- Arrêt of June 3, 2011

03/06/2011 - 2010/AB/00460

Case law

Summary

Samenvatting 1

Een uitbreiding van de vordering gesteund op contractbreuk is niet virtueel vervat in een inleidende dagvaarding, die uitdrukkelijk zegt dat er nog geen einde werd gemaakt aan de arbeidsovereenkomst, zodat de dagvaarding de verjaring op grond van art. 15 van de Wet van 3 juli 1978 niet stuit wat betreft deze nieuwe vordering.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 JUNI 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

L.A. , wonende te

[xxx],

appellant,

vertegenwoordigd door mr. STASSEN Henri-Joseph,

advocaat te 3700 TONGEREN, Piepelpoel 4.

Tegen:

DE VLAAMSE GEMEENSCHAP, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering in de persoon van de Minister-President van de Vlaamse Regering, wiens kantoren gevestigd zijn te 1000 BRUSSEL, Koolstraat 35,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VAN DER VEEKEN Werner loco mr. VAN DER AUWERAERT Marina,

advocaat te 2018 ANTWERPEN, Gateway Building - Brusselstraat 59.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 3 december 2009 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 24e kamer (A.R. 11168/06).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 11 mei 2010;

- de conclusie voor de appellant, neergelegd ter griffie op 31 januari 2011,

- de conclusie en de aanvullende en hernemende conclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 23 september 2010 en 23 maart 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 6 mei 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 1 mei 1974 komt de heer L.A. als burgerlijk bouwkundig ingenieur in dienst bij MIVA, rechtsvoorganger van de Vlaamse Vervoermaatschappij, thans De Lijn.

Sinds 1985 wordt hij gedetacheerd naar het federale Ministerie van Verkeerswezen, dit in toepassing van de bedrijfs-CAO van 6 november 1992, waarin bepaald wordt dat personeelsleden kunnen afgevaardigd worden naar andere organisaties en dat na deze detachering de personeelsleden gere-integreerd worden in een functie van hun niveau.

Vanaf 1 maart 1994 gaat hij over naar het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, met name naar het departement Leefmilieu en Infrastructuur. Deze overgang wordt bevestigd in een nota van 21 januari 1994 tussen de directeur-generaal van De Lijn en de secretaris-generaal van de Vlaamse Minister van Verkeer. In deze nota wordt bevestigd dat de heer L.A. zijn geldelijk regime behoudt en op zijn verzoek of op verzoek van De Lijn kan terugkeren naar zijn oorspronkelijke werkplaats.

De Lijn waarborgt de betaling van het salaris.

Dit wordt ook aan de heer L.A. bevestigd in een brief van 16 maart 1994.

Op 6 maart 2002 vraagt de Vlaamse Minister van Economie, Buitenlandse Handel en Huisvesting aan de directeur-generaal van De Lijn of zij akkoord gaat met de detachering van ir. L.A. als Vlaams technologisch en commercieel vertegenwoordiger bij de Belgische ambassade in Havana, Cuba, waarbij de verloning en de sociale zekerheid voor rekening van De Lijn blijft.

Tevens worden een aantal andere faciliteiten aan de heer L.A. toegekend.

De directeur-generaal bevestigt haar akkoord bij brief van 2 mei 2002 en zij zegt daarbij uitdrukkelijk dat de heer L.A. personeelslid van De Lijn blijft met behoud van zijn bezoldigingsregeling, die verder door de diensten van De Lijn zal worden betaald.

Op 26 juni 2002 ondertekenen de heer L.A. en de Vlaamse Minister van Economie, Buitenlandse Handel en Huisvesting een overeenkomst, waarin de verdere modaliteiten van zijn tewerkstelling in Cuba worden afgesproken. Hierin wordt zijn detachering bevestigd, en worden een aantal vergoedingen en toelagen geregeld met betrekking tot zijn buitenlandse tewerkstelling, waaronder de postvergoedingen die ten laste vallen van de kabinetsbegroting van het Vlaamse ministerie.

Ook worden enkele functionele afspraken gemaakt en worden de relaties met Buitenlandse Zaken en de Belgische ambassade vastgelegd, waarmee bepaald wordt dat de heer L.A. onder het diplomatiek statuut en gezag van de ambassadeur valt. De overeenkomst kan door beide partijen worden beëindigd met een opzegperiode van drie maanden.

De heer L.A. houdt in deze procedure voor dat deze overeenkomst een afzonderlijke arbeidsovereenkomst is naast deze die hem verbond met De Lijn.

2. De heer L.A. houdt voor dat hij tijdens een telefoongesprek met de toenmalige Vlaamse minister van 20 november 2003 werd teruggeroepen naar België, waarvoor hij in de daarna volgende maanden de nodige schikkingen nam.

Met enige vertraging werden zijn postvergoedingen en andere vergoedingen door het Vlaams ministerie betaald tot 15 februari 2004.

3. Als gevolg daarvan vraagt de heer L.A. in een brief aan de directeur-generaal van De Lijn van 19 december 2003 of hij haar kan ontvangen op zijn eerste werkdag, met name op 12 januari 2004. In een schrijven van 5 oktober 2005 aan de Vlaamse Minister van Economie en Buitenlandse Handel bevestigt hij dat hij na zijn detachering teruggekeerd is naar zijn werkgever De Lijn, maar dat er daar geen plaats voor hem was, zodat hij ontslagen werd. In uitvoering van de overeenkomst van 26 juni 2002 vroeg hij doorbetaling van de postvergoedingen. Dit herhaalde hij in een brief van 1 maart 2006 en in een brief van zijn raadsman van 17 november 2005.

4. Bij aangetekende brief van 26 maart 2004 van De Lijn wordt inderdaad een einde gemaakt aan zijn arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 32 maanden, met ingang van 1 april 2004.

Op 29 maart 2004 bereikt de heer L.A. met De Lijn een overeenkomst, waardoor de opzegging wordt verlengd tot 43 maanden en er wordt een regeling uitgewerkt in verband met de betaling van de opzeggingsvergoeding.

5. Op 16 juni 2006 dagvaardt de heer L.A. de Vlaamse Gemeenschap in betaling van postvergoedingen tot en met juni 2006 ten bedrage van euro 102.749,99, te vermeerderen met euro 4.226,39 per begonnen maand vanaf 1 juli 2006, vermits er nog steeds geen einde werd gemaakt aan de overeenkomst van 26 juni 2002, ook al werd de heer L.A. op 15 februari 2004 door de minister teruggeroepen naar België.

In besluiten past de heer L.A. zijn vordering aan in betaling van postvergoedingen ten bedrage van euro 153.466,67 te vermeerderen met euro 4.226,39 per begonnen maand vanaf 1 juli 2007 tot de datum van de gedwongen beëindiging van de arbeidsovereenkomst, te vermeerderen met gerechtelijke intresten en kosten.

Bij vonnis van 3 december 2009 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd deze vordering afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond met veroordeling van de heer L.A. tot de kosten.

Dit vonnis wordt aan de heer L.A. betekend op 18 maart 2010.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 11 mei 2010, tekent de heer L.A. hoger beroep aan en herneemt hij zijn oorspronkelijke vordering.

In zijn beroepsbesluiten, ontvangen ter griffie op 31 januari 2011 handhaaft hij deze vordering in hoofdorde, maar vraagt hij in ondergeschikte orde, voor zover het hof van oordeel zou zijn dat de postvergoedingen niet meer zouden doorlopen, dat de Vlaamse Gemeenschap dan zou veroordeeld worden wegens het niet eerbiedigen van de opzeg voorzien in de overeenkomst tot een billijke vergoeding van 17 maand postvergoedingen of euro 54.652,28, meer de gerechtelijke intresten, in uiterst ondergeschikte orde vraagt hij deze postvergoedingen voor de periode van de opzeg, die hij dan begroot op euro 11.251,94, meer de gerechtelijke intresten en de gerechtskosten.

Ter zitting van 6 mei 2011 bevestigt appellant dat hij zijn hoofdvordering niet langer handhaaft en dat hij zich aldus concentreert op zijn vorderingen in ondergeschikte orde.

II. BEOORDELING.

1. Gelet op de betekening van het bestreden vonnis op 18 maart 2010 aan de heer L.A., is zijn hogere beroep van 11 mei 2010 tijdig ingesteld.

Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

2. De heer L.A. handhaaft niet langer zijn vordering in hoofdorde en deze is inderdaad ongegrond, daar hij alleszins met ingang van 15 februari 2004 geen prestaties meer geleverd heeft op zijn post te Havana, zodat hij zelfs indien de overeenkomst van 26 juni 2002 een arbeidsovereenkomst zou zijn en de postvergoedingen loon zouden zijn, hij op dit loon geen aanspraak kan maken bij gebrek aan prestaties (vaste rechtspraak sinds Cass. 24 december 1979, RW 1980-81, 410).

3. Zijn vorderingen in ondergeschikte orde betreffen een uitbreiding op grond van artikel 807 Ger.W. en zijn gesteund op de contractbreuk m.b.t. de overeenkomst van 26 juni 2002, die de heer L.A. beschouwt als een afzonderlijke arbeidsovereenkomst, los van de arbeidsovereenkomst die hem bond met De Lijn.

4. Een dagvaarding heeft tot gevolg dat de verjaring van de vordering die ze inleidt en van de vorderingen die er virtueel in vervat liggen, wordt gestuit.

Een vordering tot betaling van een opzeggingsvergoeding, geformuleerd in conclusies meer dan een jaar na het einde van de arbeidsovereenkomst is niet vervat in de dagvaarding, wanneer deze de uitvoering - en, bij gebreke hiervan, de ontbinding van de overeenkomst - beoogde (Cass. 3 juni 1991, JTT 1991, 426).

In de onderhavige zaak stelde de heer L.A. uitdrukkelijk in de inleidende dagvaarding van 16 juni 2006 dat de overeenkomst... tot op heden niet werd beëindigd door gedaagde en dat er nog steeds geen einde gemaakt werd aan de overeenkomst. Anders dan in de zaak die leidde tot het cassatiearrest van 3 juni 1991 heeft de heer L.A. in ondergeschikte orde zelfs niet de ontbinding van de overeenkomst gevraagd. Hij beriep zich op geen enkele wijze op de beëindiging van zijn zogenaamde arbeidsovereenkomst of op contactbreuk.

De beëindiging van de zogenaamde tweede arbeidsovereenkomst werd dan ook in de inleidende dagvaarding ontkend, zodat deze beëindiging alleszins niet virtueel vervat lag in de inleidende dagvaarding. Het enkele feit dat een vordering gesteund is op het bestaan van een arbeidsovereenkomst volstaat niet om aan te nemen dat de beëindiging van een dergelijke overeenkomst virtueel vervat ligt in de dagvaarding.

5. Artikel 15 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat de rechtsvorderingen die uit een arbeidsovereenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan, zonder dat deze termijn één jaar na het einde van deze overeenkomst mag overschrijden.

De vordering in ondergeschikte orde werd slechts ingesteld bij beroepsbesluiten, neergelegd ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 31 januari 2011, zijnde alleszins meer dan een jaar na het einde van de overeenkomst.

De heer L.A. zegt weliswaar in zijn beroepsbesluiten niet uitdrukkelijk wanneer de door hem ingeroepen contractbreuk zou hebben plaatsgevonden. Zonder veel motivatie wordt ter zitting nu eens verwezen naar 15 februari 2004 en dan weer naar de datum van de inleidende dagvaarding 16 juni 2006, maar alleszins situeren beide data zich meer dan een jaar voor 31 januari 2011.

De vorderingen in ondergeschikte orde zijn dan ook verjaard. Het niet betalen van een opzeggingsvergoeding is geen misdrijf (Cass. 17 februari 1997, RW 1997-98, 912 met noot), zodat er geen beroep kan gedaan worden op de delictuele verjaringstermijn.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Verklaart de nieuwe vorderingen, ingesteld in ondergeschikte orde, bij beroepsbesluiten van 31 januari 2011, verjaard.

Veroordeelt de heer L.A. tot de gerechtskosten van het hoger beroep,

deze aan de zijde van geïntimeerde begroot op

kosten expeditie euro 5,25

kosten betekening euro 916,17

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 5.500,00

totaal euro 6.421,42

en, voor zover als nodig, aan de zijde van de heer L.A. begroot op

rechtsplegingsvergoeding euro 5.000.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENL.A., raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Steven MARCHAND, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENL.A., Kelly CUVELIER,

Marcel VAN AKEN, Steven MARCHAND.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 3 juni 2011 door:

Lieven LENL.A., raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENL.A., Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT.