- Arrêt of October 20, 2011

20/10/2011 - 2010/AB/798

Case law

Summary

Samenvatting 1

Artikel 38 § 3 van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid dat een bijzondere bijdrage invoert op de bijdrage van de werkgever voor een groepsverzekering, is eveneens van toepassing op de statutaire werknemers. Daaraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat het toepassingsgebied van de wet nooit uitdrukkelijk werd uitgebreid tot de statutaire werkgevers of tot de andere werkgevers die, krachtens de bijzondere bevoegdheden die door deze wet aan de Koning verleend zijn, onderworpen zijn aan de wet van de wet van 27 juni 1969 op de sociale zekerheid der werknemers.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 20 OKTOBER 2011

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

definitief

in de zaak:

BELGACOM, NV NAAR PUBLIEK RECHT, K.B.O. nr. 0202.239.951, met maatschappelijke zetel te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II laan 27, appellant, vertegenwoordigd door mr. VAN OLMEN Chris, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 221

tegen:

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, K.B.O. nr. 0206.731.645, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. DE KERPEL S. loco mr. DERVEAUX Pieter, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Parklaan 54.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 07-05-2010 door de Arbeidsrechtbank te Brussel, 27e kamer (A.R. 16400/07- 510/08).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 1 september 2010,

- de ter griffie neergelegde conclusies,

- de voorgelegde stukken.

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 22 september 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Artikel 152 van de programmawet van 30 december 1988 heeft in de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers een artikel 38 § 3 ter ingevoerd, waarbij voorzien wordt in een bijzondere bijdrage op alle stortingen die door de werkgevers worden verricht om aan hun personeelsleden of aan hun rechtverkrijgenden, buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdige dood toe te kennen.

2.

De nv Belgacom, een nv van publiekrecht die contractuele en statutaire personeelsleden tewerkstelt, heeft een aanvullend pensioen ingericht ten voordele van zowel zijn contractuele als haar statutaire personeelsleden. Zij heeft oorspronkelijk deze bijdrage betaald zowel voor haar contractuele personeelsleden als voor haar statutaire personeelsleden.

Naar aanleiding van een interne doorlichting van de loonadministratie, kwam de nv Belgacom tot de conclusie dat deze bijdrage niet verschuldigd was op de stortingen voor het buitenwettelijk pensioen van haar statutaire personeelsleden. Haar redenering was dat deze bijzondere bijdrage opgenomen was in de wet van 29 juni 1981, en deze wet geen toepassing vindt op statutaire personeelsleden. De nv Belgacom heeft dan ook vanaf het 1e kwartaal van het jaar 2001 geen betalingen meer verricht.

De nv Belgacom heeft haar standpunt ter kennis gebracht van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, maar er kwam dienaangaande geen akkoord tot stand.

3.

Uiteindelijk heeft de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de nv Belgacom gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Bij exploten van 25 oktober 2007 en 5 december 2007 werden bijdragen gevorderd van respectievelijk 150.190,26 euro en 1.189.658,53 euro .

Bij vonnis van 7 mei 2010 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de beide vorderingen samengevoegd en gegrond verklaard. De nv Belgacom werd veroordeeld tot betaling van de gevorderde sommen

4.

Bij verzoekschrift van 1 september 2010 heeft de nv Belgacom hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekening voorgelegd van het bestreden vonnis zodanig dat het beroep ook moet geacht worden tijdig te zijn ingesteld. Het beroep is ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

De nv Belgacom herneemt de motieven die zij voor de eerste rechter ontwikkelde en die volgens haar niet adequaat beantwoord werden.

Vermits, aldus Belgacom, de bijzondere bijdrage ingelast werd in de wet van 29 juni 1981 dient de opeisbaarheid van deze bijdrage bepaald te worden door het toepassingsgebied van deze wet. Volgens artikel 2 § 1 van de wet is deze van toepassing op de werknemers en de werkgevers. De begrippen werkgever en werknemer worden bepaald in artikel 1 § 1 van de wet. Volgens artikel 1 van deze wet wordt als werknemer aanzien de persoon die met de werkgever door een arbeidsovereenkomst verbonden is en als werkgever de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die ingevolge een arbeidsovereenkomst één of meer werknemers in dienst heeft. Artikel 2 § 1 van de wet voorziet wel dat de Koning, onder de voorwaarden die hij bepaalt, de toepassing van de wet kan uitbreiden tot de personen die, zonder door een arbeidsovereenkomst te zijn verbonden tegen loon arbeidsprestaties verrichten onder het gezag van een ander persoon, maar een dergelijk uitvoeringsbesluit is nooit genomen. Aldus is zij, volgens de nv Belgacom, voor haar statutair personeel niet onderworpen aan de toepassing van de wet, en is zij niet gehouden tot betaling van de bijzondere bijdrage, zoals die opgenomen is in artikel 38 § 3 ter van de wet. De nv Belgacom spreekt daarbij de stelling tegen van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat artikel 1 en 2 van de wet van 29 juni 1981 niet kunnen toegepast worden omdat zij nooit uitdrukkelijk in werking werden gesteld, zoals vereist door artikel 41 van deze wet.

De nv Belgacom verwijst verder naar de voorbereidende werken van de wet van 29 juni 1981 waaruit volgens haar duidelijk zou blijken dat het de bedoeling was dat deze wet enkel toepassing zou vinden op de werkgevers en werknemers, verbonden door een arbeidsovereenkomst. De nv Belgacom put ook een argument uit artikel 275 van de programmawet van 22 december 1989, en de memorie van toelichting bij deze bepaling, die voorziet dat de bijdragen, voorzien door artikel 38 § 3 ter van de wet van 29 juni 1981 eveneens verschuldigd zijn door de werkgevers aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Plaatselijke en Provinciale openbare besturen. De omstandigheid dat daarvoor een uitdrukkelijke wetsbepaling noodzakelijk was bevestigt, volgens de nv Belgacom, dat de wet van 29 juni 1981 niet van toepassing is op het statutair personeel van de openbare besturen.

In ondergeschikte orde stelt de nv Belgacom dat zelfs indien men zou aannemen dat, zoals de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt, het toepassingsgebied van de wet van 29 juni 1981 moet bepaald worden bij analogie met het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 betreffende de sociale zekerheid der werknemers, zij nog niet tot deze bijdrage gehouden is. Zij wijst er op dat bijdrage op de buitenwettelijke pensioenen ingesteld werd ten voordele van het stelsel van de pensioenen van de werknemers en dat zij voor haar statutaire personeelsleden enkel aan de wet van 27 juni 1969 onderworpen is voor de ziekteverzekering, sector geneeskundige verzorging.

2.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid stelt, met verwijzing naar artikel 41 van de wet van 29 juni 1981 dat de artikelen 1 en 2 van deze wet nooit uitdrukkelijk in werking werden gesteld. Aldus kan volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid het toepassingsgebied van de wet niet bepaald worden door artikel 1 en 2 van deze wet, ook niet aan de hand van de voorbereidende werken. Ook kan er voor de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid geen sprake zijn van een impliciete inwerkingtreding van de van de bepalingen van de wet. Voor de bepaling van het juiste toepassingsgebied verwijst de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid in de eerste plaats naar gebruik van de terminologie in de betwiste wettelijke bepaling, waarin sprake is van" werkgevers" in het algemeen en hun "personeelsleden". Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid is het begrip personeelslid veel ruimer dan het begrip werknemer.

Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid was het bij het uitvaardigen van de wet van 29 juni 1981 de bedoeling van de wetgever om het toepassingsgebied van de wet van 29 juni1981 één te maken met het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969, zodanig dat, bij gebreke aan bijzondere uitvoeringsbesluiten, het toepassingsgebied van de nieuwe wettelijke bepaling in feite bepaald wordt door de wet van 27 juni 1969.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verwijst ook nog naar de bepaling van alinea 4 van artikel 38 § 3 ter waarin voorzien wordt dat de schuldenaar van de bijzondere bijdrage, met betrekking tot die bijdrage, gelijkgesteld wordt met de werkgever bedoeld in de sociale zekerheidsregeling voor werknemers.

Op de aanvullende stelling van de nv Belgacom dat, zelfs indien men op het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 zou steunen, zij nog niet tot de bijdrage gehouden zou zijn omdat zij voor haar statutaire personeelsleden niet onderworpen is aan het stelsel van de werknemerspensioenen, antwoordt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat vermits de opbrengst van de bijdrage toekomt aan de regelingen van het globaal beheer het zonder belang is dat de nv Belgacom niet aan deze regeling der pensioenen is onderworpen.

3.

Artikel 38 § 3 ter van de wet van 29 juni 1981, zoals ingevoerd door artikel 52 van de programmawet van 30 december 1988, bepaalt in zijn oorspronkelijke versie:

" Met ingang van 1 januari 1989 wordt een bijzondere bijdrage ingevoerd, die gelijk is aan 3,5% en berekend wordt op alle stortingen die door de werkgevers worden verricht om hun personeelsleden of hun rechtsverkrijgende(n) buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdig pensioen te verlenen (..).

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid wordt, overeenkomstig door de Koning te bepalen modaliteiten, met de inning en invordering van deze bijdragen belast.

De schuldenaar van de bijzondere bijdrage wordt met betrekking tot deze bijdragen gelijkgesteld met de werkgever bedoeld in de sociale zekerheidsregeling voor werknemers, inzonderheid wat betreft de aangiften met verantwoording van de bijdragen, de toepassing van burgerlijke sancties en van strafbepalingen, het toezicht, de rechter bevoegd ingeval van betwisting, de verjaring inzake rechtsvorderingen, het voorrecht en de mededeling van het bedrag van de schuldvordering.

De opbrengst van de bijzondere bijdragen wordt overgedragen aan de Rijksdienst voor Pensioenen en is bestemd voor de financiering van het stelsel van de rust- en overlevingspensioenen van de werknemers, zoals vastgesteld door het Koninklijk Besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers."

Deze bepaling werd gewijzigd bij artikel 272 van de programmawet van 22 december 1989 waarbij de inninggrondslag nader wordt bepaald, artikel 57 van de wet van 26 juni 1992 waarbij het percentage wordt verhoogd van 3,5% naar 8,86% en artikel 53 van de wet van 26 januari 1999 waarbij het 6e lid betreffende de aanwending van de opbrengst van de bijdragen werd vervangen. Als gevolg van deze laatste wijziging wordt de bijdrage aangewend voor de regelingen van het algemeen beheer.

Artikel 275 van de programmawet van 22 december 1989 verklaart verder de bijzondere bijdrage van toepassing op de stortingen die vanaf 1 januari 1989 door de provinciale en plaatselijke besturen worden verricht om aan personeelsleden, ongeacht hun statuut, of aan hun rechtverkrijgenden, de wettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdig pensioen te verlenen. Met de provinciale en plaatselijke besturen worden gelijkgesteld de andere publiekrechtelijke rechtspersonen die zijn aangesloten bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheidsdiensten.

4.

Overeenkomstig artikel 41 van de wet van 29 juli 1981 treden de bepalingen van die wet in werking op de data die de Koning bepaalt. Partijen zijn het erover eens dat nooit formeel een Koninklijk Besluit werd uitgevaardigd waardoor de bepalingen van artikel 1 en 2 van de wet in werking werden gesteld. De stelling van de nv Belgacom dat deze bepalingen impliciet in werking zijn getreden kan dan ook niet, of toch niet zonder meer, aanvaard worden. Zeker is wel dat een aantal bepalingen van de wet van 29 juni 1981 in werking zijn getreden en dat de wetgever sommige bepalingen gewijzigd, dan wel aangevuld, heeft. Deze bepalingen moeten dan ook een toepassingsgebied hebben.

Voor de bepaling van dit toepassingsgebied kan in de eerste plaats rekening gehouden worden met de bepaling van artikel 40 van de wet van 29 juni 1981 dat bepaalt dat, in afwachting dat de in de wet bedoelde bijzondere wetten en besluiten zijn uitgevoerd, de "thans geldende wetten en besluiten betreffende de betrokken materies toegepast worden". Alhoewel op basis van de voorbereidende werken niet het zekerheid kan uitgemaakt worden of artikel 40 ook toepassing vindt op de bepalingen van de artikelen 1 en 2 van de wet (in het bijzonder van artikel 2 dat uitvoeringsbesluiten behoefde) dan blijkt uit de voorbereidende werken evenmin dat artikel 40 geen toepassing vindt op deze bepalingen.

Uit de voorbereidende werken van de wet van 29 juni 1981 komt in ieder geval voldoende naar voor dat het de bedoeling was van de wetgever dat deze wet het zelfde toepassingsgebied zou hebben als de wet van 27 juni 1969. In de memorie van toelichting wordt vermeld dat de algemene beginselenwet bedoeld is als een raamwet waarmee de hervorming van de sociale zekerheid voor werknemers werd beoogd, dit zowel met betrekking tot de basisbeginselen die ten grondslag liggen aan de stelsels, als tot de geldmiddelen die tot de realisering van de basisdoeleinden zullen worden aangewend (Senaat, 508, 1 p. 5). Daarbij wordt benadrukt dat de in artikel 2 omschreven personele en sociale toepassing van de wet aansluit bij de bestaande beschikkingen van de wet van 27 juni 1969 en grotendeels de beschikkingen van artikel 1 en 2 ervan overneemt. Verder wordt verduidelijkt dat de bepaling van artikel 2 inhoudt dat in principe al degenen die krachtens een arbeidsovereenkomst met een werkgever verbonden zijn, of degenen die arbeidsprestaties verrichten onder het gezag van een ander persoon, onder de toepassing van de sociale zekerheid voor werknemers vallen, doch dat aan de koning de bevoegdheid wordt verleend om langs reglementaire weg het toepassingsgebied te verruimen tot andere personen, bepaalde categorieën eraan te onttrekken of om op bepaalde werknemers slechts één of meer sectoren van de sociale zekerheid toe te passen. Ter documentatie werd in bijlage een lijst weergegeven van de verzekeringsplichtigen zoals die gold ter uitvoering van de wet van 27 juni 1969(memorie, p. 10)

5.

In de veronderstelling dat het toepassingsgebied van de nieuwe wet in toepassing van art.40 van de wet van 29 juni 1981, niet zonder meer zou bepaald zijn door de bestaande bepalingen en uitvoeringsbepalingen van wet van 27 juni 1969, dient het toepassingsgebied van art. 38 § 3 ter gevonden te worden door een analyse van de bepaling van art. 152 van de programmawet, dat dit artikel in de wet van 29 juni 1981 invoert. Deze bepaling vormt dan immers op zich de wettelijke basis van de nieuwe regeling.

De tekst van artikel 152 beperkt de bijdrage niet tot de werkgevers en de werknemers, maar stelt de bijdrage verplicht voor de werkgevers en hun personeelsleden. De term "personeelsleden" is ruimer dan werknemer en dekt " het geheel van de personen in dienst van een bepaalde werkgever of overheidsinstantie" ( E.Dirix, B. Tilleman en P. Van Orshoven, " De Valks Juridisch Woordenboek", p. 269).

Volgens de memorie van toelichting bij de programmawet van 30 december 1988 (Kamer, 609/1 88/89, p. 62 en 68) heeft de nieuwe bepaling tot doel om een bijzondere bijdrage in te voeren op alle stortingen die door de werkgevers worden verricht om in het raam van de ouderdom en de vroegtijdige dood aanvullende voordelen te vormen. De opbrengst van deze bijdrage zal worden toegewezen aan de Rijksdienst voor Pensioenen met het oog op het financieren van het pensioenstelsel voor werknemers. De rijkstoelage aan dit stelsel zal in gelijke mate verminderd worden. De invoering van een dergelijke bijdrage stoelt, volgens de memorie van toelichting, tevens op de bekommernis om de solidariteit tussen alle werknemers te verstevigen (p.62). Uit de memorie van toelichting blijkt aldus de bedoeling van de wetgever om de bijdragen verplicht te maken voor alle werkgevers, zonder dat een onderscheid gemaakt wordt tussen de werkgevers in de privésector en de werkgevers in de openbare sector.

Zulks wordt ook uitdrukkelijk bevestigd door artikel 275 van de wet van 22 december 1989 en de parlementaire besprekingen bij deze wet. Overeenkomstig artikel 275 van deze wet is een bijzondere bijdrage verschuldigd op de stortingen die vanaf 1 januari 1989 door de provinciale en plaatselijke besturen worden verricht om aan hun personeelsleden, ongeacht hun statuut, of aan hun rechtverkrijgende,buitenwettelijke voordelen inzake ouderdom of vroegtijdige dood te verlenen. De publiekrechtelijke rechtspersonen, die zijn aangesloten bij de Rijksdienst van Sociale Zekerheid van de Provinciale en Plaatselijke Overheid worden daarbij gelijkgesteld met de provinciale en plaatselijke besturen.

In de parlementaire bespreking ( Doc. Kamer, 975/10 89/90, p. 80) wordt gesteld:

" Dit hoofdstuk strekte ertoe de bepalingen te verduidelijken van de artikelen 152-154 van de programmawet van 30 december 1988 tot invoering van een bijdrage van 3,5% op de door de werkgever verrichte stortingen inzake de buitenwettelijke pensioenen. Er moet aan worden herinnerd dat deze bijdragen van 3,5% moest worden berekend op alle stortingen die rechtstreeks of ten titel van bijdrage of premies door de werkgevers worden verricht. Deze bijdrage werd evenwel door middel van teksten tot wijziging van de wet van 29 juni 1981 houdende algemene beginselen inzake de sociale zekerheid ingesteld. Ten einde elke betwisting inzake het toepassingsgebied van de bijdragen te voorkomen voert artikel 273 (art.275 in de definitieve versie) uitdrukkelijk de bijdragen in op de stortingen die door de bij de RSZ-P.P.O. aangesloten werkgevers worden verricht. Artikel 274 belast deze instelling eveneens met de inning en de invordering van de bijdragen van 3,5% bij zijn aangeslotenen en machtigt het de opbrengst van die bijdragen aan de RVP over te dragen."

Weliswaar valt de nv Belgacom niet onder het toepassingsgebied van deze laatste wet, vermits zij niet aangesloten is bij de R.S.Z. P.P.O., maar zulks neemt niet weg dat deze wet wel de bedoeling van de wetgever verduidelijkt, ook ten aanzien van art. 152 van de wet van 30 december 1988, om de bijdrage verplicht te maken voor alle werkgevers, ongeacht het statuut waaronder hun personeel tewerkgesteld is.

6.

Er dient dus besloten te worden dat artikel 38 § 3 ter van de wet van 29 juni 1981, zoals ingevoerd door artikel 152 van de wet van 30 december 1988, toepassing vindt op alle werkgevers en hun personeelsleden, ongeacht of deze personeelsleden met de werkgever verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst dan wel door een statuut.

7.

De omstandigheid die door de nv Belgacom in ondergeschikte orde ingeroepen wordt, dat zij ook in het kader van de wet van 27 juni 1969 op de sociale zekerheid der werknemers, voor haar statutaire personeelsleden niet onderworpen was aan het stelsel van pensioenen, leidt niet tot het besluit dat zij zou vrijgesteld zijn van de bijdrage. De door de wetgever ingestelde bijdrage is een solidariteitsbijdrage die van toepassing is, ongeacht of de betrokken personeelsleden het voordeel genieten van het specifieke stelsel waarvoor de bijdragen bedoeld is. Zulks blijkt ook duidelijk uit artikel 275 van de wet van 22 december 1989 dat de bijdrage verplicht stelt voor de lokale besturen en de besturen die daarmee verbonden zijn, ongeacht het statuut van het personeel. Overigens komt, sinds de wet van 25 januari 1999, de bijdrage niet meer exclusief ten goede aan het stelsel van de pensioenen, maar wordt zij aangewend voor de financiering van de regelingen in het globaal beheer.

8.

Het bestreden vonnis dient dan ook bevestigd te worden.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de nv Belgacom tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 16.500 euro (geïndexeerd bedrag).

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 20 oktober 2011 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Free keywords

  • Sociale Zekerheid der werknemers. Algemene beginselen van de sociale zekerheid.

  • Wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid- Toepassingsgebied.