- Arrêt of October 25, 2012

25/10/2012 - 2011/AB/989

Case law

Summary

Samenvatting 1

Maakt geen aanvullend voordeel uit van sociale zekerheid, en is aldus niet vrijgesteld van bijdrageplicht, de verhoging van een aanvullende ziekteuitkering met als werkelijk doel de aan de zieke werknemers toegekende voordelen aan te passen aan het feit dat aan de actieve werknemers maaltijdcheques werden toegekend. Maaltijdcheques vergoeden de extrakosten die de werknemer heeft door het feit dat hij zijn maaltijden buitenshuis, in de onderneming, moet nemen. Zieke werknemers hebben die kosten niet. Zij ondergaan dan ook geen inkomstenverlies dat op enige wijze moet gecompenseerd worden.


Arrêt - Integral text

rep.nr.: 2012/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 25 OKTOBER 2012

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - bijdragen werkgevers

tegensprekelijk

definitief

in de zaak:

1. LANDSBOND DER CHRISTELIJKE MUTUALITEITEN, K.B.O. 0411.702.543, met zetel te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg, 579 bus 40, eerste appellant,

2. CHRISTELIJKE MUTUALITEIT SINT-MICHIELSBOND, K.B.O. 0476.573.668, met zetel te 1800 VILVOORDE, Nolet De Brauwerestraat, 21, tweede appellant,

3. CHRISTELIJKE MUTUALITEIT BRUGGE, K.B.O. 0411.708.679, met zetel te 8000 BRUGGE, Oude Burg, 19, derde appellant,

4. CHRISTELIJKE MUTUALITEIT VAN HET LAND VAN WAAS, EN DENDERMONDE, K.B.O. 0850.331.197, 9100 SINT-NIKLAAS, De Castrodreef, 1, vierde appellant,

5. CHRISTELIJKE MUTUALITEIT MIDDEN-VLAANDEREN, K.B.O. 0874.853.490, met zetel te 9000 GENT, Martelaarslaan, 17, vijfde appellant,

6. CHRISTELIJKE MUTUALITEIT GEWEST OOSTENDE, K.B.O. 0411.860.317, met zetel te 8400 OOSTENDE, Ieperstraat, 12, zesde appellant,

7. CHRISTELIJKE MUTUALITEIT ROESELARE-TIELT, K.B.O. 0871.201.144, met zetel te 8800 ROESELARE, Beversesteenweg, 35, zevende appellant,

8. CHRISTELIJKE MUTUALITEIT ZUID WEST-VLAANDEREN, K.B.O. 0852.107.188, met zetel te 8500 KORTRIJK, Sint Janslaan, 10, achtste appellant,

9. KREACENTRUM VZW, K.B.O. 0429.353.771, met zetel te 8500 KORTRIJK, Sint Janslaan, 10, negende appellant,

10. THUISZORGWINKELS MIDDEN-VLAANDEREN VZW, K.B.O. 0401.079.360, met zetel te 9000 GENT, Martelaarslaan, 17, tiende appellant,

11. VOLKSWELZIJN TE BRUGGE VZW, K.B.O. 0851.459.664, met zetel te 8000 BRUGGE, Oude Burg, 19, elfde appellant,

12. VOORUITZICHT VZW, K.B.O. 0410.957.227, met zetel te 8500 KORTRIJK, Sint Janslaan, 10, twaalfde appellant,

allen vertegenwoordigd door mr. DE WACHTER T. in eigen naam en loco mr. VANDENBERGEN Alexander, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan 86C B 113,

tegen:

1. RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, K.B.O. 0206.731.645, openbare instelling, met zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11, geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. DE KERPEL S. loco mr. DERVEAUX Pieter, advocaat te 1930 ZAVENTEM, Parklaan 54.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 30-09-2011door de arbeidsrechtbank te Brussel, 27e kamer (A.R. 10/13322/A),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 28 oktober 2011,

- de neergelegde conclusies,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 27 september 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

Op 28 juni 2005 werd tussen appellanten en de representatieve vakorganisaties van werknemers een collectieve arbeidsovereenkomst afgesloten betreffende de loon- en arbeidsvoorwaarden van toepassing op het personeel "met LCM statuut". Deze collectieve arbeidsovereenkomst voorzag onder meer in zijn artikel 3 dat vanaf 1 september 2005 een supplement van 60 euro bruto per maand werd toegekend, als aanvulling op de arbeidsongeschiktheidsvergoedingen betaald in het kader van de ziekte- en invaliditeitsverzekering, aan elke bediende die voor de volledige betrokken maand, aanspraak kon maken op een disponibiliteitsvergoeding en of de disponibiliteitswedde zoals die voorheen reeds werd uitbetaald door appellanten als een aanvullend voordeel van sociale zekerheid. Artikel 7 van dezelfde overeenkomst voorzag dat vanaf 1 september 2005 aan elke werknemer maaltijdcheques werden toegekend. Voor de concrete modaliteiten inzake de toekenning van de maaltijdcheques werd verwezen naar een afzonderlijke ondernemingsovereenkomst. De tussenkomst van de werkgever in het bedrag van de maaltijdcheques bedroeg

3 euro en die van de werknemer 1,10 euro .

Op het supplement van 60 euro bruto per maand toegekend aan de werknemers in disponibiliteit werden geen RSZ bijdragen betaald, omdat deze vergoeding beschouwd werd als een aanvullend voordeel van sociale zekerheid, waarop geen bijdragen verschuldigd waren.

In het kader van een controle die uitgevoerd werd oordeelden de inspectiediensten van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de extra vergoeding die toegekend werd aan de personen in disponibiliteit niet kon beschouwd worden als een aanvullende vergoeding op een voordeel van sociale zekerheid omdat, zoals bleek uit de mondeling en schriftelijk verstrekte informatie, deze vergoeding werd toegekend als compensatie voor het feit dat de in disponibiliteit geplaatste werknemers geen maaltijdcheques kregen.

2.

Na ambtshalve regularisatie van de sociale zekerheidsbijdragen hebben appellanten, onder voorbehoud, de gevorderde bijdragen betaald, maar hebben zij bij dagvaarding van 3 september 2010 de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid gedagvaard voor de arbeidsrechtbank te Brussel in terugbetaling van de onverschuldigd betaalde sociale zekerheidsbijdragen, te vermeerderen met de wettelijke vergoedende en gerechtelijke intresten.

Bij vonnis van 30 september 2011 heeft de arbeidsrechtbank te Brussel de vordering ontvankelijk doch ongegrond verklaard.

3.

Bij verzoekschrift van 28 oktober 2011 hebben appellanten beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Er wordt geen betekeningsakte van het bestreden vonnis voorgelegd, maar het hoger beroep is ingeleid binnen de maand na de uitspraak van het vonnis van de arbeidsrechtbank, zodat het vaststaat dat het tijdig is ingesteld.

III. BEOORDELING.

1.

Volgens appellanten dient het voordeel dat door de CAO van 28 juni 2005 werd toegekend aan de werknemers, die aanspraak konden maken op een disponibiliteitsvergoeding of een disponibiliteitswedde ongetwijfeld beschouwd te worden als een aanvulling op een sociale zekerheidsvergoeding. Aldus diende dit voordeel, krachtens artikel 14 van de Wet van 27 juni 1969 op de maatschappelijke zekerheid der werknemers en artikel 2, 3e lid, van de Wet van 12 april 1965 op de bescherming van het loon, waarnaar de eerste wet verwijst, beschouwd te worden als een aanvulling van een voordeel toegekend voor de verschillende takken van sociale zekerheid. Appellanten wijzen er daarbij op dat het tot de essentie van een sociale zekerheidsregeling behoort het verlies van een inkomen te helpen dekken, zodat de omstandigheid, aangevoerd door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dat de toegekende premie in feite een compensatie uitmaakt voor het verlies van de maaltijdcheques, geen afbreuk doet aan de vaststelling dat het om een aanvullend voordeel van sociale zekerheid gaat.

Volgens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid dient steeds nagegaan te worden of het toegekende voordeel de realisatie van een sociaal zekerheidsrisico tot grondslag heeft, waarbij niet de benaming van de vergoeding doorslaggevend is maar wel de realiteit en het opzet van de werkgever. Wanneer blijkt dat de werkelijke grondslag van de toekenning van het voordeel erin bestaat een inkomensverlies te compenseren, dan kan het voordeel niet beschouwd worden als een aanvullend voordeel van sociale zekerheid. De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid verwijst naar verschillende brieven van appellanten waarin duidelijk gesteld werd dat de aanvullende vergoeding van de werknemers in disponibiliteit in feite toegekend werd als compensatie voor het feit dat zij geen aanspraak konden maken op de maaltijdcheques, die door dezelfde cao aan de actieve werknemers werden toegekend.

Beide partijen verwijzen naar rechtspraak die hun standpunt zou bevestigen.

2.

Overeenkomstig artikel 14, § 1, van de Wet van 27 juni 1969 betreffende de maatschappelijke zekerheid der werknemers worden de bijdragen voor sociale zekerheid berekend op grond van het loon van de werknemer. Volgens § 2 van dezelfde bepaling wordt het begrip loon bepaald bij artikel 2 van de Wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers. De Koning kan echter, bij in ministerraad overlegd besluit, het aldus bepaalde begrip verruimen of beperken.

Overeenkomstig artikel 2, 3e lid, van de Wet van 12 april 1965 op de bescherming van het loon worden niet als loon beschouwd de vergoedingen die rechtstreeks of onrechtstreeks door de werkgever betaald worden en die moeten worden beschouwd als een aanvulling van de voordelen toegekend voor de verschillende takken van de sociale zekerheid.

Overeenkomstig artikel 19bis, § 1, van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de Wet van 27 juni 1969 wordt het voordeel toegekend onder de vorm van een maaltijdcheque als loon beschouwd. Overeenkomstig artikel 19bis, § 2, kunnen de maaltijdcheques niet als loon worden beschouwd indien ze tezelfdertijd aan alle voorwaarden voldoen die in deze § zijn opgesomd. Één van deze voorwaarden is (2°) dat het aantal toegekende maaltijdcheques gelijk moet zijn aan het aantal dagen waarop de werknemer normale werkelijke arbeid gepresteerd heeft. Indien aan een van de voorwaarden van artikel 19bis, § 2, niet voldaan is worden de maaltijdcheques die uitgereikt zijn als loon aangezien. Indien een maaltijdcheque werd of wordt verleend ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij, al dan niet bijdrageplichtig voor sociale zekerheid, vindt artikel 19bis, § 2, evenmin toepassing (art.19bis § 1, 2e lid).

3.

De stelling van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid, zoals verwoord, dat een toegekend voordeel niet kan beschouwd worden als een aanvullend voordeel van sociale zekerheid in de zin van artikel 2, 3e lid, van de Wet van 12 april 1965 op de bescherming van het loon, wanneer het tot voorwerp of doel heeft een inkomstenverlies te compenseren, kan als dusdanig niet aanvaard worden. Terecht merken appellanten op dat het tot de essentie van de sociale zekerheid voor werknemers behoort om een verlies van inkomsten uit arbeid te compenseren en dat een aanvulling op een dergelijke inkomstencompensatie onder de uitsluiting van art. 2, 3e lid, van de Wet van 12 april 1965 valt of kan vallen.

Wel kan de stelling van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aanvaard worden dat er geen sprake is van een aanvullend voordeel van sociale zekerheid, met vrijstelling van de verplichting daarop sociale zekerheidsbijdragen te betalen, wanneer blijkt dat in werkelijkheid het voordeel toegekend wordt ter vervanging of ter omzetting van loon, premies, voordelen in natura of enig ander voordeel of een aanvulling hierbij. De wetgever heeft deze regel verwoord in artikel 19, § 1, van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969.

4.

Op basis van de briefwisseling die door appellanten gevoerd werd met de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid (stukken 2, 3, 4 en 5 van het dossier van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid) en de verklaringen die afgelegd werden in het kader van het sociaal onderzoek (stuk 1, Rijksdienst voor Sociale Zekerheid), staat vast dat de aanvullende vergoeding, die aan de werknemers in disponibiliteit werd toegekend, de compensatie uitmaakt van het feit dat zij niet konden genieten van de maaltijdcheques die in het kader van dezelfde collectieve arbeidsovereenkomst werden toegekend aan de actieve werknemers.

5.

Uit het geciteerde artikel 19 van het Koninklijk Besluit van 28 november 1969 blijkt dat de wetgever de maaltijdcheques slechts dan aan het begrip loon heeft willen onttrekken, wanneer zij uitsluitend uitbetaald worden aan de actieve werknemers en voor de dagen waarop prestaties verricht werden. Het is slechts in die hypothese dat de wetgever aanvaard heeft dat de maaltijdcheques geen loon uitmaken, of tenminste voor de toepassing van de sociale zekerheid niet als loon beschouwd worden, maar wel als een kostenvergoeding.

De maaltijdcheques dekken de bijkomende kosten die de actieve werknemers hebben ingevolge het feit dat zij hun maaltijd op de werkplaats dienen te nemen. Historisch vindt het regime van de maaltijdcheques overigens zijn voornaamste oorsprong in de bekommernis de discriminatie weg te werken tussen de werknemers van de grote ondernemingen, die vaak aan zeer gunstige voorwaarden een maaltijd konden gebruiken in een bedrijfsrestaurant, en de werknemers van de kleine ondernemingen die een dergelijk voordeel niet genoten (cfr. B. SMEESTERS, "L'assujetissment des chèques-repas et des cheques-cadeaux à la sécurité sociale", J.T.T. 1994, p. 365).

6.

De werknemers die in ziekteverlof zijn hebben geen extra kosten omwille van het feit dat zij maaltijden buitenshuis dienen te nemen. Zij ondergaan dan ook geen inkomensverlies of loonsverlies, dat op enige wijze zou moeten gecompenseerd worden.

Door, naar aanleiding van de toekenning van maaltijdcheques aan de actieve werknemers, aan de niet-actieve werknemers een vergoeding toe te kennen, waarvan de waarde overeenstemt met de waarde van de maaltijdcheques, hebben appellanten een oneigenlijke toepassing gemaakt van de reglementering. Zij hebben geen aanvullend voordeel van sociale zekerheid toegekend, maar hebben in werkelijkheid ook aan de niet-actieve werknemers het voordeel van de maaltijdcheques toegekend, terwijl aan de voorwaarden voor deze toekenning - een effectieve tewerkstelling in de onderneming met de daaraan verbonden kosten voor maaltijden - niet voldaan was.

Daaraan dient toegevoegd te worden dat voor de berekening van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, waarop de betrokkenen recht hebben in de ziekteverzekering, ook geen rekening gehouden wordt met het voordeel van de maaltijdcheques, precies omdat deze niet als loon beschouwd worden en daarop geen sociale zekerheidsbijdragen worden ingehouden (Koninklijk Besluit van 10 juni 2001 ‘waarin, in toepassing van artikel 39 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, het uniform begrip "gemiddeld dagloon" wordt vastgesteld en sommige wettelijke bepalingen in overeenstemming worden gebracht', art. 2). De toegekende vergoeding kan ook om die reden niet beschouwd worden als een aanvulling op een voordeel toegekend door een sociale zekerheidsregeling.

7.

Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het bestreden vonnis.

Veroordeelt appellanten tot de kosten van het hoger beroep, begroot in hoofde van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid op 1.320 euro .

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 25 oktober 2012 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Free keywords

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ALGEMENE REGELING

  • Bijdragen.