- Arrêt of June 6, 2011

06/06/2011 - 2010/AB/00561

Case law

Summary

Samenvatting 1

Bij het vaststellen van de toegelaten arbeid voor een gepensioneerde zelfstandige moet voor het vaststellen van het beroepsinkomen alle bestanddelen worden begrepen van het loon ontvangen voor die activiteit, tijdens dat jaar, met uitzondering van het vakantiegeld dat ontvangen wordt tijdens het volgende jaar.


Arrêt - Integral text

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 6 JUNI 2011.

9 DE KAMER

.

Pensioenen Zelfstandigen

Tegensprekelijk

Definitief

Not. Art. 581, 2° G.W.

In de zaak :

HET RIJKSINSTITUUT VOOR DE SOCIALE VERZEKERINGEN DER ZELFSTANDIGEN, openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, waarvan de zetel gevestigd is te 1000 Brussel, Jan Jacobsplein, 6,

Appellant, vertegenwoordigd door Mter A.-M. Sobrie, advocaat te 3012 Wilsele;

Tegen :

De Heer V. ,

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mter T. De Ketelaere loco Mter J. De Ketelaere, advocaat te 3000 Leuven;

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, bij verstek gewezen t.a.v. R.S.V.Z. door de 3de kamer van de Arbeidsrechtbank te Leuven op 7 mei 2010 (A.R. nr. 09/598/A);

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 11 juni 2010;

- de besluiten van geïntimeerde partij neergelegd ter griffie van dit Hof op 29 november 2010;

- de besluiten en synthesebesluiten van appellant neergelegd ter griffie van dit Hof, respectievelijk op 17 september 2010 en 6 januari 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 4 april 2011, waarna de debatten werden gesloten. Het Openbaar Ministerie heeft op 7 april 2011 zijn schriftelijk advies ter griffie van dit Arbeidshof neergelegd. De termijn om een repliekconclusie op dat schriftelijk advies ter griffie neer te leggen verstreek op 2 mei 2011, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

Gelet op de repliekbesluiten van geïntimeerde partij neergelegd ter griffie van dit Hof op 2 mei 2011;

De repliekbesluiten van appellante partij werden laattijdig neergelegd ter griffie van dit Hof op 9 mei 2011 en kunnen niet in aanmerking worden genomen;

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING.

1. Als gevolg van zijn pensioenaanvraag van 8 april 2002 kende de Rijksdienst voor Pensioenen bij beslissing van 23 mei 2002 aan de heer V. met ingang van 1 april 2003 een jaarlijks gezinsrustpensioen toe ten bedrage van euro 148,83, gekoppeld aan het indexcijfer der consumptieprijzen 109,45.

Als gevolg van zijn pensioenaanvraag van 8 april 2002 kende het RSVZ hem bij beslissing van 29 april 2003 met ingang van 1 april 2003 een jaarlijks rustpensioen toe ten belope van euro 9.493,20, gekoppeld aan indexcijfer 109,45

2. Bij beslissing van 26 februari 2009 deelde het RSVZ aan de heer V. mee dat zijn beroepsinkomen voor het jaar 2006 ( euro 17.831,87) het wettelijk grensbedrag van euro 15.590,18 met 14 % overschreed, zodat voor diezelfde periode zijn rustpensioen als zelfstandige geschorst werd a rato van 14 % en

dat voor het jaar 2007 het toegelaten grensbedrag van euro 17.149,20 met meer dan 15 % overschreden was, daar hij beroepsinkomsten had ten bedrage van euro 20.462,47, waardoor hij voor dat jaar geen recht had op uitbetaling van zijn zelfstandigenpensioen.

3. Op 19 maart 2009 legde de heer V. een verzoekschrift neer bij de griffie van de arbeidsrechtbank te Leuven, waarbij hij vroeg dat zijn rustpensioen voor het jaar 2007 ten hoogste a rato van 10 % kon geschorst worden en dat er voor de jaren 2006 en 2007 verzachtende omstandigheden waren, zodat hij vroeg om de vermindering kwijt te schelden of minstens te verminderen.

4. Bij tussenvonnis van 7 mei 2010 van de arbeidsrechtbank te Leuven werd vastgesteld dat de overschrijding van het toegelaten bedrag van het bruto beroepsinkomen verklaard werd doordat het RSVZ het vakantiegeld in rekening bracht in het jaar waarop het betrekking had en niet in het jaar waarop het werd uitbetaald.

Met verwijzing naar een arrest van het arbeidshof Brussel van 4 december 2008 ( JTT 2009, 35) oordeelde de rechtbank dat bij het bepalen van het bruto beroepsinkomen van een kalenderjaar alle bestanddelen dienen te worden begrepen die ontvangen worden tijdens dat jaar, dus niet het vakantiegeld dat ontvangen wordt tijdens het volgende jaar.

De arbeidsrechtbank heropende de debatten om het RSVZ toe te laten op basis hiervan een nieuwe berekening te maken van het bruto beroepsinkomen van de heer V. voor de jaren 2006 en 2007, daarbij het vakantiegeld in acht nemend zoals het telkens in het betrokken jaar effectief werd uitbetaald.

Bij gerechtsbrief van 10 mei 2010 werd het vonnis ter kennis gebracht van partijen.

5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 11 juni 2010, tekende het RSVZ hoger beroep aan en handhaafde ze haar oorspronkelijke standpunt.

De heer V. roept in dat dit hoger beroep onontvankelijk is wegens gebrek aan duidelijkheid en wegens inconsistentie, wegens het ontbreken van bevoegdheid van mevrouw Warnier als adjunct administrateur-generaal van het RSVZ om proceshandelingen te stellen en omdat het tussenvonnis niet griefhoudend zou zijn; tevens houdt geïntimeerde voor dat het beroep laattijdig zou zijn.

II. BEOORDELING.

De tijdigheid van het hoger beroep

1. Het bestreden vonnis van 7 mei 2010 werd bij gerechtsbrief van 10 mei 2010 ter kennis gebracht van partijen.

Als gevolg van artikel 53bis Ger. W. worden bij een kennisgeving bij gerechtsbrief de termijnen berekend vanaf de eerste dag die volgt op deze waarop de brief aangeboden werd op de woonplaats van de geadresseerde.

Het hoger beroep, ontvangen ter griffie op 11 juni 2010, werd dan ook tijdig ingesteld.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

2. Ten onrechte stelt de heer V. met verwijzing naar artikel 1057,7° Ger. W. dat de uiteenzetting van de grieven in hoger beroep onvoldoende duidelijk zou zijn.

Het verzoekschrift tot hoger beroep vermeldt:

RSVZ kan niet akkoord gaan met de zienswijze van de arbeidsrechtbank betreffende de wijze waarop het vakantiegeld bij de vaststelling van het bruto beroepsinkomen in aanmerking wordt genomen. Er moet rekening gehouden worden met het gedeelte van de uitkering dat betrekking heeft op de prestaties die werden uitgeoefend in de loop van de periode tijdens dewelke het pensioen wordt uitbetaald.

Deze grief maakt het mogelijk voor de heer V. om zich ten aanzien van het standpunt van de RSVZ te verdedigen betreffende de wijze waarop het vakantiegeld bij de vaststelling van het bruto beroepsinkomen in aanmerking moet worden genomen.

Het tussenvonnis van 7 mei 2010 was griefhoudend voor het RSVZ.

Bevoegdheid tot het stellen van proceshandelingen

3. Artikel 71 §1, 1° van het KB van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het KB 38 van 27 juli 1967 bepaalt dat het Beheerscomité de rechtsvorderingen instelt met betrekking tot de statutaire taak van het Rijksinstituut met uitzondering van de voorziening in Cassatie.

Artikel 71 §2 van datzelfde KB voegt daaraan toe dat het Beheerscomité aan ambtenaren van het Rijksinstituut de bevoegdheid bedoeld bij §1, 1° kan overdragen.

Als gevolg van deze bepaling heeft het beheerscomité in zijn zitting van 1 februari 1989 deze bevoegdheid overgedragen aan de adjunct administrateur-generaal. Dit betreft geen subdelegatie.

Bij KB van 30 september 1992 ( BS 30 oktober 1992) werd mevrouw M. Warnier met ingang van 1 oktober 1992 benoemd tot adjunct administrateur-generaal.

De bevoegdheid en de benoeming van betrokkene werden nog eens bevestigd in een verklaring van de heer Jean Marie Severin, voorzitter van de raad van beheer.

Het verzoekschrift tot hoger beroep werd dus rechtsgeldig ondertekend door mevrouw Warnier, adjunct administrateur-generaal van het RSVZ, die hiertoe de bevoegdheid had.

De conclusies van het RSVZ werden ondertekend door attaché C. Michiels, samen met de raadsman van het RSVZ, Mter. A. Sobrie, die hiertoe mandaat had.

4. Besluitend, kan dan ook worden vastgesteld dat het hoger beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

De grond van de zaak

5. Artikel 107 §2A van het KB van 22 december 67 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen bepaalt:

De pensioengerechtigde die, naargelang het geval, één van de in de artikelen 3 en 16 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 of in artikel 92 bedoelde leeftijden heeft bereikt, mag, mits voorafgaande verklaring en onder de in deze paragraaf bepaalde voorwaarden:

1° een beroepsbezigheid uitoefenen die onder toepassing valt van de wetgeving op de arbeidsovereenkomsten, of van een soortgelijk wettelijk of reglementair statuut, voor zover het bruto beroepsinkomen per kalenderjaar ( euro 13.556,68} niet overschrijdt.

...

Onder beroepsinkomen van de in het voorgaande lid beoogde activiteiten dient te worden verstaan het bruto beroepsinkomen, verminderd met de beroepsuitgaven of - lasten en, desgevallend groepsverlies, dat weerhouden werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de aanslag betreffende het betrokken jaar....

Terecht wijst het Openbaar Ministerie erop dat bij de vaststelling van het beroepsinkomen van een werknemer dezelfde basisregels dienen in acht genomen te worden als voor een zelfstandige, daar anders beide categorieën werkende gepensioneerden op een onverantwoorde wijze ongelijk zouden worden behandeld.

6. De heer V. werkte in 2006 en 2007 als werknemer in de transportsector.

Het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2007 wijst op een belastbaar beroepsinkomen in 2006 van euro 14.108,86, tenminste als men rekening houdt met de aftrok voor de forfaitaire beroepskosten.

Het grensbedrag voor dat jaar bedroeg euro 15.590,18.

Het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2008 wijst op een belastbaar beroepsinkomen in 2007 van euro 16.720,83, ook hier rekening houdend met de forfaitaire beroepskosten.

Het grensbedrag voor dat jaar bedroeg euro 17.149,20.

De door de heer V. in deze jaren genoten beroepsinkomens als werknemer hebben daardoor de grensbedragen niet overschreden.

Gelet op het feit dat als gevolg van artikel 107 §2A, alinea 2 van het KB van 22 december 1967 de bruto beroepsinkomens mogen worden verminderd met de beroepsuitgaven of lasten, kunnen de forfaitaire beroepskosten in mindering worden gebracht op de ontvangen loonsvoordelen.

Enkel het bedrag van de wedden en lonen, voorkomend op de aanslagbiljetten, volstaat dus niet voor het vaststellen van de bruto beroepsinkomens, daar dit nog moet worden verminderd met de forfaitaire lasten.

7. Het RSVZ besluit echter tot een overschrijding van de grensbedragen, omdat de beroepsinkomsten, zoals vastgesteld door het bestuur der directe belastingen, nog vermeerderd zouden moeten worden met het vakantiegeld voor de prestaties van dat jaar, zoals deze pas in het daaropvolgende jaar daadwerkelijk worden uitbetaald.

8. Onder het brutoloon voor een burgerlijk jaar moeten nochtans alle bestanddelen worden begrepen van het loon ontvangen voor die activiteit, tijdens dat jaar, met uitzondering van het vakantiegeld dat ontvangen wordt tijdens het volgende jaar ( Arbh.Brussel, 4 december 2008, JTT 2009, 35; Arbh. Brussel, 14 mei 2009, AR 48.583, niet gepubliceerd).

De betwistingen in de hierboven aangehaalde rechtspraak hadden weliswaar betrekking op de toepassing van artikel 64 het KB van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers. Deze tekst is grotendeels eensluidend met het hier toepasselijke artikel 107 van het KB van 22 december 1967.

In het arrest van het arbeidshof Brussel van 4 december 2008 wordt erop gewezen dat de Rijksdienst voor Pensioenen tot in 2001 rekening hield met het vakantiegeld, zoals het in het burgerlijk jaar werd uitbetaald, maar dat deze instelling nadien haar administratieve praktijk gewijzigd heeft zonder hiervoor een rechtvaardiging te geven en zonder dat deze wijziging kan teruggebracht worden tot de toepasselijke reglementering.

9. Op basis hiervan kan het standpunt van het RSVZ niet worden aanvaard.

Uit de vaststellingen in randnummer 6 volgt dat de grensbedragen voor 2006 en 2007 niet overschreden werden door de heer V., zodat er geen reden was om zijn wettelijk pensioenbedrag te verminderen of tot nul terug te brengen.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

Gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep dient de beslissing van het RSVZ van 26 februari 2009 te worden vernietigd en moest het wettelijk pensioen als zelfstandige voor de jaren 2006 en 2007, zoals vastgesteld in de beslissing van het RSVZ van 29 april 2003, te worden behouden.

10. De vordering van de heer V. tegen het RSVZ betreft een vordering van een sociaal verzekerde of gerechtigde, zodat art. 1017, 2° Ger. W. op deze vordering van toepassing is.

De lagere rechtsplegingsvergoedingen, bedoeld in art. 4 van het KB van 26 oktober 2007, zijn van toepassing voor een rechtspleging bedoeld in art 1017, 2° Ger. W, zodat de door de heer V. gevorderde rechtsplegingsvergoedingen moeten worden herleid tot euro 40,11 voor de behandeling in eerste aanleg en tot euro 160,36 voor de behandeling in graad van hoger beroep.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van advocaat-generaal J.J. André van 7 april 2011, waarop tijdig werd gerepliceerd door de heer V. op 2 mei 2011 en door het R.S.V.Z. laattijdig op 9 mei 2011;

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis, in zoverre het oordeelt dat bij het bepalen van het bruto beroepsinkomen van een kalenderjaar alle bestanddelen dienen te worden begrepen die ontvangen worden tijdens dat jaar, en dus niet het vakantiegeld dat ontvangen wordt tijdens het volgende jaar;

Gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep,

Vernietigt de bestreden administratieve beslissing van 26 februari 2009 en zegt voor recht dat de heer V. tijdens de jaren 2006 en 2007 verder aanspraak kan maken op het wettelijk pensioen als zelfstandige, zoals vastgesteld in de beslissing van het RSVZ van 29 april 2003,

Veroordeelt het RSVZ tot de kosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van de heer V. begroot op rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank euro 1.320, maar door het arbeidshof herleid naar euro 40,11

rechtsplegingsvergoeding hoger beroep euro 1.320, maar door het arbeidshof herleid naar euro 160,36.

Aldus gewezen door de 9de Kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

De Heer L. LENAERTS, Raadsheer,

Mevrouw A. SEVRAIN, Raadsheer,

Mevrouw A. VANDERSTAPPEN, Raadsheer in sociale zaken als zelfstandige arbeider,

Mevrouw L. HERREGODTS, griffier.

L. LENAERTS, A. SEVRAIN,

L. HERREGODTS, A. VANDERSTAPPEN.

Het arrest is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 9e Kamer van het Arbeidshof te Brussel op 6 juni 2011 door de Heer L. LENAERTS, Raadsheer, bijgestaan door Mevrouw L. HERREGODTS, Griffier.

L. LENAERTS, L. HERREGODTS.

Free keywords

  • SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN

  • RUST- EN OVERLEVINGSPENSIOENEN.