehouden commissielonen voor de betaling van het loon voor de feestdagen van euro 59.828,27

- een schadevergoeding voor onrechtmatig ingehouden commissielonen voor de betaling van de patronale bijdrage groepsverzekering van euro 68.990,71 provisioneel

- commissielonen en de daarop verschuldigde vakantiegelden van euro 10.000 provisioneel

- de aanvullende vergoeding brugpensioen of euro 1 provisioneel (eis geschat op euro 10.000)

meer de intresten en de kosten.

Tevens vroeg hij de afgifte van de wettelijk voorziene sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom.

Bij toepassing van artikel 735 Ger. W. vroeg hij onmiddellijk uitbetaling van de wettelijke minimum opzeggingsvergoeding van 18 maanden of euro 231.389,28 en van de uitwinningsvergoeding van euro 102.839,69 meer de intresten en de afgifte van de sociale en fiscale documenten.

Over dit laatste werd door de eerste rechter beslist bij tussenvonnis van 3 september 2010 en de provisionele vordering werd ontvankelijk en gegrond verklaard, wat betreft de opzeggingsvergoeding, de intresten hierop en de afgifte van de sociale en fiscale documenten.

De eerste rechter besloot hiertoe omdat de opzeggingsbrief van 16 april 2007 absoluut nietig was, waaraan de vermelding voor ontvangst en akkoord geen afbreuk deed, omdat de heer Ch.R. zich enkel akkoord verklaard had met de te presteren termijn, zonder dat hierdoor de nietigheid van de opzegging wordt gedekt.

De eerste rechter oordeelde dat Nootens door de afgifte van het C4-formulier de arbeidsovereenkomst op eigen initiatief had beëindigd.

5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 29 oktober 2010, tekende Nootens hoger beroep aan tegen dit tussenvonnis en vroeg dat dit zou worden tenietgedaan.

Tevens vroeg de werkgever dat de vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding, een uitwinnings-vergoeding, een schadevergoeding voor onrechtmatige inhoudingen op commissielonen voor de betaling van het feestdagenloon, de betaling van de aanvullende vergoeding brugpensioen en de afgifte van de sociale en fiscale documenten volledig ongegrond zou worden verklaard.

Zij vroeg dat er nota zou genomen worden van het feit dat de heer Ch.R. niet langer aandrong op betaling van een schadevergoeding wegens inhoudingen op commissielonen voor de patronale bijdrage groepsverzekering en op betaling van het saldo commissielonen en het daarop berekende vakantiegeld.

Tevens formuleerde Nootens een tegenvordering in de zin dat de heer Ch.R. zou veroordeeld worden tot betaling van een schadevergoeding wegens misbruik van recht ten bedrage van euro 1.000, voor zover de veroordeling tot betaling van een opzeggingsvergoeding ongedaan zou worden gemaakt of op het totale bedrag (hoofdsom, intresten en kosten) waartoe Nootens zou veroordeeld worden indien de andere punten van het beroep zouden worden afgewezen. Ze vroeg dat deze tegenvordering ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

De beëindiging van de arbeidsovereenkomst

2. Artikel 37 §1, vierde lid van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat, indien de opzegging uitgaat van de werkgever, de kennisgeving van de opzegging, op straffe van nietigheid enkel kan geschieden hetzij bij een per post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaarderexploot, met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.

De opzeggingsbrief van 16 april 2007 werd niet bij aangetekende brief en evenmin bij gerechtsdeurwaarderexploot betekend aan de heer Ch.R., doch werd door Nootens aan hem afgegeven. Nadien tekende hij de fotokopie van de werkgever voor ontvangst en akkoord.

De kennisgeving gebeurde dus niet in overeenstemming met artikel 37 §1, vierde lid en dit leidt tot absolute nietigheid die door de werknemer niet kan worden gedekt. Indien de heer Ch.R. met de ondertekening voor akkoord van deze opzeggingsbrief deze nietigheid heeft willen dekken, dan heeft dit geen gevolg, daar de nietigheid absoluut is en niet kan gedekt worden (Arbh. Brussel 26 juni 2009, JTT 2009, 389).

3. De nietigheid van de opzegging tast de geldigheid van het ontslag niet aan, wat niet afhangt van welbepaalde vormen (Cass. 14 december 1992 in JTT 1993, 226 met noot Votquenne).

Het feit dat bij een nietige opzegging de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk beëindigd wordt, neemt niet weg dat de werknemers vanaf zijn ontslag elke overeenkomst kan sluiten over de modaliteiten van het ontslag, met name dat de arbeidsovereenkomst nog een bepaalde tijd wordt uitgevoerd. Het Hof van Cassatie bevestigde ook dit uitdrukkelijk in het arrest van 14 december 1992 in een zaak waar de werknemer de nietige opzeggingsbrief voor akkoord had ondertekend.

Aldus vernietigde het Hof van Cassatie de beslissing van de feitenrechter omdat hij de draagwijdte van het akkoord niet verder had onderzocht en omdat uit het akkoord bleek dat partijen na het ontslag nog tot een bepaalde datum de arbeidsovereen-komst wilden blijven uitvoeren.

4. De heer Ch.R. argumenteert in zijn laatste beroepsbesluiten terecht dat de werkgever door de overhandiging van de originele opzeggingsbrief aan hemzelf het ontslag heeft betekend. Maar hij voegt daaraan toe dat hij nadien op verzoek van Nootens het exemplaar in fotokopie, in het bezit van de werkgever, voor ontvangst en akkoord heeft ondertekend.

Verder zegt hij dat de werkgever de wil uitte dat hij tot op 31 december 2009 prestaties diende te verrichten en dat hij vanaf 1 januari 2010 geen prestaties meer mocht verrichten.

Hieruit vloeit dus voort dat de heer Ch.R. na de betekening van het ontslag de wil van de werkgever ontmoet heeft om prestaties te leveren tot 31 december 2009 en dat hij deze wilsovereenstemming bevestigd heeft door op de fotokopie zijn akkoord formeel te bevestigen.

Door dit verloop heeft de heer Ch.R. na het ontslag een overeenkomst over de ontslagregeling gesloten waarbij hij zich akkoord verklaarde om de arbeidsovereen-komst nog tot een bepaalde datum uit te voeren.

In deze context situeert zich ook het gemoedelijke afscheidsfeestje van 30 december 2009, waarvan Nootens onder haar stukken 8 enkele foto's voortbrengt.

In die zin is het ook begrijpelijk dat de heer Ch.R. zich na 2 januari 2010 niet meer op het werk heeft aangeboden om prestaties te verrichten.

Er werd dus tussen de partijen overeenstemming bereikt over het ontslag, zodat de heer Ch.R. ten onrechte een opzeggingsvergoeding van Nootens wil vorderen. Uiteindelijk werd zodoende de arbeidsovereenkomst op 31 december 2009 in onderling akkoord beëindigd.

5. Maar zelfs indien de heer Ch.R. zou willen voorhouden dat zijn akkoord enkel betrekking had op het dekken van de nietigheid van de opzeggingsbrief, waarbij dit akkoord geen gevolg kon hebben, dan nog moet vastgesteld worden dat hij zich gedurende meer dan twee jaar niet op het ontslag heeft beroepen dat voortvloeide uit deze nietige ontslagbrief. Hij dient dan ook beschouwd te worden als afstand te hebben gedaan van zijn recht om dat onmiddellijk ontslag in te roepen, zodat zijn arbeidsovereenkomst is blijven voortduren.

Wanneer de werkgever en werknemer zich na de kennisgeving van een ongeldige opzegging voort hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, wordt de nietigheid van de opzegging niet gedekt, maar kunnen de partijen na een redelijke termijn beschouwd worden afstand te hebben gedaan van het recht dat onmiddellijk ontslag in te roepen. In die omstandigheden blijft de arbeidsovereenkomst voortduren tot ze op een andere wijze wordt beëindigd (Cass. 11 april 2005, NjW 2005, 1025; Cass. 25 april 2005, NjW 2005, 1026; Cass. 30 mei 2005, NjW 2005, 1027; Cass. 28 januari 2008, JTT 2008, 239 met noot; W. Rauws De nietigheid van de opzegging, het ontslag en de afstand van het recht dat ontslag in te roepen: een vertrouwd geluid van het Hof van Cassatie RW 2008-09, 186-189).

Wanneer de heer Ch.R. vervolgens een opzeggingsvergoeding vordert, dan moet hij bewijzen dat Nootens de arbeidsovereenkomst eenzijdig beëindigd heeft zonder dringende reden of zonder inachtneming van een opzeggingstermijn.

Dit bewijs van een eenzijdige beëindiging door de werkgever levert hij niet aan de hand van het niet volledig ingevulde C4 formulier waarop juist die elementen ontbraken die betrekking hadden op de omstandigheden van het ontslag. Nadat de werkgever hierop gewezen werd, heeft hij het C4 formulier verder aangevuld met verwijzing naar het onderling akkoord.

Het is niet omdat Ch.R. nadien deze aanvulling betwist dat hij automatisch bewijs levert van zijn standpunt. In de gegeven omstandigheden bewijst hij helemaal niet dat er van werkgeverszijde een eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden en het gemoedelijke afscheidsfeestje waaraan hij vrolijk heeft deelgenomen, wijst overigens eerder in de richting van het werkgeversstandpunt dat er een akkoord was in verband met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Daar de heer Ch.R. faalt in zijn bewijslast, kan hij alleszins geen aanspraak maken op de gevorderde opzeggingsvergoeding.

6. Hieruit vloeit verder voort dat de heer Ch.R. geen aanspraak kan maken op een uitwinningsvergoeding en dat hij evenmin voldeed aan de voorwaarden van het brugpensioen, zodat zijn vordering tot afgifte van de desbetreffende sociale documenten en tot betaling van de aanvullende vergoeding ongegrond is.

Immers een uitwinningsvergoeding kan slechts gevraagd worden wanneer de arbeidsovereenkomst door de werkgever werd beëindigd zonder dringende reden of door de handelsvertegenwoordiger om een dringende reden. Van deze voorwaarde wordt door de heer Ch.R. geen bewijs geleverd.

Om aanspraak te kunnen maken op brugpensioen moet hij na ontslag door de werkgever zijn recht op opzegging uitputten, waarvan hij afstand gedaan heeft.

Partijen bevestigen dat zij in verband met de vordering tot betaling van een schadevergoeding voor onrechtmatig ingehouden commissielonen voor de betaling van de patronale bijdragen groepsverzekering tot een regeling zijn gekomen, zodat deze vordering niet langer gehandhaafd wordt. Ook de andere vorderingen, die niet meer gevraagd worden in het beschikkend gedeelte van de tweede beroepsbesluiten van de heer Ch.R., worden niet langer gehandhaafd, minstens zijn ze niet bewezen.

Achterstallige commissielonen ingehouden ter compensatie voor de betaling van feestdagenloon

7. Artikel 14 van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen en artikel 8 van het KB van 18 april 1974 tot uitvoering van de feestdagenwet bepalen dat de bedienden die geheel of gedeeltelijk commissielonen worden betaald, voor de feestdag recht hebben op hun eventueel gewoon vast loon en op een dagelijks gemiddelde van het veranderlijke loon dat ze hebben verdiend bij de werkgever die het loon voor de feestdag moet betalen. Deze bepalingen zijn van dwingend recht ten voordele van de werknemer. Bijgevolg, is nietig de conventionele bepaling volgens dewelke het loon voor de feestdagen in het jaarlijks veranderlijke loon begrepen is (Cass. 25 oktober 1999, JTT 2000, 229).

Op pagina 3 van de arbeidsovereenkomst wordt vermeld dat in het bedrag van de uitbetaalde commissies het loon begrepen is voor de wettelijke feestdagen. Deze bepaling is derhalve nietig en kan geen toepassing vinden. Nochtans volgt uit de stukken van farde III van de heer Ch.R. dat deze contractuele bepaling door Nootens onveranderd werd toegepast.

8. Artikel 23, 2° van de feestdagenwet van 4 januari 1974 stelt de werkgever strafbaar, die de hierboven vermelde bepaling niet nakomt.

Door de incorporatie van het feestdagenloon in het commissieloon heeft de heer Ch.R. te weinig commissieloon ontvangen.

Waar de niet-betaling van loon een misdrijf vormt als gevolg van artikel 42 van de loonbeschermingwet, kan de werknemer een vordering tot herstel van de door dat misdrijf veroorzaakte schade instellen, ook al bestaat de vergoeding van de geleden schade in de betaling van het loon zelf; dergelijke rechtsvordering verjaart volgens de bij de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering bepaalde voorschriften (Cassatie, 23 oktober 2006, JTT 2007, 227, concl. LECLERCQ, J., noot; Pas. 2006, 2112; RCJB 2008, 157; Soc.Kron. 2007, 270, noot REMOUCHAMPS, S en Cassatie, 22 januari 2007, JTT 2007, 481, noot LAGASSE, F., PALUMBO, M; Pas. 2007, 128; RCJB 2008, 168, noot KEFER, F; Soc.Kron. 2008, 443).

Op grond van de artikelen 9 en 42 van de loonbeschermingswet leidt de niet-betaling van het loon op gezette tijden tot een misdrijf.

Hierdoor kan de heer Ch.R. een burgerlijke vordering ex delicto stellen, die verjaart in overeenstemming met artikel 26 V.T. Wb. Sv. Hij kan zich dan baseren op een voortgezet misdrijf.

9. Bij de niet opzettelijke misdrijven, zoals de meeste sociaalrechtelijke misdrijven, bestaat het moreel bestanddeel uit de volwaardige wil van de dader om de materiële handeling of nalatigheid te stellen; wanneer de werkgever een rechtvaardigingsgrond inroept en wanneer deze bewering niet ontbloot is van elk element van geloofwaardigheid, staat het aan degene die zich op dit misdrijf beroept, om de onjuistheid van deze rechtvaardigingsgrond aan te tonen (Cass. 4 januari 1994, A.C., 1994; Cass. 30 september 1993, A.C. 1993, nr. 389; W. Rauws, Sociaalrechtelijke misdrijven en hun strafbaarstelling, in Sociaal Strafrecht, Maklu, 1998 p 73).

Rechtvaardigingsgronden zijn deze die elke fout in hoofde van de betrokkene uitsluiten, zoals overmacht, onoverwinnelijke dwaling, of een noodtoestand (J.F. Goffin, Responsabilités des dirigeants de sociétés, Larcier, 2004, p 371).

De onachtzaamheid of het gebrek aan voorzichtigheid volstaat immers voor de aanwezigheid van het moreel bestanddeel van het niet opzettelijk misdrijf.

Nootens beroept zich niet op enige rechtvaardigingsgrond.

Het moreel bestanddeel van het misdrijf is dan ook aangetoond, omdat de wil van Nootens duidelijk volgt uit de contractuele bepaling, zoals ze werd toegepast.

10. Wanneer er sprake is van een voortgezet misdrijf begint de verjaringstermijn van de strafvordering pas te lopen vanaf het laatste strafbaar feit dat met hetzelfde opzet werd gepleegd, voor zover de termijn tussen de verschillende strafbare feiten niet langer is dan de verjaringstermijn, behoudens schorsing of stuiting van de verjaring (A. De Nauw, De verjaring van de rechtsvordering ex delicto in het sociaal recht; in M. Rigaux, Actuele problemen van het Arbeidsrecht 4, Maklu 1994, 13).

Voor een voorgezet misdrijf is eenheid van opzet vereist.

Eenheid van opzet bestaat uit een bepaald doel of een plan waarvan de veelheid van misdrijven de uitvoering vormen, waardoor ze worden beschouwd als één enkel strafbaar feit, doordat ze voortvloeien uit éénzelfde misdadig opzet (Cassatie, 4 september 1974, JTT 1975, 251).

Het bepaald doel en het plan waarvan de veelheid van misdrijven de uitvoering vormen, wordt aangetoond door de niet mis te verstane contractuele bepaling.

Bovendien toont de heer Ch.R. door zijn stukken I, 12 en 13 aan dat dit systeem binnen de ganse onderneming toegepast werd ook ten aanzien van zijn collega's, waarbij men wist dat dit niet in overeenstemming was met de wet. Er is dan ook eenheid van opzet, zodat de verjaring van de strafvordering pas begint te lopen van het laatste strafbare feit en waarbij de veelheid van misdrijven worden beschouwd als één enkel strafbaar feit.

Op die wijze kan de heer Ch.R. voor de periode van 1990 tot 2009 een schadevergoeding vragen bij wijze van herstel in natura ter waarde van de achterstallige commissielonen.

11. Hij heeft zijn vordering zeer nauwkeurig becijferd en hij verantwoordt deze begroting door de stukken van zijn farde III.

Hij steunt zich hiervoor op de commissiestaten, die van Nootens afkomstig zijn en op de loonfiches. Zeer gedetailleerd en nauwkeurig heeft de heer Ch.R. uitgaande van deze stukken zijn vordering begroot.

Nootens brengt op deze begroting geen enkele cijfermatige kritiek uit en beperkt zich tot het in vraag stellen van de stukken die in wezen van haarzelf afkomstig zijn. Ze had derhalve alle mogelijkheden om bij onjuistheid de becijfering te bekritiseren.

Het door de heer Ch.R. gevorderde bedrag van euro 55.798,85 wordt door hem bewezen, zodat zijn vordering op dit punt gegrond is.

Voor dit onderdeel dient Nootens dan ook de aangepaste sociale en fiscale documenten voor te brengen. Het is echter niet nodig om deze veroordeling op te leggen onder verbeurte van een dwangsom, daar niet blijkt dat Nootens in het verleden nalatig zou geweest zijn bij het afleveren van de correcte documenten.

Tegenvordering wegens rechtsmisbruik

12. Nootens stelde vervolgens een tegenvordering omdat de heer Ch.R. met misbruik van recht zijn subjectief recht zou hebben uitgeoefend door een vordering te stellen in verband met de beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst.

Deze tegenvordering is ongegrond. Rond de gevolgen van een absoluut nietige opzegging zijn in de rechtsliteratuur zeer verscheidene standpunten geformuleerd, zodat het aan de heer Ch.R. niet kan ten kwade geduid worden dat hij de vorderingen stelde, die hij formuleerde in zijn verzoekschrift van 12 februari 2010.

Er kan dan ook geen misbruik van recht aan de heer Ch.R. worden verweten.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de heer Ch.R. tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding ontvankelijk, doch ongegrond en wijst hem ervan af.

Gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep,

trekt de zaak verder aan zich en hierover recht doende,

Veroordeelt de NV Henri Nootens Ets. tot betaling aan de heer Ch.R. van een schadevergoeding bij wijze van herstel in natura ten bedrage van euro 55.798,85 ten titel van de ten onrechte ingehouden achterstallige commissielonen en uitbetaald als loon voor feestdagen, te vermeerderen met de vergoedende en de gerechtelijke intresten;

Veroordeelt de NV Henri Nootens Ets. tot afgifte van de hiermee overeenstemmende wettelijk voorziene sociale en fiscale documenten;

Wijst al de overige vorderingen af als zijnde ontvankelijk doch ongegrond, met inbegrip van de tegenvordering.

Compenseert de gerechtskosten en legt deze voor 9/10 ten laste van de heer Ch.R. en voor 1/10 ten laste van de NV Henri Nootens Ets.,

deze aan de zijde van beide partijen begroot op

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 5.000

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 5.000

totaal euro 10.000

en wegens indexatie vereffend op

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg euro 5.500

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 5.500

totaal euro 11.000

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Steven MARCHAND, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Marcel VAN AKEN, Steven MARCHAND.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 27 mei 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Absoluut nietige opzegging

  • Ontslag

  • Latere ondertekening 'voor akkoord' met vooropgestelde termijn voor beëindiging.