- Arrêt of March 1, 2013

01/03/2013 - 2012/AB/108

Case law

Summary

Samenvatting 1

Art. 9 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 bepaalt dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor iedere werknemer afzonderlijk schriftelijk moet worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt. Bij het ontbreken van een dergelijk geschrift gelden dezelfde voorwaarden als voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Bij een absoluut nietige overeenkomst wegens schending van het taaldecreet is er geen geldige schriftelijke overeenkomst in de zin van art. 9 en geldt een arbeidsovereenkomst van onbepaalde tijd.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 1 MAART 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

C. , wonende te ***,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. VAES Katrien, advocaat te 1800 VILVOORDE, F. Campionlei 16.

Tegen:

D. , wonende te ***,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mevrouw VAN SINAY Katrien, volmachtdrager ACLVB met kantoren gevestigd te 9000 GENT, Koning Albertlaan 95.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 20 december 2011 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 1324/11),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 februari 2012,

de conclusie voor de appellante, neergelegd ter griffie op 11 juli 2012,

de conclusies voor de geïntimeerde neergelegd ter griffie, respectievelijk op 6 juni 2012 en 5 oktober 2012,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 1 februari 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Mevrouw D. en mevrouw C. , uitbaatster van de kindercrèche K., ondertekenden in 2008-09 drie arbeidsovereenkomsten als kinderverzorgster, waarvan ze beiden exemplaren voorleggen, die niet steeds gelijkluidend zijn.

- Op 27 november 2008 ondertekenden ze een in het Nederlands opgestelde deeltijdse arbeidsovereenkomst voor bedienden.

Het exemplaar van mevrouw C. vermeldt een overeenkomst van bepaalde tijd van 1 december 2008 tot 31 mei 2009 met een proeftijd van 3 maanden.

In haar beroepsbesluiten verwijst mevrouw C. naar een proeftijd van 6 maanden.

Het exemplaar van mevrouw D. verwijst naar een overeenkomst van onbepaalde tijd met een proeftijd van 6 maanden.

- Vervolgens sloten partijen op 12 juni 2009 (exemplaar mevrouw C.) of op 15 juni 2009 (exemplaar mevrouw D.) een deeltijdse arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd van 15 juni 2009 tot 15 oktober 2009. Het exemplaar van mevrouw C. is in het Frans; dit van mevrouw D. is in het Nederlands opgesteld.

- Tenslotte brengen beide partijen een in het Frans opgestelde deeltijdse arbeidsovereenkomst van bepaalde tijd voor ingaande op 16 oktober 2009; volgens het exemplaar van mevrouw C. eindigde de termijn op 16 april 2010; volgens dit van mevrouw D. op 16 juni 2010. Beide exemplaren vermelden als datum van ondertekening 15 oktober 2009, maar mevrouw C. beweert dat haar exemplaar in werkelijkheid op het einde van de eerste werkdag en dus op 16 oktober 2009 werd ondertekend. Mevrouw D. betwist dat haar op dat moment een gewijzigd exemplaar met een andere einddatum dan 16 juni 2010 (volgens mevrouw C. 16 april 2010) zou zijn voorgelegd. Ze suggereert dat het niet geparafeerde eerste blad met de einddatum zou verwisseld zijn.

2. Volgens het reeds op 3 april 2010 door mevrouw C. ondertekende C4-formulier, werd de arbeidsovereenkomst beëindigd op 16 april 2010.

Bij brief van 19 mei 2010 van de vakorganisatie van mevrouw D. vroeg deze op basis van het in haar bezit zijnde exemplaar van de laatste arbeidsovereenkomst een opzeggingsvergoeding voor de periode van 16 april 2010 tot 16 juni 2010 wegens vroegtijdig beëindigen van het contract van bepaalde tijd, samen met vakantiegeld bij uitdiensttreding en een vervolledigd C4-formulier.

Bij antwoordschrijven van 1 juni 2010 van de raadsman van mevrouw C. betwistte deze de vordering wegens opzeggingsvergoeding, omdat volgens haar exemplaar de overeenkomst eindigde op 16 april 2010; de betaling van het vakantiegeld werd aangekondigd.

Op 5 juli 2010 verzond de vakorganisatie als antwoord het exemplaar van de arbeidsovereenkomst van mevrouw D. met als einddatum 16 juni 2010.

Er volgden nog wat herinneringsbrieven, maar uiteindelijk handhaafde mevrouw C. haar standpunt.

3. Op 20 januari 2011 dagvaardde mevrouw D. haar werkgeefster aanvankelijk in betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 1.592,38 en een tekort vertrekvakantiegeld van euro 151,77, vermeerderd met intresten en kosten, maar ze paste haar vordering aan in betaling van een opzeggingsvergoeding van 3 maanden of euro 2.386,07, vermeerderd met intresten, waarbij ze haar oorspronkelijke vordering in ondergeschikte orde handhaafde.

4. Bij vonnis van 20 december 2011 van de arbeidsrechtbank te Brussel werd de aangepaste vordering ontvankelijk en gegrond verklaard, zodat mevrouw C. veroordeeld werd tot betaling van een opzeggingsvergoeding van euro 2.386,07, vermeerderd met intresten en kosten.

Ongeacht alle tegenstrijdigheden in de arbeidsovereenkomst, achtte de rechtbank deze alleszins in strijd met het taaldecreet, zodat ze absoluut nietig is.

Het vakantiegeld werd door de werkgeefster correct afgerekend.

5. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 7 februari 2012, tekende mevrouw C. hoger beroep aan en vroeg dat de oorspronkelijke vordering zou worden afgewezen als ongegrond.

II. BEOORDELING

1. Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hogere beroep tijdig werd ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Het is daardoor ontvankelijk.

Het Taaldecreet en de arbeidsovereenkomst van 15/16 oktober 2009

2. Met toepassing van de bepalingen van het Nederlands taaldecreet (Decreet 19 juli 1973, BS 6 september 1973) is de te gebruiken taal voor de sociale betrekkingen tussen werkgever en werknemer het Nederlands.

Met toepassing van artikel 1 van het Decreet is dit van toepassing op de natuurlijke personen en rechtspersonen die een exploitatiezetel in het Nederlandse taalgebied hebben.

De kindercrèche K. was gevestigd te Vilvoorde en dus gelegen in het Nederlandstalig taalgebied. De arbeidsovereenkomst van mevrouw D. had geen betrekking op een arbeidsverhouding met een internationaal karakter.

3. Bij toepassing van de artikelen 2 tot en met 5 van dit decreet dient het Nederlands te worden gebruikt voor de sociale betrekkingen evenals in alle wettelijk voorgeschreven akten en bescheiden. De sociale betrekkingen omvatten zowel de mondelinge als schriftelijke contacten tussen werkgever en werknemer, die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met de tewerkstelling.

De decreetgever beoogde dus een zeer ruime toepassing.

Dit brengt mee dat alle documenten welke bestemd zijn voor het personeel in het Nederlands moeten worden opgesteld (artikel 2 en 5 van het taaldecreet van 19 juli 1973), wat in artikel 10 van dit decreet met absolute nietigheid wordt gesanctioneerd.

De bemerking van mevrouw C. dat beide partijen het Frans verstonden gelet op hun tweetaligheid, is dan ook niet ter zake dienend.

4. Deze absolute nietigheid brengt mee dat zij geldt ex tunc en dat het document geacht wordt niet te hebben bestaan (Cassatie, 31 januari 1978, TSR 1978, 329); hieruit volgt dat de rechter geen rekening mag houden met de inhoud ervan, inzonderheid met de wilsuitdrukking (Cassatie, 9 juni 1980, RW 1980-1981, 1737).

Deze nietigheid raakt dus zowel de akte als de wilsuiting, die erin vervat ligt (Arbeidshof Gent, 19 maart 2003, Soc. Kron. 2004, 450).

5. Rekening houdend met artikel 10 vijfde lid zou mevrouw Dellemont kunnen voorhouden dat de nietigheid geen nadeel kan berokkenen aan de werknemer, zodat door de nietigheid de arbeidsovereenkomst wel blijft voortbestaan (vgl. K. Salomez, De rechtspositie van de ontslagmacht naar Belgisch arbeidsrecht, ICA, Die Keure, 2004, 34). Zelfs deze opvatting zou in deze zaak geen afbreuk kunnen doen aan de gevolgen van de absolute nietigheid.

Immers, art. 9 van de arbeidsovereenkomstenwet van 3 juli 1978 bepaalt dat een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd voor iedere werknemer afzonderlijk schriftelijk moet worden vastgesteld, uiterlijk op het tijdstip waarop de werknemer in dienst treedt. Bij het ontbreken van een dergelijk geschrift gelden dezelfde voorwaarden als voor een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

In deze zaak overheerst alleszins een schromelijke onduidelijkheid wegens het verschil in de exemplaren van de arbeidsovereenkomst(en). Bovendien beroept mevrouw C. zich op een exemplaar dat naar haar zeggen ondertekend werd na de dagtaak van de eerste werkdag. Ongeacht dit alles, heeft de eerste rechter terecht geen rekening gehouden met dit Franstalig document dat absoluut nietig is en dus geacht wordt niet te bestaan.

Gelet op art. 9 van de arbeidsovereenkomstenwet vloeit uit de nietigheid immers voort dat de tewerkstelling van mevrouw D. beheerst wordt door de voorwaarden van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door vermeldingen op sociale documenten, die geen overeenkomst inhouden en overigens dateren van na het tijdstip waarop de werknemer in dienst is getreden.

6. Mevrouw C. betwist niet dat ze op 16 april 2010 een einde gemaakt heeft aan de bestaande arbeidsovereenkomst.

Hieruit vloeit voort dat mevrouw D. terecht aanspraak maakt op een opzeggingsvergoeding van 3 maanden, wat in de gegeven omstandigheden het minimum is voor een bediendeovereenkomst van onbepaalde tijd.

De becijfering van deze opzeggingsvergoeding wordt niet betwist.

De eerste rechter heeft terecht de gevorderde opzeggingsvergoeding toegekend, zodat het hoger beroep ongegrond is.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Legt de gerechtskosten van het hoger beroep ten laste van mevrouw C., geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zijnde omdat mevrouw D. niet bijgestaan werd door een advocaat.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hugo ENGELEN, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Paul DEPRETER, Hugo ENGELEN.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 1 maart 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN.