- Arrêt of November 25, 2011

25/11/2011 - 2010/AB/1027

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer de werknemer uitdrukkelijk meedeelt de arbeidsovereenkomst als beëindigd te beschouwen, is de arbeidsovereenkomst in elk geval definitief en onherroepelijk beëindigd op het ogenblik van de kennisgeving aan de werkgever, hieraan wordt geen afbreuk gedaan, wanneer de werknemer daaraan toevoegt tijdens zijn ziekte in functie te willen blijven tot nader order en minstens gedurende 8 dagen met het oog op een verdere minnelijke regeling.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 25 NOVEMBER 2011

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

M. F.,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. VOTQUENNE Didier, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 166.

Tegen:

AVOCENT INTERNATIONAL LIMITED, vennootschap naar lers recht, gevestigd Avocent House, Shannon Free Zone te Shannon, COUNTY CLARE - IRELAND,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VANNESTE Sara loco mr. ES-SAMRI Naïma, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan, 283 bus 19.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 22 juni 2010 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 8788/09).

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 9 november 2010;

- de conclusie voor de appellant, neergelegd ter griffie op 30 juni 2011,

- de conclusie en de aanvullende/syntheseconclusie voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 29 april 2011 en 31 augustus 2011;

- de voorgelegde stukken;

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 28 oktober 2011, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer F. M. kwam op 18 november 2002 als sales manager in dienst van Avocent International Ltd (hierna afgekort als Avocent).

Hij promoveerde herhaaldelijk binnen de onderneming, waarbij zijn functie en actieradius telkens werd uitgebreid. Zo klom hij op tot global account sales manager EMEA (Europa, Midden Oosten en Afrika). Hij droeg verantwoordelijkheid voor het bewerken van grote Europese bedrijven en multinationals.

Zijn gedrevenheid werd beloond door de toekenning van een zgn. President's Club Award.

2. Omwille van herstructureringen werd het global team afgevoerd. De heer M. muteerde hierdoor tot Business Development Manager voor de regio Nederland. Zijn doelgroep bestond uit kleinere Nederlandse bedrijven. Zijn taken werden geherdefinieerd.

In het vonnis van de eerste rechter wordt beschreven hoe hij tussen 10 november 2008 en 5 december 2008 regelmatig (en bijna dagelijks) door Avocent werd bevraagd over actiepunten, klachten, verantwoording kosten, zijn communicatie, kennis van het Nederlands...

Globaal gezien, wijst deze bevraging op een moeilijke werkverhouding.

3. Op 9 december 2008 werd de heer M. arbeidsongeschikt, naar zijn zeggen omwille van een uitgestelde operatie wegens een vroeger arbeidsongeval.

4. Op 16 december 2008 verzond de toenmalige raadsman van de heer M. een schrijven naar Avocent Belgium Ltd. Koningsplein 97 te Brussel, dat ook op 19 december 2008 per fax verzonden werd naar de kantoren te Duitsland, waar de HR-manger van de groep Avocent (de heer V. ) werkte; deze brief werd op 31 december 2008 ook meegedeeld aan de raadslieden van Avocent.

De brief wordt in extenso opgenomen in het vonnis van de eerste rechter en verwijst naar de tewerkstelling van de heer M. , waarbij uitgelegd wordt dat hij de eerdere verwijten aan zijn adres betwist.

Deze tenlasteleggingen en extra taken worden bestempeld als een eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst..., met als gevolg dat de arbeidsovereenkomst als beëindigd dient te worden aanzien.

Hij beklaagt zich erover dat de onkosten van circa euro 13.762,68 niet meer vlot worden betaald, zoals vroeger.

Hij protesteert tegen zijn overplaatsing en tegen zijn lagere functie in Nederland, wat opnieuw een eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst uitmaakt.

Na een bemerking over zijn ingevolge het taaldecreet nietige schriftelijke arbeidsovereenkomst, vervolgt de brief:

Ten gevolge van datgene hierboven vermeld dient de arbeidsovereenkomst te worden aanzien als zijnde beëindigd op eenzijdige wijze in uwen hoofde, reden waarom mijn cliënt gerechtigd is, naast de betaling van het nog verschuldigde gedeelte van de eindejaarspremies en vakantiegelden evenals de nog verschuldigde vakantiegelden op een opzeggingsvergoeding.

Hierna volgt een precisering van de verschuldigde bedragen, die samengeteld worden tot euro 151.517,23, waartoe Avocent officieel in gebreke wordt gesteld en aangemaand om tot betaling over te gaan.

Hierin is begrepen een vergoeding van 6 maanden rechtsmisbruik, verantwoord als volgt

Tot slot dient de eenzijdige verbreking van de arbeidsovereenkomst in Uwen hoofde te worden aanzien als een misbruik van ontslagrecht.

5. De brief eindigt als volgt:

Betaling die in principe dient te geschieden binnen de acht dagen op mijn derdenrekening...met vermelding van mijn referte.

Minstens dient binnen de vooropgestelde termijn een redelijk voorstel te worden gedaan.

Immers blijft mijn cliënt tot dialoog bereidt (sic), reden waarom hij als blijk van goede wil en zonder enige nadelige erkentenis in functie zal blijven tot nader orde(r) en dit minstens voor de hierboven gestelde termijn.

Bij gebreke aan betaling of reactie binnen eenzelfde termijn zal evenwel niet worden geaarzeld om de nodige juridische stappen te ondernemen.

...

6. Na ontvangst van deze brief reageerde de HR-manager V. namens Avocent International Ltd. op 8 januari 2009 met een toelichting waarom hij wegens de wijze van overmaking niet vroeger op de voormelde brief kon reageren:

Wij betwisten formeel uw aantijgingen betreffende een zogenaamde eenzijdige wijziging van de essentiële voorwaarden van uw arbeidsovereenkomst, en nemen akte van uw beslissing om onze arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen.

De materialen van de onderneming, waaronder de firmawagen worden teruggevraagd; er wordt een nadere verantwoording van de onkosten gevraagd; er wordt afgezien van het niet concurrentiebeding, maar er wordt wel gewezen op art. 17,3° van de arbeidsovereenkomstenwet i.v.m. het verbod op oneerlijke concurrentie.

Voor 9 januari 2009 had de heer M. nog 3 medische attesten naar Avocent gezonden om de verlenging van zijn arbeidsongeschiktheid mee te delen; hij deed dit ook nog op 12 januari 2009 voor de periode van 12 januari tot 11 februari 2009, maar dit attest werd door Avocent op 13 januari 2009 teruggezonden omdat hijzelf de arbeidsovereenkomst reeds eenzijdig had beëindigd; op die datum werd hem ook nog eens gevraagd om de bedrijfsgoederen terug te bezorgen.

7. Op 30 april 2009 dagvaardde de heer M. Avocent voor de arbeidsrechtbank te Brussel. Met verwijzing naar de in de brief van zijn raadsman van 16 december 2008 opgenomen elementen vroeg hij wegens de doorgevoerde eenzijdige wijzigingen van de arbeidsovereenkomst betaling van:

- een opzeggingsvergoeding van 10 maanden of euro 91.633,23 provisioneel

- een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht van euro 54.979,92 provisioneel;

- vertrekvakantiegeld van euro 15.462,19

- onbetaalde onkostenvergoeding van euro 10.346,08

- een vergoeding voor thuiswerk van euro 53.174,16

meer de vergoedende intresten vanaf 16 december 2008, de gerechtelijke intresten en de kosten.

Bij besluiten van 29 september 2009 stelde Avocent een tegenvordering in betaling van:

- een opzeggingsvergoeding van 6 maanden of euro 31.603,11

- een schadevergoeding wegens misbruik van ontslagrecht van euro 10.000 provisioneel

- een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding van euro 2.500

meer de intresten en de kosten.

8. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 22 juni 2010 werd de hoofdvordering ontvankelijk en ongegrond verklaard, behalve wat betreft de terugbetaling van onkosten en het vertrekvakantiegeld, waarvoor de debatten werden heropend voor nadere precisering.

De tegenvordering werd ontvankelijk en gegrond verklaard wat betreft de gevraagde opzeggingsvergoeding die tot 1 maand werd herleid; het overige ongegrond; ook hier werden de debatten heropend voor nadere precisering.

In essentie verwierp de eerste rechter de door de heer M. voorgehouden eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst, onder meer omdat hijzelf in een e-mail van 1 december 2008 nog zijn enthousiasme had uitgedrukt over zijn nieuwe functie in Nederland; alle argumenten van de heer M. werden uitvoerig geanalyseerd, waardoor de eerste rechter besliste dat hij zich ten onrechte had beroepen op een impliciet ontslag, zodat hijzelf de arbeidsovereenkomst had verbroken.

9. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 9 november 2010, tekende de heer M. hoger beroep aan tegen dit vonnis en hij hield voor dat de brief van zijn toenmalige raadsman van 16 december 2008 (aan overigens een onjuiste werkgever) niet de beëindiging van de arbeidsovereenkomst beoogde, zodat hij betaling vroeg van een opzeggings-vergoeding van 10 maanden of euro 89.953,23 en kostenvergoedingen van euro 10.346,08, meer de intresten en de kosten; hij vroeg de afwijzing van de tegenvordering, minstens een beperking van de opzeggingsvergoeding, zoals beslist door de eerste rechter.

Avocent tekende impliciet incidenteel hoger beroep aan en hernam haar integrale oorspronkelijke tegenvordering.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep van de heer M. tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

2. In essentie betwist de heer M. in graad van beroep de beoordeling van de eerste rechter niet dat er geen eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst kan weerhouden worden - hij roept tegen deze beoordeling geen enkele grief in, maar hij houdt voor dat deze brief uitdrukt dat hij verder in functie wou blijven, zodat Avocent op 9 januari 2009 een ontslag heeft betekend door ten onrechte akte te nemen van zijn beslissing om de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. Tevens wordt opgeworpen dat deze brief gericht was aan Avocent Belgium Ltd., terwijl Avocent International Ltd. de werkgever was.

Werd op 16 december 2008 het impliciet ontslag ingeroepen?

3. Wanneer de werkgever eenzijdig een belangrijke wijziging aanbrengt van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst, kan dit worden beschouwd als een ontslag. De werknemer kan dan ofwel het onmiddellijk ontslag inroepen, ofwel de overeenkomst tijdelijk voortzetten in de nieuwe omstandigheden en de werkgever binnen een redelijke termijn in gebreke stellen die wijziging ongedaan te maken op straffe van het inroepen van het ontslag. Als de werkgever die wijziging na de gestelde termijn handhaaft, zal de arbeidsovereenkomst eindigen op het ogenblik dat de werknemer de beëindiging vaststelt (Cass. 7 mei 2007, RW 2007-08, 1673 met noot W. Rauws).

Wanneer echter de werknemer uitdrukkelijk meedeelt de arbeidsovereenkomst als beëindigd te beschouwen, is de arbeidsovereenkomst in elk geval definitief en onherroepelijk beëindigd op het ogenblik van de kennisgeving aan de werkgever, zelfs indien de werknemer na het inroepen nog arbeidsprestaties levert (Cass. 7 juni 1993, Arr. Cass. 1993, 565 met conclusie O.M.; RW 1993-94, 570; Cass. 20 december 2004, NjW 2005, 1025, noot G. de Maeseneire en T. Beckers).

Dit zal des te meer zo zijn, wanneer de werknemer geen arbeidsprestaties meer levert, maar enkel voorhoudt tijdens zijn ziekte in functie te willen blijven tot nader order en minstens gedurende 8 dagen met het oog op een verdere minnelijke regeling.

4. De vraag is dan ook of de heer M. via zijn toenmalige raadsman op 16 december 2008 zijn werkgever binnen een redelijke termijn in gebreke heeft willen stellen om de door hem voorgehouden wijziging ongedaan te maken op straffe van enige tijd later de beëindiging vast te stellen dan wel of de heer M. op 16 december 2008 uitdrukkelijk het onmiddellijk ontslag heeft ingeroepen.

De brief van 16 december 2008 kan niet anders gezien worden dan dat de heer M. op die datum zich op de voorgehouden eenzijdige wijziging heeft beroepen en vervolgens onmiddellijk het ontslag heeft willen vaststellen. De aanhalingen, die gebeurden in randnummer I.4 laten daarover geen twijfel.

5. Het einde van de brief, zoals weergegeven in randnummer I.5 doet daaraan geen enkele afbreuk, wat kan afgeleid worden uit het woord ‘minstens'; dit bevestigt dat hij in hoofdorde de door hem vastgestelde beëindiging met de daaraan verbonden vergoedingen handhaaft en dat hij voor het overige minstens een geoptimaliseerd voorstel beoogt zonder dat hij op enigerlei wijze een ingebrekestelling tot herstel in zijn vorige arbeidsvoorwaarden vraagt of beoogt.

Het zgn. ‘in functie blijven' was in de situatie van de heer M. een eerder gratuit voorstel, omdat zijn arbeidsovereenkomst toch geschorst was wegens ziekte en omdat uit de voorgelegde medische attesten kan afgeleid worden dat dit nog een zekere tijd zou verder duren, zodat hij toch geen arbeidsprestaties diende te leveren.

Uit het cassatiearrest van 7 juni 1993 volgt echter dat zelfs arbeidsprestaties op zich niet eens afbreuk kunnen doen aan een uitdrukkelijk vastgestelde contractbreuk (zie randnummer 3). A fortiori geldt dit voor het ietwat gemakkelijke aanbod van de heer M. .

Het in deze omstandigheden in functie blijven was geenszins gericht op een ingebrekestelling om hem te herstellen in zijn vorige arbeidsvoorwaarden, maar werd voorgesteld met het oog op een minnelijke financiële regeling. De heer M. had immers aan de door hem voorgehouden wijziging een vordering tot betaling van een aantal vergoedingen gekoppeld, die allen gerelateerd waren aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, wat hij in duidelijke bewoordingen had ingeroepen.

6. De ondubbelzinnige wil om de beëindiging vast te stellen, blijkt ook uit de dagvaarding die de heer M. op 30 april 2009 uitbracht en waarin hijzelf zijn standpunt in die zin toelicht. Ook zijn verdere proceshouding in eerste aanleg bevestigt dit.

Terecht wijst Avocent op het feit dat de heer M. intresten vroeg vanaf 16 december 2008, waardoor hij toegeeft dat de brief van 16 december 2008 uitdrukkelijk de contractbreuk van de werkgever vaststelde. Vanuit zijn standpunt in hoger beroep zou de contractbreuk door de werkgever gebeurd zijn door de brief van 9 januari 2009, zodat hij in die hypothese intresten zou hebben moeten vragen vanaf die datum.

De laatste loonfiche had betrekking op de maand december 2008; Avocent brengt die in graad van beroep niet meer voor, maar men is het erover eens dat alleszins voor de maand januari 2009 geen gewaarborgd loon werd betaald. Er werd dienaangaande geen vordering gesteld, wat wel had dienen te gebeuren indien men wil volhouden dat de arbeidsovereenkomst ten onrechte door de werkgever zou beëindigd zijn op 9 januari 2009.

7. De overmaking van medische attesten na 16 december 2008 doet geen afbreuk aan de door de heer M. ingeroepen eenzijdige wijziging en de er aan toegeschreven contractbreuk van de werkgever, temeer daar Avocent wegens de wijze van overmaking van de brief slechts kon reageren op 9 januari 2009 en nadien het medisch attest heeft teruggezonden met verwijzing naar de contractbeëindiging.

Werd de eenzijdige wijziging ingeroepen lastens de (juiste) werkgever?

8. De heer M. houdt voor, maar toont niet aan dat er naast de vennootschap naar Iers recht, Avocent International Ltd. ook nog een vennootschap Avocent Belgium Ltd. zou bestaan en hij wil hieruit afleiden dat de bevestigingsbrief i.v.m. het ontslag door zijn raadsman destijds aan de foutieve werkgever zou zijn gezonden.

9. Een ontslag is een vormvrije rechtshandeling; (Cass. 11 mei 1981, Soc. Kron. 1982, 299, JTT 1981, 356; Cass. 15 juni 1981, Pas, I, 1171); het ontslag kan zowel mondeling als schriftelijk worden gesteld; het kan blijken uit een bepaalde houding van één der partijen bij de overeenkomst, waaruit impliciet de wil voortvloeit de overeenkomst te beëindigen (Cass. 7 maart 1994, Soc. Kron. 1994, 160; Cass. 26 maart 1984, RW 1984-85, 1869). Bij een eenzijdige wijziging van een essentieel bestanddeel van de arbeidsovereenkomst wordt de wil tot beëindiging steeds geacht aanwezig te zijn.

In dezelfde zin is het inroepen van dergelijke wijzigingen en het zich van daaruit beroepen op het ontslag niet aan formele vormvereisten onderworpen; zoals door de rechtspraak, aangehaald in randnummer 3 geïllustreerd wordt, is het voldoende dat hij die zich hierop beroept, dit uitdrukkelijk doet en dit op een definitieve en onherroepelijke wijze.

10. Er is geen enkele twijfel dat de heer M. dit op 16 december 2008 ten aanzien van zijn werkgever (Avocent International Ltd.) heeft gedaan.

Immers zijn raadsman bevestigt dat de heer M. hem geraadpleegd heeft betreffende zijn tewerkstelling (bij Avocent International Ltd.) , waarna hij de betwistingen bespreekt die tussen werknemer en werkgever gerezen waren, met verwijzing naar de e-mails, die de heer M. aan zijn werkgever (Avocent International Ltd.) had gericht.

Het is dan ook overduidelijk dat met Avocent Belgium Ltd. de Belgische vestigingsplaats van Avocent International Ltd., zijnde de werkgever, werd bedoeld. De heer M. heeft overigens zelf in die zin voor de eerste rechter geargumenteerd op blz. 9 van zijn synthesebesluiten van 11 maart 2010.

Bovendien werd de brief ook per fax gericht aan de HR-manager van Avocent, de heer V. , die namens Avocent International Ltd. op 9 januari 2009 antwoordde.

Bijkomend heeft de raadsman van de heer M. de brief officieel overgemaakt op 31 december 2008 aan de raadsman van de werkgever (Avocent International Ltd.).

De heer M. heeft zich dan ook definitief, duidelijk en onherroepelijk op de contractbreuk lastens zijn werkgever beroepen in de brief van zijn raadsman van 16 december 2008, van wie hij het mandaat niet betwist.

11. Terecht heeft de eerste rechter vastgesteld dat de heer M. aldus ten onrechte impliciet ontslag heeft ingeroepen. Voor zover als nodig verwijst het hof naar de analyse van de eerste rechter die hier als herhaald en hernomen kan worden beschouwd.

In dat geval wordt de werknemer zelf geacht de arbeidsovereenkomst onmiddellijk onrechtmatig te hebben beëindigd (Cass. 15 juni 1981, Pas. 1981, I, 1172; N. Gundt en W. Rauws, De wijziging van de arbeidsovereenkomsten volgens Frans, Belgisch en Nederlands recht, TSR 2010, 255).

Opzeggingsvergoeding

12. Hieruit vloeit voort dat de eerste rechter terecht de vordering van de heer M. tot het bekomen van een opzeggingsvergoeding heeft afgewezen, zodat het hoger beroep op dit punt ongegrond is.

De heer M. is omwille van zijn contractbreuk zelf een opzeggingsvergoeding aan Avocent verschuldigd.

Op grond van artikel 39 van de arbeidsovereenkomstenwet is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van een opzeggingstermijn, gehouden aan de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggings-termijn. De opzeggingsvergoeding behelst niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

Bij ontstentenis van een minimumbepaling in verband met de duur van de opzeggingstermijn, bepaalt de rechter deze termijn, rekening houdend met de belangen van beide partijen en met inachtneming van de voor de werkgever op het ogenblik van het ontslag bestaande mogelijkheid om een werknemer met dezelfde kennis en kwalificatie te vinden.

Het hof kan de evaluatie van de eerste rechter bijtreden, die deze kans voor het vinden van een nieuwe werknemer in de gegeven omstandigheden heeft geraamd op 1 maand.

13. Avocent begroot het basisloon als volgt en de heer M. gedraagt zich desbetreffend ter zitting naar de wijsheid, zonder dat andersluidende stukken worden meegedeeld:

- loon euro 4.166,17 x 13,92 euro 57.993,12

- commissieloon laatste 12 maanden euro 20.705,66

- groepsverzekering euro 96,31 x 12 euro 1.155,72

Totaal euro 79.854,50

De opzeggingsvergoeding bedraagt euro 79.854,50 : 12 = 6.654,54

14. Er is geen hoger beroep wat betreft de vordering wegens misbruik van ontslagrecht, vertrekvakantiegeld en vergoeding thuiswerk.

De kostenvergoedingen

15. Avocent houdt voor dat de heer M. een te hoge kostenrekening inbracht bij het einde van zijn tewerkstelling; ze erkent nochtans dat ze gehouden is om een deel van de kosten te vergoeden, voor zover ze werkgerelateerd zijn.

De heer M. verantwoordt anders dan voor de eerste rechter thans wel met stukken de door hem ingediende nota.

Avocent kan zich niet beroepen op art. 8 van de geschreven arbeidsovereenkomst, die absoluut nietig is in het licht van art. 10 van het Nederlands Taaldecreet van 19 juni 1973, niet betwist zijnde dat de werkplaats van de heer M. in Overijse gelegen was, zijnde in het Nederlandse taalgebied.

Avocent toont niet aan op basis van welke criteria de kosten moeten worden geëvalueerd, evenmin hoe dit vroeger gebeurde.

16. De arbeidsovereenkomst van de heer M. was wegens ziekte geschorst vanaf 9 december 2008, zodat hij dor de schorsing van zijn arbeidsovereenkomst sindsdien geen telefoon- en internetkosten voor zijn werkgever diende te maken. Deze kosten moeten dan ook worden in mindering gebracht.

Bij gebreke aan concrete kritiek op de andere kosten, kunnen deze worden aanvaard omdat de heer M. zijn werk van uit zijn woning deed; nachtelijke telefoon-gesprekken zijn bij een internationaal georiënteerde onderneming niet ongebruikelijk wegens de tijdverschillen.

De vordering is dan ook gegrond ten belope van euro 10.346,08 - 2.041,59 = euro 8.304,49

Misbruik van ontslagrecht

17. Zoals van elk recht kan ook van het ontslagrecht misbruik worden gemaakt, wanneer er een kennelijk misbruik is waarbij de regel van artikel 1134, 3de lid van het Burgerlijk Wetboek ernstig wordt geschonden; op basis van deze bepaling moeten overeenkomsten te goeder trouw worden uitgevoerd (cfr. Cassatie, 19 september 1983, R.W. 1983-1984, 1480).

Rechtsmisbruik in verband met het ontslag vloeit dan ook voort uit de uitoefening van dit recht op een wijze die kennelijk de grenzen te buiten gaat van de normale uitoefening van het ontslagrecht door een voorzichtig en bedachtzame werknemer (vgl. Cassatie, 12 december 2005, JTT 2006, 155). Een dergelijke handelwijze wordt niet aangetoond.

De opzeggingsvergoeding heeft bovendien een forfaitair karakter en dekt de volledige schade die door het ontslag werd veroorzaakt, zowel de materiële als de morele schade (Cass., 7 mei 2001, JTT 2001, 410).

Gelet op het forfaitair karakter van de opzeggingsvergoeding kan een vergoeding wegens misbruik van ontslagrecht slechts worden toegekend voor andere schade dan deze die voortvloeit uit het verlies van de dienstbetrekking, m.a.w. voor schade die niet veroorzaakt is door het ontslag zelf, maar door met het ontslag gepaard gaande omstandigheden (Cass., 26 september 2005, Soc. Kron. 2006, 69).

18. Avocent had al gedreigd met een ontslag om dringende reden, indien de heer M. geen verantwoording gaf van zijn inspanningen. Het laat zich dan ook aanzien dat ze reeds speelde met het idee om de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

Ze verantwoordt dan ook niet welke bijkomende schade ze zou lijden als gevolg van het ontslag van de heer M. zelf, in de zin dat deze schade niet zou gedekt zijn door de toegekende opzeggingsvergoeding.

Het impliciet incidenteel beroep is op dit punt ongegrond.

Tergend en roekeloos geding

Gerechtskosten

19. Avocent brengt geen enkel concreet element aan, waaruit zou blijken dat de vordering alle grond mist en louter zou bedoeld zijn om haar te schaden.

Integendeel, de vordering is minstens in verband met de kostenvergoedingen gedeeltelijk gegrond en ook de vordering wegens vakantiegeld einde dienst werd maar opgelost dank zij de procedure.

20. Omwille van hetzelfde motief is er geen reden om de rechtsplegingsvergoeding te verhogen tot het maximum.

Aangezien beide partijen deels in het gelijk en in het ongelijk zijn gesteld, dienen de gerechtskosten te worden gecompenseerd, zoals hierna bepaald.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond,

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en ongegrond,

Bevestigt het bestreden vonnis in zoverre het de hoofdvordering reeds gegrond verklaarde wat betreft de terugbetaling van onkosten en het vertrekvakantiegeld

En in zoverre het de tegenvordering gegrond verklaarde door de heer M. te veroordelen tot betaling van een opzeggingsvergoeding van één maand en voor het overige alle vorderingen en tegenvorderingen af te wijzen

Gelet op de devolutieve kracht van het hoger beroep, werkt deze beslissing verder uit:

Verder recht doende over de hoofdeis;

Veroordeelt Avocent International Ltd. tot betaling aan de heer M. van een kostenvergoeding van euro 8.304,49, te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 16 december 2008 en de gerechtelijke intresten

Verder recht doende over de tegeneis;

Veroordeelt de heer M. tot betaling aan de heer Avocent International Ltd. van een opzeggingsvergoeding van 6.654,54 te vermeerderen met de verwijlintresten vanaf 9 januari 2009 en de gerechtelijke intresten.

Compenseert de gerechtskosten in de zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt,

Deze begroot aan de zijde van de heer M. op euro 11.474,67, doch herleid tot:

Dagvaarding euro 474,67

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 3.300

Rechtsplegingsvergoeding beroep euro 3.300

En aan de zijde van Avocent begroot op euro 11.000

En herleid tot:

Rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 3.300

Rechtsplegingsvergoeding beroep euro 3.300

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Lucrèce REYBROECK, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Daniël HEYVAERT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Lucrèce REYBROECK, Daniël HEYVAERT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 25 november 2011 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • Arbeidsovereenkomsten Algemene regelingen

  • Uitdrukkelijk ontslag.