- Arrêt of March 26, 2012

26/03/2012 - 2011/AA/403

Case law

Summary

Samenvatting 1

Opdat de werknemer (aanklager of aangeklaagde) op grond van artikel 32sexiesdecies van de Welzijnswet recht zou hebben op een afschrift van het advies van de preventieadviseur is het voldoende dat de werknemer overweegt om een rechtsvordering in te stellen. Het behoort daarbij niet aan de werkgever om te oordelen of de werknemer die overweegt om een rechtsvordering in te stellen al dan niet over het nodige belang beschikt; dit laatste komt uiteindelijk enkel toe aan de rechtbank die over de eventuele vordering van die werknemer zal moeten oordelen.

De werknemer kan wel slechts een afschrift verkrijgen van een afschrift van dit advies dat beperkt blijft tot de in artikel 32sexiesdecies van de Welzijnswet limitatief opgesomde gegevens.


Arrêt - Integral text

ARREST

A.R. 2011/AA/403

OPENBARE TERECHTZITTING VAN ZESENTWINTIG MAART TWEEDUIZEND EN TWAALF

C. G.,

wonende te,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. K. Crauwels, advocaat te 2018 Antwerpen,

tegen :

S. M.,

vertegenwoordigd door,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. L. Kools, advocaat te 2800 Mechelen.

Na beraad spreekt het arbeidshof in openbare terechtzitting en in de Nederlandse taal het volgend arrest uit.

I. STUKKEN VAN DE RECHTSPLEGING

- het eensluidend verklaard afschrift van het op 12 april 2011 op tegenspraak gewezen vonnis van de arbeidsrechtbank te Mechelen

- het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 30 juni 2011

- de beschikking d.d. 16 september 2011

- de conclusie van de S.M., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 19 september 2011

- de conclusie van de heer C.G., neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 31 oktober 2011

- de conclusie van de S.M., ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 22 november 2011

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie neergelegd ter griffie van dit arbeidshof op 15 februari 2012

- de repliek op het advies van het openbaar ministerie voor de heer C.G. op 23 februari 2012 en voor de S.M. op 24 februari 2012

- de processen-verbaal van de openbare terechtzitting van 5 september 2011 en 9 januari 2012

II. PROCEDURE IN EERSTE AANLEG

Met dagvaarding van 6 december 2010 vorderde de heer C.G. zijn vordering, toelaatbaar en gegrond te verklaren, dienvolgens de S.M. te veroordelen tot afgifte van een volledig leesbaar afschrift van het advies van de preventieadviseur van Mensura de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk opgesteld ingevolge de klacht wegens pesten op het werk door de manipulaties die de leesbaarheid of volledigheid aantasten en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag vertraging en 25,00 EUR per ontbrekende, onvolledige of onleesbare pagina.

Ten slotte vorderde de heer C.G. de S.M. te veroordelen tot de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te verklaren, niettegenstaande elk verhaal en met uitsluiting van de mogelijkheid tot kantonnement.

Met conclusie van 11 januari 2011 vorderde de S.M. de vordering van de heer C.G. als ongegrond af te wijzen en hem te veroordelen tot de kosten van het geding.

Met conclusie van 15 maart 2011 handhaafde de heer C.G. zijn vordering maar vorderde minstens, alvorens recht te doen in toepassing van artikel 877 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de S.M. of de Regionale Directie van het Toezicht op het Welzijn op het Werk te Antwerpen, het bevel op te leggen om alle briefwisseling voor te leggen uitgaande van de Regionale Directie van het Toezicht op het Welzijn op het Werk aan de S.M. in antwoord of als reactie op te schrijven van de S.M. d.d. 22 oktober 2010 met kenmerk BU 004006/2010.

Ten slotte de S.M. te veroordelen tot de kosten van het geding en het vonnis uitvoerbaar te verklaren, niettegenstaande elk verhaal en zonder kantonnement.

Met vonnis van 12 april 2011 werd de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard en werd de heer C.G. veroordeeld tot de kosten van het geding.

III. EISEN IN HOGER BEROEP

Het verzoekschrift hoger beroep van 30 juni 2011 van de heer C.G. strekt ertoe het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht sprekend, de oorspronkelijke vordering van de heer C.G. ontvankelijk en gegrond te verklaren;

vervolgens de S.M. te veroordelen tot afgifte van een volledig leesbaar afschrift van het advies van de preventieadviseur van Mensura de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk opgesteld ingevolge de klacht wegens pesten op het werk door de manipulaties die de leesbaarheid of volledigheid aantasten, dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag vertraging en 25,00 EUR per ontbrekende, onvolledige of onleesbare pagina;

ten slotte de S.M. te veroordelen tot de kosten van het geding.

Met conclusie van 31 oktober 2011 vordert de heer C.G. het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen en opnieuw recht sprekend, de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en de S.M. te veroordelen tot de kosten.

Met conclusie van 22 november 2011 vordert de S.M. het hoger beroep als ongegrond af te wijzen, het bestreden vonnis in alle geledingen te bevestigen en de heer C.G. te veroordelen tot de kosten van het geding.

IV. ONTVANKELIJKHEID

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

V. TEN GRONDE

1. De feiten

De heer C.G. is sinds 1983 werkzaam bij de Lokale Politie Mechelen (voorheen: Gemeentepolitie Mechelen).

In mei 2003 werd hij bevorderd tot commissaris.

Van september 2005 tot mei 2010 vervulde hij de functie van directeur operaties/politiezorg.

Midden 2008 legde een collega, commissaris D. O., een formele klacht neer wegens pesten op het werk gericht tegen de heer C.G..

De externe preventieadviseur van Mensura (toen: Encare) voerde een onderzoek uit dat eind april 2009 werd afgerond.

Volgens de berichten van de S.M. kwam hij tot de bevinding dat er geen sprake was van pesterijen op het werk.

Door de werkgever werden evenmin maatregelen genomen die een wijziging van de arbeidsvoorwaarden tot gevolg konden hebben in toepassing van de Welzijnswet, en meer specifiek het hoofdstuk dat betrekking heeft op de bijzondere bepalingen betreffende geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk.

De heer C.G. heeft nadien herhaaldelijk aan de hoofdcommissaris en aan de S.M. kopie gevraagd van het eindverslag van het onderzoek naar de klacht, onder meer op basis van artikel 32 sexiesdecies van de Wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk.

Dit werd hem steeds geweigerd.

In een brief van 30 juni 2010 schreef de burgemeester van de S.M. aan de heer C.G. het volgende:

"...

Met de wet van 10-01-2007 werd in de wet van 04 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk een afdeling in de wet gevoegd die een antwoord geeft op het probleem van het doorgeven van informatie en documentatie aan de partijen of aan derden.

De in de kamer behandelde tekst met betrekking tot het artikel 14 dat deze afdeling in de wet van 4 augustus 1996 invoegt stelt onder meer met betrekking tot het nieuwe artikel 32sexiesdecies het volgende:

‘...Wanneer de werkgever van plan is maatregelen te treffen die de arbeidsvoorwaarden van de werknemer (aanklager of aangeklaagde) wijzigen of wanneer de werknemer van plan is een rechtsvordering in te stellen heeft de werknemer toegang tot bepaalde onderdelen van het verslag. In al deze gevallen moeten de betrokken werknemers kunnen beschikken over de nodige informatie die hen in staat stellen hun verdediging op te bouwen of te beoordelen of zij ten opzichte van de werkgever of de aangeklaagde juridische stappen zullen ondernemen...'

Deze wet van 4 augustus 1996 legt dan ook uitdrukkelijk vast welke informatie al dan niet en onder welke voorwaarden (inhoud, wie...) mag worden verspreid.

Aangezien uw vraag niet onder het toepassingsgebied valt van dit artikel 32sexiesdecies van de wet van 4 augustus 1996 is het dan ook niet mogelijk om aan deze vraag gevolg te geven.

Daarnaast betreuren wij eveneens dat u weigert om deel te nemen aan het onderhoud dat we in ons eerste schrijven hebben voorgesteld om, rekening houdend met de wettelijke beperkingen die de werkgever worden opgelegd, zo goed als mogelijk aan uw vraag te voldoen.

...".

(stuk 7 van de heer C.G.)

Met aangetekende brief van 13 oktober 2010 vroeg de advocaat van de heer C.G. aan de burgemeester van de S.M. zijn standpunt te willen herzien. (stuk 8 van de heer C.G.)

Met brief van 22 oktober 2010 deelde de burgemeester van de S.M. aan de advocaat van de heer C.G. het volgende mee:

"...

Ik kan u evenwel melden dat ik mijn standpunt zoals omschreven in het schrijven van 30 juni 2010 niet wens te herzien.

Aangezien het voeren van tijdrovende en geldverslindende gerechtelijke procedures echter, zoals u zelf terecht stelt in uw schrijven van 13 oktober 2010, zoveel mogelijk dient vermeden te worden, heb ik daarom beslist om uw vraag voor advies over te maken aan de bevoegde regionale directie van het Toezicht op het Welzijn op het Werk (zie schrijven in bijlage). Ik zal u dan ook zo snel mogelijk informeren over het door deze instantie verleende advies van zodra ik hierover beschik...".

(stuk 9 van de heer C.G.)

Op 6 december 2010 dagvaardde de heer C.G. de S.M. voor de arbeidsrechtbank te Mechelen en vorderde wat hiervoor sub II is vermeld.

Met vonnis van 12 april 2011 verklaarde de arbeidsrechtbank te Mechelen de eis ontvankelijk maar ongegrond.

Op 30 juni 2011 tekende de heer C.G. hoger beroep aan tegen dit vonnis.

2. De beoordeling

2.1. artikel 32 sexiesdecies van de Welzijnswet - verplichting tot afgifte van het dossier van de preventieadviseur

Artikel 32 sexiesdecies, dat deel uitmaakt van de afdeling 4 "Informatie en toegang tot documenten", van de Welzijnswet luidt als volgt:

"Wanneer de werkgever in toepassing van dit hoofdstuk overweegt maatregelen te nemen die de arbeidsvoorwaarden van de werknemer kunnen wijzigen of wanneer de werknemer overweegt een rechtsvordering in te stellen, bezorgt de werkgever aan deze werknemer enkel een afschrift van de volgende elementen van het advies van de preventieadviseur:

a) de samenvatting van de feiten;

b) de vaststelling of volgens de preventieadviseur de feiten al dan niet beschouwd kunnen worden als geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk en de verantwoording van deze vaststelling;

c) het resultaat van de verzoeningspoging;

d) de analyse van alle oorzaken van de feiten;

e) de maatregelen die moeten getroffen worden om, in het individuele geval, een einde te stellen aan de feiten of de aanbevelingen aan de werkgever om passende individuele maatregelen te treffen in het kader van de voorkoming van psychosociale belasting."

Artikel 32septiesdecies van die wet bepaalt:

"De betrokken persoon heeft, in afwijking van artikel 10 van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, geen toegang tot de persoonsgegevens en de oorsprong van de gegevens die opgenomen zijn in de volgende documenten:

(...)

4° het verslag van de preventieadviseur, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 32sexiesdecies;

(...)."

Artikel 32 quinquiesdecies van die wet bepaalt:

"De preventieadviseur en de vertrouwenspersonen zijn gehouden door het beroepsgeheim bedoeld in artikel 458 van het Strafwetboek.

In afwijking van deze verplichting:

(...)

3° overhandigt de preventieadviseur aan de werkgever een geschreven advies over de resultaten van het onpartijdig onderzoek van de met redenen omklede klacht waarvan de inhoud wordt vastgesteld door de Koning;

(...)."

In deze zaak rijst de vraag of de heer C.G. als persoon tegen wie een klacht is neergelegd wegens pesten op het werk, van zijn werkgever de afgifte kan vragen van het volledig geschreven advies dat de preventieadviseur in de uitvoering van zijn wettelijke taak heeft opgemaakt, wanneer de klacht geen enkel gevolg heeft gesorteerd ten aanzien van de klager noch ten aanzien van diegene die het vermeende voorwerp van de pesterijen zou geweest zijn.

Met betrekking tot de draagwijdte van het hiervoor vernoemde beperkt inzagerecht werd in de voorbereidende werken het volgende gesteld:

"Het is niet aangewezen het volledige dossier met inbegrip van de met redenen omklede klacht en de verklaringen van de ondervraagde personen mee te delen aan de belanghebbende persoon. Deze gegevens zijn inderdaad vaak emotioneel gekleurd en zo sterk persoonsgebonden dat het openbaar maken ervan de verhoudingen in de onderneming enkel kan schaden en in het slechtste geval elke samenwerking onmogelijk wordt. Het is dan ook van het grootste belang dat op deze gegevens een absolute vertrouwelijkheid van toepassing is."

Ter verduidelijking van het beperkt inzagerecht kan ook nog verwezen worden naar de volgende overwegingen uit diezelfde memorie van toelichting:

"Het artikel 32sexiesdecies bepaalt welke delen van het verslag van de preventieadviseur door de werkgever kunnen worden overgemaakt (zie punt b) aan de partijen alsook de enige omstandigheden waarin dit kan gebeuren (zie punt a):

a) Wanneer de werkgever van plan is maatregelen te treffen die de arbeidsvoorwaarden van de werknemer (aanklager of aangeklaagde) wijzigen of wanneer de werknemer van plan is een rechtsvordering in te stellen heeft de werknemer toegang tot bepaalde onderdelen van het verslag. In al deze gevallen

moeten de betrokken werknemers kunnen beschikken over de nodige informatie die hen in staat stellen hun verdediging op te bouwen of te beoordelen of zij ten opzichte van de werkgever of de aangeklaagde juridische stappen zullen ondernemen.

b) Hiertoe is het vereist dat hij in het bezit is van de samenvatting van de feiten, van de kwalificatie die aan die feiten werd gegeven en van de maatregelen die op individueel vlak werden voorgesteld. Deze elementen moeten hem meegedeeld worden door de werkgever.

De aanbevelingen van de preventieadviseur die betrekking hebben op de te nemen collectieve preventiemaatregelen worden uitgesloten van deze mededeling, omdat zij alleen van belang zijn voor de werkgever die op grond van deze aanbevelingen zijn beleid kan bijsturen.

De wetgever voert dus een geheimhoudingsplicht in ten aanzien van de werkgever, van zodra men zich buiten de twee hypotheses beschreven in de wet bevindt. Deze bepaling geeft een wettelijke oplossing voor de problemen betreffende de openbaarheid van bestuur, wanneer de werkgever behoort tot de openbare sector."

(Parl. St. Kamer 2005-2006, Doc 51K2686/001 - 2587/001, 5784, blz. 39)

In eerste instantie rijst de vraag of de heer C.G. recht heeft op de afgifte van een afschrift van het advies van de preventieadviseur.

In zijn advies schrijft het openbaar ministerie daarover het volgende:

"Op grond van artikel 32 sexiesdecies van de Welzijnswet heeft de werknemer (aanklager of aangeklaagde) recht op een afschrift van het advies van de preventieadviseur, qua omvang beperkt tot de in de wet beschreven elementen, in twee gevallen:

1° wanneer de werkgever overweegt om een maatregel te nemen die de arbeidsvoorwaarden van de werknemer zouden wijzigen, en

2° wanneer de werknemer overweegt een rechtsvordering in te stellen.

In casu beroept appellant er zich op dat hij over een afschrift van het in de wet omschreven advies moet kunnen beschikken omdat hij het instellen van een rechtsvordering in verband met de tegen hem ingediende klacht in overweging wil nemen.

Uit de wettelijke bepaling volgt inderdaad dat het voldoende is dat de werknemer overweegt om een rechtsvordering in te stellen. Het is logisch dat met het oog op de evaluatie van de mogelijkheid om een rechtsvordering in te stellen het noodzakelijk is dat de werknemer kennis heeft van de (beperkte) gegevens van het advies van de preventieadviseur. De bevestiging hiervan kan gevonden worden in de parlementaire voorbereiding van de wet waar gesteld wordt dat ‘wanneer de werknemer van plan is een rechtsvordering in te stellen de werknemer toegang heeft tot bepaalde onderdelen van het verslag'.

De wettekst legt verder geen andere vereiste op aan de aanklager of de aangeklaagde om een afschrift van het in de besproken wettelijke bepaling bedoelde advies van de preventieadviseur te ontvangen.

De bepalingen van de Welzijnswet inzake ‘informatie en toegang tot de documenten' in geval van een klacht wegens geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk hebben tot doel de werknemer die een rechtsvordering wenst in te stellen de nodige informatie te verstrekken opdat hij zijn verdediging kan opbouwen en de kansen op een gunstig gevolg ervan kan inschatten.

Het behoort niet aan de werkgever om te oordelen of de werknemer die overweegt om een rechtsvordering in te stellen al dan niet over het nodige belang beschikt. De beoordeling van het belang komt uiteindelijk enkel toe aan de rechtbank die door de eventuele vordering van de werknemer wordt gevat.

In artikel 32decies, eerste lid van de Welzijnswet wordt overigens voorzien dat al wie een belang kan aantonen voor het bevoegde rechtscollege een vordering kan instellen om de naleving van de bepalingen inzake bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk af te dwingen, alsook om de betaling van een schadevergoeding te bekomen.

Er bestaat bijgevolg geen wettige reden om aan appellant te weigeren een afschrift af te leveren van het advies van de preventieadviseur zoals bedoeld in artikel 32sexiesdecies van de Welzijnswet."

Het arbeidshof treedt dit advies volmondig bij en maakt het zich eigen.

Rest de vraag of de heer C.G. ten laste van de S.M. de afgifte kan vorderen "van een volledig en leesbaar afschrift van het advies van de preventieadviseur van MENSURA, de externe dienst voor preventie en bescherming op het werk, opgesteld ingevolge de klacht wegens pesten op het werk door de heer D. O. zonder doorhalingen, weglatingen of schrappingen dan wel andere manipulaties die de leesbaarheid of volledigheid aantasten, en dit onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 EUR per dag vertraging en 25,00 EUR per ontbrekende, onvolledige pagina."

Zoals het openbaar ministerie eveneens terecht voorop stelt blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat met werknemer in het kwestieuze artikel 32 sexiesdecies van de Welzijnswet zowel de aanklager als de aangeklaagde bedoeld worden.

Het is begrijpelijk dat de partijen zouden beschikken over het verslag van de preventieadviseur om hun situatie in rechte met kennis van zaken te kunnen beoordelen en hun rechten zo efficiënt mogelijk uit te oefenen.

De heer C.G. beroept zich als werknemer met de hoedanigheid van "aangeklaagde" op artikel 32 sexiesdecies van de Welzijnswet om van zijn werkgever de afgifte te vorderen van het volledig afschrift van het advies van de preventieadviseur inzake de klacht wegens pesten op het werk die ingediend werd door D.O.

Het is echter duidelijk dat de heer C.G. vanwege de S.M. hoogstens de afgifte van een afschrift van de in artikel 32 sexiesdecies limitatief opgesomde gegevens kan verkrijgen.

De vordering is slechts in die mate gegrond.

2.2. dwangsom

In tegenstelling tot wat de heer C.G. betoogt bestaat er geen reële vrees dat de S.M. zich niet zal houden aan de door dit arbeidshof opgelegde verplichting tot afgifte zoals omschreven in de beschikkingen van dit arrest.

Er bestaat geen aanleiding om de veroordeling tot afgifte van voormeld afschrift te koppelen aan de verbeurte van een dwangsom.

BESLISSING

De voorschriften van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Het hoger beroep is ontvankelijk en als volgt gegrond.

Het vonnis van 12 april 2011 van de arbeidsrechtbank te Mechelen wordt vernietigd.

Het arbeidshof oordeelt opnieuw en veroordeelt de S.M. om binnen de week na de betekening van dit arrest aan de heer C.G. een duidelijk leesbaar afschrift te bezorgen van het advies van de externe preventieadviseur van de S.M., MENSURA, opgemaakt naar aanleiding van de klacht neergelegd door de heer D. O. ten laste van de heer C.G. wegens pesten op het werk en, voor zover dit advies daarover gegevens bevat, beperkt tot:

a) de samenvatting van de feiten;

b) de vaststelling of volgens de preventieadviseur de feiten al dan niet beschouwd kunnen worden als geweld, pesterijen of ongewenst seksueel gedrag op het werk en de verantwoording van deze vaststelling;

c) het resultaat van de verzoeningspoging;

d) de analyse van alle oorzaken van de feiten;

e) de maatregelen die moeten getroffen worden om, in het individuele geval, een einde te stellen aan de feiten of de aanbevelingen aan de werkgever om passende individuele maatregelen te treffen in het kader van de voorkoming van psychosociale belasting.

De S.M. wordt veroordeeld tot de kosten van beide aanleggen die als volgt worden vereffend:

- voor de heer C.G.:

1.200,00 EUR rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg

1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep

- voor de S.M.:

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: niet begroot

1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep

Aldus gewezen door:

de heer J. GOEMANS, kamervoorzitter,

de heer P. AERTS, raadsheer in sociale zaken als werkgever,

de heer H. LUYCKX, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende,

bijgestaan door mevrouw L. PELEMANS, griffier.

H. LUYCKX P. AERTS

L. PELEMANS J. GOEMANS

en uitgesproken door voormelde voorzitter van de tweede kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen in openbare terechtzitting van 26 maart 2012.

Free keywords

  • Arbeidsreglementering

  • welzijn op het werk

  • geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk

  • klacht

  • dossier preventieadviseur

  • recht op afschrift

  • voorwaarden

  • III A B