- Arrêt of March 15, 2013

15/03/2013 - 2012/AB/294

Case law

Summary

Samenvatting 1

Een werknemer die tewerkgesteld is onder een stelsel van verminderde arbeidsprestaties wegens tijdskrediet kan, ingeval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, aanspraak maken op een opzegtermijn waarvan de duur berekend wordt alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.

Het bedrag van de opzeggingsvergoeding dient daarentegen berekend te worden met inachtneming van het loon waarop hij effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Het feit dat dit voor ouderschapsverlof anders is ingevolge art. 105 §3 van de herstelwet van 22 januari 1985 doet daaraan niets af.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 15 MAART 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

BVBA VIPD BELGIUM, met zetel te 3210 LUBBEEK, Olmendreef 5,

appellante,

vertegenwoordigd door mr. VAN CORENLAND Kristel loco mr. VLEMINCKX Ann, advocaat te 3000 LEUVEN, Vital Decosterstraat 46/6.

Tegen:

T. R.,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. STOLK Marc, advocaat te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 31 mei 2011 door de arbeidsrechtbank te Antwerpen, 3e kamer (A.R. 10/6206/A),

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden arrest, uitgesproken op tegenspraak op 26 maart 2012 door het Arbeidshof te Antwerpen, 2e kamer (A.R. 2011/AA/474),

- de conclusie en de syntheseconclusie voor de appellante neergelegd ter griffie, respectievelijk op 14 augustus 2012 en 31 oktober 2012,

- de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 25 september 2012,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 15 februari 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Het hof kan verwijzen naar het arrest van het arbeidshof Antwerpen van 26 maart 2012, waarin het geschil werd omschreven. Het hoger beroep werd ontvankelijk verklaard en het vonnis van de arbeidsrechtbank te Antwerpen van 31 mei 2011 werd vernietigd, waarna het arbeidshof te Antwerpen zich onbevoegd verklaarde ratione loci en de zaak voor verdere behandeling naar het arbeidshof te Brussel verzond.

Hierbij stelde het arbeidshof Antwerpen vast dat de heer T. met zijn ‘amalgaam' van stukken niet aantoonde dat hij meer dan sporadisch werkzaam was in het arrondissement Antwerpen.

2. Uit de door partijen op 29 juli 2008 ondertekende voltijdse arbeidsovereenkomst voor bedienden van onbepaalde tijd blijkt dat de heer T. op 1 augustus 2008 in dienst kwam bij de BVBA VIPD Belgium (hierna aangeduid als VIPD) als salesmanager.

Met ingang van 1 augustus 2009 nam hij halftijds tijdskrediet en ontving hij een bijpassing van de RVA. Dit werd na 1 februari 2010 verlengd tot 31 juli 2010.

3. Bij gewone brief van 18 februari 2010 meldde VIPD de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 4,5 maanden ingaand op 1 maart 2010.

Hierna overhandigde VIPD aan de heer T. op 15 juli 2010 het C4-formulier met vermelding van volgende reden van werkloosheid: wegens veel te weinig verkopen is de onderneming in een economisch zeer onrendabele situatie gekomen.

Op 11 augustus 2010 stelde de raadsman van de heer T. VIPD in gebreke in betaling van achterstallig loon vanaf 1 augustus 2009 wegens beweerde voltijdse tewerkstelling, een opzeggingsvergoeding van 5 maanden en een beschermingsvergoeding wegens ontslag tijdens tijdskrediet van 6 maanden, telkens berekend op basis van een voltijds loon.

4. Op 15 september 2010 dagvaardde de heer T. VIPD in betaling van achterstallig loon ten bedrage van euro 22.800, een opzeggingsvergoeding van

euro 24.634 en een beschermingsvergoeding van euro 29.561,71 vermeerderd met intresten en kosten.

Met conclusie van 14 maart 2011 breidde hij zijn eis uit met een uitwinningsvergoeding van euro 14.780,86.

5. Bij vonnis van 31 mei 2011 van de arbeidsrechtbank te Antwerpen werden deze vorderingen ontvankelijk en gegrond verklaard behalve wat betreft het achterstallig loon.

6. Na betekening van dit vonnis op 29 juni 2011, tekende VIPD op 28 juli 2011 hoger beroep aan bij het arbeidshof te Antwerpen en vroeg dat de volledige vordering ongegrond zou worden verklaard.

Er is geen incidenteel beroep; de heer T. aanvaardt de afwijzing van zijn vordering achterstallig loon.

7. Wegens territoriale onbevoegdheid verzond het arbeidshof te Antwerpen de zaak dus naar het arbeidshof te Brussel.

II. BEOORDELING

De nietige opzegging

1. Artikel 37 §1, vierde lid van de arbeidsovereenkomstenwet bepaalt dat, indien de opzegging uitgaat van de werkgever, de kennisgeving van de opzegging, op straffe van nietigheid enkel kan geschieden hetzij bij een per post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaarderexploot, met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld.

De opzeggingsbrief van 18 februari 2010 werd niet bij aangetekende brief en evenmin bij gerechtsdeurwaarderexploot betekend. Dit gebeurde bij gewone brief, wat niet wordt betwist.

2. De nietigheid van de opzegging tast de geldigheid van het ontslag niet aan, wat niet afhangt van welbepaalde vormen (Cass. 14 december 1992 in JTT 1993, 226 met noot Votquenne). Hieruit volgt dat de heer T. in beginsel de onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst kon inroepen.

3. Wanneer echter de werkgever en werknemer zich na de kennisgeving van een ongeldige opzegging voort hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, wordt de nietigheid van de opzegging niet gedekt, maar kunnen de partijen na een redelijke termijn beschouwd worden afstand te hebben gedaan van het recht dat onmiddellijk ontslag in te roepen. In die omstandigheden blijft de arbeidsovereenkomst voortduren tot ze op een andere wijze wordt beëindigd (Cass. 11 april 2005, NJW 2005, 1025; Cass. 25 april 2005, NJW 2005, 1026; Cass. 30 mei 2005, NJW 2005, 1027; Cass. 28 januari 2008, JTT 2008, 239 met noot; W. Rauws ‘De nietigheid van de opzegging, het ontslag en de afstand van het recht dat ontslag in te roepen: een vertrouwd geluid van het Hof van Cassatie' RW 2008-09, 186-189).

Gelet op het voortzetten van de arbeidsovereenkomst na 18 februari 2010 en dit tot 15 juli 2010, was de redelijke termijn voor de heer T. om zich op het ontslag te beroepen verstreken en dient de impliciete afstand te worden aanvaard.

4. Door het verder zetten van de arbeidsovereenkomst moet worden nagegaan op welke wijze ze vervolgens werd beëindigd. Partijen betwisten niet dat VIPD door de afgifte van het C4-formulier op 15 juli 2010 de arbeidsovereenkomst uiteindelijk beëindigd heeft.

Omdat dit gebeurde zonder dringende reden of zonder inachtneming van een opzeggingstermijn, is VIPD op grond van art. 39 §1 van de arbeidsovereenkomsten-wet een opzeggingsvergoeding verschuldigd, gelijk aan het lopend loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn. Deze opzeggingsvergoeding behelst ook de voordelen verworven krachtens de overeenkomst.

De opzeggingsvergoeding

5. Ten onrechte argumenteert de heer T. dat voor de berekening van de opzeggingsvergoeding moet rekening gehouden worden met voltijds loon.

Een werknemer die tewerkgesteld is onder een stelsel van verminderde arbeidsprestaties wegens tijdskrediet kan, ingeval van eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, aanspraak maken op een opzegtermijn waarvan de duur berekend wordt alsof de werknemer zijn arbeidsprestaties niet had verminderd.

Het bedrag van de opzeggingsvergoeding dat hem verschuldigd zou zijn, dient daarentegen berekend te worden met inachtneming van het loon waarop hij effectief recht heeft op het tijdstip van de kennisgeving van de beëindiging van de arbeids-overeenkomst. De omstandigheid dat de werknemer na het einde van de verminderde arbeidsprestaties in beginsel de mogelijkheid heeft om het werk te hervatten met volledige arbeidsprestaties en hij ingevolge de eenzijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever die mogelijkheid verliest, doet hieraan geen afbreuk (Cass. 11 december 2006, JTT 2007, 86 met noot François- Xavier Horion; Arbh. Brussel 7 maart 2008, RABG 2009, 151 met noot J. Herman, Onregelmatig ontslag na vermindering van de arbeidsprestaties: de olievlek wordt groter of ook tegen halve prijs de deur uit; Arbh. Brussel 19 maart 2010, JTT 2010, 227).

6. Hieraan wordt evenmin afbreuk gedaan doordat de wetgever als gevolg van de prejudiciële uitspraak van 22 oktober 2009 van het Hof van Justitie in de zaak

C. - 116/08 m.b.t. het ouderschapsverlof artikel 105 § 3 van de herstelwet van 22 januari 1985 heeft gewijzigd in de zin dat voor deze verlofmodus wel rekening moet worden gehouden met voltijds loon. De amendementen om dit verder uit te breiden naar tijdskrediet werden verworpen (voor een verdere bespreking: zie Arbh. Brussel 19 maart 2010, JTT 2010, 227).

Het Grondwettelijk Hof bevestigde op 10 november 2011 en 15 december 2011 dat deze regeling geen schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. (Gr. H. nrs. 165/11 en 167/11 van 10 november 2011; Gr. H. nr. 191/11 van 15 december 2011).

7. Terecht verwijst de heer T. voor de berekening van de opzeggingsvergoeding naar het halftijds loon; voor de begroting van de opzeggingstermijn daarentegen moet het voltijds loon worden in aanmerking genomen.

De heer T. genoot bovendien van de mogelijkheid van privaat gebruik van een bedrijfswagen Volvo C30, laptop en GSM, waarvan het reële voordeel in globo kan worden geraamd op euro 400/maand.

Voor de opzeggingsvergoeding begroot het basisloon zich derhalve op:

Maandloon euro 1.891,83 x 13,92 = euro 26.334,27

Voordelen euro 400 x 12 = euro 4.800,00

Totaal euro 31.134,27

Voor de raming van de opzeggingstermijn moet worden uitgegaan van euro 31.134,27 + 26.334,27 = euro 57.468,54

8. De opzeggingstermijn bij toepassing van artikel 82 § 3 van de arbeidsovereen-komstenwet wordt door de rechter bepaald met inachtneming van de op het tijdstip van de kennisgeving van beëindiging van een overeenkomst bestaande kans om een gelijkwaardige betrekking te vinden en dit rekening houdend met de anciënniteit, de leeftijd van de werknemer, de uitgeoefende functie en het loon volgens de gegevens eigen aan de zaak (Cass., 8 september 1980, Arr. Cass., 1980-1981, 17; Cass., 17 september 1975, T.S.R. 1976, 14; Cass., 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass., 4 februari 1991, RW 1990-1991, 1407) en met inachtneming van de wederzijdse belangen van partijen (Cass., 19 januari 1977, Arr. Cass. 1977,5 161; Cass., 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994,2 153).

Rekening houdend met een jaarloon van euro 57.468,54, de anciënniteit van 1 jaar en 11 maanden, de leeftijd van 57 jaar en de uitgeoefende functie kan de kans van de heer T. om een gelijkwaardige betrekking te vinden worden geraamd op 5 maanden.

De hem toekomende opzeggingsvergoeding bedraagt euro 31.134,27/12 x 5 maanden = euro 12.972,61

Gelet op art. 10 van de loonbeschermingswet van 12 april 1965 is van rechtswege intrest verschuldigd vanaf het tijdstip waarop de vergoeding eisbaar was.

Die rente is sinds 1 juli 2005 verschuldigd op het brutoloon.

Het hoger beroep is op dit onderdeel gedeeltelijk gegrond.

Het tijdskrediet

9. Artikel 20 §2 van de CAO nr. 77 bis bepaalt dat de werkgever geen handeling mag verrichten die tot doel heeft eenzijdig een einde te maken aan de dienstbetrekking behalve om een dringende reden als bedoeld in artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties tot een halftijdse betrekking vanwege de uitoefening van het recht op tijdskrediet.

Deze regel houdt in dat tijdens de periode van het tijdskrediet de arbeidsovereenkomst kan beëindigd worden om een dringende reden of een voldoende reden, vreemd aan het tijdskrediet (J. Herman, Onderbreking van de beroepsloopbaan (tijdskrediet), ATO-O-203- 2565 tot 2575).

Wanneer de werkgever in de periode van het ontslagverbod van artikel 20 §2 een einde maakt aan de dienstbetrekking, moet hij bewijzen dat hij de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd om een dringende reden of om een reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de uitoefening van het recht op tijdskrediet (Cass. 14 januari 2008, JTT 2008, 243).

10. VIPD verwijst dienaangaande naar: wegens veel te weinig verkopen is de onderneming in een economisch zeer onrendabele situatie gekomen.

De economisch onrendabele toestand van de onderneming, veroorzaakt door het gebrek aan verkoopsresultaten, is een reden vreemd aan het tijdskrediet.

VIPD bewijst dit door volgende elementen, bezien in hun onderlinge samenhang:

- de bemerkingen, reeds gemaakt in het voortgangsgesprek van 20 oktober 2009, zoals weergegeven in de e-mail van dezelfde datum

- het onderzoek naar de werkzaamheden van de heer T., zoals weergegeven in de stukken 9, 10, 11, 13 en 17 van VIPD

- de onvoldoende afspraken en bezoeken (stuk 24) en de bespreking hiervan in de e-mails van 20 februari 2009 en 10 juni 2009, alsook de noodzaak aan coaching ondanks de opleiding en voorgehouden ervaring (e-mail 17 juni 2009) - stukken 24 tot 16

- de omzet en het aandeel hierin van de heer T. (stuk 15 en 21)

- de jaarrekeningen 2009-2010 (stuk 20)

Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door de opsomming van de heer T. met verwijzing naar stukken van wat hij wel gedaan heeft, omdat VIPD hem juist aanwrijft dat zijn contacten niet tot daadwerkelijk resultaat leidden. Alleszins blijkt de onrendabele tewerkstelling uit de negatieve cijfers van de jaarrekening en de omzetoverzichten.

De heer T. kan dan ook geen aanspraak maken op een beschermingsvergoeding wegens tijdskrediet en zijn vordering is op dit punt ongegrond.

Het hoger beroep is op dit onderdeel gegrond.

De uitwinningsvergoeding

11. Artikel 101 van de arbeidsovereenkomstenwet kent aan de handelsvertegenwoordiger een recht op de uitwinningsvergoeding toe, indien aan 4 voorwaarden cumulatief wordt voldaan:

- de arbeidsovereenkomst werd beëindigd door de werkgever zonder dringende reden,

- de handelsvertegenwoordiger heeft aan de werkgever een cliënteel aangebracht,

- hij is langer dan een jaar tewerkgesteld als handelsvertegenwoordiger,

- de werkgever toont niet aan dat de handelsvertegenwoordiger door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen nadeel heeft geleden.

Art.105 van deze wet voegt daaraan toe dat het concurrentiebeding ten behoeve van de handelsvertegenwoordiger een vermoeden schept dat hij een cliënteel heeft aangebracht; de werkgever kan hiervan het tegenbewijs leveren.

12. Niet meer betwist wordt dat de heer T. handelsvertegenwoordiger was en dat hij deze functie gedurende meer dan één jaar uitoefende.

Zijn arbeidsovereenkomst werd beëindigd zonder dringende reden. VIPD houdt niet voor dat de heer T. door zijn ontslag geen nadeel zou geleden hebben.

Wel betwist VIPD dat de heer T. cliënteel heeft aangebracht.

In de arbeidsovereenkomst is geen concurrentiebeding opgenomen, zodat er geen vermoeden is van aanbreng van cliënteel en de heer T. dergelijke aanbreng moet bewijzen.

Een cliënteel is alleen aanwezig wanneer zij voor de zaak een voordeel oplevert, te weten een mogelijkheid van toekomstige bestellingen. Wanneer deze mogelijkheid niet noemenswaardig is, dan is er geen aanbreng van cliënteel (Cass. 15 juni 1988, JTT 1989, 255).

De handelsvertegenwoordiger zal enkel recht hebben op een uitwinningsvergoeding wanneer hij kan aantonen dat hij door zijn bezoek- en prospectieactiviteiten, aan het patrimonium van de werkgever klanten toegevoegd heeft die geen producten of diensten van de werkgever aankochten op het ogenblik van zijn indiensttreding (B. Mergits en D. Ryckx, Uitwinningsvergoeding, ATO-O-601-5220).

13. Zonder dat deze opgave door de heer T. wordt aangevochten of weerlegd, verwijst VIPD in haar besluiten en in haar stuk 7 naar zeer weinig bestellingen ter waarde van euro 21.890 (op 23 maanden), terwijl er een doelstelling was vooropgezet van euro 210.000. De heer T. haalde daardoor slechts een gemiddelde van minder dan euro 1.000/maand, wat volgens VIPD niet eens ¼ van de loonkost vertegenwoordigde. Dit wijst op dermate beperkte resultaten dat alleszins niet bewezen wordt dat een cliënteel werd aangebracht in de zin van noemens-waardige bestellingen, die voor de werkgever een voordeel opleverden.

Vanaf 1 augustus 2009 werd door hem geen omzet meer gerealiseerd (stuk 21 VIPD).

Weliswaar stelt de heer T. hier de listing van zijn stuk 16 tegenover, doch deze heeft betrekking op zijn afspraken. Slechts sporadisch komt het woord ‘offerte' voor, maar het is juist een verwijt van VIPD dat zelfs offertes niet in verkoop worden omgezet (stuk 26 VIPD). Stuk 16 van de heer T. is dan ook niet dienstig voor het bewijs van aanbreng van cliënteel.

Gelet op het feit dat de bovenvermelde cijfers niet worden aangevochten en hieruit blijkt dat in de periode van de lijst, opgenomen in stuk 16, geen cliënteel werd aangebracht, is het niet relevant om deze afspraken te horen bevestigen in een getuigenverhoor.

Volgens de verslagen nam de heer T. immers wel contact op per telefoon en e-mail, maar liep het mis bij de eigenlijke vertegenwoordiging en het bezoek aan de klant. Ondanks zijn hoge opleiding en beweerde ervaring, gaf de werkgever daarom nog bijkomende coaching op het vlak van klantenbezoek. Reeds in de e-mail van 20 februari 2009 werd de heer T. erop gewezen dat hij voor 2008 wel offertes gemaakt had, maar dat deze niet in verkoop werden omgezet.

14. De heer T. wil de aanbreng van cliënteel aantonen door te verwijzen naar uitvoerige lijsten in verband met contactpersonen en contactnames met klanten, maar gelet op wat naar voren gebracht werd in randnummer 13, is dit in de gegeven omstandigheden geen bewijs van aanbreng van cliënteel, omdat precies het bewijs ontbreekt dat de klant effectief werd aangebracht.

Bovendien heeft het arbeidshof Antwerpen in het arrest van 26 maart 2012, dat gezag van gewijsde heeft, reeds vastgesteld dat deze lijsten omwille van hun betwisting niet bewijskrachtig, objectief en controleerbaar zijn.

Weliswaar heeft de heer T. vermoedelijk omwille van deze motivering zijn stukken aangevuld, maar deze bijkomende documenten wijzen eerder in de richting van de opmerkingen van de werkgever.

Zo wijst:

- stuk 27 enkel op ‘eerste contacten' en ‘een intake gesprek'

- stuk 33 op ‘verkennende contacten' die niet tot een overeenkomst hebben geleid

- stuk 34 op contact...over mogelijke opleidingen

- stuk 35 op opvolging maar geen nood aan externe begeleiding...wegens andere prioriteiten

- stuk 36 op een klant die zich het bezoek herinnert, maar we hebben gekozen voor een andere aanpak

- stuk 37 op prospectie, maar gekozen voor BTS gezien onze scoop...beter bij hun aanbod aansloot

- stuk 39 op een klant die voor een andere partij heeft gekozen.

- stuk 40 op het niet weerhouden van het voorstel

- stuk 43 op het uitwerken van een voorstel, waarop uiteindelijk niet werd ingegaan

De overige stukken zijn eerder algemeen en spreken over ontmoetingen, opvolging en gesprekken zonder dat uitdrukkelijk wordt bevestigd dat de heer T. de klant heeft aangebracht. In dat verband valt het ook op dat uit de uitgeschreven verslagen van voorbereidende gesprekken met A. (stuk 25) en Brussels Airport Cy (stuk 26) blijkt dat de heer T. daar samen met een collega van VIPD aanwezig was, zodat niet vaststaat dat hijzelf de klant aanbracht.

In die omstandigheden bewijst de heer T. niet de aanbreng van een voldoende cliënteel om aanspraak te kunnen maken op een uitwinningsvergoeding.

Het hoger beroep is op dit punt gegrond.

15. Gelet op het feit dat beide partijen deels in het gelijk deels in het ongelijk zijn gesteld, dienen de gerechtskosten te worden omgeslagen in de zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewij¬zigd, inzonderheid op artikel 24,

Het arrest van het arbeidshof Antwerpen van 26 maart 2012 verder uitwerkend, verklaart het hoger beroep in volgende mate gegrond;

Verklaart de oorspronkelijke vordering, zoals uitgebreid, ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Veroordeelt de bvba VIPD Belgium tot betaling aan de heer T. van een opzeggingsvergoeding van euro 12.972,61, te vermeerderen met wettelijke intresten op bruto vanaf 16 juli 2010 en de gerechtelijke intresten.

Wijst al het meergevorderde af.

Compenseert de gerechtskosten van beide aanleggen in de zin dat elke partij zijn eigen kosten draagt.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Paul DEPRETER, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Hugo ENGELEN, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Paul DEPRETER, Hugo ENGELEN.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 15 maart 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • Arbeidsovereenkomsten

  • Beroepsloopbaanonderbreking

  • Wet 22 januari 1985 en CAO 77bis NAR 19 december 2001

  • Berekening opzeggingsvergoeding en beschermingsvergoeding