- Arrêt of April 27, 2012

27/04/2012 - 2009/AB/52534

Case law

Summary

Samenvatting 1

De totstandkoming van een ondernemingsgebruik veronderstelt een door de werkgever gewilde praktijk, die dus niet mag voortvloeien uit een vergissing van de werkgever, noch bestaan in een loutere gedoogzaamheid van deze laatste

Een gebruik dient te voldoen aan de vereisten van algemeenheid, vastheid en bestendigheid; het bewijs hiervan moet worden geleverd door degene, die zich op het gebruik beroept.

Algemeenheid betekent dat de praktijk, de herhaling die het recht doet ontstaan, zich manifesteert ten aanzien van een bepaalde groep. Gaat het om werknemers dan moeten zij allen betrokken zijn, minstens alle werknemers van een bepaalde categorie. De opname van een eindejaarspremie in een betwiste afrekening tijdens een periode van detachering is te kort om van een bestendig gebruik te kunnen spreken in de zin van een door de werkgever gewilde praktijk.


Arrêt - Integral text

rep.nr ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

─────────

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN VIER SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN TWAALF.

3e KAMER

bediendecontract

tegenspraak

definitief

In de zaak :

1. M. M. ,

2. L. C.,

3. M. D.,

Appellanten die op de openbare terechtzitting worden vertegenwoordigd door meester De Poorter Lutgard loco meester Aboudi Mehdi, advokaat te Brussel;

tegen :

1. AUTO DISTRIBUTION BELGIUM N.V. in vereffening, met maatschappelijke zetel gevestigd te 3000 Leuven, Karel van Lotharingenstraat 21;

2. DE WOLF & PARTNERS CVBA, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1050 Brussel, Marsveldplein 2, in hun hoedanigheid van vereffenaars van de vennootschap Auto Distribution Belgium N.V., in vereffening;

3. DGST & PARTNERS BEDRIJFSREVISOREN, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1170 Brussel, Emile Van Becelaere 27 A, in hun hoedanigheid van vereffenaars van de vennootschap Auto Distribution Belgium N.V., in vereffening;

Geïntimeerden, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester Van Herreweghen Johanna loco meester Vierin Thierry, advocaat te Brussel.

* * *

*

Na beraad, spreekt het arbeidshof te Brussel volgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging en meer bepaald op :

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak, door de 1ste kamer B van de arbeidsrechtbank te Leuven op 7 april 201 ;

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 27 mei 2011;

- de conclusies voor de appellanten neergelegd ter griffie op 9 januari 2012 ;

- de conclusies en aanvullende conclusies voor de geïntimeerden, neergelegd ter griffie op 7 november 2011 en 23 februari 2012;

- de voorgelegde stukken ;

De partijen werden gehoord in de mondelinge uiteenzetting van hun middelen en conclusies op de openbare terechtzitting van 26 juni 2012, waarna de debatten werden gesloten en de zaak voor uitspraak werd gesteld op heden.

* *

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De nv AUTODISTRIBUTION BELGIUM (afgekort ADB), nu in vereffening, was actief in de verkoop en de verdeling van auto-onderdelen. Zij had een netwerk van 27 verkooppunten in België, verspreid over vijf geografische zones. Haar maatschappelijke zetel was gevestigd in Herent.

Mevrouw M. was in dienst van ADB vanaf 1-5-1981 en oefende de functie van magazijnier uit.

De heer M. was er in dienst vanaf 1-9-1987 als hoofdverkoper

De heer L. was in dienst vanaf 16-5-1988 als vertegenwoordiger, specialist in technische verven.

Op 12-5-2009 kondigde de directie haar voornemen aan om tot sluiting over te gaan. Op 12-6-2009 werd de vennootschap in vereffening gesteld en werden de vereffenaars aangesteld.

Voor 24 van haar 27 verkooppunten werd een koper gevonden.

Het personeel dat niet kon worden overgedragen of dat tewerkgesteld was in de niet overgedragen verkooppunten werd ontslagen.

Er gebeurde een mededeling van collectief ontslag op 8-7-2009 zoals voorzien in de wet van 13-2-1998 en de collectieve arbeidsovereenkomsten nrs.9-10 en 24. De ontslagen werden vanaf 7-9-2009 in verschillende golven doorgevoerd.

In het raam van de herstructurering bleek geen ruimte voor een sociaal plan en aan de werknemers werd via het traject van de tewerkstellingscel, zoals voorzien bij art 10§8, lid 1 en 2 KB 9-3-2006 de wettelijke minimum opzegvergoeding uitbetaald.

Mevrouw M. werd ontslagen bij brief van 28-9-2009 en de betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 18 maanden loon werd in het vooruitzicht gesteld.

Zij was 55 jaar oud. Tijdens de periode van inschrijving in de tewerkstellingscel die zes maanden bedroeg, ontving zij een inschakelingvergoeding die gedeeltelijk de opzeggingsvergoeding verving, zodat nog een saldo gelijk aan 12 maanden werd uitbetaald.

De heer L. werd bij brief van 20-10-2009 ontslagen en hem werd een opzeggingsvergoeding beloofd gelijk aan 15 maanden. Hij was op dat ogenblik 45 jaar oud. Hij werd eveneens gedurende 6 maanden ingeschreven in een tewerkstellingscel en ontving gedurende die periode een inschakelingvergoeding. Er werd nog een saldo opzeggingsvergoeding gelijk aan 9 maanden uitbetaald.

De heer M. werd ontslagen bij brief van 1-10-2009 en de betaling van een opzeggingsvergoeding gelijk aan 15 maanden werd aangekondigd. Hij was op dat ogenblik 54 jaar oud. Hij werd eveneens gedurende 6 maanden ingeschakeld in een tewerkstellingscel en ontving een herinschakelingsvergoeding tijdens die periode. Er werd hem een saldo opzeggingsvergoeding gelijk aan 9 maanden loon uitbetaald.

Mevrouw M., de heer Martin en de heer L. achten de uitbetaalde vergoeding niet toereikend en vorderen een aanvullende opzeggingsvergoeding. Zij menen aanspraak te kunnen maken op een opzeggingsvergoeding berekend overeenkomstig de Claeys-schaal.

Mevrouw M. stelde haar vordering in bij dagvaarding van 30-9-2010 en vordert de veroordeling van de vennootschap in vereffening tot betaling van een aanvullende vergoeding van 25.805,70 euro gelijk aan 10 maanden loon, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

De heer M. stelde zijn vordering in bij dagvaarding van 12-10-2010 en vorderde de veroordeling van de vennootschap in vereffening tot betaling van een aanvullende vergoeding van 44.303 euro gelijk aan 9 maanden loon, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

De heer L. stelde zijn vordering eveneens in bij dagvaarding van 12-10-2010 en vorderde de veroordeling van de vennootschap in vereffening tot betaling van een aanvullende vergoeding van 26.319,16 euro gelijk aan 7 maanden loon, te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Na te hebben vastgesteld dat de vorderingen hetzelfde voorwerp hadden, voegde de arbeidsrechtbank de zaken samen.

Zij wees de vorderingen als ongegrond af daar zij van oordeel was dat er in het kader van de herstructurering een oordeelkundige afweging was gebeurd door de vereffenaars van alle elementen en belangen om te resulteren in een maximaal behoud van de tewerkstelling en een eerlijke solidaire waarborg voor alle ontslagen werknemers via de toekenning van het wettelijk minimum.

Daarnaast was de toekenning van de wettelijke minimum opzeggingsvergoeding volgens haar te verantwoorden door het traject via de tewerkstellingscel en de aard van de functies daar het telkens om knelpuntberoepen ging waarbij de ruime ervaring als troef gold die de tewerkstellingskansen van appellanten verhoogde.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

Mevrouw M. en de heren M. en L. kunnen zich niet neerleggen bij de uitspraak van de arbeidsrechtbank. Zij vorderen het hof deze te hervormen en hun vorderingen volledig toe te wijzen.

De geïntimeerde partijen verzoeken om de bevestiging van het bestreden vonnis.

BEOORDELING

I.ONTVANKELIJKHEID

Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

II.TEN GRONDE

De appellanten voeren aan dat bij het bepalen van de passende opzeggingsvergoeding slechts rekening kan worden gehouden met de criteria die hun tewerkstellingskansen beïnvloeden zoals die door een constante cassatierechtspraak worden weerhouden, te weten de leeftijd, de anciënniteit, de aard van de functie en het jaarloon.

Verder wijzen zij erop dat het belonen van de trouw aan de werkgever, uitgedrukt in de anciënniteit één van de finaliteiten is van de opzegvergoeding.

De omstandigheden waarmee rekening mag worden gehouden zijn deze van het ogenblik van het ontslag die de herclasseringskansen beïnvloeden en latere omstandigheden zoals het al dan niet snel vinden van een nieuwe betrekking mogen niet in aanmerking worden genomen, zo stellen zij.

De economische of financiële omstandigheden van de werkgever mogen volgens hen geen rol spelen bij het bepalen van de opzegtermijn daar zij niet van invloed zijn op de mogelijkheden tot hertewerkstelling.

De vennootschap in vereffening wijst erop dat de betrokkenen aanvankelijk de toegekende opzeggingsvergoeding hebben aanvaard en pas laat hun aanspraken hebben geformuleerd. Hun langdurig omstandig stilzwijgen dient volgens de vennootschap als een akkoord te worden uitgelegd.

In ieder geval kan volgens de vennootschap de formule Claeys niet in aanmerking worden genomen daar zij geen wettelijke basis heeft en volgens de auteur zelf van de formule onvolkomen is.

Verder moet volgens haar rekening worden gehouden met het feit dat de werknemers een knelpuntberoep uitoefenden wat van aard is hun professionele re-integratie te bevorderen.

Zij vestigt er verder de aandacht op dat de ontslagen kaderden in een collectief ontslag als gevolg van de vereffening van de vennootschap waarbij de tewerkstelling van het personeel maximaal werd gewaarborgd door overdracht van activiteiten, ten belope van 70%, waarbij de vereffenaars een evenwicht hebben gezocht tussen het verder zetten van de activiteiten, de belangen van de ontslagen werknemers en de belangen van de andere schuldeisers.

Aangezien de kans op een verlieslatende vereffening groot is, stelden de vereffenaars dat zij niet meer dan de wettelijke minimum opzeggingsvergoeding konden waarborgen.

Beslissing van het hof.

De door art 15 van de wet van 3-7-1978 bepaalde verjaringstermijnen voor vorderingen ontstaan uit de arbeidsovereenkomst bedraagt maximaal één jaar na het beëindigen van die overeenkomst.

Appellanten hebben hun vordering binnen dit tijdsbestek ingesteld.

Uit de enkele omstandigheid dat zij gedurende lange tijd geen aanspraken op een aanvullende vergoeding hebben geformuleerd kan naar het oordeel van het hof niet worden afgeleid dat zij afstand zouden hebben gedaan van het recht op een hogere opzeggingsvergoeding.

Voor bedienden wier jaarloon het in art 82 § 2 en 63 genoemde grensbedrag te boven gaat, wordt de opzegtermijn bij gebreke aan een overeenkomst daarover tussen partijen bepaald door de rechter.

Volgens de constante rechtspraak van het Hof van Cassatie, neemt deze daarbij de voor de werknemer op het ogenblik van het ontslag bestaande kans in acht om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden. De leeftijd, anciënniteit, de aard van de uitgeoefende functie en het genoten loon worden daarvoor relevante criteria geacht.

Cass. 17 september 1975, TSR 1976, 14; Cass. 8 september 1980, Arr. Cass. 1980-1981, 17; Cass. 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass. 4 februari 1991, RW 1990-1991, 1407; Cass. 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994, 253).

De rechter oordeelt soeverein en is hierbij enkel gebonden door de wettelijke minimum opzegtermijnen. Statistische formules zijn geenszins bindend doch kunnen soms wel een indicatie vormen.

Het Hof van Cassatie heeft er steeds de nadruk op gevestigd dat slechts de criteria van belang zijn die de kansen op hertewerkstelling beïnvloeden. (Cass.23.2.1987, JTT '87, 265; Cass.6.11.1989, JTT '89, 482 noot G.W., Cass.3.2.2003, JTT 2003, 262)

Aangezien de opzegtermijn of de daarmee overeenstemmende vergoeding moet worden bepaald op het ogenblik van het ontslag, kan geen rekening worden gehouden met latere gebeurtenissen, zoals het al dan niet snel vinden van een nieuwe betrekking.

Dat de door de werknemers uitgeoefende beroepen als knelpuntberoepen worden aangemerkt, leidt er niet automatisch toe dat hun tewerkstellingskansen hierdoor gunstiger zijn. Voor werknemers met een lange anciënniteit in een bepaalde sector waar zij een gespecialiseerde kennis hebben verworven, is dit zeker minder het geval voor beroepen in andere sectoren.

Het hof is van oordeel dat wel rekening kan worden gehouden met de omstandigheid dat de werknemers werden ingeschreven in een tewerkstellingscel, waarbij op een actieve en professionele wijze wordt gestreefd naar een wederinschakeling in een nieuwe betrekking. De kansen van de werknemers op het vinden van een nieuwe gepaste betrekking worden hierdoor bevorderd.

Het hof meent dat geen rekening kan worden gehouden met de economische en financiële situatie van de vennootschap, waarvan overigens geen enkel bewijs voorligt. Deze omstandigheden hebben immers geen invloed op de tewerkstellingskansen van de werknemers.

Indien de vennootschap niet bij machte zou zijn de opzeggingsvergoedingen van de ontslagen werknemers te betalen, kunnen deze nog steeds een beroep doen op tussenkomst van het Fonds voor Sluiting van Ondernemingen.

Het maximaal behoud van de tewerkstelling van de werknemers, komt normaal voor aangezien het allergrootste deel van de vestigingen werd overgelaten wat eveneens de overname van de werknemers impliceert overeenkomstig de bepalingen van CAO 32 bis. De vennootschap in vereffening kon deze overdrachten te gelde maken.

Dat voor de vergoeding van de ontslagen werknemers met dit maximaal behoud van tewerkstelling rekening zou moeten worden gehouden kan het hof niet bijtreden. Dit element heeft geen invloed op de tewerkstellingskansen van de ontslagen werknemers. Deze hadden wellicht ook liever hun tewerkstelling behouden gezien en mogen geen bijkomend nadeel lijden.

De specifieke criteria voor appellanten op het ogenblik van het ontslag zijn de volgende:

Voor mevrouw M.:

Leeftijd, 55 jaar,

anciënniteit, 28 jaar en 5 maanden,

Functie: magazijnier

Jaarloon: 30.966,84 euro.

Voor de heer M.:

Leeftijd, 54 jaar

Ancienniteit, 22 jaar en 2 maanden

Functie: hoofdverkoper

Jaarloon: 59.070,70 euro.

Voor de heer L.

Leeftijd 45 jaar

Ancienniteit 21 jaar 5 maanden

Functie: gespecialiseerd verkoper verven

Jaarloon, 45.118,58 euro.

Rekening houdend met die criteria en met hoger vermelde overwegingen i.v.m. de hertewerkstellingskansen, bepaalt het hof de passende opzegtermijn als volgt:

Voor mevrouw M. op 26 maanden,

Voor de heer M.: op 20 maanden

Voor de heer L.: op 19 maanden.

Bijgevolg kan

mevrouw M. aanspraak maken op een saldo van 8 maanden opzeggingsvergoeding, hetzij: 30.966,84 euro x 8/12 = 20.644,56 euro.

de heer M. aanspraak maken op een saldo van 5 maanden opzeggingsvergoeding, hetzij: 59.070,76 euro x 5/12 = 24.612,81 euro.

de heer L. aanspraak maken op een saldo van 4 maanden opzeggingsvergoeding

hetzij: 45.118,58 euro X 4/12= 15.039,52 euro.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond als volgt

Hervormt het bestreden vonnis;

Veroordeelt de NV ADB in vereffening tot betaling aan

-mevrouw M. van een bedrag van 20.644,56 euro.

Als saldo opzeggingsvergoeding gelijk aan 26 maanden loon

-de heer M. van een bedrag 24.612,81 euro.

Als saldo opzeggingsvergoeding gelijk aan 20 maanden loon

-de heer L. van een bedrag van 15.039,52 euro.

Als saldo opzeggingsvergoeding gelijk aan 19 maanden loon,

De wettelijke en gerechtelijke intresten op die bedragen.

Veroordeelt de vennootschap in vereffening tevens tot de kosten van beide aanleggen.

De proceskosten van appellanten werden begroot:

Aan de zijde van Mevrouw M. op:

-130,51 euro als kosten van de dagvaarding;

-2.000 euro als rechtsplegingvergoeding voor de arbeidsrechtbank;

Aan de zijde van de heer L. op:

- 286,67 euro als kosten van de dagvaarding;

-2.000 euro als rechtsplegingvergoeding voor de arbeidsrechtbank;

Aan de zijde van de heer M. op:

-377,16 euro als kosten van de dagvaarding;

-2.500 euro als rechtsplegingvergoeding voor de arbeidsrechtbank;

- 3.300 euro als rechtsplegingvergoeding in hoger beroep voor de drie appellanten gezamenlijk., hetzij 1100 euro voor elk van hen.

Aldus gewezen door de derde kamer en ondertekend door:

G. Balis, kamervoorzitter;

J. Lindemans, raadsheer in sociale zaken, als werkgever;

S. Marchand, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-

bediende;

Bijgestaan door

S. Van Landuyt, griffier, toegevoegd art. 329 Ger. W.

.

G. Balis S. Van Landuyt

J. Lindemans S. Marchand

De heer J. Lindemans, raadsheer in sociale zaken, als werkgever, die bij de debatten aanwezig was en aan de beraadslaging heeft deelgenomen, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen.

Overeenkomstig artikel 785 Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door G. Balis, kamervoorzitter en S. Marchand, raadsheer in sociale zaken, als werknemer-bediende.

S. Van Landuyt, griffier, toegevoegd art. 329 Ger. W.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van de derde kamer van het arbeidshof te Brussel op 4 september tweeduizend en twaalf door :

G. Balis kamervoorzitter

Bijgestaan door

S. Van Landuyt griffier, toegevoegd art. 329 Ger. W.

G. Balis S. Van Landuyt

Free keywords

  • Rechtswetenschap Algemene beginselen Gebruik voorwaarden en bewijs