- Arrêt of March 16, 2012

16/03/2012 - 2011/AH/218

Case law

Summary

Samenvatting 1

Beherende of werkende vennoten in een commanditaire vennootschap worden beschouwd als handelaars.

De kwalificatie van een vennootschap is afhankelijk van haar voorgenomen activiteit en gebeurt op basis van het doel zoals omschreven in de statuten.

Dat er geen "bewust" valse verklaring werd afgelegd, neemt niet weg dat er sprake kan zijn van een onvolledige verklaring die kan worden beschouwd als een gebrek aan procedurele goede trouw en een herroeping op grond van artikel 1675/15, § 1, 2° Ger. W. kan rechtvaardigen.


Arrêt - Integral text

Eindarrest op tegenspraak

Achtste kamer

Collectieve Schuldenregeling

ARBEIDSHOF TE ANTWERPEN

Afdeling Hasselt

___________________

ARREST A.R. 2011/AH/218

OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESTIEN MAART TWEEDUIZEND EN TWAALF

1. DHF, schuldenaar, wonende te

eerste appellant,

ter zitting verschijnend bij PT, advocaat te

2. CS, schuldenaar, wonende te

tweede appellante,

ter zitting verschijnend bij PT, advocaat te

TEGEN:

1. OCMW G, schuldbemiddelaar, met zetel

eerste geïntimeerde,

ter zitting verschijnend bij mevrouw PS,

2. FGE BVBA, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

3. DMMJ, schuldeiser, wonende te

4. FBSB, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

tweede tot en met vierde geïntimeerde,

ter zitting niet verschijnend,

5. CK, schuldeiser, wonende te

vijfde geïntimeerde,

ter zitting verschijnend in persoon,

6. AKGK, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

7. CE, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

8. VMW, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

9. S NV, schuldeiser, met maatschappelijke zetel

10. ODB, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

11. I, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

12. ZOL, schuldeiser, met zetel te

13. AZML, schuldeiser, met zetel te

14. FOD F, schuldeiser, met zetel te

15. SB, schuldeiser, met zetel te

16. AB, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

17. PL, schuldeiser, met zetel te

18. SMDB, schuldeiser, met zetel te

19. NV, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

20. VDZ, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

21. OPC, schuldeiser, met maatschappelijke zetel

22. TS, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

23. E, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

24. BVDP, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

25. RES, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

26. SC, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

27. ING, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

28. C, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

29. X VZW, schuldeiser, met maatschappelijke zetel te

30. SL, schuldeiser, met zetel te

31. GR(M), schuldeiser, met kantoor te

zesde tot en met eenendertigste geïntimeerde,

ter zitting niet verschijnend.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

1. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

Het arbeidshof heeft kennis genomen van de stukken van de rechtspleging, en meer in het bijzonder van:

- het verzoekschrift van appellanten om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Tongeren op 27 mei 2010;

- het eensluidend afschrift van de beschikking van toelaatbaarheid waarbij het OCMW van en te G, als schuldbemiddelaar werd aangesteld, uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Tongeren op 8 juli 2010;

- het verzoek tot herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank te Tongeren op 11 april 2011;

- het eensluidend afschrift van het vonnis tot herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid, uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Tongeren op 24 juni 2011;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 8 juli 2011;

- de beschikking in toepassing van artikel 747 §2 Ger.W. van 21 oktober 2011,

- de conclusies van vijfde geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 16 november 2011,

- de beroepsbesluiten van de schuldbemiddelaar, eerste geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 17 november 2011,

- de besluiten van appellanten, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 21 december 2011,

- de aanvullende beroepsbesluiten van eerste geïntimeerde, ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 13 januari 2012,

- de synthesebesluiten van appellanten, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 18 januari 2012,

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 16 september 2011 en 17 februari 2012.

2. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Bij beschikking, uitgesproken door de arbeidsrechtbank te Tongeren op 8 juli 2010, werd het verzoek van de heer DH en mevrouw C, appellanten, om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling toelaatbaar verklaard en werd het OCMW van G aangesteld als schuldbemiddelaar.

Op 11 april 2011 werd vanwege het OCMW van G een verzoek tot herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid ter griffie van de arbeidsrechtbank te Tongeren ontvangen. Als redenen die aanleiding gaven tot het verzoek tot herroeping haalde de schuldbemiddelaar aan:"Na het opstarten van de procedure collectieve schuldenregeling is gebleken dat de heer en mevrouw DHt-C sedert 14 december 2007 beiden vennoten zijn van de gewone commanditaire vennootschap "DH", gevestigd te. Volgens de gegevens van de Kruispuntbank van Ondernemingen is deze vennootschap heden nog actief. Hiervan werd geen melding gemaakt in het verzoekschrift collectieve schuldenregeling."

Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren werd de beschikking van toelaatbaarbeid herroepen in toepassing van artikel 1675/15 §1, 5°.

3. EISEN IN HOGER BEROEP

De vordering in hoger beroep van appellanten strekt ertoe het bestreden vonnis te horen teniet doen.

Opnieuw rechtdoende de oorspronkelijke vordering tot herroeping van de collectieve schuldenregeling voor appellanten ongegrond te verklaren.

4. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld zodat het ontvankelijk is.

5. TEN GRONDE

Overeenkomstig artikel 1675/15, §1 van het Gerechtelijk Wetboek kan de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke of de gerechtelijke aanzuiveringsregeling worden uitgesproken door de rechter, aan wie de zaak, door een eenvoudige schriftelijke verklaring neergelegd ter griffie of aan de griffie verzonden, opnieuw wordt voorgelegd, op verzoek van de schuldbemiddelaar of van een van de belanghebbende schuldeisers wanneer de schuldenaar:

1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;

2° hetzij zijn verplichtingen niet nakomt, zonder dat zich nieuwe feiten voordoen die de aanpassing of herziening van de regeling rechtvaardigen;

3° hetzij onrechtmatig zijn lasten heeft verhoogd of zijn baten heeft verminderd;

4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt;

5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd.

De heer DH en mevrouw C tekenen hoger beroep aan tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Tongeren van 24 juni 2011 waarbij de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid werd uitgesproken op grond van artikel 1675/15, §1, 5° van het Gerechtelijk Wetboek.

De schuldbemiddelaar vraagt de herroeping van de collectieve schuldenregeling omwille van het verzwijgen van relevantie informatie.

5.1. De heer DH is handelaar

Om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling, mag de natuurlijke persoon geen koopman meer zijn in de zin van artikel 1 W.Kh. (artikel 1675/2 Ger.W.) en indien hij vroeger koopman is geweest, kan het verzoek pas ingediend worden ten minste zes maanden na het stopzetten van zijn handel of, zo hij failliet werd verklaard, na de sluiting van het faillissement.

Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de heer DH beherend vennoot is van de commanditaire vennootschap "DH" te B.

Beherende of werkende vennoten in een commanditaire vennootschap dienen beschouwd te worden als handelaars (Cass. 19 december 2008, www.cass.be).

De stelling van de heer DH, die gebaseerd wordt op artikel 3 van het Wetboek van Vennootschappen (hierna W. Venn.), als zou door het wegvallen van de uitoefening van het maatschappelijk doel en door het ontbreken van enige handelsactiviteit, de vennootschap omgevormd zijn tot een burgerlijke vennootschap, kan niet aanvaard worden.

De kwalificatie van een vennootschap is immers afhankelijk van haar voorgenomen activiteit. Indien een vennootschap het stellen van daden van koophandel tot doel heeft, is zij commercieel (artikel 3, §2 W. Venn.). Dat de tekst van artikel 3 W. Venn. verschillend is van de tekst van artikel 1 van de oude vennootschappenwet, heeft niet tot gevolg dat een handelsvennootschap zijn kwalificatie verliest, indien het geen activiteiten meer uitoefent. Dit kan uit voormeld artikel 3, §2 W. Venn. niet afgeleid worden. De kwalificatie gebeurt dan ook op basis van het doel zoals omschreven in de statuten.

"Omdat de kwalificatie van handelsvennootschap of burgerlijke vennootschap gebeurt op basis van het doel zoals omschreven in de statuten, wordt een vennootschap handelaar op het ogenblik van de oprichting van de vennootschap en niet bij het effectief verrichten van daden van koophandel, zoals bij een handelaar natuurlijke persoon. Deze hoedanigheid van handelaar blijft aanwezig tot het sluiten van de vereffening, waardoor een vennootschap ook handelaar blijft na het stopzetten van de handel en zelfs na de ontbinding" (A. BENOIT-MOURY en P. POPPE, « Art. 3 W. Venn. » in H. BRAECKMANS, K. GEENS en E. WYMEERSCH (red.), Commentaren met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, Mechelen, Kluwer, losbladig).

De schrapping van het BTW-nummer met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2009 noch de vaststelling als zou de vennootschap geen activiteiten meer verrichten noch de verwijzing naar rechtspraak, wijzigt dit aangezien de vennootschap is blijven bestaan. Althans worden er geen stukken neergelegd waaruit blijkt dat de handelszaak niet langer zou bestaan of vereffend zou zijn.

Er is geen sprake van enige discriminatie door de vaststelling dat aan een natuurlijke persoon het statuut van handelaar kan ontzegd worden vanaf de vaststelling dat hij geen handelsdaden meer verricht, terwijl dit voor handelsvennootschap niet zo zou zijn. Een natuurlijke persoon is immers niet te vergelijken met een handelsvennootschap waarbij het vermogen afgezonderd wordt.

De heer DH is derhalve nog steeds handelaar.

Of de schulden waarvoor de collectieve schuldenregeling aangevraagd werd louter privéschulden betreft, is hierbij irrelevant nu enkel vastgesteld wordt dat de heer DH de hoedanigheid van koopman had.

Uit de stukken blijkt niet dat mevrouw C beherend of werkend vennoot was. Weliswaar is het mogelijk dat ze stille vennoot was maar bij gebrek aan bewijs hiervan of van een bewijs dat ze beherend vennoot was, kan ze niet als handelaar beschouwd worden.

5.2. Geen "bewust" valse verklaringen

De heer DH en mevrouw C worden verweten dat ze bewust valse verklaringen afgelegd hebben.

Hierbij kan verwezen worden naar het verzoekschrift tot het bekomen van de collectieve schuldenregeling waarin ze beiden verklaren dat ze nooit handelaar zijn geweest.

Hoewel hieruit blijkt dat ze een valse verklaring hebben afgelegd nu de heer DH nog steeds handelaar is, kan hieruit niet zonder meer afgeleid worden dat ze "bewust" een valse verklaring hebben afgelegd.

Er wordt aannemelijk gemaakt of althans niet betwist dat de commanditaire vennootschap sedert geruime tijd geen activiteiten meer verricht. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de administratie van de BTW die een stopzetting van activiteiten vaststelt vanaf 1 oktober 2009. Dit is meer dan een half jaar voor het aanvragen van de collectieve schuldenregeling.

Het is dan ook niet uitgesloten dat de heer DH en mevrouw C het niet relevant vonden om het bestaan van de nog slapende vennootschap te vermelden nu zij konden veronderstellen dat dit geen gevolgen had voor de collectieve schuldenregeling die bovendien aangevraagd werd omwille van de schuldenlast die opgebouwd werd door privéschulden.

Aangezien niet aangetoond wordt dat de heer DH en mevrouw C "bewust" een valse verklaring afgelegd hebben, kan de herroeping niet uitgesproken worden omwille van artikel 1675/15, §1, 5° Ger.W. te meer daar niet uitgesloten kan worden dat de heer DH en mevrouw C in de veronderstelling waren dat zij niet langer handelaar waren. De bewering als zouden zij hiervan wel op de hoogte geweest zijn, wordt niet bewezen.

5.3. Niet nakomen van verplichtingen

Hoewel de eerste rechter de herroeping enkel heeft uitgesproken overeenkomstig artikel 1675/15, §1, 5°, blijkt uit de aan het arbeidshof voorgelegde feiten dat er mogelijk sprake is van een herroeping overeenkomstig artikel 1675/15, §1, 2° Ger.W.

Het komt toe aan de rechter, onder eerbiediging van de rechten van de verdediging, op de regelmatig aan zijn beoordeling voorgedragen feiten en zonder het voorwerp of de oorzaak van de vordering te wijzigen, de rechtsregels toe te passen op grond waarvan hij op de vordering uitspraak doet (Cass. 24 november 1978, Arr. Cass. 1978-79, 341 en Cass. 9 mei 2008, www.cass.be).

Partijen hebben op de zitting van 17 februari 2012 de gelegenheid gehad om hierover een standpunt in te nemen waardoor de rechten van verdediging niet geschonden zijn en kan onderzocht worden of de herroeping om deze reden kan uitgesproken worden.

De heer DH en mevrouw C verweten nooit het bestaan van de commanditaire vennootschap DH, gevestigd te, vermeld te hebben.

In het verzoekschrift tot het bekomen van de collectieve schuldenregeling wordt inderdaad nergens melding gemaakt van het feit dat de heer DH vennoot is in voormelde commanditaire vennootschap.

De stelling als zouden ze dit feit aan hun advocaat gemeld hebben, wordt niet alleen niet bewezen, bovendien hebben de schuldenaars de verplichting om alle relevante informatie mee te delen aan de schuldbemiddelaar en is dit niet gebeurd.

Hoger werd aanvaard dat ze deze informatie misschien niet relevant vonden en er geen bewijs was van een "bewust" valse verklaring. Dit neemt niet weg dat er wel sprake is van een onvolledige verklaring waarbij appellanten ook nadien niet de nodige stappen ondernomen om de vennootschap te laten ontbinden hoewel er geen reden wordt opgegeven waarom de vennootschap niet vereffend wordt. Dit maakt het verder zetten van de collectieve schuldenregeling onmogelijk nu een handelaar niet toegelaten worden tot de collectieve schuldenregeling.

Ze hebben aldus informatie verzwegen aan de schuldbemiddelaar die nochtans relevant is en hebben ook nooit inspanningen gedaan om de toestand te regulariseren. Dit kan dan ook beschouwd worden als een gebrek aan procedurele goede trouw.

Van de schuldenaars kan immers verwacht worden dat ze spontaan alle relevante informatie met betrekking tot hun vermogen aan de schuldbemiddelaar verschaffen. Van de schuldenaar kan bovendien een loyale en actieve medewerking vereist worden, zowel bij de totstandkoming als bij de verdere uitvoering van de schuldenregeling (Gent 22 april 2008, NjW 2009, 776 met noot A. VANDERHAEGHEN).

Om deze reden mag de collectieve schuldenregeling herroepen worden.

De herroeping wordt uitgesproken overeenkomstig artikel 1675,§ 1, 2° Ger.W.

5.4. Besluit

Bij gebrek aan bewijs van het "bewust" karakter van de afgelegde valse verklaring, kan artikel 1675/15, §1, 5° Ger.W. niet weerhouden worden als grond tot herroeping.

Gelet op het verzwijgen van bestaan van een commanditaire vennootschap door appellanten, waarin de heer DH nog steeds beherend vennoot is, wordt er evenwel belangrijke informatie aan de schuldbemiddelaar onthouden waardoor de collectieve schuldenregeling dient herroepen te worden overeenkomstig artikel 1675/15, §1, 2° Ger.W.

Te meer daar de collectieve schuldenregeling niet kan verder gezet worden gelet op de vaststelling dat de heer DH nog steeds handelaar is en hij derhalve niet voldoet aan de toelaatbaarheidsvoorwaarden.

Het verder zetten van de procedure is in deze omstandigheden niet mogelijk.

BESLISSING

Gelet op de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.

Doet uitspraak op tegenspraak.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Vernietigt het vonnis van de arbeidsrechtbank van Tongeren van 24 juni 2011 maar enkel in zoverre de herroeping wordt uitgesproken op basis van artikel 1675/15, §1, 5° Ger.W.

Opnieuw recht sprekend, spreekt de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid van 20 maart 2009 uit overeenkomstig artikel 1675/15, §1, 2° Ger.W.

Bevestigt vonnis van de arbeidsrechtbank van Tongeren van 24 juni 2011 voor het overige.

Stelt vast dat aan deze procedure geen gerechtskosten verbonden zijn.

Aldus gewezen door:

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • collectieve schuldenregeling

  • handelaar

  • commanditaire vennootschap

  • herroeping

  • onvolledige verklaring

  • procedurele goede trouw