- Arrêt of March 4, 2013

04/03/2013 - 2012/AB/59

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het bewijs van de plotse gebeurtenis wordt niet geleverd door de verklaringen van het slachtoffer, wanneer deze niet wordt ondersteund en zelfs wordt tegengesproken door de verklaringen van de werkgever, en de versie van de feiten van het slachtoffer diverse ongerijmdheden bevat.

Het vereiste bewijs wordt evenmin geleverd door de vaststellingen van de behandelende artsen, gedaan op de dag na het ongeval, die weliswaar een letsel vaststelden en pijnstillers voorschreven, nu uit deze vaststellingen en behandeling wel het bestaan van een letsel blijkt, maar niet van de plotselinge gebeurtenis.


Arrêt - Integral text

Rep.Nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 4 MAART 2013.

5DE KAMER

Arbeidsongeval

Op tegenspraak

Definitief

In de zaak:

N.V. AXA BELGIUM, met maatschappelijke zetel gevestigd te 1170 BRUSSEL, Vorstlaan 25.

Appellante, vertegenwoordigd door Mr. S. PETEN, advocaat te Brussel.

Tegen:

P. , wonende te xxx.

Geïntimeerde, vertegenwoordigd door Mr. F. VAN DER STEICHEL loco Mr V. SIMEONS, advocaat te Brussel.

 

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit :

Gelet op de stukken van de rechtspleging, meer bepaald:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het vonnis gewezen op tegenspraak door de Arbeidsrecht-bank van Brussel op 13 oktober 2011;

- het verzoekschrift in hoger beroep ontvangen ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 19 januari 2012;

- de conclusies van de partijen;

Gelet op de door partijen neergelegde stukken.

Gehoord de partijen in hun middelen en verdediging ter openbare terechtzitting van 28 januari 2013 waarna de debatten gesloten werden, waarna de zaak in beraad werd genomen.

 

I. FEITEN

Volgens een aangifte van arbeidsongeval van 11 augustus 2008 zou de heer P. op 5 augustus 2008 het slachtoffer zijn geweest van een arbeidsongeval in dienst van de firma Immo Plaquettes, van wie de NV AXA Belgium (hierna genoemd de NV), verzekeraar arbeids-ongevallen is.

De aangifte maakt melding van een val in het atelier om 18 uur, bij een verplaatsing in het atelier van de werkgever, waar de heer P. op dat ogenblik alleen aanwezig was. De aangifte vermeldt tevens dat de heer P. verzorgd werd in het UZ Sint Lucas in Sint-Lambrechts-Woluwe op 6 augustus 2008 om 4.25 uur.

Het bijgevoegde medisch attest maakt melding van een breuk ter hoogte van de heup.

In de gegevens die de heer P. vermeldde op een vragenlijst van de NV bevestigt hij dat hij 5 augustus 2008 rond 18 uur bij het afsluiten van de werkplaats, waar hij alleen aanwezig was, gevallen is op zijn rechterzijde, en verder ook dat de pijn aanvankelijk te verdragen was.

Uit een verslag van de geneesheer van de NV na onderzoek van de heer P. op 23 september 2008 bleek verder dat betrokkene na de feiten naar huis was gegaan, drie pijnstillers had genomen, om 's nachts naar het hospitaal te gaan waar de letsels werden vastgesteld.

Met brief van 26 september 2008 meldde de NV aan de heer P. dat tussenkomst werd geweigerd daar geen bewijs werd geleverd van een plotselinge gebeurtenis.

Met brief van 23 oktober 2008 betwistte de vakorganisatie van de heer P. deze beslissing, waarbij verdere uitleg werd gegeven over de juiste omstandigheden van het ongeval, en werd bevestigd dat de heer P. eerst van oordeel was dat de pijn die hij voelde het gevolg was van een schok, maar dat hij zich rond 4 uur 's morgens naar het hospitaal had begeven daar de pijn erger werd.

Met brief van 29 oktober 2008 bevestigde de NV haar beslissing, met de bijkomende verduidelijking dat de feiten te laat werden aangegeven, dat de eerste zorgen te laat werden verstrekt en dat er geen getuigen waren die de feiten konden bevestigen.

In zijn verklaring van 24 augustus 2010 stelde de werkgever van de heer P.:

- dat deze hem rond 22.20 uur had opgebeld met de melding dat hij rond 18 uur in het atelier gevallen was; dat hij op dat ogenblik nog steeds in het atelier was doch wachtte tot de pijn zou verminderd zijn om te vertrekken;

- dat de heer P. later vertelde dat hij na dit telefoongesprek in slaap was gevallen op de werkplaats, 's nachts was wakker geworden en daar de pijn niet was verminderd, zich naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis had begeven.

Tenslotte moet nog melding gemaakt worden van twee verslagen van het UZ Sint-Lucas van 24 april 2009, die beiden bevestigen dat de heer P. bij opname heeft gemeld dat hij rond 22.15 uur op 5 augustus 2009 op de werkplaats was gevallen.

II. RECHTSPLEGING

a.-

Met inleidende dagvaarding van 3 december 2008 vorderde de heer P. voor de Arbeidsrechtbank te Brussel in hoofdorde dat deze zou zeggen voor recht dat hij op 5 augustus 2008 het slachtoffer was geworden van een arbeidsongeval en de weigerings-beslissing van 29 oktober 2008 te vernietigen, tevens de NV te veroordelen tot de vergoedingen voorzien in de Arbeidsongevallenwet.

In ondergeschikte orde vorderde hij de aanstelling van een geneesheer-deskundige die advies diende te verlenen over de gevolgen van het arbeidsongeval.

Hij vorderde in ieder geval de veroordeling van de NV tot de kosten van het geding en de voorlopige uitvoerbaarheid van het te wijzen vonnis zonder enige reserve.

b.-

Met vonnis van 13 oktober 2011 verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering gegrond; zij zegde voor recht dat de heer P. op 5 augustus 2008 het slachtoffer was van een arbeidswegongeval (lees arbeidsongeval) en stelde dr. J. Matthijs aan als deskundige met als opdracht de gevolgen van het arbeidsongeval te beschrijven.

c.-

Er wordt geen melding gemaakt van een betekening van dit vonnis.

d.-

Met verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Arbeidshof te Brussel op 19 januari 2012, tekende de NV hoger beroep aan tegen dit vonnis; zij vorderde dat het arbeidshof het bestreden vonnis zou vernietigen en opnieuw recht doende, de oorspronkelijke vordering af zou wijzen, kosten als naar recht.

III. ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is.

IV. BEOORDELING

a.-

Artikel 7 eerste en tweede lid van de Arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 (hierna de Arbeidsongevallenwet) bepaalt:

"Voor de toepassing van deze wet wordt als arbeidsongeval aangezien elk ongeval dat een werknemer tijdens en door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst overkomt en dat een letsel veroorzaakt.

Het ongeval overkomen tijdens de uitvoering van de overeenkomst wordt, behoudens tegenbewijs, geacht als overkomen door het feit van de uitvoering van de overeenkomst. [...]"

Met toepassing van deze bepaling dienen het slachtoffer van het arbeidsongeval of zijn rechthebbenden aantonen dat het ongeval tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is voorgevallen en een letsel heeft veroorzaakt.

Wanneer aangetoond wordt dat het ongeval overkomen is tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst, geldt een vermoeden dat het ook door de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is overkomen. Dit vermoeden is weerlegbaar, zodat de verzekeraar arbeidsongevallen het tegenbewijs kan leveren, en bijgevolg kan aantonen dat, wanneer het ongeval tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is voorgevallen, het niet door het feit van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst is overkomen.

Om het bewijs te leveren van het bestaan van een arbeidsongeval moeten het slachtoffer of diens rechthebbenden het bewijs leveren van het bestaan van een letsel en van een plotselinge gebeurtenis overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

b.-

Op de eerste plaats dient te worden onderzocht of de heer P. het bewijs levert van het bestaan van een plotselinge gebeurtenis overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

De plotselinge gebeurtenis wordt omschreven als een tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst in tijd en ruimte omschreven element waarin eventueel de oorzaak te vinden is van het feit dat het letsel zich heeft voorgedaan, zonder dat evenwel vereist is dat dit element kan onderscheiden worden van de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

(vgl. Cass. 19 februari 1990, R.W. 1990-91, 393; Cass. 13 oktober 2003, J.T.T. 2004, 40; Cass. 24 november 2003, J.T.T. 2004, 34)

De verklaring van het slachtoffer is op zich onvoldoende als bewijs van de plotse gebeurtenis, wanneer zij niet wordt ondersteund door voldoende eensluidende en overeenstemmende gegevens.

(vgl. Arbh. Brussel 19 juni 2000, De Verz. 2000, 642; Arbh. Luik 7 november 2001, De Verz. 2002, 377)

De eigen verklaring van de getroffene volstaat niet om het bewijs te leveren van de plotse gebeurtenis, maar dient te worden bevestigd door bepaalde, gewichtige en overeenstemmende vermoedens.

(vgl. Arbh. Gent 19 april 1990, J.T.T. 1990, 269)

Wanneer geen rechtstreekse getuigen het ongeval hebben gezien mag het bewijs worden geleverd door alle wettelijke middelen. Indien dit niet zou worden aanvaard, betekent dit dat het slachtoffer van een arbeidsongeval zonder getuigen in de onmogelijkheid zou verkeren het bewijs te leveren van de plotse gebeurtenis.

Het bewijs van de plotse gebeurtenis kan bijgevolg worden geleverd door alle wettelijke middelen, getuigen inbegrepen, en door ernstige en met elkaar overeenstemmende vermoedens.

c.-

In voorliggende betwisting draait de discussie in essentie rond de vraag of de heer P., op wie ter zake de bewijslast rust zoals hoger gesteld, het bestaan van een plotse gebeurtenis aantoont, en meer in het bijzonder dat hij op 5 augustus 2008 tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ten val kwam en hierdoor een letsel opliep.

Naar het oordeel van het arbeidshof levert de heer P. dit bewijs niet, en alleszins niet op afdoende wijze.

Dit bewijs wordt niet geleverd door de verklaring van de werkgever van de heer P. die in zijn verklaring van 24 augustus 2010 stelde dat deze hem rond 22.20 uur had opgebeld met de melding dat hij rond 18 uur in het atelier gevallen was, dat hij op dat ogenblik nog steeds in het atelier was doch wachtte tot de pijn zou verminderd zijn om te vertrekken en dat de heer P. later vertelde dat hij na dit telefoongesprek in slaap was gevallen op de werkplaats, 's nachts was wakker geworden en daar de pijn niet was verminderd, zich naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis had begeven.

Het is hierbij van belang te benadrukken dat deze verklaring de eigen verklaring van de heer P. niet ondersteunt, maar zelfs tegenspreekt.

Het volstaat hier op te merken dat er meerdere belangrijke tegenstrijdige elementen zijn tussen de verklaringen van de heer P. en deze van zijn werkgever: zo is er het belangrijke tijdsverschil tussen het tijdstip van het ongeval (18 uur enerzijds en 22 uur anderzijds) en het element dat volgens de heer P. hij na het ongeval nog naar huis is gereden om dan in de loop van de nacht naar het hospitaal te gaan, en de verklaring van de werkgever, die van de heer P. had vernomen dat deze op de werkplaats in slaap was gevallen om dan tijdens de nacht wakker te worden om naar het hospitaal te gaan.

Hierbij voegt zich dan nog de pertinente opmerking van de NV die vaststelt dat de heer P., die in Sint-Pieters-Leeuw woont, zich midden in de nacht met de wagen en met een breuk ter hoogte van de heup naar een ziekenhuis begeeft in Sint-Lambrechts-Woluwe, wat minstens niet de meest evidente keuze is.

Het vereiste bewijs wordt evenmin geleverd door de vaststellingen van de behandelende artsen, gedaan op 6 augustus 2008, dag na het ongeval, die weliswaar een letsel vaststelden en pijnstillers voorschreven, nu uit deze vaststellingen en behandeling wel het bestaan van een letsel blijkt, maar niet van de plotselinge gebeurtenis waarvan de heer P. voorhoudt dat deze hem op 5 augustus 2008 zou zijn overkomen tijdens de uitvoering van de arbeidsovereenkomst.

d.-

Het was dan ook ten onrechte dat de arbeidsrechtbank in het bestreden vonnis zegde voor recht dat de heer P. op 5 augustus 2008 het slachtoffer was van een arbeidswegongeval (lees arbeidsongeval).

Het hoger beroep van de NV is gegrond.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak en na erover beraadslaagd te hebben:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond; vernietigt het bestreden vonnis en opnieuw recht doende, verklaart de vordering van de heer P. ongegrond;

Verwijst de NV in de kosten van het geding, in hoofde van de heer P. vereffend op:

Kosten dagvaarding: 78,15 EUR

Rechtsplegingsvergoeding arbeidsrechtbank: 120,25 EUR

Rechtsplegingsvergoeding arbeidshof: 160,36 EUR

Aldus gewezen door de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel en ondertekend door :

Mr. D. RYCKX: Raadsheer,

P. CLERINX: Raadsheer in Sociale Zaken als werkgever,

R. VAN CAUWENBERGE : Raadsheer in Sociale Zaken als werknemer-arbeider,

En bijgestaan door :

D. DE RAEDT : Griffier,

P. CLERINX R. VAN CAUWENBERGE

D. DE RAEDT D. RYCKX

En uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 5de kamer van het Arbeidshof te Brussel op 4 maart 2013 door de heer D. RYCKX, Raadsheer, en bijgestaan door D. DE RAEDT, Griffier,

D. DE RAEDT D. RYCKX

Free keywords

  • BEROEPSRISICO'S

  • ARBEIDSONGEVALLEN IN DE PRIVE SECTOR

  • Bewijs van plotse gebeurtenis

  • Tegenstrijdige verklaringen.