- Arrêt of January 8, 2013

08/01/2013 - 2012/AB/45

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het komt de partij die ontslag om dringende reden geeft toe te bewijzen dat de in art 35,3de lid WAO bepaalde termijn voor het geven van ontslag werd nageleefd.

Indien het ontslag wordt gegeven buiten de termijn van drie werkdagen nadat de feiten zich hebben voorgedaan waarop het steunt, moet de partij die ontslag geeft aantonen welke omstandigheden ertoe hebben geleid dat het ontslag pas later werd gegeven.

Wanneer de werkgever beweert dat de termijn voor het geven van ontslag pas aanving vanaf de kennisname door de tot ontslag bevoegde persoon van een auditverslag waaruit de als dringende reden ingeroepen feiten bleken, dient hij het tijdstip van kennisname door die persoon te bewijzen.

Bij gebreke aan voorlegging van dit auditverslag of van enig stuk waaruit kan blijken van wanneer dit verslag dateert of wanneer het werd meegedeeld aan de tot ontslag bevoegde persoon, is het bewijs niet geleverd dat de termijn voor het geven van ontslag om dringende reden werd nageleefd.

Een onderhoud waarbij aan de werknemer de bevindingen van het verslag samen met de gemotiveerde ontslagbrief worden meegedeeld, kan niet dienen als uitgangspunt voor de termijn van drie werkdagen voor het geven van ontslag. Daaruit blijkt immers dat de ontslagbeslissing was genomen op basis van het verslag en niet afhankelijk werd gesteld van mogelijke verklaringen van de werknemer tijdens dat onderhoud.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 januari 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

1. HUNTSMAN (EUROPE) BVBA, met maatschappelijke zetel te 3078 EVERBERG, Everslaan 45,

Appellante op hoofdberoep en geïntimeerde op incidenteel hoger beroep, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door mr. DE KOSTER Pieter, advocaat te 1150 BRUSSEL, Tervurenlaan 268A

Tegen:

1. K. ,

Geïntimeerde op hoofdberoep en appellante op incidenteel hoger beroep, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door mr. VAN ROEYEN Wim, advocaat te 9051 SINT-DENIJS-WESTREM, Drie Koningenstraat 3

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 24-11-2011door de arbeidsrechtbank te Leuven, 1e B kamer (A.R. 11/337/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 januari 2012,

de conclusies en aanvullende-en syntheseconclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 7 juni 2012 en 1 oktober 2012,

de eerste conclusie, synthseconclusies en laatste tevens syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 4 april 2012, 30 augustus 2012 en 30 oktober 2012,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 11 december 2012, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

Mevrouw K. trad op 1-2-2007 als "european energy & utilities purchasing manager EMEA" in dienst van de vennootschap HUNTSMAN Europe BVBA , een chemisch bedrijf.

Zij was belast met de aankoop van energie voor de vennootschap.

Mevrouw K. is een kaderlid met Canadese Franse nationaliteit.

De vennootschap deed een beroep op externe consulenten en adviseurs i.v.m. energiebevoorrading, beveiliging van de energiestromen en de optimalisatie van de energie en o.m. op de BVBA LARA CONSULT. Met die vennootschap sloot de BV HUNTSMAN HOLLAND een overeenkomst in april 2008.

De zaakvoerder en hoofdaandeelhouder van de vennootschap LARA CONSULT die als hoofdberoep een kaderfunctie bekleedde bij EXMAR in de energiesector was de levenspartner van mevrouw K.. Volgens mevrouw K. was dit slechts het geval vanaf september 2008, hetzij nadat het contract tussen LARA CONSULT en de BV HUNTSMAN HOLLAND werd gesloten.

Op 11-2-2011 werd mevrouw K. uitgenodigd voor een gesprek. Gelet op haar Canadees-Franse origine met het Engels als moedertaal, werd het gesprek in het Engels gevoerd.

Tijdens dit gesprek werd haar meegedeeld dat ze ontslagen werd. Het ontslag om dringende reden werd haar eveneens ter kennis gebracht met een op de zelfde dag verstuurde aangetekende brief zowel in het Engels als in het Nederlands op het adres te Hogne, 5377, Chemin des Sapins.

Het ontslag was gesteund op volgende dringende redenen:

"-Reeds in februari 2007 had u aangegeven dat Dhr. L. een bekende van U was. U had in het gebruikelijke registratieformulier Dhr L. aangegeven als "emergency contact".

-Dhr L. is naast zijn hoofdprofessionele activiteiten in de energiesector ook de man achter LARA consulting, aktief in energieconsulting.

-U hebt vanuit uw rol in Corporate Purchasing LARA aangesteld en bevestigd als enige leverancier van dit soort diensten voor Huntsman, dit zonder enige vorm van competitieve bidding wat in strijd is met de bedrijfsprocedures.

-U hebt het bedrijf nooit attent gemaakt op dit belangenconflict wat in strijd is met de regels van zowel het bedrijf als uw departement.

Onze enige conclusie is dan ook dat we hier over een ernstig belangenconflict moeten spreken."

Mevrouw K. betwistte het ontslag via haar raadsman met een brief van 23-2-2010 en stelde de vennootschap in gebreke.

Met dagvaarding van 9-2-2011 spande mevrouw K. een geding aan voor de arbeidsrechtbank. Zij vorderde de veroordeling van de vennootschap tot betaling van volgende bedragen:

- 130.939,90 euro als opzeggingsvergoeding gelijk aan 9 maanden loon

- 969,25 euro als pro rata eindejaarspremie

- 146,68 euro als vakantiegeld daarop

- 5.844,65 euro als achterstallige premie

- 896,57 euro als vakantiegeld daarop

- 2.500 euro als schadevergoeding wegens rechtsmisbruik

de afgifte van de sociale en fiscale documenten.

Bij conclusie stelde de vennootschap een tegenvordering in, aanvankelijk begroot op 1 euro provisioneel, vervolgens in syntheseconclusie op 242.751,72 euro en ter zitting herleid tot 1.000 euro wegens geleden schade en gederfde winst als gevolg van de fout van mevrouw K..

De arbeidsrechtbank verklaarde de vordering ontvankelijk en in volgende mate gegrond:

Zij veroordeelde de vennootschap tot betaling van

- 45.911 euro als verbrekingsvergoeding gelijk aan 4 maanden loon

- 774 euro als eindejaarspremie,

de wettelijke en gerechtelijke intresten daarop

- 120 euro vertrekvakantiegeld en de intresten op het nettobedrag

de afgifte van de sociale en fiscale documenten.

Zij verklaarde de vordering voor het overige niet gegrond en de tegenvordering evenmin gegrond.

Zij achtte niet bewezen dat het ontslag werd gegeven binnen de door art 35 WAO voorgeschreven termijn.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De vennootschap is het niet eens met de beslissing van de arbeidsrechtbank.

Zij vordert dat het hof haar hoger beroep ontvankelijk en gegrond zou verklaren en bijgevolg

-het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen en de vorderingen van mevrouw K. als ongegrond af te wijzen en haar eigen tegenvordering ontvankelijk en minstens in ondergeschikte orde begroot aan 1 euro provisioneel gegrond te verklaren.

Die vordering werd in totaal begroot op een bedrag van 242.751,52 euro.

-mevrouw K. te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding.

Mevrouw K. stelde bij conclusie incidenteel hoger beroep in en verzoekt het hof de vennootschap te veroordelen tot betaling van:

- een opzeggingsvergoeding t.b.v. 130.939,90 euro bruto

- een pro rata eindejaarspremie t.b.v. 969,25 euro en het vakantiegeld daarop t.b.v. 146,68 euro

-5.844,65 euro bruto als achterstallige eindejaarspremie 2007-2009 en het vertrekvakantiegeld daarop t.b.v. 896,57 euro

de wettelijke intrest op die bedragen vanaf de datum dat ze verschuldigd werden en de gerechtelijke intrest vanaf de dagvaarding tot de datum van effectieve betaling.

Minstens, alvorens recht te doen,

- haar persoonlijke verschijning te bevelen en het getuigenverhoor van de interne auditor, de heer F. en de heer M. om hen te horen over het ontslaggesprek dat uitsluitend in het Engels gebeurde op 11-2-2010

- de afgifte van de Engelstalige opzeggingsbrief te bevelen in toepassing van art 877 Gerechtelijk Wetboek en de overlegging van de slides van de voorstellingen van 6-9-2007 en december 2007, binnen de datum van het tussen te komen arrest op straffe van een dwangsom van 100 euro per dag vertraging.

- de vennootschap tevens te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 2.500 euro wegens misbruik van ontslagrecht, te vermeerderen met de vergoedende intrest.

- de vennootschap te veroordelen tot de afgifte van de sociale en fiscale documenten C4, loonfiche, vakantieattest, individuele rekening en fiche 281.10 binnen de maand na datum van het tussen te komen arrest op straffe van een dwangsom van 50 euro per document en per dag vertraging.

- de vennootschap te veroordelen tot de kosten van het geding.

BEOORDELING

I.ONTVANKELIJKHEID

Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

Dit geldt eveneens voor het incidenteel hoger beroep.

II. TEN GRONDE

Naleving van de bij art 35 WAO voorgeschreven termijnen

De vennootschap houdt staande dat de feiten waarop het ontslag is gesteund pas bekend raakten op 10-2-2010 toen de heer Poukens (Corporate Internal Audit Huntsman) zijn onderzoek naar LARA CONSULT afrondde en de resultaten ervan voorlegde aan de heer P.M. HR Director EMEA en mevrouw N.Degrieck Associate General Counsel EMEA.

Nadat de resultaten van het auditverslag waren meegedeeld, werd mevrouw K. ontboden voor een gesprek dat de heer Poukens en de heer M. met haar voerden op 11-2-2010, waarna onmiddellijk ontslag werd gegeven, gelet om de weigerachtige, onoprechte en lichtzinnige houding van mevrouw K..

De vennootschap meent dat het ontslag bijgevolg tijdig werd gegeven, aangezien de heer M. de enige tot ontslag bevoegde persoon was en de termijn voor het geven van ontslag pas aanvangt op het ogenblik dat de tot ontslag bevoegde persoon daar kennis van neemt.

Mevrouw K. betoogt dat de vennootschap niet aantoont dat de door art 35 WAO voorgeschreven termijn van drie werkdagen voor het geven van ontslag vanaf de kennisname van de feiten werd nageleefd.

Zij meent dat de vennootschap niet bewijst welke omstandigheden ertoe hebben geleid dat zij pas op 10-2-2010 kennis zou hebben gekregen van de feiten dan wel waarom pas op die datum tot ontslag werd overgegaan.

Zij merkt op dat hoewel de vennootschap beweert dat de resultaten van een audit pas via een briefing van 10-2-2010 werden overgemaakt aan de heer M., de tot ontslag bevoegd persoon, daarvan geen enkel bewijs voorligt.

De eenzijdige weergave van het gesprek van 11-2-2010 dat de heer M. en de heer Poukens met haar hadden in een bericht van deze laatste dat bovendien dateert van na het ontslag kan volgens haar niet als bewijs weerhouden worden.

Mevrouw K. betwist dat zij ooit heeft bevestigd of toegegeven dat er sprake was van een belangenconflict. Zij stelt dat haar tijdens het gesprek slechts de bevindingen van de audit werden meegedeeld en dat haar onmiddellijk de Engelstalige ontslagbrief werd meegegeven.

Art 35 lid 3 van de wet van 3-7-1978 (WAO) bepaalt dat ontslag om dringende reden niet meer mag worden gegeven zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich erop beroept.

Het komt de partij die ontslag geeft toe te bewijzen dat die termijn werd nageleefd, zoals bepaald in art 35,7de lid WAO. Indien het ontslag wordt gegeven buiten de termijn van drie werkdagen nadat de feiten zich hebben voorgedaan waarop het steunt, zal zij moeten aantonen welke omstandigheden er hebben toe geleid dat het ontslag pas later werd gegeven. (AH Br. 19-3-1985, Soc.Kron. 1985,178; AH Br.18-2-1986, JTT '86,464; AH Bergen, 1-3-1999, JTT 2000, 62)

Het tijdstip van kennisname wordt bepaald in hoofde van de persoon of het orgaan bevoegd om ontslag te geven. (Cass. 7-12-1998, JTT '99, 149, noot, RW 1999-2000, 848)

Onder kennisname moet worden verstaan dat die persoon over het bestaan van de feiten en de omstandigheden die er een dringende reden van kunnen maken voldoende zekerheid heeft verworven om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, zowel voor zijn eigen overtuiging als t.a.v. de tegenpartij en het gerecht. (Cass. 6-9-1999, RW 2000-2001, 353; Cass. 8-11-1999, JTT 2000, 210, concl. adv.-gen. Leclercq; Cass.19-3-2001, JTT 2001,249; Cass. 14-5-2001, JTT 2001, 390)

Dit tijdstip stemt niet noodzakelijk overeen met het tijdstip waarop het bewijs ervan kan worden geleverd. (Cass. 22-1-1990, TSR 1990, 139)

Wanneer de werkgever over onvoldoende elementen beschikt over het bestaan van de feiten en de zwaarwichtigheid ervan om zekerheid te verkrijgen kan hij een onderzoek voeren vooraleer hij een beslissing neemt. Hij kan ook de werknemer in zijn uitleg horen. (Cass. 14-10-1996, JTT '96, 500 noot) Het ontslag om dringende reden is immers een zeer ingrijpende sanctie die niet lichtzinnig kan worden genomen, louter op basis van vermoedens.

Dit mag echter geen middel zijn om de door art 35 WAO voorgeschreven termijn op artificiële wijze te verlengen.

Er kan niet worden geëist dat het bedrijf zodanig is georganiseerd dat de tot ontslag bevoegde persoon binnen de kortst mogelijke termijn wordt ingelicht over de feiten die een ontslag om dringende redenen zouden kunnen uitmaken. (Cass; 13-5-1991; RW 91-92,406; Cass. 7-12-1998, JTT 99, 149; Cass.28-2-1994, Soc.Kron.1994, 345)

Evenmin kan worden geëist dat het onderzoek binnen een bepaalde tijd moet worden aangevat en snel moet worden gevoerd.(Cass. 17-1-2005, Soc.Kron 2005,207)

Indien men het echter te lang laat aanslepen, zou daaruit echter wel kunnen worden afgeleid dat de feiten niet dermate ernstig worden geacht dat ze een ontslag om dringende reden zouden kunnen rechtvaardigen.

Toepassing op voorliggend geval

Er bestaat geen betwisting over dat de heer M. de (enige) tot ontslag bevoegde persoon was.

Van de bewering dat zij pas op 10-2-2010 zou ingelicht zijn over de resultaten van een auditverslag uitgevoerd door de heer Poukens t.a.v. de externe consulent LARA CONSULT BVBA dat de bezwarende feiten t.a.v. mevrouw K. aan het licht bracht, ligt geen enkel bewijs voor. Hoewel mevrouw K. daarop in conclusie de nadruk had gelegd blijft ook in graad van beroep elk bewijs achterwege.

Mevrouw K. merkt terecht op dat dit auditverslag niet wordt voorgelegd en evenmin enig stuk waaruit zou blijken op welke datum het aan de heer M. ter kennis zou zijn gebracht. Het is bijgevolg best mogelijk dat het verslag reeds veel eerder ter kennis werd gebracht van de heer M..

In een door de heer Poukens op 15-2-2010 aan andere werknemers van de onderneming gericht bericht wordt verslag gedaan van het onderhoud dat hij samen met de heer M. op 11-2-2010 met mevrouw K. had. Daarin geeft hij een aantal bevindingen weer van het auditverslag.

Nu dit stuk dateert van na het ontslag en die persoon nauw bij het ontslag betrokken was, daar hij samen met de heer M. deelnam aan het gesprek met mevrouw K. van 11-2 -2010 waarbij het ontslag werd gegeven, is het naar de mening van het hof niet voldoende objectief om als bewijs te kunnen gelden, te meer nu het na het ontslag werd opgesteld en niet kan uitgesloten worden dat dit gebeurde met de bedoelding het ontslag regelmatig te laten lijken.

Volgens mevrouw K. werden haar tijdens het onderhoud enkel de resultaten van de audit meegedeeld en werd haar onmiddellijk de in het Engels gestelde ontslagbrief overhandigd. Dit werd door haar raadsman bevestigd in zijn brief van 23-2-2010.

Nu het auditverslag niet wordt meegedeeld noch enig stuk waaruit zou blijken van wanneer het dateert of wanneer het aan de heer M. werd meegedeeld en de ontslagbrief met vermelding van de dringende reden aan mevrouw K. werd overhandigd tijdens het gesprek van 11-2-2010 is naar het oordeel van het hof niet naar genoegen van recht aangetoond dat het ontslag werd gegeven binnen de drie werkdagen na kennis name van de feiten door de tot ontslag bevoegde persoon.

Dat aan mevrouw K. een gemotiveerde ontslagbrief werd overhandigd bij het onderhoud van 11-2-2010 wijst erop dat de ontslagbeslissing genomen was op basis van de resultaten van het auditverslag en niet afhankelijk werd gesteld van mogelijke verklaringen van mevrouw K. tijdens het onderhoud.

Het hof deelt bijgevolg de zienswijze van de arbeidsrechtbank dat de vennootschap niet aantoont dat het ontslag werd gegeven binnen de drie werkdagen na kennisname van de als dringende reden ingeroepen feiten door de tot ontslag bevoegde persoon.

Opzeggingsvergoeding

Nu het ontslag om dringende reden niet rechtmatig werd gegeven kan mevrouw K. op grond van art 39 WAO aanspraak maken op een opzeggingsvergoeding.

Er is betwisting over het in aanmerking te nemen jaarloon en de temrijn waarop de opzeggingsvergoeding moet worden berekend.

jaarloon

De betwisting betreft volgende loonsbestanddelen

-privégebruik wagen:

De vennootschap neemt een bedrag in aanmerking van 400 euro per maand, mevrouw K. meent dat dit voordeel op 500 euro per maand moet worden geraamd.

Mevrouw K. had de beschikking over een Audi A6 full option en het onbeperkt gebruik van een tankkaart. Zij merkt op dat de wekelijkse tankbeurten voor het woon- werkverkeer reeds 70 euro bedroegen, zonder nog rekening te houden met het gebruik van de wagen buiten de werkuren.

De leasekost voor de wagen bedroeg 850 euro exclusief tankkaart.

De bijdrage voor privégebruik van 180 euro per maand, werd eerst ingehouden en nadien bruto weer bijgeteld.

Al deze elementen in acht genomen, is het hof van oordeel dat het voordeel bestaande uit het privégebruik van de wagen op 500 euro per maand moet worden geraamd.

-privé-gebruik GSM en laptop

De vennootschap meent dat dit niet als voordeel in aanmerking mag worden genomen daar het werkinstrumenten betreft, mevrouw K. voor het GSM gebruik 5% van het factuurbedrag betaalde en het privégebruik van de laptop volgens het arbeidsreglement niet was toegestaan.

Mevrouw K. beweert dat het privégebruik van de GSM onbeperkt was en veel hoger lag dan het bedrag dat zij zelf diende te betalen. Daarvan ligt echter geen bewijs voor.

In die omstandigheden is het hof van oordeel dat er geen reden toe is hiervoor een privévoordeel in aanmerking te nemen.

kostenvergoeding.

Mevrouw K. ontving een kostenvergoeding wegens de hogere kosten die volgens de vennootschap verband hielden met het feit dat zij buiten haar land van herkomst moest wonen. Die vergoeding bedroeg 2.337,86 euro per maand.

Het hof acht niet aangetoond dat het een terugbetaling van reële kosten ten laste van de werkgever betrof.

Mevrouw K. was voor onbepaalde tijd in dienst genomen en woonde voordien in Frankrijk.

De toelage werd bovendien maandelijks toegekend en niet eenmalig ter vergoeding van bepaalde eenmalige kosten zoals verhuiskosten.

De vennootschap toont niet aan dat deze vergoeding een "hogere levensduurte" moest dekken. Woonkosten moeten normaal door de werknemer zelf worden betaald. Slechts voor korte detacheringen wanneer de werknemer in het uitzendend land kosten van een woning moet dragen, kan aanvaard worden dat zij kosten eigen aan de werkgever dekken.

Het in aanmerking te nemen loon bedraagt bijgevolg 173.396,54 euro

(174.596,54 euro - 1200 euro) overeenkomstig de afrekening van mevrouw K. in conclusie met uitsluiting van het privégebruik GSM en laptop.

De in aanmerking te nemen opzegtermijn

Voor bedienden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, wier jaarloon het in art 82§2 en 3 WAO bepaalde grensbedrag te boven gaat, wordt de opzegtermijn bij gebreke aan een overeenkomst daarover tussen partijen bepaald door de rechter.

Volgens de constante rechtspraak van het Hof van Cassatie neemt deze daarbij de voor de bediende op het ogenblik van het ontslag of de opzegging bestaande kans in acht om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden: anciënniteit, leeftijd, functie en jaarloon worden daarvoor relevante criteria geacht.

Cass. 17 september 1975, TSR 1976, 14; Cass. 8 september 1980, Arr. Cass. 1980-1981, 17; Cass. 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass. 4 februari 1991, RW 1990-1991, 1407; Cass. 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994, 253).

De vennootschap acht een opzegtermijn van 3 maanden toereikend. Zij meent dat de rekening moet worden gehouden met de door mevrouw K. begane fout als omstandigheid eigen aan de zaak.

Mevrouw K. meent dat 9 maanden moeten worden toegekend aangezien zij in een zeer specifieke en gesloten markt opereerde en het quasi onmogelijk is om een gelijkwaardige functie te vinden.

Het Hof van Cassatie heeft reeds herhaaldelijk geoordeeld dat enkel die omstandigheden in aanmerkingen kunnen worden genomen die van invloed zijn op de kansen op het vinden van een gelijkwaardige en passende betrekking.(Cass. 6-11-1989, JTT '89, 482; Cass. 3-2-2003, JTT 2003, 262)

Gelet op de eerder beperkte anciënniteit van mevrouw K. ( 3 jaar) ,haar leeftijd (geboren 7-7-1962), haar functie (ingenieur) en haar jaarloon is het hof van oordeel dat mevrouw K. aanspraak kan maken op een opzegvergoeding gelijk aan 5 maanden loon.

Het hof houdt er rekening mee dat mevrouw K. aan de slag kan op een internationale markt, gelet op haar tewerkstelling in verschillende landen en haar Engelse voertaal en als ingenieur in de energiesector nog best wel mogelijkheden heeft, gelet op het openstellen van die sector.

Mevrouw K. kan bijgevolg aan spraak maken op een bedrag van

173.396,54 euro X 5/12= 72.248,56 euro.

Pro rata eindejaarspremie

Binnen het Paritair Comité nr 207 waaronder de vennootschap ressorteert is het recht op een dertiende maand voorzien bij CAO van 20-2-2008 (BS 9-4-2008).

Nu het ontslag om dringende reden onrechtmatig werd gegeven kan mevrouw K. inderdaad aanspraak maken op de pro rata 13de maand voor 2010 en het vertrekvakantiegeld daarop, hetzij een bedrag van 969,25 euro en het vertrekvakantiegeld daarop t.b.v. 146,68 euro.

Achterstallige eindejaarspremies

Mevrouw K. vordert achterstallen op de eindejaarspremies voor de jaren 2007-2009 omdat deze niet berekend werd op de kostenvergoeding die in werkelijkheid loon uitmaakt.

Het hof deelt deze zienswijze.

Aangezien de eindejaarspremie volgens de toepasselijke CAO moet worden berekend op het basisloon van de maand december, diende ook dit loonbestanddeel in aanmerking te worden genomen voor de berekening van de 13de maand.

Mevrouw K. kan bijgevolg nog aanspraak maken op een bedrag van 5.844,65 euro als achterstallige premies en 896,57 euro als (vertrek) vakantiegeld daarop.

Misbruik van ontslagrecht

Algemeen

Er is sprake van misbruik van ontslagrecht wanneer het ontslagrecht wordt aangewend op een wijze die kennelijk onevenredig is met de wijze waarop dit door een normaal voorzichtig en bedachtzaam werkgever zou worden aangewend.

Mevrouw K. meent dat zij valselijk werd beschuldigd en dat de vennootschap zich tegen haar keert omdat zij de facturen van de BVBA LARA CONSULT niet wil voldoen.

Het hof stelt vast dat niet betwist is dat mevrouw K. inderdaad de levenspartner is van de heer L. van LARA CONSULT en dat zij dit niet had meegedeeld aan haar werkgever. Aangezien deze opdrachten voor de vennootschap uitvoerde, kon die relatie mogelijks aanleiding geven tot belangenconflicten, nu mevrouw K. de contactpersoon was die de facturatie door die vennootschap moest opvolgen.

Het hof meent dat dit voor de vennootschap een ontslag kon rechtvaardigen en acht geen misbruik van ontslagrecht bewezen.

Tegenvordering

De vennootschap stelde een tegenvordering tot vergoeding van de schade die zij beweert te hebben geleden en nog zal lijden als gevolg van de zware fouten door mevrouw K. begaan. Deze fouten betroffen het verzwijgen van het belangenconflict als gevolg van haar verhouding met de heer Levant, het niet uitvoeren van een gunningprocedure met alternatieve of concurrerende offertes, laksheid bij de opvolging van de facturatie van LARA CONSULT zonder controle van de uitgevoerde werkzaamheden.

Volgens de verklaring van de heer Brian R Watson, destijds Vice President Corporate Purchasing EMEA aan wie mevrouw K. rapporteerde toen ze in dienst was van appellante,

-werd er geen concurrentiële aanbesteding gevoerd vooraleer te contracteren met LARA CONSULT wegens de korte termijn en de relatief kleine schaal van het werk en was het niet uitzonderlijk dat geen concurrentiële aanbesteding werd gedaan, doch was dit vaak het geval bij consulting afspraken, zelfs indien het veel hoogwaardiger contracten betrof.

-was het ten tijde van het eerste beroep dat op LARA CONSULT werd gedaan geen formele begeleiding betreffende het soort contracten dat een concurrentiële aanbesteding behoefde of niet en werd dit overgelaten aan de oordeelkundigheid van het management

-deed Huntsman reeds zaken met LARA CONSULT voor de indiensttreding van mevrouw K.

Gelet op die toelichting kan niet als fout worden weerhouden dat geen concurrentiële aanbesteding werd gedaan.

De overeenkomst met LARA CONSULT kwam tot stand in april 2007 met HUNTSMAN HOLLAND BV en niet met appellante. Daaraan gingen onderhandelingen vooraf met verschillende contacten. Het contract werd namens HUNTSMAN HOLLAND BV ondertekend door de heer Van Der Meer. Men mag aannemen dat hij vooraf inlichtingen heeft genomen over de vennootschap met wie gecontracteerd werd.

Appelante beweert dat zij het door LARA CONSULT BVBA uit te voeren werk heeft moeten herbeginnen, experten heeft moeten inschakelen voor dit werk en andere bedrijven heeft moeten inschakelen om op korte termijn dit werk te herbeginnen.

Van al die beweringen worden geen bewijzen bijgebracht laat staan dat een oorzakelijk verband zou kunnen worden vastgesteld met een door mevrouw K. begane fout. Het hof is van oordeel dat geen fout in hoofde van mevrouw K. bewezen is behoudens het verzwijgen van haar affectieve relatie t.o.v. de heer Levant.

Deze vordering komt het hof bijgevolg ongegrond voor.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart het principaal en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk;

Verklaart het principaal hoger beroep ongegrond, het incidenteel hoger beroep gedeeltelijk gegrond in volgende mate;

Hervormt het bestreden vonnis.

Veroordeelt de BVBA HUNTSMAN Europe tot betaling aan mevrouw K. van volgende bedragen:

- 72.248,56 euro als opzeggingsvergoeding gelijk aan 5 maanden loon,

- 969,25 euro als pro rata 13de maand 2010 en het vertrekvakantiegeld daarop t.b.v. 146,68 euro,

- 5.844,65 euro als achterstallige 13de maand voor de jaren 2007 tot 2009,

- 896,57 euro als vertrekvakantiegeld daarop

de wettelijke en gerechtelijke intresten op de verschuldigde bedragen, behalve voor wat de als vertrekvakantiegeld verschuldigde bedragen betreft, daarop zijn slechts de gerechtelijke intresten verschuldigd.

Bevestigt het bestreden vonnis voor het overige.

Veroordeelt de BVBA HUNTSMAN Europe tot de kosten van het hoger beroep.

Deze kosten worden door partijen begroot op:

Voor de appellante op:

- 7.700 euro als rechtsplegingvergoeding in hoger beroep

Voor de geïntimeerde op:

- 7.700 euro als rechtsplegingvergoeding in hoger beroep

Het hof vereffent ze op het basisbedrag van de rechtsplegingvergoeding, hetzij 7.700 euro.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

Erik VAN LAER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Andre LEURS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT Andre LEURS

Erik VAN LAER Geertrui BALIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 8 januari 2013 door:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT Geertrui BALIS

Free keywords

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELING

  • Ontslag om dringende reden

  • Termijn voor het geven van ontslag

  • Bewijs kennisname van de feiten.