- Arrêt of February 8, 2013

08/02/2013 - 2012/AB/1094

Case law

Summary

Samenvatting 1

Op grond van art. 824 Ger. W. mag een stilzwijgende afstand alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering.

Een afstand van een vraag tot herroeping door de schuldbemiddelaar kan niet met zekerheid vastgesteld worden, wanneer de rechter de vraag voor verdere behandeling in voortzetting heeft gezet.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

BUITENGEWONE OPENBARE TERECHTZITTING VAN 8 FEBRUARI 2013

11 e KAMER

COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling

tegensprekelijk t.o.v de heer D., de schuldbemiddelaar en KBC Bank en bij verstek t.o.v. de overige schuldeisers

definitief

In de zaak:

D. , wonende te xxx,

appellant,

verschijnend in persoon.

Tegen:

VAN CAMPENHOUT Jo, advocaat, met kantoor te

1702 GROOT-BIJGAARDEN, Robert Dansaertlaan 82,

verschijnt in zijn hoedanigheid van schuldbemiddelaar;

In aanwezigheid van:

1. SIBELGA CVBA, schuldeiser, met zetel te 1000 BRUSSEL, Werkhuizenkaai, 16,

2. FOD FINANCIEN - ONTVANGKANTOOR DER PENALE BOETEN 2, schuldeiser, met zetel te 1000 BRUSSEL, Regentschapsstraat, 54,

3. FOD FINANCIEN - ONTVANGKANTOOR DER PENALE BOETEN, schuldeiser, met zetel te 1800 VILVOORDE, Groenstraat, 51,

4. SPF FINANCES - BUREAU DES AMENDES PENALES, schuldeiser, met zetel te 1400 NIVELLES, Avenue Albert et Elisabeth, 8,

5. STAD BRUSSEL, schuldeiser, gevestigd te 1000 BRUSSEL, Anspachlaan, 6,

6. KBC BANK, schuldeiser, met zetel te 3000 LEUVEN, Brusselsesteenweg, 100,

7. ERASMUSZIEKENHUIS, schuldeiser, met zetel te 1070 BRUSSEL, Lenniksebaan, 808,

8. UCL, schuldeiser, met zetel te 1348 LOUVAIN-LA-NEUVE, Place de l'Université, 1,

9. BRUSSELSE WATERDISRIBUTIE, schuldeiser, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerinlaan, 17-19,

10. RZ SINT MARIA, schuldeiser, met zetel te 1500 HALLE, Ziekenhuislaan, 100,

11. GEMEENTE JETTE, schuldeiser, gevestigd te 1090 JETTE, Wemmelsesteenweg, 100,

12. D.B.M.H, schuldeiser, met zetel te 1000 BRUSSEL, Helihavenlaan, 11-15,

13. FOD FINANCIEN- 9de REGISTRATIEKANTOOR BRUSSEL, schuldeiser, met zetel te 1000 BRUSSEL, Regentschapsstraat, 54,

14. DOCKX CAR AND TRUCK RENTAL, schuldeiser, met zetel te 2610 WILRIJK (ANTWERPEN), Boomsestesteenweg, 400,

15. FOD FINANCIEN-ONTVANGKANTOOR DER BELASTINGEN HALLE, schuldeiser, met zetel te 1500 HALLE, Zuster Bemardastraat, 32,

16. STADSBESTUUR HALLE, schuldeiser, gevestigd te 1500 HALLE, Ouderstrijdenplein, 18,

17. TEMPO TEAM, schuldeiser, met zetel te 1020 BRUSSEL, Buro&design center, 56,

18. MOBISTAR NV, schuldeiser, met zetel te 1140 BRUSSEL, Bourgetlaan, 3,

19. BELGACOM NV, schuldeiser, met zetel te 1030 BRUSSEL, Koning Albert II-laan, 27,

20. VERHEYDEN Johan, advocaat, schuldeiser, met kantoor te 1950 KRAAINEM, Capucienenlaan, 22,

21. EANDIS CVBA, schuldeiser, met zetel te 9090 MELLE, Brusselsesteenweg, 199,

22. P., schuldeiser, wonende te xxx,

23. LINKLATERS LLP, schuldeiser, met zetel te 1000 BRUSSEL, Brederodestraat, 13,

24. RSVZ, schuldeiser, met zetel te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein, 6,

25. HERMANS, advocaat, schuldeiser, wonende te 7191 ECAUSSINNES-LALAING, Place du Pilori, 17,

26. ONROERENDE VOORHEFFING, schuldeiser, met zetel te 9300 AALST, Bauwensplaats, 13/2,

27. VERKEERSBELASTING, schuldeiser, met zetel te 9300 AALST, Bauwenplaats, 13,

28. FOD FINANCIEN - ONTVANGKANTOOR DER PENALE BOETEN, schuldeiser, gevestigd te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei, 4/3,

29. GEMEENTE ONTVANGER SINT-JANS-MOLENBEEK, schuldeiser, gevestigd te 1080 BRUSSEL, Graaf van Vlanderen straat, 20,

30. ETHIAS, schuldeiser, met zetel te 4000 LIEGE, Rue des Croisiers, 24,

Met uitzondering van 6. KBC Bank, die verschijnt bij

verschijnen de overige schuldeisers, niet ter zitting en worden ze evenmin vertegenwoordigd.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op 24 oktober 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 32e kamer (A.R. 11/77/B),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 13 november 2012,

- de conclusie en de aanvullende besluiten voor de appellant neergelegd ter griffie, respectievelijk op 17 december 2012 en 26 december 2012,

- de conclusie voor de schuldbemiddelaar, neergelegd ter griffie op 18 december 2012 en 28 december 2012

- de voorgelegde stukken.

***

*

De aanwezige partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 4 februari 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op de zitting van 4 maart 2013 en vervroegd werd uitgesproken op de buitengewone terechtzitting van heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. De heer D. heeft op 25 januari 2011 een verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling neergelegd op de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel.

Bij beschikking van 3 februari 2011 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd dit verzoek toelaatbaar verklaard. Mtr. J. Van Campenhout werd aangesteld als schuldbemiddelaar.

2. Nadat de schuldbemiddelaar in een eerste verslag van 11 maart 2011 reeds wees op een aantal ongerijmdheden, legde mtr. J. Van Campenhout op 3 mei 2011 een verzoek tot herroeping neer op grond van de art. 1675/15 §1, 1° tot 5° Ger. W.

De schuldbemiddelaar had immers vastgesteld dat de heer D. afgevaardigd bestuurder en meerderheidsaandeelhouder was in de NV DMG, waarvan hij op 31 december 2002 het kapitaal verhoogd had door inbreng van zijn onroerend goed te xxx, zijnde een woonhuis met tuin en aanhorigheden ter grootte van 40 a en 95 ca. De schuldbemiddelaar stootte op een gebrek aan werkbereidheid en een oneigenlijk gebruik van de procedure collectieve schuldenregeling die zou ingesteld zijn om tijd te winnen om andere onroerende goederen zo gunstig mogelijk te kunnen verkopen zonder hinder van zijn schuldeisers.

De heer D. stelde enkele tegenvorderingen, waaronder de terugbetaling van een bedrag van euro 9.788, het overmaken van een gedetailleerde staat, de vervanging van de schuldbemiddelaar, maar niet door mtr. Luc Christiaens, de toelating om eigenhandig drie appartementen te verkopen, een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik van euro 2.500 en een morele schadevergoeding van euro 3.000.

3. Bij vonnis van 24 oktober 2012 werd de beschikking van toelaatbaarheid van 3 februari 2011 herroepen op grond van art. 1675/15 §1, 1°, 2° en 5° Ger. W.

De staat van ereloon en kosten van de schuldbemiddelaar ten bedrag van euro 4.179,69 werd uitvoerbaar verklaard en ten laste van de rubriekrekening gelegd.

Na aftrek van de kosten diende het positief saldo te worden overgemaakt aan de Deposito en Consignatiekas voor rekening van wie het behoort; de schuldbemiddelaar diende een overzicht van de verrichtingen op de rubriekrekening over te maken aan de heer D. en hij diende de berichten van collectieve schuldenregeling aan te passen. Behoudens de tegenvordering i.v.m. het overmaken van een overzicht werden de tegenvorderingen afgewezen als ongegrond, of minstens zonder voorwerp verklaard.

4. Bij een 50 blz. tellend verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 13 november 2012, tekende de heer D. hoger beroep aan en vroeg dat enkele door hem ingeroepen excepties van nietigheid van het bestreden vonnis reeds op de inleidende zitting zouden behandeld worden en dat de vordering tot herroeping ongegrond zou worden verklaard. Hij hernam zijn oorspronkelijke tegenvorderingen.

Na een bespreking op de inleidingzitting was de heer D. bereid om zijn excepties te voegen bij de behandeling van de grond van de zaak en legde hij een conclusiekalender neer, waarna het hof op 4 december 2012 een beschikking velde op grond van art. 747 §1 Ger. W.

Het hof heeft op de inleidingzitting de heer D. uitgenodigd om zijn excepties en grieven te ordenen, waaraan hij gevolg heeft gegeven in zijn 67 blz. tellende beroepsbesluiten, neergelegd op 17 december 2012.

II. BEOORDELING

1. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en ook aan de andere ontvankelijkheid-voorwaarden werd voldaan, wat overigens niet wordt betwist, zodat het hoger beroep toelaatbaar is.

De schuldbemiddelaar legde op 28 december 2012 een aanvullende conclusie neer, buiten de vastgestelde conclusietermijn die voor hem afsloot op 24 december 2012. Terecht vraagt de heer D. de wering van deze besluiten uit de debatten.

Excepties en grieven van appellant

2. De heer D. vat zijn excepties en grieven als volgt samen:

1. exceptie van gewijsde wegens beweerde intrekking van het verzoekschrift tot herroeping door de schuldbemiddelaar voor de eerste rechter

2. exceptie van nietigheid wegens het niet weergeven van voorwerp en middelen door de eerste rechter

3. exceptie van nietigheid wegens schending van de rechten van verdediging

4. onontvankelijkheid van de vraag tot herroeping wegens gebrek aan belang

5. idem wegens intrekken verzoekschrift

6. ongegrondheid van de vraag tot herroeping

7. niet aanvaarding van de staat van ereloon en kosten

8. herneming van de tegenvorderingen

Antwoord op deze excepties en grieven

De beweerde intrekking van het verzoek tot herroeping (2.1 en 2.5) en het gebrek aan belang (2.4)

3. De heer D. houdt voor dat de schuldbemiddelaar op de zitting van 11 januari 2012 voor de eerste rechter het verzoek tot herroeping heeft ingetrokken, waaruit hij afleidt dat op grond van de exceptie van gewijsde van art. 27 Ger. W. over de herroeping niet verder kon worden beslist en het verzoek onontvankelijk is.

4. Een dergelijke intrekking blijkt niet uit het zittingsblad. De heer D. heeft evenmin een dergelijke intrekking laten acteren en hij beweert ook niet dat hem een verzoek in die zin zou geweigerd zijn.

Zijn eenzijdige beweringen over een zogenaamde intrekking worden door hem niet bewezen.

Bovendien wil hij deze beweerde intrekking voornamelijk afleiden uit briefwisseling en e-mails van na deze zitting; hierin worden voorwaarden vermeld waarmee de eerste rechter rekening kon houden voor de verdere beoordeling van het verzoek tot herroeping, reden waarom overigens op 11 januari 2012 de zaak in voortzetting werd gesteld naar de zitting van 15 mei 2012.

Op grond van art. 824 Ger. W. mag een stilzwijgende afstand alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde en met overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat de partij afstand wil doen van het geding of van de rechtsvordering.

Een dergelijke zekerheid kan geenszins afgeleid worden uit de door de heer D. voorgebrachte akten en feiten en ze wordt tegengesproken door het in voortzetting zetten van de behandeling van het geschil (vgl. Cass. 22 oktober 1981, Arr. Cass. 1981-82, nr. 133, 278; Cass. 31 mei 1995, Arr. Cass. 1995, nr. 271; Cass. 5 september 1997, Arr. Cass. 1997, nr. 337).

In die zin is zijn vraag voor verdere onderzoeksmaatregelen ongegrond.

5. Op grond van art. 1675/15 §1 Ger. W. kan de herroeping door de rechter worden uitgesproken aan wie de zaak door een eenvoudige schriftelijke verklaring wordt voorgelegd op verzoek van de schuldbemiddelaar of van een belanghebbende schuldeiser.

Op basis van deze wetsbepaling heeft de schuldbemiddelaar op 3 mei 2011 de herroeping gevorderd met verwijzing naar verzwijgingen, een gebrek aan werkbereidheid en het oneigenlijk gebruik van de procedure.

Hij had derhalve het door de art. 17 en 18 Ger. W. vereiste belang.

De betwisting door de heer D. van de ingeroepen gronden van herroeping heeft betrekking op de grond van de zaak, maar niet op de onontvankelijkheid.

De excepties van nietigheid (2.2 en 2.3)

6. Art. 20 Ger. W. bepaalt dat middelen van nietigheid niet kunnen worden aangewend tegen vonnissen. Deze kunnen alleen worden vernietigd door de rechtsmiddelen bij de wet bepaald.

Prof. K. Broeckx legt deze bepaling uit in de zin dat een vonnis dat onregelmatig tot stand gekomen is of behept is met een vormgebrek, niet van rechtswege nietig is, maar slechts vernietigbaar is. De uitdrukking "op straffe van nietigheid" (art. 780 Ger. W.) dient ten aanzien van een vonnis te worden begrepen als "op straffe van vernietigbaarheid". Een vonnis moet dus geldig worden geacht zolang het niet door de rechter in hoger beroep nietig is verklaard (K. Broeckx, Het recht op hoger beroep en het beginsel van de dubbele aanleg in het civiele geding, Maklu, Antwerpen Apeldoorn, 1995, 89, nr. 165).

De procureurs-generaal bij het Hof van Cassatie hebben in hun mercuriales van 1973 en 1991 ervoor gepleit om de vernietiging van vonnissen wegens vormgebreken binnen perken te houden (W Ganshof van der Meersch, ‘Overwegingen omtrent de kunst recht te spreken en de uitoefening van het rechterlijk ambt', RW 1973-74, 143; H. Lenaerts, ‘Cassatierechtspraak vandaag', RW 1991-92, 139, nr. 13; zie K. Broeckx, o.c., 87-88, nr.162.).

Het Hof van Cassatie heeft steeds aangenomen dat de appelrechter die een vonnis om welke reden ook nietig verklaart, in overeenstemming met art. 1068 Ger. W. zelf uitspraak moet doen over het geschil zelf (Cass. 18 juni 1976, Arr. Cass. 1976, 1164; Cass. 21 januari 1983, RW 1982-83, 2546; Cass. 14 april 1983, Arr. Cass. 968; Cass. 2 juni 1983, RW 1983-84, 2047; Cass. 29 maart 1984 Arr. Cass. 1983-84, 1008; Cass. 5 mei 1988, Arr. Cass. 1987-88, 1143 met conclusie proc-gen Krings).

7. Ten onrechte roept de heer D. de nietigheid van het vonnis van de eerste rechter in omdat bij toepassing van art. 780, 3° Ger. W geen melding zou gemaakt zijn van het onderwerp van de vordering en het antwoord op de conclusies of middelen van partijen.

In het bestreden vonnis wordt het onderwerp van de vordering duidelijk omschreven als de vraag tot herroeping, uitgaande van de schuldbemiddelaar; ook de redenen en de rechtsgrond worden vermeld.

Wat betreft de motivering van rechterlijke beslissingen zegt de auteur G. De Maeseneire terecht in NJW 2007, 195:

" Voorts wordt de regel dat de feitenrechter geen grief onbeantwoord mag laten getemperd door de regel dat de feitenrechter niet moet antwoorden op middelen die, zelfs al zijn ze gegrond, zonder invloed zijn op de wettigheid van de beslissing.

De rechter hoeft ook niet in detail te treden, noch elke aanvoering uitdrukkelijk te beantwoorden. Uit de rechtspraak van het Hof van Cassatie volgt dat de rechter een loutere bewering beantwoordt door ze tegen te spreken, dat de rechter niet meer hoeft te antwoorden op aanvoeringen die omwille van zijn beslissing over het geschilpunt zelf niet meer ter zake dienend zijn...Ook moet men voor ogen houden dat een rechterlijke uitspraak steeds in zijn geheel moet worden gelezen en dat de redenen de ene door de andere worden uitgelegd, alsook dat het beschikkend gedeelte moet worden gelezen in het licht van de motieven." (G. De Maeseneire, ‘De motivering van rechterlijke beslissingen', NJW 2007,195 en de rechtspraak vermeld in de voetnoten 17 tot 21).

Vanuit dit oogpunt heeft de eerste rechter de beginselen in verband met de herroeping toegelicht en bij wijze van toepassing duidelijk verwezen naar de toepasselijke feitelijke elementen, zoals o.m. de onjuiste opgave van de activa in het verzoekschrift tot collectieve schuldenregeling versus de latere melding van de heer D. aan de schuldbemiddelaar, het niet vermelden van zijn hoofdaandeelhouder-schap in de NV DMG, zijn woonsituatie in een domein en het tegen de werkelijkheid in voorhouden van een structurele schuldenlast, het ontbreken van transparantie over zijn vermogen versus zijn beweringen aan de projectontwikkelaars...

Deze elementen volstaan om het verweer tegen de gevraagde herroeping te beantwoorden; gelet op het feit dat de heer D. in graad van hoger beroep deze redengeving betwist, zal hierover verder geoordeeld worden bij de beoordeling van de grond van de zaak.

8. De heer D. roept de exceptie van schending van de rechten van verdediging wel terecht in wat betreft de uitvoerbaar verklaring van de staat van ereloon en kosten van de schuldbemiddelaar, neergelegd op 16 oktober 2012.

Deze neerlegging gebeurde na de sluiting van de debatten.

Wanneer de staat van de schuldbemiddelaar moet worden aangepast wegens bijkomende werkzaamheden tijdens het beraad, dan diende de schuldbemiddelaar bij toepassing van art. 772 en volgende Ger. W. de heropening van de debatten te vragen, zodat verdere tegenspraak over dit nieuw feit mogelijk werd gemaakt.

Weliswaar kent art. 1675/14 §2 Ger. W. aan de arbeidsrechtbank een permanente saisine toe tot aan de herroeping van de regeling en wordt aanvaard dat deze permanente saisine ruim moet worden geïnterpreteerd (S. De Coster, Artikel 1675/14 Ger. W. in Artikelsgewijze commentaar Ger.W., p. 11, nr. 8) dan nog moet hierbij toepassing worden gemaakt van de verdere bepalingen van dit artikel i.v.m. het voor de rechter brengen van de vraag. Deze bepaling laat immers niet toe dat de schuldbemiddelingsrechter op eigen initiatief een maatregel neemt (S. De Coster, o.c., p. 12, nr. 9).

Wat betreft de uitvoerbaar verklaring van deze staat dient het vonnis te worden vernietigd, wat inhoudt dat het hof zelf over deze staat uitspraak zal doen (zie randnummers 6 en 24 tot 29).

In die mate is het hoger beroep van de heer D. gegrond.

De grond van de zaak: de vraag tot herroeping (2.6)

9. Artikel 1675/15 §1 Ger. W. bepaalt dat de herroeping van de beschikking van toelaatbaarheid of van de minnelijke aanzuiveringregeling kan worden uitgesproken, wanneer de schuldenaars:

1° hetzij onjuiste stukken heeft afgegeven met de bedoeling aanspraak te maken op de procedure van gezamenlijke schuldenregeling of deze te behouden;

2° hetzij zijn verplichtingen niet nakomt, zonder dat zich nieuwe feiten voordoen die de aanpassing of herziening van de regeling rechtvaardigen;

3° hetzij onrechtmatig zijn lasten heeft verhoogd of zijn baten heeft verminderd

4° hetzij zijn onvermogen heeft bewerkt

5° hetzij bewust valse verklaringen heeft afgelegd

...

10. De rechter is niet verplicht om de herroeping uit te spreken, ook al stelt hij vast dat is voldaan aan één of meerdere van de herroepinggronden; de rechter dient de opportuniteit van de herroeping te beoordelen in het licht van alle belangen, zowel die van de schuldenaar als deze van de schuldeisers.

(P. Dauw, Topics van de collectieve schuldenregeling, p. 75, nr. 110).

In de parlementaire voorbereiding van de wetgeving betreffende de collectieve schuldenregeling werd benadrukt dat de gronden tot herroeping in essentie neerkomen op het niet nakomen van de procedurele goede trouw (Gedr. St. Kamer, 1996-97, 1073/11, 87-88; 1073/1, 17 en 1073/11, 23).

Deze veronderstelt een loyale en actieve medewerking van de schuldenaar bij de uitvoering van de aanzuiveringregeling.

11. De eerste rechter heeft tot de herroeping beslist omdat de heer D. in zijn gedinginleidend verzoekschrift een onjuiste financiële toestand heeft geschetst, wat de juiste beoordeling van de toelatingsvereiste verhinderde i.v.m. het niet in staat zijn om op duurzame wijze zijn schulden te betalen.

De eerste rechter verwees hierbij voornamelijk naar de herroepinggrond bedoeld in art. 1675/15 § 1, 1° en 5° Ger. W.

Het begrip onjuiste stukken duidt niet enkel op valse stukken, maar heeft tevens betrekking op niet relevante of niet voldoende relevante stukken. Kortom, het ‘afgeven van onjuiste stukken' is tevens aan de orde ingeval de schuldenaar een stuk waaruit een belangrijke baat blijkt, achterhoudt. (De Coster S., Artikel 1675/15 Ger. W. in Artikelsgewijze commentaar Ger.W., nr. 17).

In dezelfde zin vestigde de eerste rechter terecht de aandacht op de betekenis van het begrip valse verklaringen. Dit duidt immers niet op een strafrechtelijke valsheid, maar wel op onjuiste en zelfs ook op onvolledige verklaringen, met name onvolledig op het vlak waar het nu net van het grootste belang was om de betrokken verklaring of inlichting wel te geven. Een standaardvoorbeeld is het verzwijgen van inkomsten (De Coster S., Artikel 1675/15 Ger. W. o.c., nr. 27).

12. De heer D. heeft bewust en met opzet de juiste waarde van zijn activa verzwegen en onjuist voorgesteld met verwijzing naar niet relevante stukken.

Terecht heeft de eerste rechter verwezen naar de projectgrond aan de Gentsesteenweg te Sint Jans Molenbeek, waarvoor de heer D. in zijn inleidend verzoekschrift van 25 januari 2011 een aankoopwaarde van euro 259.199,54 opgaf, terwijl hij quasi tezelfdertijd met Aldi in onderhandeling was voor een verkoop aan

euro 2.700.0000 (zie zijn stukken III. daterend van maart 2011 en de verkoopbelofte in III.14).

Weliswaar wil de heer D. deze discrepantie aannemelijk maken door te verwijzen naar een (oud) schattingsverslag van BBL van 7 juli 2000. (zijn stuk I.c.15, in de inventaris van 26 december 2012 aangeduid als I.c.39) Dit verslag bevatte echter enkel een raming voor de panden 518 en 520, terwijl de projectgrond ook pand 522 en 524 bevatte. Hij steunt zich verder op de lage waarde bij een gedwongen openbare verkoop, terwijl het toenmalige schattingsverslag van 11 jaar geleden voor het betreffende deel reeds een venale waarde van 13 miljoen BEF of

euro 322.161,58 vermeldde.

Ongeacht de discussies over de bouwovertreding en de vervuiling van de grond heeft de eerste rechter de opgegeven onderschatte waarde terecht beschouwd als een valse verklaring in de zin van art. 1675/15 §1, 5° Ger. W.

13. Dit volgt nog meer uit de behandeling in graad van beroep.

De heer D. trekt in zijn geschriften fel van leer tegen het door de schuldbemiddelaar opgestelde verslag van de eerste ontmoeting op 10 maart 2011. De waarden van zijn onroerende goederen en de verkoop ervan werden toen besproken.

Hoewel hij in gans de herroepingprocedure de waarde van zijn goederen vaag houdt en de oorspronkelijke onrealistische waardeopgave blijft verdedigen, erkent hij ter zitting de toenmalige waarde van de goederen, zoals ze vermeld staan in het verslag van de eerste ontmoeting met de schuldbemiddelaar.

Welnu, deze waarde was:

‘ Gentsesteenweg nr. 518: 690.000 EUR

Gentsesteenweg nr. 520: 2.600.000 EUR (!)

Gentsesteenweg nr. 524: 250.000 EUR

Weiland Buizingen: 25.000 EUR

TOTAAL 3.565.000 EUR (!!)'

Gelet op de vele betwiste schuldvorderingen en de voorstelling door de heer D. dat er slechts een niet betwiste schuld van euro 150.000 zou zijn, stelde de schuldbemiddelaar tijdens het onderhoud voor om rekening houdend met de door hem voorziene zwaardere schuldenlast het pand nr. 520 te verkopen aan euro 1.000.000, wat categoriek werd verworpen (vergelijk de bovenvermelde waardeopgave van de heer D. van euro 2.600.000).

Ongeacht de veelvuldige intentieprocessen van de heer D. versus de schuldbemiddelaar, o.m. omwille van het opstellen van dit verslag, blijkt uit deze thans bevestigde cijfers, dat er geen structurele schuldenlast was en dat dit verborgen werd gehouden door het opgeven van en het verwijzen naar gedateerde stukken over niet meer actuele aankoopwaardes.

14. De heer D. bekwam in dezelfde periode ook een aanbod van euro 2.700.000

Dit bod volgde op een door hem geplaatste advertentie op Immoweb, waarbij hij het hof wil doen geloven dat hij daarbij geen richtprijs zou hebben opgegeven. Nochtans dient men bij dergelijke advertenties verplicht een vraagprijs op te geven en is gans de site rond de prijs opgebouwd. Zijn bewering dat het bedrag van euro 2.700.000 vanwege de projectontwikkelaar zou afkomstig zijn, is dan ook onjuist.

Immers dit bedrag ligt netjes in lijn met de opgave aan de schuldbemiddelaar enkel dagen voordien. Het is dan ook duidelijk dat hij in verband met de waarde van zijn onroerend goed een dubbel spel heeft gespeeld vergeleken met zijn verzoekschrift collectieve schuldenregeling.

15. Na het afhaken van Aldi heeft hij verdere stappen gezet naar andere winkelketens, zoals Lidl, Delhaize, Champion, Real Estates en Games maar hiervoor zegt hij ook niet welke vraagprijs hij dan geopperd heeft. Het is echter duidelijk dat hij van zijn euro 2.700.000 niet zal gezakt zijn naar euro 259.199,54. De vork tussen deze bedragen is zo groot dat dit laatste bedrag niet realistisch kan zijn.

Het bewust verzwijgen van de reële waarde en het verbergen ervan door oude gegevens, beantwoordt niet aan de goede trouw. De correcte opgave was essentieel om het structureel karakter van de schuldenlast te evalueren.

16. De eerste rechter wijst in verband met deze besprekingen naar een stuk III.76 van 19 mei 2011, waarin de heer D. ten aanzien van Delhaize zijn vermogen beschreef als een vennootschap met een kapitaal van meer dan euro 600.000, een bezit van immo goederen van hier "meer dan 4.000.000 euros" met een beperkte hypotheek en talrijke bedrijfsmaterialen.

De eerste rechter heeft dit document letterlijk geciteerd. Het hof heeft moeten vaststellen dat dit stuk in graad van hoger beroep door de heer D. uit zijn stukkenbundel weggelaten was. Ter zitting ontkent de heer D. dit en hij verwijst naar de opeenvolgende inventarissen. Er werd geen nader antwoord gegeven op de vraag waar het door de eerste rechter geciteerde stuk zich dan wel in de stukkenbundel bevond.

Welnu, in de inventaris bij de conclusie van de heer D. voor de eerste rechter, neergelegd op 10 januari 2012, wordt stuk III.76 aangeduid als ‘Mail D. aan Delhaize dd 19-5-2011'. (zie dezelfde inventaris gevoegd bij de aanvullende besluiten van 14 mei 2012).

Bij de beroepsconclusies is stuk III.76: ‘Mail D. aan promotor 28-5-2011'

Hierbij heeft het hof na geduldig puzzelwerk wel moeten vaststellen dat de inventaris bij de beroepsconclusies niet klopte en dat de neergelegde stukken werden gerangschikt volgens de inventaris eerste aanleg.

Maar ook dan nog, klopt net stuk III.76 niet, want het betreft een andere mail aan Delhaize i.v.m. de inplanting van de parkings en het onroerend goed. Het door de eerste rechter aangehaalde stuk III.76 i.v.m. het vermogen van de heer D. is niet te vinden en dus weggelaten. Na uitnodiging hiertoe kon de heer D. het overigens ook niet aanwijzen.

Nochtans kent hij dit stuk, want hij repliceert erop in zijn beroepsbesluiten, zij het op een onbelangrijk detail i.v.m. de vrachtwagen.

Het is dan ook duidelijk dat het ontbreekt aan de elementaire procedurele goede trouw en dat hij de eigen opgave van zijn immo vermogen ter waarde van het beweerde euro 400.000 heeft willen verbergen.

Hij heeft dus alleszins bewust een te laag activa voorgewend om zo aannemelijk te maken dat hij niet in staat was om op duurzame wijze zijn schulden te betalen.

Deze bewuste valse verklaring over een essentieel punt en de manipulatie van stukken verantwoordt op zich reeds de beslissing tot herroeping.

17. Daar bovenop weerhield de eerste rechter dat de heer D. niet aangaf dat hij hoofdaandeelhouder was in zijn vennootschap NV DMG, waarvan hij 20.740 aandelen van de 20.750 aandelen bezat. (de overige 10 aandelen waren toebedeeld aan zijn partner).

De schuldbemiddelaar heeft zijn betrokkenheid in de vennootschap moeten achterhalen.

De heer D. stelt hiertegenover dat hij al deze informatie aan het OCMW gegeven heeft. Hij verwijst hiervoor naar het sociaal verslag van 18 februari 2011. (zijn stuk I.a.1) Dit rapport was niet en kon ook niet als bijlage bij zijn verzoekschrift collectieve schuldenregeling van 25 januari 2011 zijn gevoegd omdat het van latere datum was. Ongeacht dit rapport, deelde hij deze gegevens dus niet mee aan de schuldbemiddelingsrechter bij zijn aanvraag.

Uit het dossier blijkt overigens dat de heer D. er niet voor terugschrikt om al naargelang het beoogde doel aan de ene dit mee te delen en aan de andere iets anders.

18. Nu zou men nog, zoals de heer D. voorhoudt, kunnen aannemen dat hij deze aandelen van geen waarde achtte, omdat zijn vennootschap op 31 augustus 2011 door de Procureur des Konings ambtshalve in faillissement werd gedagvaard. Deze dagvaarding dateert echter van na het verzoek om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling en de heer D. betwist deze dagvaarding ten stelligste, wat erop duidt dat hij zijn vennootschap en aandelen wel van waarde acht, al was het maar omwille van de door hem bewoonde villa in een parkdomein. Hij kan moeilijk in de ene procedure het ene voorhouden om in de andere procedure het tegendeel te beweren.

Dit is des te meer zo in een collectieve schuldenregeling die hem tot transparantie verplicht.

19. In dat verband legt de eerste rechter de vinger op de wonde door erop te wijzen dat deze transparantie ook tijdens de behandeling eerste aanleg ontbrak.

In zijn conclusie van 10 januari 2012 wilde de heer D. het bezit van zijn aandelen nog verdoezelen door deze voor te stellen als aandelen aan toonder, waarvan het bezit niet was aangetoond. Kort voor het neerleggen van deze conclusie, met name op 29 december 2011, waren deze aandelen aan toonder omgezet in aandelen op naam van de heer D., zoals bleek uit een door de schuldbemiddelaar voorgebrachte kopie van de vennootschapsakte. Thans ontkent hij zijn aandelenbezit niet meer. Hij meent gerechtigd te zijn om de zaak fout voor te stellen omwille van zijn wrevel tegenover de schuldbemiddelaar, die volgens hem bij dergelijke foute voorstellingswijze het tegendeel maar moet aantonen.

Dit gebrek aan transparantie staat in schril contrast met wat beschreven staat in de door de heer D. onder stuk III.2 voorgebrachte samenwerkingsovereenkomst met de schuldbemiddelaar:

a) 3° De verzoeker brengt de schuldbemiddelaar onmiddellijk op de hoogte van alle aspecten van zijn persoonlijke en financiële situatie...Hij verbindt er zich toe om volledig en correct te zijn in het geven van alle informatie over zijn inkomsten, schulden en bezittingen...

8° De verzoeker is verplicht om gedurende de hele procedure in goede trouw mee te werken bij alle aspecten van de collectieve schuldenregeling. ...

Deze toelichting verduidelijkt de wettelijke vereiste van procedurele goede trouw.

Gelet op deze noodzaak aan procedurele goede trouw heeft de eerste rechter terecht de beschikking van toelaatbaarheid ook herroepen op grond van art. 1675/15 §1, 2° Ger. W.

20. Ook de bewering dat de vennootschap inactief is, wordt door de eerste rechter gerelativeerd. Immers, er gebeurden nog bankverrichtingen en op 29 november 2011 (hangende de collectieve schuldenregeling) gebeurde er een opname in contanten van euro 2.500.

Tevens was er een bankkluis met gouden munten en een postzegelcollectie ter waarde van euro 30.000. Terecht stelt de eerste rechter hierbij de vraag aan wie dit toebehoort, gelet op de aard van de vennootschap, met name autohandel.

In graad van beroep blijven deze vaststellingen overeind. Zonder dit in concreto aan te tonen, houdt de heer D. voor dat deze informatie onrechtmatig zou bekomen zijn, alhoewel de schuldbemiddelaar deze informatie verkreeg van ING en Fortis.

Op dergelijke wijze blijft echter de vraag naar transparantie over het werkelijke vermogen andermaal onbeantwoord.

21. De eerste rechter heeft zich dan ook op overtuigende elementen gesteund om de beschikking van toelaatbaarheid te herroepen en het hof sluit zich hierbij aan.

De bevestiging van de herroeping wordt niet teniet gedaan door de talrijke beschouwingen, verwijten aan anderen en incidenten, die de heer D. in zijn overvloedige geschriften naar voren brengt. Deze zijn niet ter zake dienend wat betreft de beoordeling van de herroeping, waarbij de procedurele goede trouw van de heer D. zelf ter discussie staat (zie het citaat in randnummer 7).

Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

De tegenvorderingen (2.8)

22. De heer D. stelde een tegenvordering m.b.t. de terugbetaling van een bedrag van euro 9.788, het overmaken van een gedetailleerde staat, de vervanging van de schuldbemiddelaar, maar niet door mtr. Luc Christiaens, de toelating om eigenhandig drie appartementen te verkopen, een schadevergoeding wegens rechtsmisbruik van euro 2.500 en een morele schadevergoeding van euro 3.000.

23. Gelet op de herroeping, zijn deze tegenvorderingen ongegrond, behalve wat betreft de vraag tot het overmaken van een gedetailleerde afrekening.

Wat betreft de gevolgen van de herroeping, dient het bestreden vonnis te worden bevestigd, waardoor de vraag tot terugbetaling, tot vervanging van de schuldbemiddelaar en tot toelating van verkoop van de appartementen hun bestaansreden verliezen.

Tevens is omwille van de herroeping de vordering tot schadevergoeding wegens rechtsmisbruik en wegens morele schade alleszins ongegrond.

Het hoger beroep is op deze onderdelen ongegrond.

De staat van ereloon en kosten (2.7)

24. De heer D. betwist de aanrekening van 27 bijkomende schuldeisers a rato van 27 x euro 31,39 = euro 862,11 en de aanrekening voor het verzoek tot herroeping.

Tevens verwijt hij aan de schuldbemiddelaar dat hij geen minnelijk aanzuiveringplan heeft voorgesteld.

25. De staat van ereloon en emolumenten moet worden opgesteld, rekening houdend met het KB van 18 december 1998 (BS 21 december 1998).

In art. 2,1° wordt voorzien in een betaling van een eenmalig bedrag voor handelingen die o.m. voortvloeien uit art. 1675/9 §2 Ger. W., wanneer het aantal schuldeisers hoogstens vijf bedraagt. Daar bovenop is een bijkomende vergoeding voorzien per bijkomende schuldeiser.

De heer D. houdt dus ten onrechte slechts rekening met 2 bijkomende schuldeisers.

Uit het overzicht van de schuldeisers van 13 december 2011 (stuk 17 dossier arbrb.) volgt dat er 31 schuldeisers zijn; op 21 februari 2012 (stuk 28 dossier arbrb.) werd hieraan een bijkomende schuldeiser toegevoegd, wat het totaal brengt op 32, zodat terecht 27 bijkomende schuldeisers werden aangerekend.

26. In art. 2, 4° van hetzelfde KB wordt voorzien in een forfait voor iedere schriftelijke handeling die aanleiding geeft tot een gerechtelijke beslissing in toepassing van art. 1675/15 Ger. W., zoals in deze zaak het geval is.

Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt naargelang de uitslag van de betwisting; bovendien volgt uit de randnummers 9 tot 21 dat de vraag tot herroeping gegrond is.

27. Uit art. 1675/11 §1 Ger. W. in zijn toenmalige versie volgt dat de schuldbemiddelaar een verlengbare termijn van 6 maanden had voor de opstelling van een minnelijk plan.

Hij werd aangesteld op 3 februari 2011 en hij legde een verzoek tot herroeping neer op 3 mei 2011.

Ongeacht het feit dat het KB van 18 december 1998 voorziet in een regeling van forfaitaire vergoedingen, zoals bepaald, en deze regeling niet afhankelijk is van het opstellen van een minnelijk plan, kan aan de schuldbemiddelaar niet verweten worden dat hij in deze omstandigheden nog geen plan had kunnen voorstellen.

Het verweer tegen de staat van ereloon en kosten van 16 oktober 2012 is daardoor ongegrond.

28. Wegens de behandeling in graad van hoger beroep legt de schuldbemiddelaar een bijkomende staat van euro 881,30 neer voor de periode van 15 oktober 2012 tot 4 februari 2013.

Op grond van art. 1675/16 § 4 Ger. W. zijn de uitspraken van de eerste rechter uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hoger beroep, zodat na het vonnis geen verdere opvolging en controle opstellen jaarverslag diende te gebeuren.

Op grond van art. 2,3° van het KB van 18 december 1998 kan dan ook geen ereloon voor deze opvolging worden toegekend, zodat de bedragen van euro 191,55 en euro 344,79 moeten worden verworpen.

In de plaats daarvan kan voor de behandeling hoger beroep in verband met de herroeping een bedrag van euro 168,87 worden toegekend op basis van art. 2,4° van dit KB. Dit bedrag moet niet worden geproratiseerd, omdat de volledige beroepsprocedure in de aangegeven periode viel.

De bijkomende staat kan dan ook worden aanvaard ten bedrage van euro 881,30

- opvolging euro 191,55

- bijkomende schuldeisers euro 344,79

+ herroeping beroep art. 2,4° euro 168,87

Blijft euro 513,83

Te vermeerderen met de staat van 16 oktober 2012 euro 4.179,69

Totaal euro 4.693,52

29. Dit bedrag kan dan ook uitvoerbaar worden verklaard en ten laste gelegd van de rubriekrekening.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewij¬zigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht doende op tegenspraak t.o.v de heer D., de schuldbemiddelaar en KBC Bank en bij verstek t.o.v. de overige schuldeisers;

Weert de besluiten van de schuldbemiddelaar, neergelegd op 28 december 2012, uit de debatten.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond

Bevestigt het bestreden vonnis, behalve wat betreft het onderdeel van de uitvoerbaar verklaring van de ereloon en onkostenstaat van de schuldbemiddelaar en de tenlastelegging van de rubriekrekening, op welk punt het vonnis wordt vernietigd.

Hierover opnieuw recht doende,

Bepaalt de staat van ereloon en kosten van de schuldbemiddelaar op euro 4.693,52 waarvoor dit arrest als uitvoerbare titel geldt.

Zegt voor recht dat deze staat ten laste valt van de rubriekrekening.

Kosteloze procedure.

Aldus gewezen en ondertekend door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

en uitgesproken op de buitengewone openbare terechtzitting van vrijdag 8 februari 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • Afstand van vraag tot herroeping moet zeker zijn.