- Arrêt of October 15, 2012

15/10/2012 - 2011/AB/680

Case law

Summary

Samenvatting 1

1. Het ogenblik van beëindiging van de arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet is de datum waarop de contractuele betrekkingen tussen werkgever en werknemer een einde nemen.

Indien de arbeidsovereenkomst onregelmatig werd beëindigd, vangt de verjaringstermijn van één jaar aan vanaf het ogenblik waarop de arbeidsovereenkomst onregelmatig werd beëindigd.

De verjaringstermijn neemt een aanvang op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag.

2. In burgerlijke zaken moet de partij die een op een misdrijf gegronde vordering heeft ingesteld, de aanwezigheid van de bestanddelen van het misdrijf bewijzen.

Bij het beoordelen van het moreel bestanddeel van het misdrijf dient te worden nagegaan of de dader van het misdrijf de strafbare gedraging had kunnen voorkomen

In de mate dat de vordering gesteund is op het bestaan van een misdrijf, is zij ongegrond, nu van het moreel bestanddeel van het misdrijf geen bewijs wordt geleverd.


Arrêt - Integral text

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 OKTOBER 2012.

5DE KAMER

Arbeidscontract

Op tegenspraak

Definitief + Verzending naar de rechtbank van Koophandel te Brussel

In de zaak:

O. , wonende te xxx.

Appellant, vertegenwoordigd door Mr. R. BOLLEN, advocaat te Leuven.

Tegen:

Mtr Alain D'IETEREN, advocaat te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187.

Mtr Christian VAN BUGGENHOUT, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106.

Mtr Ilse VAN DE MIEROP, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106.

Allen in hun hoedanigheid van curatoren van de N.V. SABENA met maatschappelijke zetel te 1200 Brussel, Mounierlaan 2, open verklaard bij vonnis van de rechtbank van Koophandel te Brussel dd. 7 november 2001.

Geïntimeerden, vertegenwoordigd door Mr. K. VAN VAERENBERGH, advocaat te Brussel.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van de vonnissen gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 17 juni 2009 en 17 mei 2011;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 juli 2011;

- de conclusies en syntheseconclusies van de partijen;

Gelet op de neergelegde stukken van de partijen.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 17 september 2012 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

 

I. FEITEN

De heer O. werkte in dienst van de NV Sabena als arbeider ‘weekendist' op de dienst catering als bordenwasser. Dit betekende dat hij in de weekends kon opgeroepen worden om te werken, eventueel ook tijdens de schoolvakanties.

Uit de voorgebrachte documenten blijkt dat hij in dit systeem prestaties leverde in de periode van 5 juni tot 22 september 2001.

Met brief van 30 oktober 2001 meldde de NV Sabena (dienst catering) aan de heer O. dat op zijn diensten geen beroep meer zou worden gedaan tijdens de weekends, en werd hem gevraagd om de identificatiebadges en de werkkledij terug te brengen.

Op 7 november 2001 werd de NV Sabena door de Rechtbank van koophandel te Brussel failliet verklaard en werden huidige geïntimeerden (hierna genoemd de curatoren) aangesteld als curatoren.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 8 november 2002 vorderde de heer O. voor de Rechtbank van koophandel te Brussel lastens de curatoren hem akte te verlenen van zijn aangifte van schuldvordering en deze schuldvordering op te nemen in het passief van het faillissement van de NV Sabena ten belope van 1 EUR provisioneel in het gewone passief en 1 EUR provisio-neel in het bevoorrecht passief, zulks ten titel van iedere verschuldigde vergoeding, hetzij op contrac-tuele basis, op basis van de toepasselijke CAO's, alsook op wettelijke basis en op grond van het gebruik.

Hij vorderde tevens de voorlopige uitvoerbaarheid van het vonnis zonder enige reserve.

Met vonnis van 29 juni 2004 verzond de rechtbank van koophandel de zaak prejudicieel naar de Arbeids-rechtbank te Brussel, voor beslechting ten gronde.

b.-

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 15 september 2006, vorderde de heer O. op grond van het feit dat het personeel van de gefailleerde door de curatoren op 9 november 2001 werd ontslagen, te zeggen voor recht dat hij recht had op een verbrekingsvergoeding, provisioneel begroot op 1 EUR.

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 19 mei 2008, begrootte de heer O. zijn schuldvordering op:

1 EUR bruto provisioneel ten titel van ontslagvergoeding

1 EUR bruto provisioneel ten titel van achterstallig loon

1 EUR bruto ten titel van achterstallige premies

1 EUR ten titel van een schadevergoeding gelijk aan het achterstallige loon

1 EUR bruto ten titel van schadevergoeding gelijk aan het achterstallige of gederfde vakantiegeld

1 EUR bruto provisioneel ten titel van schadevergoeding gelijk aan achterstallige of gederfde premies

Hierbij werd de vordering met betrekking tot alle onderdelen op de gevorderde ontslagvergoeding na, gesteund op het bestaan van misdrijven.

Hij vorderde tevens de veroordeling van het college van curatoren tot voorlegging van alle tewerkstel-lingsgegevens van hemzelf en van alle toepasselijke collectieve arbeidsovereenkomsten die hem in staat moesten stellen om zijn schuldvordering in het gewone en het bevoorrechte passief van het faillissement te begroten.

Tenslotte vorderde hij de veroordeling van de curatoren tot alle kosten van het geding, en na begroting van de schuldvordering de zaak te verwijzen naar de Rechtbank van koophandel te Brussel met het oog op de opname van de schuldvordering in het gewone en bevoorrechte passief van het faillissement.

Met conclusie, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 21 augustus 2008, begrootte de heer O. zijn schuldvordering op:

1 EUR bruto provisioneel ten titel van ontslagvergoeding

1 EUR bruto provisioneel ten titel van achterstallig loon

1 EUR bruto ten titel van achterstallige premies

1 EUR bruto ten titel van schadevergoeding gelijk aan het achterstallige of gederfde vakantiegeld

1 EUR bruto provisioneel ten titel van schadevergoeding gelijk aan achterstallige of gederfde premies.

c.-

Met vonnis van 17 juni 2009 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering van de heer O. tot betaling van een ontslagvergoeding onontvankelijk (wegens verjaring) en zij verzond de zaak voor het overige naar de rol voor verdere instaatstelling. De beslissing met betrekking tot de kosten werd aangehouden.

d.-

Met conclusie na dit tussenvonnis, neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank op 24 november 2010, vorderde de heer O. de vordering in het bevoorrecht passief van de NV Sabena te begroten als volgt:

1.600,88 EUR bruto ten titel van achterstallig loon

1.164,60 EUR als schadevergoeding voor de patronale bijdrage voor niet-ontvangen maaltijdcheques

Verder vorderde hij de vordering in gewoon passief als volgt te begroten:

177,93 EUR kosten dagvaarding

715,00 EUR rechtsplegingsvergoeding

Tenslotte vorderde hij de zaak te verwijzen naar de Rechtbank van koophandel te Brussel met het oog op de opname van de schuldvordering in het gewone en bevoorrechte passief van het faillissement.

e.-

Met vonnis van 17 mei 2011 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering onontvankelijk (wegens verjaring).

De kosten van dagvaarding werden ten laste gelegd van de heer O..

f.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van de door de arbeidsrechtbank op 17 juni 2009 en 17 mei 2011 gewezen vonnissen.

g.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 20 juli 2011, tekende de heer O. hoger beroep aan tegen de door de arbeidsrechtbank op 17 juni 2009 en 17 mei 2011 gewezen vonnissen.

Hij vorderde dat het arbeidshof zijn vordering in het bevoorrecht passief van de NV Sabena zou begroten als volgt:

911,75 EUR bruto ten titel van ontslagvergoeding

1.600,88 EUR bruto ten titel van achterstallig loon

1.164,60 EUR als schadevergoeding voor de patronale bijdrage voor niet-ontvangen maaltijdcheques.

Verder zijn vordering in het niet bevoorrecht passief als volgt te begroten:

177,93 EUR dagvaardingskosten

715,00 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank

715,00 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

Tenslotte vorderde hij de zaak te verwijzen naar de Rechtbank van koophandel te Brussel met het oog op de opname van de schuldvordering in het gewone en bevoorrechte passief van het faillissement.

In zijn syntheseconclusie, neergelegd ter griffie van het arbeidshof op 7 mei 2012, vordert de heer O. dat het arbeidshof zijn vordering in het bevoorrecht passief van de NV Sabena zou begroten als volgt:

In hoofdorde

861,19 EUR bruto ten titel van ontslagvergoeding

4.932,22 EUR bruto ten titel van achterstallig loon

1.213,12 EUR als vergoeding voor de patronale bijdrage voor niet-ontvangen maaltijdcheques.

In ondergeschikte orde

7.006,53 EUR ten titel van schadevergoeding ten titel van herstel in natura wegens niet-betaald loon.

Verder zijn vordering in het niet bevoorrecht passief als volgt te begroten:

177,93 EUR dagvaardingskosten

990,00 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank

990,00 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof.

Tenslotte vorderde hij de zaak te verwijzen naar de Rechtbank van koophandel te Brussel met het oog op de opname van de schuldvordering in het gewone en bevoorrechte passief van het faillissement.

h.-

De curatoren vorderen:

In hoofdorde

Te zeggen voor recht dat de vordering van de O. ontoelaatbaar, minstens ongegrond is en de gedingkosten ten laste te leggen van de heer O..

In ondergeschikte orde

Te zeggen voor recht dat de vordering van de heer O. als volgt te begroten is:

893,90 EUR maaltijdcheques

582,43 EUR bruto achterstallig loon (366,41 EUR netto).

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

1. De verjaring van de vordering gesteund op de arbeidsovereenkomst(en) (ex contractu)

a.-

Artikel 15 eerste lid van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt:

"De rechtsvorderingen die uit de overeenkomst ontstaan, verjaren één jaar na het eindigen van deze overeenkomst of vijf jaar na het feit waaruit de vordering is ontstaan zonder dat deze termijn één jaar na het eindigen van deze overeenkomst mag overschrijden."

Het ogenblik van beëindiging van de arbeidsovereen-komst in de zin van artikel 15 van de Arbeidsover-eenkomstenwet is de datum waarop de contractuele betrekkingen tussen werkgever en werknemer een einde nemen.

Indien de arbeidsovereenkomst onregelmatig werd beëindigd, vangt de verjaringstermijn van één jaar aan vanaf het ogenblik waarop de arbeidsovereenkomst onregelmatig werd beëindigd.

De verjaringstermijn neemt een aanvang op het ogenblik van de kennisgeving van het ontslag.

De eenjarige verjaringstermijn van artikel 15 van de Arbeidsovereenkomstenwet worden berekend volgens de bepalingen van de artikels 2260 en 2261 BW. De dies a quo wordt niet meegerekend, de dies ad quem wel.

b.-

In voorliggende betwisting heeft de thans gefailleerde NV Sabena met brief van 30 oktober 2001 aan de heer O. gemeld dat op zijn diensten geen beroep meer zou worden gedaan tijdens de weekends, en werd hem gevraagd om de identificatiebadges en de werkkledij terug te brengen.

Dergelijke mededeling kan niet anders worden geïnterpreteerd dan als een ontslag.

Ontslag wordt inderdaad omschreven als de handeling waarbij een partij aan de andere partij ter kennis brengt dat zij besloten heeft de arbeidsovereenkomst te beëindigen.

(vgl. Cass. 14 oktober 2002, J.T.T. 2003, 109; Cass. 19 mei 2008, RABG 2009, 157, noot V. Dooms)

De mededeling in de brief van de NV Sabena van 30 oktober 2012 is een duidelijke aanduiding van het feit dat de NV Sabena alleszins vanaf deze datum de contractuele betrekkingen met de heer O. wenste stop te zetten.

Hierbij moet verder vastgesteld worden dat er geen reactie van de heer O. op deze brief wordt bijgebracht, in welke vorm dan ook, en dat uit de bijgebrachte sociale documenten blijkt dat betrokkene na deze datum geen prestaties meer heeft verricht voor de NV Sabena.

Dat de arbeidsovereenkomst van de andere werknemers van de NV Sabena door de curatoren slechts zou zijn beëindigd op 9 november 2001, verandert niets aan het feit dat de arbeidsovereenkomst van de heer O. - zelfs indien aanvaard wordt dat deze als een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd moet worden beschouwd - geacht moet worden een einde genomen te hebben op uiterlijk 30 oktober 2001.

Een ontslag heeft immers onmiddellijke uitwerking.

c.-

Met toepassing van voornoemde principes neemt de verjaringstermijn een aanvang op 31 oktober 2001, en is de verjaring verkregen na het verstrijken van een termijn van één jaar, d.i. op 30 oktober 2002 te 24.00 uur.

De vordering ingesteld met dagvaarding van 8 november 2002 door de heer O. uitgebracht, is bijgevolg verjaard, in de mate dat deze vordering gesteund is op de arbeidsovereenkomst.

2. De verjaring van de vordering gesteund op misdrijven (ex delicto)

a.-

Het staat niet ter discussie dat de heer O. zijn vordering tot betaling van de nog in het geding zijnde vergoedingen alleszins in hoofdorde ex delicto heeft gesteld.

In burgerlijke zaken moet de partij die een op een misdrijf gegronde vordering heeft ingesteld, de aanwezigheid van de bestanddelen van het misdrijf bewijzen.

(vgl. Cass. 16 februari 1990, Arr. Cass. 1989-90, 782)

Wanneer de burgerlijke rechter een uitspraak moet doen over een op een misdrijf gesteunde vordering en nagaat of de vordering eventueel verjaard is, moet hij vaststellen dat de feiten die aan de vordering ten grondslag liggen onder toepassing van de strafwet vallen. Hij is gehouden de constitutieve elementen van dit misdrijf die een invloed hebben op de beoordeling van de verjaring na te gaan en mag zich er niet toe beperken vast te stellen dat de werknemer het bestaan van het misdrijf inroept ter ondersteuning van zijn vordering.

(vgl. Cass. 25 oktober 2004, onuitg., Nr. S.99.0190.F; Cass. 9 februari 2009, J.T.T. 2009, 211, met conclusie Proc.-Gen. J.-F. Leclercq)

Bij de beoordeling van een vordering ex delicto dient de rechter bijgevolg na te gaan of het materieel en het moreel element van het misdrijf waarop de heer O. zich steunt, aanwezig zijn.

b.-

Artikel 56, 1° van de CAO-wet stelt strafbaar de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, die zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van een algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst.

Artikel 54, 2° van de Jaarlijkse Vakantiewet stelt de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, die niet of niet binnen de voorgeschreven termijn of volgens de reglementaire modaliteiten, het verschuldigde vakantiegeld hebben betaald.

Artikel 42, 1° van de Loonbeschermingswet tenslotte stelt strafbaar de werkgever, zijn aangestelden of lasthebbers, die zich schuldig hebben gemaakt aan overtreding van de bepalingen van de Loonbeschermingswet die betrekking hebben op de tijdige betaling van het loon.

Van het materieel element van het misdrijf levert de heer O. bijgevolg afdoend bewijs, doch slechts in de mate dat de door hem gevorderde bedragen teruggebracht kunnen worden tot een overtreding van de CAO-wet, de Jaarlijkse Vakantiewet of de Loonbeschermingswet.

c.-

Wanneer in de wettelijke omschrijving van een misdrijf geen sprake is van opzet of onachtzaamheid, is het misdrijf niet louter strafbaar doordat het materiële feit is gepleegd.

(vgl. Cass. 12 mei 1987, R.W. 1986-87, 538, concl. Adv.-Gen. J. du Jardin; Cass. 13 december 1994, Arr. Cass. 1994, 1104)

Voor verschillende misdrijven uit het sociaal strafrecht is geen opzet vereist: voor het bewezen verklaren van deze overtredingen is wel een moreel bestanddeel vereist, maar niet dat de dader opzettelijk heeft gehandeld.

(vgl. Cass. 31 januari 1989, Arr. Cass. 1988-89, 648; Cass. 16 februari 1993, Arr. Cass. 1993, 193)

In het sociaal strafrecht wordt het schuldbegrip op een bijzondere manier geconcretiseerd, m.n. door de figuur van de normaal vooruitziende werkgever, die geacht wordt de regels van het sociaal recht te kennen en na te leven.

(vgl. A. Vandenbergen, Het moreel element in sociaalrechtelijke misdrijven, Noot onder Arbh. Antwerpen, 10 december 1992, J.T.T. 1994, 412)

Bij het beoordelen van het moreel bestanddeel van het misdrijf dient bijgevolg telkens te worden nagegaan of de dader van het misdrijf de strafbare gedraging had kunnen voorkomen, wat neerkomt op een louter aquiliaans schuldbegrip.

(vgl. V. Dooms, De verhouding tussen de vordering ex contractu en ex delicto in het kader van de arbeidsovereenkomst, Bilbiotheek Sociaal Recht, Larcier, Brussel 2003; nr. 208)

De feitenrechter beoordeelt de volstrekte onmogelijk-heid tot handelen van de persoon die de handeling moet stellen met inachtneming van de omstandigheden waaruit volgt dat degene die zich op een rechtvaardigingsgrond beroept, heeft gehandeld zoals ieder bedachtzaam en voorzichtig mens zou hebben gedaan, die in dezelfde toestand verkeert.

(vgl. Cass. 8 januari 1996, J.T.T. 1996, 250, noot)

In voorliggende betwisting is het arbeidshof van oordeel dat de heer O. niet het bewijs levert dat de NV Sabena en bij uitbreiding de curatoren niet hebben gehandeld zoals iedere bedachtzaam en voorzichtig werkgever zou hebben gehandeld, zodat het moreel element van het misdrijf niet wordt bewezen.

Hierbij moet opgemerkt worden dat de vraag of de zgn. ‘weekendisten' al dan niet beschouwd moeten worden als verbonden met de NV Sabena door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, en hierdoor aanspraak kunnen maken op achterstallig loon, premies en vakantiegeld, klaarblijkelijk pas werd aangekaart na het faillissement. Indien aanvaard moet worden - zoals gebeurd is in de rechtspraak van dit hof, in het bijzonder in het arrest van 26 september 2005 in de zaak gekend onder AR nr. 44.963 - dat dit wel degelijk het geval is, kan men uit dit loutere feit niet afleiden dat de NV Sabena en bij uitbreiding haar curatoren voorafgaand aan het ontstaan van deze discussie niet hebben gehandeld zoals iedere bedachtzaam en voorzichtig werkgever zou hebben gehandeld.

d.-

Gelet op wat voorafgaat is de vordering van de heer O., in de mate dat deze gesteund is op het bestaan van een misdrijf, ongegrond, nu de heer O. mogelijk wel het bewijs levert van het materieel bestanddeel van de misdrijven waarop hij zich meent te kunnen steunen, doch niet van het moreel bestanddeel ervan.

 

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt de bestreden vonnissen in alle beschikkingen;

Verwijst de heer O. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van beide partijen vereffend op 990 EUR rechtsplegingsvergoeding arbeidshof;

Verwijst de zaak naar de Rechtbank van koophandel te Brussel voor definitieve afwikkeling.

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

G. JACOBS: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

P. MANS : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT: Griffier,

G. JACOBS P. MANS

D. DE RAEDT D. RYCKX

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 15 oktober 2012 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Free keywords

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Verjaring ex contractu

  • Aanvang van de verjaringstermijn

  • Verjaring ex delicto

  • Bestanddelen van het misdrijf.