- Arrêt of November 9, 2012

09/11/2012 - 2011/AB/648

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer een werkgever na het ouderschapsverlof van een werkneemster geen voltijdse tewerkstelling aanbiedt, zij het om economische redenen,dan geeft deze reden te kennen dat het ontslag mede was ingegeven door het recht dat zij krachtens 107bis van de Herstelwet van 22 december 1985 ontleende aan de uitoefening van het ouderschapsverlof, zodat het ontslag niet gegeven was om redenen die vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestatie als gevolg van de uitoefening van haar recht op ouderschapsverlof. De werkneemster kan dan aanspraak maken op de bescherming krachtens art. 101 van de wet.


Arrêt - Integral text

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 9 NOVEMBER 2012.

3DE KAMER

Bediendecontract

Tegensprekelijk

Definitief + Verzending naar de rechtbank van koophandel te Turnhout

In de zaak:

M. C.,

Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door

Mr L. DE GRAEVE loco Mr L. VERMEULEN, advocaat te Herselt.

Tegen:

VAN CAUWENBERGH Jo, advocaat met kantoor gevestigd te 2300 TURNHOUT, Harmoniestraat 36, curator van het faillissement van de N.V. EKSPRO ( voorheen N.V. PROOST) met maatschappelijke zetel gevestigd te 2300 TURNHOUT, Everdongenlaan 23.

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellant op incidenteel beroep, vertegenwoordigd door

Mr Gert HERMANS, advocaat te Mol.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Turnhout op 22 november 2004;

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest gewezen op tegenspraak door het Arbeidshof te Antwerpen op 28 februari 2006;

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie dd. 15 februari 2010 waarbij de zaak verwezen werd naar het Arbeidshof te Brussel;

- de dagvaarding na Cassatie ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 12 juli 2011;

- de conclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 12 oktober 2012 waarna de debatten gesloten werden, waarna de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak gesteld op heden.

 

I. FEITEN

1. Mevrouw M. C. trad op 21 september 1992 voltijds in dienst bij de NV Proost (later NV Ekspro genoemd, failliet verklaard bij vonnis van de recht-bank van koophandel te Turnhout van 3 mei 2012; hierna aangeduid als de NV) als bediende in de afdeling verzending.

2. Vanaf 18 november 1996 werkte ze deeltijds in diverse stelsels van loopbaanonderbreking. Tussen 17 mei 1999 en 29 augustus 1999 en tussen 29 juli 2002 en 10 november 2002 was ze met bevallingsrust.

3. Op 13 november 2002 deed ze bij de NV een aanvraag voor halftijds ouderschapsverlof voor een periode van 6 maanden ingaand op 18 november 2002 en eindigend op 17 mei 2003.

De werkgever stond dit toe en hij bevestigde op het formulier C61-SV van de RVA dat mevrouw M. werkte als bediende met een voltijdse arbeidsovereenkomst en voordien tewerkgesteld was gedurende 37 uren/week, wat een voltijds uurrooster uitmaakte. (zie 2 en 4 van rubriek II)

4. Op 8 mei 2003 beëindigde de NV de arbeidsovereen-komst van mevrouw M. met uitbetaling van een opzeggingsvergoeding van euro 11.477,70, berekend op 10 maanden op basis van een halftijds loon.

Als reden van werkloosheid vermeldde het C4-formulier: economische redenen, reorganisatie.

Bij aangetekende brief van 27 mei 2003 vroeg de vakorganisatie van mevrouw M. betaling van een opzeggingsvergoeding op basis van een voltijds loon en van een beschermingsvergoeding, respectievelijk

euro 11.477,46 en euro 13.773.

Bij antwoordbrief van 3 juni 2003 wees de NV deze aanspraken af en lichtte de economische reden van ontslag verder toe.

II. DE RECHTSPLEGING

1. Op 12 december 2003 dagvaardde mevrouw M. de NV voor de arbeidsrechtbank te Turnhout en ze vroeg betaling van:

- een aanvullende opzeggingsvergoeding van

euro 13.772,97

- een beschermingsvergoeding ouderschapsverlof van 6 maanden of euro 13.773

vermeerderd met intresten en kosten.

2. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout van 22 november 2004 werd deze vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard.

Mevrouw M. bekwam een aanvullende opzeggings-

vergoeding van euro 1.147,77 op basis van een deeltijdse tewerkstelling en een beschermingsvergoeding van

euro 6.886,62. De rechtbank oordeelde dat de NV niet voldeed aan de bewijslast in verband met de ingeroepen economische oorzaak van het ontslag.

3. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Antwerpen op 3 januari 2005, stelde mevrouw M. een beperkt hoger beroep in en ze vroeg de berekening van de haar toegekende vergoedingen op basis van een voltijds loon.

De NV stelde bij beroepsconclusie van 10 oktober 2005 incidenteel beroep in en ze vroeg de afwijzing van de vordering in verband met de bescherming ouderschaps-verlof.

4. Bij arrest van het arbeidshof Antwerpen van 28 februari 2006 werd het hoger beroep van mevrouw M. afgewezen als ontvankelijk, maar ongegrond; het incidenteel beroep werd ontvankelijk en gegrond verklaard, zodat het arbeidshof de economische grondslag van het ontslag aanvaardde en geen beschermingsvergoeding toekende.

5. Mevrouw M. tekende op 13 maart 2007 cassatie-beroep aan tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen.

Bij tussenarrest van 25 februari 2008 stelde het hof van cassatie volgende prejudiciële vraag aan het hof van justitie van de Europese gemeenschappen:

Moeten de bepalingen van de clausule 2, punten 4, 5, 6 en 7, van de [...] raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof [...], aldus worden uitgelegd dat in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever tijdens het stelsel van de verminderde arbeidsprestaties, zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn, de aan de werknemer verschuldigde opzeggingsvergoeding dient te worden bepaald op grond van het basisloon berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd als vorm van ouderschapsverlof in de zin van punt 3.a van clausule 2 van de raamovereenkomst?

Bij arrest C-116/08 antwoordde dit hof:

Clausule 2, punten 6 en 7, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, gesloten op 14 december 1995, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door de UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/75/EG van de Raad van 15 december 1997, moet aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat, wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst van een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer tijdens diens deeltijds ouderschapsverlof zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn eenzijdig beëindigt, de aan de werknemer te betalen vergoeding wordt bepaald op basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van het ontslag.

6. Bij arrest van 15 februari 2010 vernietigde het hof van cassatie het arrest van het arbeidshof Antwerpen van 28 februari 2006.

In verband met het middel over de berekening van de opzeggingsvergoeding en de beschermingsvergoeding overwoog het hof:

1. Krachtens de clausule 2.4. van de in bijlage bij de Richtlijn 96/34/EG van 3 juni 1996 opgenomen raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, dienen de

Lid-Staten of de sociale partners de nodige maatregelen te nemen om de werknemers te beschermen tegen ontslag wegens het aanvragen of opnemen van ouderschapsverlof.

Clausule 2.5 van dezelfde raamovereenkomst bepaalt dat de werknemer na het ouderschapsverlof het recht heeft terug te keren in zijn vroegere functie of, indien dat niet mogelijk is, in een gelijkwaardige of vergelijkbare functie.

Krachtens clausule 2.6 van dezelfde raamovereenkomst, blijven de op datum van ingang van het ouderschapsverlof door de werknemer verworven rechten of rechten in wording ongewijzigd behouden tot het einde van het ouderschapsverlof en zijn deze rechten na afloop van het ouderschapsverlof van toepassing.

Overeenkomstig clausule 2.7 van dezelfde raamovereenkomst stellen de Lidstaten of de sociale partners de regeling vast die gedurende het ouderschapsverlof op de arbeidsovereenkomst of de arbeidsverhouding van toepassing is.

2. Uit het geheel van deze bepalingen volgt dat de in bijlage bij de Richtlijn

96/34/EG opgenomen raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof wil waarborgen dat de werknemer niet zou worden ontslagen om reden van het ouderschapsverlof en dat hij tijdens het ouderschapsverlof zijn vroegere rechten behoudt.

3. Krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 oktober 1997 tot invoering van een recht op ouderschapsverlof in het kader van de onderbreking van de beroepsloopbaan, heeft de werknemer om voor zijn kind te zorgen het recht om hetzij gedurende een periode van drie maanden de uitvoering van de arbeidsovereenkomst te schorsen zoals bedoeld bij artikel 100 van de Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, hetzij, wanneer hij voltijds is tewerkgesteld, zijn arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten gedurende een periode van zes maanden in de vorm van een halftijdse vermindering zoals bedoeld in artikel 102 van voornoemde Herstelwet, ofwel gedurende een periode van vijftien maanden in de vorm van een vermindering met één vijfde.

4. Wanneer de werknemer gebruik maakt van zijn recht om de arbeidsprestaties deeltijds verder te zetten in de vorm van een vermindering van de arbeidsprestaties om voor zijn kind te zorgen, is de uitvoering van de arbeidsovereenkomst tijdens de periode van vermindering niet volledig geschorst en heeft de werknemer recht op een overeenkomstig loon van zijn werkgever.

5. Artikel 39, §1, eerste lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat wanneer de overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, de partij die de overeenkomst beëindigt zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn, gehouden is de andere partij een vergoeding te betalen die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van de opzeggingstermijn, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn.

Krachtens het tweede lid van diezelfde bepaling, behelst die opzeggingsvergoeding niet alleen het lopend loon, maar ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

6. Krachtens het te dezen toepasselijke artikel 102, §1, eerste lid, van de

Herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen, wordt een uitkering toegekend aan de werknemer die met de werkgever overeenkomt om zijn arbeidsprestaties te verminderen met een breukdeel van het normaal aantal arbeidsuren van een voltijdse betrekking, ofwel de toepassing vraagt van een collectieve arbeidsovereenkomst die in een dergelijke regeling voorziet.

Overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 101, eerste lid, van dezelfde wet, mag de werkgever, wanneer de arbeidsprestaties werden verminderd met toepassing van voormeld artikel 102, geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de Arbeidsovereenkomstenwet of om een voldoende reden.

Artikel 103 van dezelfde wet bepaalt dat de termijn van de opzegging ter kennis gebracht van de werknemer die zijn arbeidsprestaties overeenkomstig voormeld artikel 102 heeft verminderd, in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, zal berekend worden alsof de

werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.

Die wetsbepaling bepaalt tevens dat met de duur van deze opzeggingstermijnen eveneens rekening moet worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding bedoeld in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet.

7. Krachtens artikel 249, derde lid, van het op 25 maart 1957 te Rome ondertekende en bij de Belgische wet van 2 december 1957 goedgekeurde verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, hierna EG-verdrag, waarin de voorrang van het gemeenschaprecht op het intern recht is vastgelegd, is een richtlijn verbindend ten aanzien van het te bereiken resultaat voor elke Lid- Staat waarvoor zij bestemd is, zij het dat aan de nationale instanties de bevoegdheid wordt gelaten vorm en middelen te kiezen.

De uit een richtlijn voortvloeiende verplichting van de Lid-Staten van de

Europese Unie om het met de richtlijn beoogde resultaat te bereiken, alsook hun verplichting om, krachtens artikel 10 van het EG-verdrag, alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van de uit het

Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren, gelden voor alle met overheidsgezag beklede instanties van de Lid-Staten en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties. De nationale rechter dient dus bij de toepassing van het nationale recht dat recht zoveel mogelijk uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, teneinde het daarmee beoogde resultaat te bereiken en aldus aan artikel 249, derde lid, van het EG-verdrag te voldoen.

8. Bij arrest van 22 oktober 2009 heeft het Hof van Justitie van de Europese

Gemeenschappen beslist: "Clausule 2, punten 6 en 7, van de raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, gesloten op 14 december 1995, die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 96/34/EG van de Raad van 3 juni 1996 betreffende de door UNICE, het CEEP en het EVV gesloten raamovereenkomst inzake ouderschapsverlof, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/75/EG van de Raad van 15 december 1997, moet aldus worden uitgelegd dat zij eraan in de weg staat dat, wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst van een voor onbepaalde tijd voltijds in dienst genomen werknemer tijdens diens deeltijds ouderschapsverlof zonder dringende reden of zonder inachtneming van de wettelijk bepaalde opzeggingstermijn eenzijdig beëindigt, de aan de werknemer te betalen vergoeding wordt bepaald op

basis van het verminderde loon dat hij ontvangt op het tijdstip van het ontslag."

9. Hieruit volgt dat de bepaling van artikel 103 van de Herstelwet van 22 januari 1985, dat in geval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever op een tijdstip dat de werknemer zijn arbeidsprestaties heeft verminderd overeenkomstig artikel 102 van deze Herstelwet, de opzeggingstermijn dient te worden berekend alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd en met de duur van deze opzeggingstermijn rekening dient te worden gehouden bij het vaststellen van de vergoeding, bedoeld in artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet, aldus dient te worden uitgelegd dat, hoewel geen

uitdrukkelijke afwijking is bepaald, de opzeggings-vergoeding ten gunste van de werknemer in dat geval ook dient te worden berekend met inachtneming van het loon alsof de werknemer voltijds zou zijn tewerk-gesteld op het ogenblik van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

10. Het arrest bepaalt de verschuldigde opzeggingsvergoeding met inachtneming van het loon voor de verminderde arbeidsprestaties.

Aldus legt het arrest artikel 39 van de Arbeidsovereenkomstenwet en de artikelen

101, 102 en 103 van de Herstelwet van 22 januari 1985 uit zonder acht te slaan op de voornoemde richtlijn en miskent het de uit het EG-verdrag voortvloeiende

verplichtingen. (eigen onderlijning)

In verband met het middel over de bescherming antwoordde het hof:

13. De werknemer die de in artikel 102 van de Herstelwet van 22 januari 1985 bepaalde mogelijkheid tot vermindering van de arbeidsprestaties heeft uitgeput, heeft krachtens artikel 107bis, §1, het recht om aansluitend op de periode van verminderde arbeidsprestaties over te gaan naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst. Daaruit volgt dat hij aansluitend op de periode van arbeidsvermindering in beginsel terug het recht heeft op een voltijdse arbeidsovereenkomst, tenzij hij opteert voor een deeltijdse arbeidsovereenkomst die voorziet in het zelfde arbeidsregime als op de werknemer van toepassing was tijdens de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties.

14. Het arrest oordeelt: "Dat de keuze op (de eiseres) is gevallen, is te verklaren door het feit dat zij na het einde van het ouderschapsverlof opnieuw voltijds diende tewerkgesteld te worden, gelet op de volledige uitputting van haar rechten op loopbaanonderbreking (...), en een voltijdse tewerkstelling omwille van de ernstige economische crisis bij de NV en het daaruit voortvloeiende gebrek aan werk onmogelijk was."

Met deze reden geeft het arrest te kennen dat het ontslag van de eiseres mede is ingegeven door het recht dat zij krachtens 107bis van de Herstelwet van 22 december 1985 ontleent aan de uitoefening van het ouderschapsverlof, zodat het niet wettig oordeelt dat het ontslag gegeven is om redenen die vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestatie van de eiseres ingevolge de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof. Aldus schendt het arrest artikel 101 van de herstelwet van 22 januari 1985 houdende sociale bepalingen. (eigen onderlijning)

7. Bij dagvaarding na cassatie van 21 juni 2011 werd de zaak bij het arbeidshof te Brussel aanhangig gemaakt.

Mevrouw M. handhaafde haar volledige oorspronkelijke vordering en vroeg de vernietiging van het vonnis van de arbeidsrechtbank te Turnhout in zoverre deze vordering ongegrond was verklaard.

De NV handhaafde haar incidenteel beroep en vroeg de afwijzing van de vordering in verband met de bescherming, minstens een getuigenverhoor, of alleszins een beperking van de beschermingsvergoeding, zoals door de eerste rechter beslist.

III. BEOORDELING

1. Het hoger beroep na cassatie werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

Voltijdse of deeltijdse basis voor de berekeningen

2. In het formulier C61-SV van de RVA van 5 november 2002 bevestigde de NV dat mevrouw M. werkte als bediende met een voltijdse arbeidsovereenkomst en voordien tewerkgesteld was gedurende 37 uren/week, wat een voltijds uurrooster uitmaakte. (zie 2 en 4 van rubriek II)

3. Het hof sluit zich aan bij de overwegingen van het cassatiearrest van 15 februari 2010, zoals overgenomen in randnummer II.6.

Gelet op de bevestiging door de NV dat de bediende met een voltijdse arbeidsovereenkomst tewerkgesteld was, dient de opzeggingsvergoeding ten gunste van mevrouw M. te worden berekend met inachtneming van het loon alsof de werknemer voltijds zou zijn tewerkgesteld op het ogenblik van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de andere periodes van loopbaanonderbreking.

4. Terecht vordert mevrouw M. een saldo opzeggingsvergoeding van euro 13.772,81, berekend als volgt:

euro 1.978,88 x 13,92 = euro 27.546,01/12 x 11= euro 25.250,51

- reeds betaald euro 11.477,70

Blijft euro 13.772,81

Haar hoger beroep is op dit punt gegrond.

Voor de beschermingsvergoeding wordt verwezen naar wat gezegd wordt in randnummer 8.

De bescherming ouderschapsverlof

5. Mevrouw M. genoot van ouderschapsverlof in de zin van het KB van 29 oktober 1997, waardoor ze recht had op de bescherming van art. 101 van de Herstelwet van 22 januari 1985.

Deze bepaling zegt: Wanneer de uitvoering van de arbeidsovereenkomst wordt geschorst met toepassing van art. 100, eerste lid en 100bis, of wanneer de arbeidsprestaties worden verminderd met toepassing van art. 102§1 en 102bis, mag de werkgever geen handeling verrichten die ertoe strekt eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking, behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, of om een voldoende reden....

Als voldoende reden geldt een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de bij artikel 100 en 100bis bedoelde schorsing of de in de artikelen 102 en 102bis bedoelde vermindering.

Dit verbod eindigt drie maanden na het einde van de schorsing van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties.

De werkgever die, ondanks de bepalingen van het eerste lid de arbeidsovereenkomst beëindigt zonder een dringende reden of een voldoende reden, is gehouden om aan de werknemer een forfaitaire vergoeding te betalen die gelijk is aan het loon van zes maanden onverminderd de vergoedingen die bij een verbreking van de arbeidsovereenkomst aan de werknemer moeten worden betaald.

De werknemer die de in artikel 102 van de Herstelwet van 22 januari 1985 bepaalde mogelijkheid tot vermindering van de arbeidsprestaties heeft uitgeput, heeft krachtens artikel 107bis, §1, het recht om aansluitend op de periode van verminderde arbeidsprestaties over te gaan naar een deeltijdse arbeidsovereenkomst. Daaruit volgt dat hij aansluitend op de periode van arbeidsvermindering in beginsel terug het recht heeft op een voltijdse arbeidsovereenkomst, tenzij hij opteert voor een deeltijdse arbeidsovereenkomst die voorziet in het zelfde arbeidsregime als op de werknemer van toepassing was tijdens de periode van vermindering van zijn arbeidsprestaties.

6. Er is geen betwisting tussen partijen dat het ontslag van mevrouw M. op 8 mei 2003 in de beschermingsperiode van art. 101 van de herstelwet plaats vond. (het halftijds ouderschapsverlof liep tot 17 mei 2003)

Het ontslag gebeurde niet om dringende redenen zodat moet worden nagegaan of er een voldoende reden is waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan het ouderschapsverlof.

De NV verwijst naar economische redenen en reorganisatie, zoals verder uitgewerkt in haar brief van 3 juni 2003.

7. In het arrest van het arbeidshof Antwerpen van 28 februari 2006 werd er vanuit gegaan dat in verband met het ontslag de keuze op mevrouw M. was gevallen, te verklaren was door het feit dat zij na het einde van het ouderschapsverlof opnieuw voltijds diende tewerkgesteld te worden, gelet op de volledige uitputting van haar rechten op loopbaanonderbreking, en een voltijdse tewerkstelling omwille van de ernstige economische crisis bij de NV en het daaruit voortvloeiende gebrek aan werk onmogelijk was.

Op p. 16 van haar beroepsconclusie na cassatie, neergelegd op 7 mei 2012, bevestigt de NV voormeld motief door te stellen:

Waar appellante na het einde van het ouderschapsverlof terug voltijds in dienst zou treden, terwijl er bij concluante te weinig werk was voor een voltijdse tewerkstelling, werd appellante voorgesteld om vrijwillig over te schakelen op een deeltijds statuut;

Aangezien appellante hierop niet wenste in te gaan, zat er voor concluante niets anders op dan haar, bij gebrek aan werk voor een voltijdse tewerkstelling, te ontslaan.

Hierdoor bevestigt de NV de overweging van het arbeidshof Antwerpen.

Het hof sluit zich aan bij het cassatiearrest van 15 februari 2010 en meent dat deze reden te kennen geeft dat het ontslag van mevrouw M. mede was ingegeven door het recht dat zij krachtens 107bis van de Herstelwet van 22 december 1985 ontleende aan de uitoefening van het ouderschapsverlof, zodat het ontslag niet gegeven was om redenen die vreemd zijn aan de vermindering van de arbeidsprestatie van mevrouw M. als gevolg van de uitoefening van haar recht op ouderschapsverlof.

Het ontslag gebeurde daardoor in strijd met art. 101 van de herstelwet, zodat mevrouw M. terecht aanspraak maakt op de in deze bepaling vastgelegde beschermingsvergoeding.

De argumenten die ze verder wil putten uit haar stukken 2 tot en met 10 kunnen daaraan geen afbreuk doen en zijn niet ter zake dienend. Evenmin is het nodig om verder in te gaan op het getuigenaanbod, daar het hof zich steunt op de eigen beweringen van NV, die als dusdanig niet worden betwist of tegengesproken door mevrouw M..

8. Gelet op wat gezegd werd in randnummer 3, dient deze beschermingsvergoeding te worden bepaald op basis van het loon van een voltijdse tewerkstelling.

Ze bedraagt dus euro 1.978,88 x 13,92 = euro 27.546,01/12 x 6 maanden = euro 13.773

Hierdoor is het hoger beroep gegrond en het incidenteel beroep op dit punt ongegrond.

 

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep toelaatbaar en gegrond;

Verklaart het incidenteel beroep toelaatbaar, doch ongegrond.

Vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond.

Zegt voor recht dat mevrouw M. recht heeft op betaling van:

- een aanvullende opzeggingsvergoeding van

euro 13.722,97

- een beschermingsvergoeding ouderschapsverlof van euro 13.773

te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 9 mei 2003 en de gerechtelijke intresten.

Verzendt de zaak voor opname in het passief van het faillissement van geïntimeerde op hoofdberoep, appellante op incidenteel beroep naar de rechtbank van koophandel te Turnhout en voor verdere behandeling als naar recht.

Kosten van beide aanleggen ten laste van de NV Ekspro, deze begroot aan de zijde van mevrouw M. op

- dagvaarding euro 107,74

- rechtsplegingvergoeding eerste aanleg euro 209,71

- rechtsplegingvergoeding beroep euro 2.200,00

 

Aldus gewezen door de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

L. LENAERTS: Raadsheer,

L. REYBROECK: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

D. HEYVAERT : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-bediende,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

L. REYBROECK, D. HEYVAERT,

D. DE RAEDT, L. LENAERTS.

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 3de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 9 november 2012 door de heer L. LENAERTS, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT, L. LENAERTS.

Free keywords

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • Beroepsloopbaanonderbreking

  • Ouderschapsverlof

  • Herstelwet 22 januari 1985, art. 101 en 107bis

  • Bescherming