- Arrêt of March 30, 2012

30/03/2012 - 2011/ab/125

Case law

Summary

Samenvatting 1

De verbrekingsvergoeding van art. 40 AOW bij een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is een maximumvergoeding, die dwingend is ten voordele van degene die beëindigt. Er kan niet conventioneel van worden afgeweken in de zin dat een hogere vergoeding zou eisbaar zijn.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 30 MAART 2012

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

INSURANCE EN DEVELOPMENT BVBA, met maatschappelijke zetel te 3290 DIEST, Henri Verstappenplein 14/1,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. PAESEN Peter loco mr. WOLTERS Gert-Jan, advocaat te 3530 HOUTHALEN-HELCHTEREN, Kazernelaan 317.

Tegen:

W.E.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. SOLS Guy, advocaat te 3971 HEPPEN, Beringsesteenweg 51.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 13 januari 2011 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1e B kamer (A.R. 98/2888/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 februari 2011,

- de conclusies en de syntheseconclusie voor de appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 27 mei 2011, 27 juli 2011 en 5 december 2011,

- de conclusie en de syntheseconclusies voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 14 april 2011, 29 juni 2011, 31 augustus 2011 en 16 januari 2012,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 16 maart 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer E. W. en de bvba Insurance en Development (hierna afgekort als bvba I&D) sloten een arbeidsovereenkomst, die in zijn art. 1 bepaalde:

De vennootschap neemt E. W. in dienst vanaf 03/01/97. Er wordt bepaald dat deze overeenkomst voor vijf jaar gesloten wordt, en daarna voor onbepaalde duur - opzegtermijn is gelijk aan de nog lopende arbeidstijd van het kontrakt van vijf jaar, indien opzeg door de werkgever wegens niet dringende reden.

Het betreft een voltijdse betrekking.

2. Op 16 januari 1997 ondertekenden de nv I&D als overdrager en de bvba I&D als overnemer een overeenkomst voor de verkoop van een verzekeringsportefeuille.

Voor de nv I&D ondertekenden de heer W., de heer P. V. en de nv MAC.

Deze overeenkomst bepaalde in art. 6:

De overdrager verbindt er zich toe, zich te onthouden van iedere daad die kliënten aan de door hem overgedragen handelszaak zou kunnen onttrekken.

Hij verbindt er zich samen met zijn huidige bestuurders, nv Mac (vertegenwoordigd door L. P.), dhr E. W. en dhr P. V. toe, gedurende een periode van vijf jaar, ingaande op datum van de ondertekening van onderhavige contract, noch zelf, noch door tussenkomst van derden of voor rekening van derden, een verzekeringsportefeuille te beheren, er financiële interesse in te hebben of in de betreffende sector werkzaam te zijn, ...en dit voor wat betreft de sector en de regio als volgt afgebakend ZIE LISTING BIJLAGE dat voor alle voormelde personen of namens hun mee wordt ondertekend...

3. Over de geldigheid en de toepassing van deze clausule werden meerdere procedures gevoerd.

In een arrest van 8 maart 1999 oordeelde het Hof van Beroep te Antwerpen in kortgeding dat het handelen van de heer W. gericht was op het terugwinnen van de verkochte zaak, of minstens van een belangrijk deel ervan, weze het ogenschijnlijk ten voordele van een derde en dat de heer W. zo verzuimt zijn vrijwaringplicht tegen uitwinning in acht te nemen, te dezen o.m. bestaande uit het nalaten cliënten af te werven.

In een tussenvonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 3 januari 2002 werd ten gronde geoordeeld dat de niet concurrentiebepaling van art. 6 alinea 2 van de overnameovereenkomst nietig is wegens het ontbreken van enige beperking door het ontbreken van de listings, waarnaar in de bepaling wordt verwezen.

In zijn conclusie voor die rechtbank gaf de heer W. aan dat de overname-

overeenkomst van de verzekeringsportefeuille van 16 november 1997 en de arbeidsovereenkomst van 11 januari 1997 onlosmakelijk verbonden zijn omwille van de parallel tussen de niet concurrentiebepaling van 5 jaar en de arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd eveneens van 5 jaar, wat een werkzekerheidgarantie meebracht.

In het daarna volgend eindvonnis van 6 januari 2011 werden de vorderingen van de overdrager (de nv I&D) afgewezen als ongegrond. In dit vonnis wordt vermeld dat het tussenvonnis van 31 januari 2002 kracht van gewijsde had door de betekeningen van 27 en 28 januari 2010. Enkel tegen het eindvonnis van 6 januari 2011 werd vervolgens hoger beroep aangetekend.

4. Na de vaststelling van enkele moeilijkheden tijdens de afwezigheid van de zaakvoerder van de bvba I&D in de paasvakantie 1998, werd de heer W. door de zaakvoerder om dringende reden ontslagen op 16 april 1998; de redenen werden meegedeeld bij aangetekende brief van 17 april 1998 en kunnen worden samengevat als volgt:

- ondanks waarschuwingen te laat aanvangen van het werk

- afwezigheid op de werkplaats op 9 april 1998

- het niet terugbrengen van dossiers ondanks ingebrekestelling

- de weigering om zich te schikken naar het verbod om briefwisseling te tekenen in eigen naam.

Hierna ontspon zich een uitvoerige officiële briefwisseling tussen de advocaten van partijen over deze dringende reden en over het algemene wrevelklimaat.

5. Partijen kwamen niet tot een onderlinge oplossing, zodat de heer W. op 5 oktober 1998 de bvba I&D dagvaardde voor de arbeidsrechtbank te Leuven en betaling vorderde van een opzeggingsvergoeding van 44,87 maanden of euro 142.872,39 meer de intresten en de kosten.

De bvba stelde een tegenvordering in teruggave van 5 polissen, maar ze zal deze tegenvordering niet aanhouden.

6. Bij eindvonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 13 januari 2011 werd deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard en werd de bvba veroordeeld tot betaling van een provisionele opzeggingsvergoeding van euro 68.633 of 33,5 maanden meer de intresten op netto; de zaak werd naar de bijzondere rol verzonden voor verdere definitieve becijfering.

7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 7 februari 2011 tekende de bvba I&D hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering onontvankelijk, minstens ongegrond zou worden verklaard, minstens slechts gegrond ten belope van euro 4.555,05, in meer ondergeschikte orde deed ze een getuigenaanbod.

De heer W. tekende incidenteel beroep aan en hij hernam zijn oorspronkelijke vordering; tevens vroeg hij voorlegging van stukken om zijn vordering juister te kunnen becijferen.

II. BEOORDELING.

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep van de bvba I&D tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

2. De bvba vraagt dat de stukken 20 en 21 van het dossier van de heer W. uit de debatten worden geweerd.

Stuk 20 staat in de inventaris vermeld als: Listing nieuwe zaken: zie stuk 7

Deze stukken bevinden zich niet meer als stuk 20 in het neergelegde dossier.

Wel was dezelfde listing aangehecht aan de aangetekende brief van 28 april 1998 (in de inventaris zijn deze bijlagen bij stuk 7 vermeld), maar hiervan wordt de wering niet gevraagd. De vraag tot wering is zonder voorwerp doordat de heer W. het aldus aangeduide stuk 20 zelf heeft weggelaten.

Stuk 21 (vernummerd tot stuk 20 wegens de verwijdering van de listings) betreft de akten van betekening van het tussenvonnis van 3 januari 2002, besproken in I.3.

De bvba I&D steunt zich zelf op deze stukken om voor te houden dat het tussenvonnis kracht van gewijsde heeft, zoals ook vastgesteld werd in het eindvonnis van 6 januari 2011. Er is geen reden om deze stukken te weren.

Verval van de arbeidsovereenkomst

3. De bvba houdt voor dat de overnameovereenkomst van de verzekerings-

portefeuille en de arbeidsovereenkomst samenhangend zijn. Door de nietigverklaring van de niet concurrentieclausule in de overnameovereenkomst vervalt volgens haar de arbeidsovereenkomst. Dit betreft een verweer ten gronde tegen de ingestelde vordering, dat voor de sluiting van de debatten voor de eerste rechter werd ingeroepen. Ten onrechte wil de heer W. dit verweer wegens laattijdigheid onontvankelijk zien verklaren.

De eerste rechter heeft op basis van deze samenhang de duur van de arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd herleid tot aan de datum van de nietigverklaring van de niet concurrentieclausule en de toegekende verbrekingsvergoeding beperkt tot 33,5 maanden in plaats van de gevorderde 44,87 maanden.

4. De bvba beroept zich op de onlosmakelijke band tussen de 2 overeenkomsten op basis van de eigen bewering van de heer W. in zijn conclusie in de procedure voor de rechtbank eerste aanleg te Hasselt (zie randnummer I.3).

Vraag is of dit voldoende is om een samenhang te aanvaarden die een verval van de arbeidsovereenkomst kan meebrengen.

In haar inaugurale les aanvaardt prof. I. Samoy mogelijke samenhang tussen overeenkomsten bij ondeelbaarheid of verval door het wegvallen van de oorzaak.

(I. Samoy, Felix qui potuit rerum cognoscere causas (over samenhang in het verbintenissenrecht) RW 2010-11, 1788).

Eerder had dezelfde auteur de ondeelbaarheid reeds verduidelijkt als volgt:

Enkel wanneer ook bij deze andere overeenkomst (in deze zaak, dus de arbeidsovereenkomst) een geldigheidsvereiste is aangetast of ontbreekt, kan er sprake zijn van nietigheid. Het kan bijvoorbeeld zijn dat beide overeenkomsten een gemeenschappelijke oorzaak hebben en dat het ongeoorloofde karakter van de oorzaak beide overeenkomsten treft (I. Samoy, Nietigheid van een samenhangende overeenkomst: is er ruimte voor een sneeuwbaleffect?, TPR 2008, 563, nr. 6).

Verval is een wijze van beëindiging van een overeenkomst omdat de geldigheids-voorwaarde van een geldig tot stand gekomen overeenkomst verdwijnt en daardoor de uitvoering in natura onmogelijk wordt. Toegepast op samenhangende overeen-komsten dient de nietigverklaring van de ene overeenkomst tot gevolg te hebben dat de geldigheidsvoorwaarde van de andere samenhangende overeenkomst verdwijnt (I. Samoy, TPR 2008, 580, nr. 30).

Samoy wijst er op dat de problematiek van de samenhangende overeenkomsten anders dan in België enkel naar Nederlands en Frans recht uitdrukkelijk geregeld wordt. (I. Samoy, RW 2010-11, 1788), zodat naar Belgisch recht enige voorzichtig-heid geboden is, waar de figuur van het verval door het verdwijnen van de oorzaak alleen een duidelijke erkenning geniet voor de overeenkomsten om niet (I. Samoy, TPR 2008, 584, nr. 37).

Ook het door de bvba ingeroepen cassatiearrest van 16 november 1989 (RW 1989-90, 1259) had betrekking op een overeenkomst om niet, met name een schenking omwille van een (nadien verbroken) huwelijksband. Het Hof van Cassatie oordeelde dat niet alleen de oorzaak van de schenking onlosmakelijk moet verbonden zijn met het huwelijk, maar dat dit ook de enige reden van bestaan van de schenking moet uitmaken (vgl. Cass. 13 november 1969, A.C. 1970, 261 en RCJB 1970, 326 met noot Van Ommeslaghe). Het Hof van Cassatie onderlijnt zo het belang van de determinerende oorzaak.

5. Een arbeidsovereenkomst is een wederkerige overeenkomst ten bezwarende titel. In een dergelijke overeenkomst ligt de oorzaak van de verbintenis van de ene partij in het voorwerp van de verbintenis van de andere partij, het zgn. quid pro quo

(I. Samoy, TPR 2008, 573, nr. 18) of toegepast op een arbeidsovereenkomst is de oorzaak van de arbeidsovereenkomst voor de werknemer het loon en de oorzaak voor de werkgever de arbeidsprestatie

( P. Tierens en I. Verreyt, Arbeidsovereenkomstengids, 2004, 58, nr. 58).

Er wordt niet voorgehouden en het is ook niet zo dat de arbeidsovereenkomst van de heer W. en de bvba I&D een ongeoorloofde oorzaak zou hebben.

Ten onrechte wil de bvba I&D dan ook uit de nietigverklaring van de niet concurrentieclausule in de overnameovereenkomst het verval van de arbeidsovereenkomst afleiden.

De rechtbank van eerste aanleg te Hasselt heeft helemaal niet de hele overnameovereenkomst nietig verklaard, enkel de niet concurrentiebepaling en dan enkel nog maar art. 6 alinea 2. De geldigheid van de arbeidsovereenkomst wordt niet aangetast door de nietigheid van de bedoelde bepaling. Ook al kan er een zeker verband worden aanvaard tussen de overname van de portefeuille en de arbeidsovereenkomst, toch brengt de nietigheid van één bepaling uit de overnameovereenkomst de geldigheid van de arbeidsovereenkomst niet in het gedrang, zodat niet van een verval van deze laatste kan gesproken worden.

De determinerende oorzaak van de arbeidsovereenkomst lag voor de heer W., ongeacht de duur van deze overeenkomst, in de inkomenszekerheid die hij na de overname kon behouden, mits hij hiervoor de bedongen arbeid presteerde binnen de wettelijke en overeengekomen voorwaarden.

Evenmin maakte de nietigheid van de betrokken clausule de uitvoering van de arbeidsovereenkomst onmogelijk, integendeel de arbeidsovereenkomst werd uitgevoerd tot ze door de bvba om dringende reden beëindigd werd.

De arbeidsovereenkomst is dan ook niet vervallen, zodat het verweer van de bvba I&D moet worden verworpen.

De dringende reden

6. De heer W. houdt voor dat de zaakvoerder van de bvba I&D op 12 april 1998 kennis nam van de feiten, die ten grondslag lagen aan het ontslag om dringende reden van 16 april 1998, waarvan de motieven op 17 april 1998 werden meegedeeld.

Het ontslag is tijdig, 12 april een zondag en 13 april een feestdag (paasmaandag) en dus geen werkdagen zijnde.

De grond van de dringende reden en het bewijs ervan.

7. Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt.

Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn:

- er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer,

- die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt,

- en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief

Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren.

Naast het foutief karakter zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen (cfr. Mallie J., noot onder Arbh. Brussel, 20.6.1980, T.S.R. 1981,41).

Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter van een zwaarwichtig motief geven (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, JTT 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, JTT 1973, 212).

8. Het hof kan zich aansluiten bij de beoordeling van de eerste rechter dat de ingeroepen redenen eerder te maken hebben met wrevelpunten, te verklaren door de verzuurde relatie tussen partijen dan dat de ingeroepen redenen zo zwaarwichtig zijn dat ze de professionele samenwerking tussen partijen onmiddellijk onmogelijk maken. De uitvoerige over en weer gaande argumentatie van partijen na het ontslag zijn daarvan overigens eerder een illustratie dan een weerlegging.

- te laat komen

Aan de heer W. wordt verweten dat hij het werk na 9 uur aanvatte.

In art. 3.1 van de arbeidsovereenkomst wordt uitdrukkelijk bedongen - volgens de heer W. omwille van zijn kinderlast - dat hij op woensdag, donderdag en vrijdag het werk aanvat om 9 u. 30 mits compensatie.

De bvba had dit via een nieuw voorstel van arbeidsovereenkomst van 24 december 1997, dat door de heer W. niet was aanvaard, willen terugdraaien door te voorzien dat hij dagelijks om 8 u. 55 diende aanwezig te zijn om telkens om 9u. te kunnen starten.

De aanmaningen om toch om 9u. te starten moeten beschouwd worden als reactie op de door de heer W. niet aanvaarde nieuwe arbeidsovereenkomst.

Gelet op de uitdrukkelijk andersluidende bedongen arbeidsvoorwaarden kan er alleszins geen sprake zijn van een ernstige professionele tekortkoming.

- Afwezigheid op het kantoor op 9 april 1998 vanaf 14.26 u.

De heer W. verantwoordt dit omwille van het bezoek aan een klant, terwijl de permanentie op het kantoor door derden verzekerd was.

In de wrevelbrief van 27 maart 1998 staat geen verplichting te lezen om tijdens het verlof van de zaakvoerder enkel op woensdagnamiddag klantenbezoeken te doen.

- Het niet terugbrengen van dossiers

Dit dispuut vindt blijkbaar zijn reden in het feit dat de heer W. bepaalde stukken bij klanten persoonlijk bestelde. De dossiers waren dan bij hem. Over de hoeveelheid niet teruggebrachte dossiers is er discussie. Uiteindelijk heeft de bvba voor 5 dossiers een tegenvordering gesteld, maar deze werd niet aangehouden.

Er ligt dan ook geen bewijs voor van een ernstige zwaarwichtige reden.

- Ondertekening van briefwisseling.

Aangenomen mag worden dat de klanten van een verzekeringskantoor een efficiënte afhandeling van hun dossiers verwachten. Niet betwist wordt dat de zaakvoerder van de bvba I&D tijdens de week voor Pasen met vakantie was.

Indien de heer W. in die omstandigheden op 10 april 1998 een brief zelf ondertekende kan dit moeilijk als insubordinatie bestempeld worden.

De verschillende redenen doen blijken van een futiel belang en voldoen niet aan de omschrijving van een dringende reden, noch afzonderlijk, noch in hun samenhang bezien. Terecht weerhield de eerste rechter dat de ontslagbrief eerder kan begrepen worden vanuit de stroeve verhouding tussen partijen, waarbij de pot de ketel verwijt.

Bij gebreke aan bewezen insubordinatie, ontberen de redenen de vereiste ernst en kan de dringende reden niet worden aanvaard.

De overige elementen die de bvba inroept kunnen daaraan geen afbreuk doen.

De verbrekingsvergoeding

9. Gelet op het niet aanvaarden van de dringende reden, heeft de heer W. recht op een verbrekingsvergoeding.

Gelet op art. 1 van de arbeidsovereenkomst (zie randnummer I.1) gold een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd, zijnde 5 jaar.

In art. 1 van de arbeidsovereenkomst hebben partijen handgeschreven een bepaling over een opzeggingstermijn toegevoegd. In een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd kan geen rekening gehouden worden met een bedongen opzeggingstermijn; (Arbh. Gent, 10 september 2007, Or.2008, 30).

Art. 40 §1 van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt in verband met de verbreking van een arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd:

Is de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd ...aangegaan, dan is de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden voor het verstrijken van de termijn gehouden de andere partij een vergoeding te betalen, die gelijk is aan het bedrag van het loon dat verschuldigd is tot het bereiken van de termijn, zonder echter het dubbele te mogen overtreffen van het loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn, die in acht had moeten worden genomen, indien de overeenkomst zonder tijdsbepaling was gesloten.

10. Aldus bepaalt art. 40 een maximumvergoeding (zonder...te mogen overtreffen) (Cass. 7 juni 1982, RW 1983-84, 188).

Deze maximumvergoeding is van dwingend recht en is ingesteld ten voordele van hem die de overeenkomst zonder dringende reden voor het verstrijken van de termijn beëindigt, hier de bvba I&D.

Gelet op de hiërarchie van de verbintenissen in het arbeidsrecht, zoals vastgelegd in art. 51 van de CAO-wet van 5 december 1968 kan een geschreven individuele overeenkomst niet afwijken van de dwingende bepalingen van de wet.

Zelfs indien men art. 1 zou willen lezen als een conventionele omschrijving van de in acht te nemen verbrekingsvergoeding, dan nog kan een dergelijke bepaling niet afwijken van de door de arbeidsovereenkomstenwet bepaalde maximumvergoeding.

Met betrekking tot de gunstiger conventionele bepaling van de opzeggingstermijn dan deze die geldt als gevolg van art. 82 §2 AOW stelde procureur-generaal Leclercq in zijn conclusie voor het cassatiearrest van 9 november 2009 dat van bedoelde wetsbepaling kon afgeweken worden. Ongeacht het dwingend karakter van de bepaling ten aanzien van de twee partijen, heeft de wetgever in dit geval niet in een maximumtermijn voorzien en de partijen kunnen dus zeer goed in onderling akkoord voor de verbreking een hogere termijn bepalen dan het wettelijk minimum. (eigen vertaling en onderlijning; randnummer 2 conclusie OM, www.juridat.be).

I

Anders dan in art. 82 §2 heeft de wetgever in art. 40 wel in een maximum voorzien zodat een hiervan afwijkende overeenkomst niet mogelijk is.

11. De opzeggingstermijn die in acht had moeten worden genomen indien de overeenkomst zonder tijdsbepaling was gesloten kan worden geraamd op 3 maanden, rekening houdend met de anciënniteit van 1 jaar en 3,5 maanden, de leeftijd van 34,50 jaar, de functie (administratief en commercieel beheer van de portefeuille) en het hierna bepaalde jaarloon. De maximumvergoeding in overeenstemming met art. 40 bedraagt 6 maanden.

Voor de berekening van de verbrekingsvergoeding moet voor het loon niet enkel rekening gehouden worden met het lopend loon, maar ook met de voordelen verworven krachtens de overeenkomst (Arbh. Brussel 26 januari 1993, Soc. Kron. 1993, 319).

Het vast loon bedraagt euro 1.518,35 x 13,92 = euro 21.135,43.

Er kan aangenomen worden dat de heer W. vanuit zijn functie (hij beroept zich overigens op zijn activiteit buiten kantoor) regelmatige onkosten had, die op forfaitaire wijze werden vergoed a rato van euro 185,92.

Dergelijke onkostenvergoeding is volgens de gegevens eigen aan de zaak geen verdoken loon.

Wel volgt uit art. 5 van de arbeidsovereenkomst dat de heer W. naast zijn vast loon ook nog recht had op commissieloon.

Dit wordt door hem niet precies becijferd; hij vraagt voorlegging van de verzekerings-borderellen, maar hij geeft zelf aan dat deze slechts 10 jaar dienen bewaard te worden. Deze termijn is ondertussen al 4 jaar verstreken, zodat het geen zin heeft de voorlegging hiervan te bevelen.

De heer W. moet zijn basisloon aantonen en hij had op een nuttig tijdstip de hem ontbrekende stukken kunnen opvorderen via een kortgedingprocedure of bij toepassing van art. 19,2° Ger. W.

Gelet op de bepaling van art. 5 van de overeenkomst en de bijlagen kan een minimumbedrag als commissieloon worden aanvaard, dat kan vastgesteld worden op euro 500. Een hoger commissieloon wordt door hem niet aangetoond.

Het basisloon bedraagt dan:

Vast loon euro 1.518,35 x 13,92 euro 21.135,43

Commissieloon euro 500 x 13,92 euro 6.960,00

Totaal euro 28.095,43

De vordering is dan ook slechts gegrond ten bedrage van euro 28.095,43/12 x 6 = euro 14.047,71.

In die mate is het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep ongegrond.

De intresten

12. Artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 betreffende de sluiting van onder-nemingen bepaalt dat de rente ingevolge de loonbeschermingswet berekend wordt op het loon vooraleer de in artikel 23 van deze wet bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht, maar deze bepaling kon volgens artikel 90 § 1 van de wet van 26 juni 2002 slechts in werking treden op een door de Koning te bepalen datum, wat gebeurde door de artikelen 1 en 2 van het K.B. van 3 juli 2005 (inwerkingtreding op 1 juli 2005 op de lonen waarvan de betaling inging vanaf die datum).

Door de wet van 8 juni 2008 houdende diverse bepalingen (B.S. 16 juni 2008) werd het Koninklijk Besluit van 3 juli 2005 bekrachtigd.

Hieruit volgt dat de intresten op de toegekende loonbedragen dienen berekend te worden op de nettobedragen, daar de tewerkstelling beëindigd werd op 16 april 1998 zijnde voor 1 juli 2005.

De bvba vraagt dat de intresten zouden worden beperkt wegens het herhaaldelijk stilliggen van de procedure.

Deze vertragingen kunnen worden begrepen omwille van de incidenties van de andere procedures tussen partijen en de door de bvba ingeroepen samenhang. Tevens kan aanvaard worden dat partijen een oplossing via minnelijke regeling verhoopt hadden, waarin ze evenwel niet zijn geslaagd.

Er is dan ook geen reden om de intresten verder te beperken.

Op dat onderdeel is het incidenteel beroep gegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep ontvankelijk, en beiden gedeeltelijk gegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis en trekt als gevolg van de devolutieve kracht van het hoger beroep de zaak volledig aan zich;

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond;

Veroordeelt de bvba I&D tot betaling aan de heer W. van een verbrekings-vergoeding van euro 14.047,71, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 16 april 1998, de gerechtelijke intresten telkens op netto.

Wijst al het meergevorderde af.

Compenseert de gerechtskosten in de zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hugo ENGELEN, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Paul DEPRETER, Hugo ENGELEN.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 30 maart 2012 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • Arbeidsovereenkomsten Algemene regelingen Wet 3 juli 1978 art. 40