- Arrêt of June 24, 2011

24/06/2011 - 2010/AB/00898

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer partijen voor een gespecialiseerde functie een zelfstandige dienstverleningsovereenkomst hebben gesloten, waarbij men binnen bepaalde uren werkte gelet op de aard van de dienstverlening, maar er verder geen dwingende werktijdregeling was opgelegd en waarbij men algemene onderrichtingen diende te volgen eigen aan de dienstverlening, kan er bij gebreke aan hiërarchische controle geen herkwalificatie naar een arbeidsovereenkomst plaats vinden.

Enkel een fysieke persoon kan werknemer zijn, een rechtspersoon kan geen werknemer zijn.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 24 JUNI 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

P.J. M.S., wonende te

[xxx],

appellante,

vertegenwoordigd door mr. BOSCH H. loco mr. DURNEZ Johan, advocaat te 3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134 A.

Tegen:

1. MEDICONSULT V.D. INTERNATIONAL BVBA,

met maatschappelijke zetel te 1030 BRUSSEL, Generaal Wahislaan 17,

eerste geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. MESSIAEN Tom, advocaat te 9031 DRONGEN, Baarledorpstraat 93.

2. ABBOT BELGIUM VASCULAR INTERNATIONAL BVBA,

met maatschappelijke zetel te 1831 DIEGEM, Culliganlaan 2B,

tweede geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. DEMEULEMEESTER Sven loco mr. DUBOIS Sylvie, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C B414.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 31 mei 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 16822/08).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 27 september 2010;

- de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 2 februari 2011,

- de conclusies voor de eerste geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 1 december 2010 en 7 maart 2011;

- de conclusie en syntheseconclusie voor de tweede geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 7 januari 2011 en 8 april 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 3 juni 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 31 juli 2007 en 1 augustus 2007 ondertekenen de bvba Mediconsult V.D. International (hierna afgekort tot Mediconsult) en mevrouw P.J. M.S. een overeenkomst inzake het verlenen van diensten.

In artikel 1 van deze overeenkomst belast Mediconsult de dienstverlener, die zulks aanvaardt, om op zelfstandige basis prestaties als Clinical Trial Assistant te leveren bij de klant Abbott.

Artikel 2 bepaalt uitdrukkelijk dat de zelfstandige prestaties gebeuren op een niet exclusieve basis en dat de dienstverleners deze zal leveren volgens de regels van de kunst die beantwoorden aan de hoogste professionele maatstaven.

De DIENSTVERLENER zal hiertoe al zijn kennis en know-how inzetten zonder dat er tussen partijen sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst of enige vorm van ondergeschikt verband.

Volgens artikel 3 wordt de overeenkomst afgesloten voor onbepaalde duur ingaande op 1 september 2007 voor vijf dagen per week en kan de overeenkomst vroegtijdig beëindigd worden door de vennootschap en door de dienstverlener, in welk geval een opzeg van één maand vereist is.

2. Niettegenstaande de overeenkomst afgesloten wordt tussen Mediconsult en mevrouw P.J. M.S. , factureert niet deze laatste, doch wel de bvba K&M Holding de overeengekomen vergoedingen.

Mevrouw P.J. M.S. houdt voor dat dit haar managementvennootschap is; uit de statuten van 31 mei 2001 kan afgeleid worden dat de vennootschap onder meer tot doel heeft het verstrekken van diensten in de vorm van adviezen, informatie van financiële, technische, commerciële en administratieve aard met inbegrip van beheersactiviteiten voor derden... het waarnemen van tijdelijke of duurzame beheersopdrachten... het leveren, verkopen, verstrekken, faciliteren van diensten en goederen aan... professionelen, andere vennootschappen en verdere verwerkers, kortom alle handel in medische... eind- en tussenproducten...

Mediconsult is een onderneming, gericht op het verrichten van consultancy opdrachten in de sector van de farmaceutische bedrijven, ziekenhuizen of bedrijven die gespecialiseerd zijn in medische apparatuur, biotechnologie, gezondheidszorg...

Abbott is actief in de paramedische sector m.b.t. het ontwerpen en ontwikkelen van medische instrumenten voor hart- en vaatziekten.

3. Op 29 oktober 2007 beëindigt Mediconsult de overeenkomst met mevrouw P.J. M.S. met een opzegging van 1 maand, ingaande op 30 oktober 2007.

Ze ontvangt hiervoor een opzeggingsvergoeding van Mediconsult zonder dat de opzegging moest worden gepresteerd.

Er volgen dan een reeks e-mails waarin mevrouw P.J. M.S. aan Mediconsult en aan Abbott haar grote ontgoocheling laat kennen in verband met de beëindiging van de overeenkomst.

In een aangetekende brief van 21 november 2007 van de bvba K&M Holding aan Mediconsult wordt deze ontgoocheling opnieuw geventileerd en vraagt men dat mevrouw P.J. M.S. haar contract voor onbepaalde tijd zou kunnen behouden, zodat ze een vervangende job dient te krijgen; ze verlangt tevens dat Abbott zou gewezen worden op haar tekortkoming in verband met het ontslag en ze vraagt hiervoor een aanbevelingsbrief en een verontschuldigingbrief.

Ten slotte wordt aangekondigd dat men bij gebreke daaraan gerechtelijke stappen tegen Abbott zal ondernemen wegens schijnzelfstandigheid.

In een antwoordbrief van 14 december 2007 repliceert Mediconsult op al deze verwijten.

Uit de daaropvolgende briefwisseling blijkt dat de bvba K&M Holding het zeer moeilijk blijft hebben met de beëindiging van de overeenkomst, maar alle partijen blijven op hun standpunten.

4. Vervolgens dagvaardt mevrouw P.J. M.S. zowel Mediconsult als Abbott voor de arbeidsrechtbank te Brussel en zij vraagt:

- de nietigverklaring van de overeenkomst van 31 juli 2007 wegens schijnzelfstandigheid

- de herkwalificatie van deze overeenkomst naar een arbeidsovereenkomst van bediende voor onbepaalde tijd

- de veroordeling van de beide vennootschappen in solidum minstens de ene bij gebrek aan de andere tot het betalen van een bijkomende opzeggingsvergoeding van 2 maanden, begroot op euro 9.600

- de veroordeling van de beide vennootschappen in solidum minstens de ene bij gebrek aan de andere tot het betalen van een schadevergoeding wegens reputatieschade provisioneel begroot op euro 2.500 met ramingen op euro 25.000

- een voorbehoud voor vermeerdering van de vordering m.b.t. opzeggingsvergoeding, vakantiegeld, eindejaarspremie enz.

- de veroordeling van de beide vennootschappen in solidum minstens de ene bij gebrek aan de andere tot het betalen van de gerechtskosten.

5. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 31 mei 2010 worden deze vorderingen afgewezen als zijnde ontvankelijk doch ongegrond met veroordeling van mevrouw P.J. M.S. tot betaling van de gerechtskosten.

6. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 27 september 2010, tekent mevrouw P.J. M.S. hoger beroep aan en herneemt ze haar initiële vordering.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

In wezen wil mevrouw P.J. M.S. bereiken dat de oorspronkelijk door haar afgesloten overeenkomst zou worden geherkwalificeerd naar een arbeidsovereenkomst en dat zij dan aanspraak kan maken op de daaruit voortvloeiende vergoedingen, aangevuld met een schadevergoeding wegens reputatieschade. Ze houdt voor dat ze een schijnzelfstandige is.

De arbeidsrelatiewet

2. Artikel 331 van de Programmawet (I) van 27 december 2006 (BS 28 december 2006) (verder aangeduid als Arbeidsrelatiewet) bepaalt:

Zonder de openbare orde, de goede zeden en de dwingende wetten te kunnen overtreden, kiezen de partijen vrij de aard van hun arbeidsrelatie, waarbij de effectieve uitvoering van de overeenkomst moet overeenkomen met de aard van de arbeidsrelatie. Er moet voorrang worden gegeven aan de kwalificatie die uit de feitelijke uitoefening blijkt indien deze de door de partijen gekozen juridische kwalificatie uitsluit.

De algemene criteria om het bestaan of de afwezigheid van een gezagsband te beoordelen, worden opgesomd in artikel 333 §1 van de Arbeidsrelatiewet:

- de wil der partijen zoals die in hun overeenkomst werd uitgedrukt, voor zover deze laatste overeenkomstig de bepalingen van artikel 331 wordt uitgevoerd

- de vrijheid van organisatie van de werktijd

- de vrijheid van organisatie van het werk

- de mogelijkheid een hiërarchische controle uit te oefenen.

In casu zijn er geen specifieke criteria bepaald of van toepassing.

De wil der partijen

3. Uit bovenstaande bepalingen volgt dat de partijen vrij de rechtsaard van hun

arbeidsrelatie kiezen, zodat moet worden uitgegaan van de wilsautonomie (W. Van Eeckhoutte en G. De Maeseneire, Arbeidsrelatiewet, NjW 2007, 109, nr. 52).

Zolang de kwalificatie niet indruist tegen de openbare orde, de goede zeden en de dwingende bepalingen staat het de partijen vrij te beslissen op welke wijze zij hun activiteiten wensen te kwalificeren. De gegeven kwalificatie dient wel te worden bevestigd door de effectieve uitvoering van de overeenkomst. Indien een belanghebbende de kwalificatie wenst te betwisten, rust op deze laatste de bewijslast en dient hij aan te tonen dat de kwalificatie niet in overeenstemming is met de feitelijke uitoefening (J. Kerremans, De wet betreffende de aard van de arbeidsrelaties: kroniek van een aangekondigde dood?, JTT 2007, 152, nr. 3.2.1.).

4. In deze zaak hebben de partijen heel nadrukkelijk gekozen voor een samenwerking van dienstverlening als zelfstandigen; dit volgt uit de uitdrukkelijke bevestiging in artikel 2 van de overeenkomst inzake het verlenen van diensten van 31 juli 2007.

Hoewel de overeenkomst werd afgesloten met mevrouw P.J. M.S. gebeurde de facturatie van de diensten door de bvba K&M Holding (stukken 11 van Mediconsult ); ook de betwisting na de beëindiging van de overeenkomst gebeurde door deze bvba.

In de brief van de raadsman van Mediconsult aan de bvba K&M Holding van 14 februari 2008 wordt dienaangaande gezegd dat de partijen stilzwijgend afweken van de overeenkomst, dat aanvaard werd dat mevrouw P.J. M.S. weliswaar de materiële prestatieverrichter zou zijn, maar dat zij dit zou doen in het kader van de vennootschap, bvba K&M Holding, welke derhalve de facturant werd.

De bvba K&M Holding spreekt dit niet tegen, integendeel ze vervolgt de briefwisseling met opmerkingen ten gronde.

De overeenkomst ging dus met instemming van Mediconsult over op de bvba.

Nochtans kan enkel een fysieke persoon een werknemer zijn, een rechtspersoon kan geen werknemer zijn. Deze overgang illustreert dus nogmaals dat partijen niet in een gezagsverhouding werkten.

Tijdens de uitvoering van de overeenkomst werd daardoor de wil om op zelfstandige basis te werken, herbevestigd en dit is zelfs in zoverre het geval dat ook na de beëindiging ervan, de bvba K&M Holding de voortzetting van de overeenkomst bleef vragen.

Mediconsult, Abbott en de bvba K&M Holding zijn allen actief in de medische sector en het is dan ook aannemelijk dat tussen deze vennootschappen een overeenkomst tot gespecialiseerde dienstverlening wordt afgesloten.

5. De bezwaren die de bvba K&M Holding en mevrouw P.J. M.S. inbrengen, hebben bijna uitsluitend te maken met de frustratie die het gevolg is van de volgens hun verwachtingen vroegtijdige beëindiging van de overeenkomst, die nochtans gebeurde volgens de bepalingen van artikel 3, dat niet voorzag in een verplichting om de opzegging te motiveren. Doordat de overeenkomst nageleefd werd, roept mevrouw P.J. M.S. dan ook ten onrecht reputatieschade in.

Dergelijke bezwaren zijn echter irrelevant in verband met de kwalificatie van de overeenkomst.

6. Ook verwijzen de bvba K&M Holding en mevrouw P.J. M.S. naar de e-mailbesprekingen die voorafgaand aan het afsluiten van de overeenkomst zijn gevoerd, maar ook hieruit blijkt niet dat partijen een andere dan een zelfstandige samenwerking op het oog hadden.

Uit de e-mail van Abbott van 23 april 2007 blijkt bovendien dat men mevrouw P.J. M.S. geselecteerd werd op basis van haar specifieke kwaliteiten in functie van de gespecialiseerde dienstverlening, die het uiteindelijke voorwerp van de zelfstandige samenwerking was.

Uit deze doorgedreven screening blijkt helemaal niet dat men een tewerkstelling in een gezagsverhouding op het oog had.

Organisatie van de werktijd

7. Wat de organisatie van de werktijd betreft, voorziet artikel 3 in prestaties over vijf dagen per week, wat logisch is omdat tevens de vergoedingen op dagbasis zijn vastgesteld (artikel 4).

In de e-mail van 2 oktober 2007 werd daarbij bijkomend aangegeven dat men in feite 40 uur werkte, maar dat toegestaan werd dat er voor het verschil tussen 40 uur en 38 uur op jaarbasis recup werd genomen. Ook uit de voorgelegde facturen blijkt dat aldus werd gehandeld.

Gelet op de overeenkomst van dienstverlening, is het niet abnormaal dat er een afbakening gebeurt van de te leveren prestaties, maar uit het bovenvermelde blijkt helemaal niet dat er een precieze en dwingende werktijdregeling werd opgelegd; integendeel, men liet mevrouw P.J. M.S. vrij om binnen een jaarsysteem recup te nemen, zodat ze binnen de noodwendigheden van haar opdracht eerder vrij was in de regeling van haar werktijd.

Nergens blijkt uit dat zij afwezigheden diende te verantwoorden of dat zij onderworpen was aan een tijdsregistratie.

Bovendien volgt uit de memorie van toelichting bij de Arbeidsrelatiewet dat organisatorische beperkingen of louter commerciële verplichtingen, waaronder de verplichting om tijdens bepaalde uren aanwezig te zijn, niet wijzen op gezag.

(W. Van Eeckhoutte en G. De Maeseneer, aw, p. 110, nr. 57).

Mevrouw P.J. M.S. toont dan ook niet aan dat de organisatie van de werktijd de door de partijen gekozen juridische kwalificatie van zelfstandige samenwerking uitsloot.

Organisatie van het werk

8. Ook de organisatie van het werk wijst niet in de richting van een gezagsverhouding.

Mevrouw P.J. M.S. wil uit de functiebeschrijving afleiden dat ze strikte instructies diende na te leven en dat zij slechts eenvoudig secretariaatswerk uitvoerde.

In deze functiebeschrijving werd haar job omschreven als de ondersteuning van het klinisch onderzoeksdepartement. De jobvereisten en de vereiste competenties worden omschreven en hieruit valt af te leiden dat het wel degelijk om een gespecialiseerde functie gaat; het feit dat hierbij interne richtlijnen en afspraken moeten worden gevolgd, duidt niet op een gezagsverhouding.

In de memorie van toelichting bij de Arbeidsrelatiewet wordt immers uitdrukkelijk aangegeven dat algemene onderrichtingen, verplichtingen en richtlijnen die het gevolg zijn van de aard van de uitgeoefende activiteit niet moeten worden beschouwd als aanwijzingen van gezag; hetzelfde geldt voor de reglementaire verplichtingen op het vlak van de organisatie of de werking en verplichtingen van louter commerciële aard.

(W. Van Eeckhoutte en G. De Maeseneer, aw, p. 110, nr. 58).

Mevrouw P.J. M.S. toont daarbij niet aan dat ze verder strekkende richtlijnen kreeg, die haar in een gezagsverhouding zou plaatsen; ze diende enkel haar welomschreven taak te vervullen binnen het kader van de aangeboden opdracht en in dit opzicht ontving ze richtlijnen; deze zijn het gevolg van de door haar uitgeoefende activiteit.

Ook het onderschrijven van een ethische code wijst niet op het bestaan van een gezagsverhouding.

De jobomschrijving toont aan dat het om een gespecialiseerde functie gaat en het is dan ook niet abnormaal dat de opdrachtgever mevrouw P.J. M.S. in de mogelijkheid zou gesteld hebben om zich verder te vervolmaken, daar het blijven leren voor een gekwalificeerde functie noodzakelijk is voor de goede uitoefening ervan.

Hiërarchische controle

9. Mevrouw P.J. M.S. toont alleszins niet aan dat ze in een hiërarchische gezagsverhouding werkt en dat ze onderworpen werd aan een hiërarchische controle.

De nota's die ze onder haar stukken 10 voorbrengt zijn haar volledig zelfstandig werk en nergens blijkt uit dat deze werden gecorrigeerd of dat zij andere richtlijnen diende te volgen dan deze die in randnummer 8 werden beschreven. Deze nota's zijn het resultaat van de prestaties die zij overeengekomen was en waarbij zij zich autonoom inschakelde in de werking van de opdrachtgever.

Deze nota's bevestigen overigens de gespecialiseerde dienstverlening, waarbij mevrouw P.J. M.S. in rechtstreeks contact stond met medische instellingen in het buitenland.

Uit deze nota's blijkt evenmin dat ze verplicht werd tot het volgen van een opleiding.

Verder blijkt uit de jobomschrijving dat mevrouw P.J. M.S. werkt onder de Information Management Group Leader, wat ook wordt aangegeven in het organigram. Maar in dit laatste document wordt zij onderscheiden van de gewone werknemers omdat bij haar functie wordt aangegeven dat zij tewerkgesteld is als contractor, wat onderlijnd wordt met een speciale kleur. Het feit dat deze groepsleider wordt aangeduid als eerste aanspreekpunt binnen de organisatie, toont niet aan dat er sprake is van een hiërarchische gezagsverhouding.

Ook de aanmoediging van Mediconsult bij de aanvang van het contract (stuk 19 van mevrouw P.J. M.S. ) geeft aan dat zij als zelfstandige werkte, waarbij zij, als ze moeilijkheden had, wel raad en hulp kon vragen. Dit wijst helemaal niet in de richting van hiërarchische instructies. Het is evenmin abnormaal dat er rond de facturatie afspraken gemaakt worden.

10. Zoals de eerste rechter oordeelkundig analyseerde, houdt mevrouw P.J. M.S. dan ook ten onrechte voor dat de uitvoering van de door haar afgesloten overeenkomst de gegeven kwalificatie van zelfstandige samenwerking zou uitsluiten.

De overige elementen die mevrouw P.J. M.S. naar voren brengt, zijn neutraal of irrelevant en doen geen afbreuk aan deze beoordeling. De afzonderlijke overeenkomst tussen Mediconsult en Abott wijst niet in een andere richting. Het feit dat hier niet voorzien is in een opdracht voor onbepaalde duur, is irrelevant voor de feitelijke omstandigheden van de opdracht. De verdere interpretaties en de niet ingeloste verwachtingen van mevrouw P.J. M.S. zijn zonder relevantie voor de beoordeling van een eventuele schijnzelfstandigheid.

De overeenkomst tussen mevrouw P.J. M.S. en Mediconsult kan dan ook niet worden geherkwalificeerd naar een arbeidsovereenkomst, waardoor het hoger beroep ongegrond is.

11. Ten overvloede kan hieraan worden toegevoegd dat zelfs indien dit zo zou zijn, de vordering van mevrouw P.J. M.S. verjaard is, zoals terecht door Mediconsult wordt aangegeven.

Het effectief einde van de samenwerking situeert zich immers op 29 oktober 2007, terwijl pas op 27 november 2008 tot dagvaarding werd overgegaan, zijnde meer dan een jaar na het daadwerkelijk einde van de voorgehouden arbeidsovereenkomst; zelfs indien er een arbeidsovereenkomst zou zijn, dan is er dus verjaring op grond van artikel 15 van de arbeidsovereenkomst werd.

Het feit dat er na 29 oktober 2007 een opzeggingsvergoeding van een maand betaald werd, zoals overeengekomen werd in artikel 3 van de overeenkomst, doet daaraan geen afbreuk en verplaatst het einde van de tewerkstelling niet naar een latere datum.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis,

Veroordeelt mevrouw P.J. M.S. tot de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van elk van de geïntimeerde begroot op euro 2.000 en wegens het gevorderde bedrag en wegens indexatie door het hof herleid tot euro 1.210

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Steven MARCHAND, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Linda HERREGODTS, griffier.

Lieven LENAERTS, Linda HERREGODTS,

Marcel VAN AKEN, Steven MARCHAND.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 24 juni 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Linda HERREGODTS, griffier.

Lieven LENAERTS, Linda HERREGODTS,

Free keywords

  • SOCIALE ZEKERHEID VOOR ZELFSTANDIGEN

  • SOCIAAL STATUUT

  • Programmawet 27/12/2006 of de Arbeidsrelatiewet.