- Arrêt of March 19, 2013

19/03/2013 - 2012/AB/453

Case law

Summary

Samenvatting 1

Binnen de Coöperatieve vennootschap geldt op grond van art 34 van het Wetboek vennootschappen van 7-5-1999 dat iedere bestuurder bestuur- en vertegenwoordigingsbevoegdheid heeft. De bestuurders vormen slechts een collectiviteit indien de statuten daarvan afwijken.

Wanneer in de statuten van een CVBA de meest ruime bevoegdheden worden voorbehouden aan de raad van bestuur, een collegiaal orgaan, en o.m. de bevoegdheid om het personeel te ontslaan, om het directiecomité op te richten en een directeur aan te stellen, die organen zijn van de vennootschap, dan is de raad van bestuur als enige bevoegd om te beslissen tot het ontslag om dringende reden van de directeur.

Uit de bepaling in de statuten dat in dringende gevallen bij uitzondering twee bestuurders op eigen verantwoordelijkheid een beslissing mogen nemen die zij binnen de 14 dagen ter bekrachtiging aan de raad van bestuur moeten voorleggen, moet worden afgeleid dat het beslissingen betreft waarvoor zij in principe niet bevoegd zijn. Daaruit kan bijgevolg niet worden afgeleid dat twee bestuurders samen handelend de bevoegdheid hebben om een directeur, orgaan van de vennootschap om dringende reden te ontslaan.

De gevolgen van een mandaat moeten worden beoordeeld op grond van het gemeen recht.

In het burgerlijk recht is de mandant wettelijk gehouden tot beslissingen die de mandataris binnen de hem gedelegeerde bevoegdheden neemt, zodat geen bekrachtiging nodig is. De handelingen van de mandataris handelend binnen zijn bevoegdheid worden hem immers toegerekend.

De bepaling in de statuten dat twee bestuurders het ontslag om dringende reden aan een directeur mogen betekenen is onvoldoende duidelijk om er een beslissingsbevoegdheid van twee bestuurders te kunnen op gronden.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN NEGENTIEN MAART 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

1. V. ,

appellant, die op de openbare terechtzitting verschijnt in persoon en wordt bijgestaan door meester CORBANIE Stefan, advocaat te DIEGEM,

Tegen:

1.de burgelijke vennootschap in de vorm van een CVBA INTER-VILVOORDSE MAATSCHAPPIJ VOOR HUISVESTING, met zetel gevestigd te 1800 VILVOORDE, Parkstraat 115,

geïntimeerde, die op de openbare terechtzitting wordt vertegenwoordigd door meester BAELE Isabelle, advocaat te WEMMEL.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 26-03-2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 10/18355/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 mei 2012,

de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 15 november 2012,

de conclusie en syntheseconclusies voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 16 augustus 2012 en 21 januari 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 19 februari 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

FEITEN EN RECHTSPLEGING

De heer V. trad op 11-9-2003 als bediende in dienst van geïntimeerde met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Op 25-9-2003 ondertekenden partijen een bijlage aan de arbeidsovereenkomst waarbij aan de heer V. de functie van interim-zaakvoerder werd toegekend.

Met een op 12-5-2004 ondertekende arbeidsovereenkomst werd de heer V. ten slotte aangeworven als zaakvoerder.

Het maatschappelijk doel van geïntimeerde, zoals omschreven in art 3 van de statuten bestaat in:

1°het kopen, slopen, bouwen, verbouwen, verkopen, beheren, huren of verhuren van gebouwen in het kader van de sociale huisvesting en alles wat hiermee verband houdt.

2° het kopen van gronden, bestemd om ingericht of wederverkocht te worden met het oog op de oprichting van in 1° bedoelde gebouwen of op de aanleg van tuinen en alles wat hiermee verband houdt."

De vennootschap wordt bestuurd door een Raad van bestuur die krachtens art 15 van de statuten uit minstens 16 leden moet bestaan, en waarvan een aantal mandaten als volgt is voorbehouden:

-1 voor de provincie Vlaams-Brabant

-4 voor de stad Vilvoorde

-2 voor de stad Mechelen

-3 voor de gemeente Machelen.

De stad Vilvoorde beschikt over het grootste aantal aandelen, nl. 1.537 op 7.618.

Naast de raad van bestuur voorzien de statuten in een tweede bestuursorgaan: het directiecomité, samengesteld uit: de voorzitter van de raad van bestuur, de ondervoorzitter, 5 bestuurders aangeduid door de raad van bestuur, de VMSW-commissaris met raadgevende stem en de directeur met raadgevende stem.

De verdeling tussen de vennoten is als volgt:

-de stad Vilvoorde levert de voorzitter en 2 leden

-de gemeente Machelen levert de ondervoorzitter en 1 lid

-de stad Mechelen levert 1 lid

-de provincie Vlaams-Brabant levert 2 leden (art 4 intern reglement).

Op de vergadering van de Raad van bestuur van de IVMH van 23-11-2010 was onder punt 6 van de dagorde de "grondige evaluatie van het functioneren van de heer V. en onderzoek van de recente gebeurtenissen naar aanleiding van de gemeenteraad van Vilvoorde van 8-11-2010"vastgesteld.

Na discussie en deliberatie werd beslist over te gaan tot ontslag om dringende reden van de heer V..

Op 24-11-2010 werden de dringende redenen voor het ontslag aan de heer V. ter kennis gebracht in volgende termen:

"Op datum van 23 november 2010 werd de Raad van Bestuur in kennis gesteld van volgende feiten, die elke verdere samenwerking definitief en onmiddellijk onmogelijk maken:

1. Uw optreden als politiek raadsman.

U trad op als politiek raadsman van Anneliese Simoens tijdens de hoorzitting van CD§V-Vilvoorde op 3 november 2010, naar aanleiding van de procedure tot uitsluiting van mevrouw Simoens uit die partij.

Dit gedrag is niet compatibel met de functie van directeur, waarbij u de handelswijze van één van uw opdrachtgevers (nl. de stad Vilvoorde, bestaande uit een coalitie van

CD§V, SPA en Open VLD) openlijk bekritiseert.

Als directeur kan en mag u zich niet mengen in een politieke discussie met betrekking tot de vertegenwoordiging van aandeelhouders in de Raad van Bestuur en naar wijze van functioneren.

Nog minder kan en mag u zich als directeur mengen in een interne procedure van een politieke partij, waar het functioneren van een bestuurder binnen de maatschappij waarvan u directeur bent, ter discussie staat.

Als directeur kan en mag u geen politieke standpunten innemen en dient u zich terughoudend op te stellen.

2. Uw publiek optreden in de pers

U hebt diverse verklaringen afgelegd in de geschreven en gesproken pers, waarbij u

Openlijk kritiek hebt geuit op een politieke partij, lid van de bestuursmeerderheid van de stad Vilvoorde, die hoofdaandeelhouder is van de maatschappij.

Als zodanig hebt u politieke uitspraken gedaan zonder enig mandaat vanwege uw directiecomité of raad van bestuur.

Als directeur kan en mag u geen (partij) politieke uitspraken doen en dient u zich te onthouden van publieke commentaar ten aanzien van een politieke partij die deel uitmaakt van de bestuursmeerderheid van de stad Vilvoorde, hoofdaandeelhouder van de maatschappij.

Wij verwijzen hierbij naar het interview ondermeer in Radio 2 Vlaams-Brabant en de verklaringen afgelegd ondermeer in het Laatste Nieuws, het Nieuwsblad en Passe Partout.

Telkens opnieuw wordt hier de politieke partij die deel uitmaakt van de bestuursmeerderheid van de stad Vilvoorde, hoofdaandeelhouder en van de raad van bestuur van de maatschappij, bekritiseert.

3. Uw functioneren binnen de maatschappij

Voorafgaand de gemeenteraadzitting van maandagavond 8 november 2010 werd door u het personeel van de maatschappij samengeroepen, waarbij gevraagd werd een petitie te ondertekenen om het aanblijven van de voorzitster te eisen.

Als zodanig betrok u het personeel wel bewust in een politieke discussie binnen de bestuurmeerderheid van zijn hoofdaandeelhouder.

Daarenboven werden de personeelsleden tijdens de diensturen de straat opgestuurd om de petitie te laten ondertekenen door huurders. Beide acties zijn gebeurd zonder enig mandaat van de raad van bestuur. Het is onaanvaardbaar personeel, laat staan de huurders van de sociale huisvestingsmaatschappij te betrekken in een politieke discussie met betrekking tot de vertegenwoordiging binnen de aandeelhoudersgroep van de maatschappij, zoals zodanig de opdrachtgevers zijn van directie en personeel.

4. Uw optreden voor en tijdens de gemeenteraadzitting van de stad Vilvoorde d.d. 8/11/2010

U leidde een delegatie van personeelsleden en huurders naar de publieke tribune van de gemeenteraad. Voorafgaand werd een spandoek ontrold ten aanzien van de pers. Ook tijdens en na afloop van de gemeenteraad gaf u publiek commentaar op het agendapunt met betrekking tot de vertegenwoordiging van de stad Vilvoorde in de maatschappij.

BESLUIT:

Uw publieke handelingen en gedragswijzen, uw politieke uitspraken en openlijke kritiek ten aanzien van vertegenwoordigers van de belangrijkste aandeelhouders van de maatschappij, hebben geleid tot een onherstelbare vertrouwensbreuk met de raad van bestuur en het directiecomité enerzijds en de aandeelhouders van de maatschappij anderzijds.

Deze vertrouwensbreuk maakt een verderzetting van de arbeidsrelatie onmiddellijk

en definitief onmogelijk in de zin van art. 35 van de wet op de arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978.

Een directeur dient zich ten allen tijde te onthouden van politieke commentaar ten aanzien van zijn aandeelhouders en diens vertegenwoordigers, aan wie loyauteit verschuldigd is als werknemer.

Krachtens art. 16 van de wet op de arbeidsovereenkomsten zijn werkgever en werknemer elkander eerbied en achting verschuldigd.

In de relatie tot het personeel en de huurders van de maatschappij dienst u als directeur zich des te meer te onthouden van handelingen die de relatie tot de bestuurders in het gedrang brengen.

Het ontslag wegens dringende reden dringt zich dan ook op.

U maakt bijgevolg vanaf heden geen deel meer uit van het personeel.

Wij vestigen uw aandacht op het feit dat krachtens art. 17.3° a) van de wet op de arbeidsovereenkomsten u zich er zich van dient te onthouden geheimen in verband met persoonlijke en vertrouwelijke aangelegenheden, waarvan u in uitoefening van uw beroepsarbeid kennis hebt genomen, bekend te maken.

U gelieve zich dan ook te houden aan deze discretieplicht."

Bij aangetekende brief van 30-11-2011 werd aan de heer V. het C4 formulier overgemaakt en per aangetekende zending van 2 december de vakantieattesten bij uit dienst treden.

Met een brief van 29-11-2010 betwistte de heer V. via zijn raadsman zowel de geldigheid als de tijdigheid en de gegrondheid van het ontslag om dringende reden.

Met dagvaarding van 13-12-2010 spande hij een geding aan voor de arbeidsrechtbank.

Hij vorderde de veroordeling van de IVMH tot betaling van volgende bedragen;

- 93.085 euro als verbrekingsvergoeding

- 5.403 euro als pro rata eindejaarspremie voor 2010

-10.609 euro als achterstallige managementvergoeding

- 50.000 euro als morele schadevergoeding, in de loop van het geding vermeerderd tot 100.000 euro.

De wettelijke en gerechtelijke intresten op deze bedragen vanaf de datum van opeisbaarheid en de kosten van het geding.

Hij vorderde tevens afgifte van de correcte sociale en fiscale documenten, formulier C4, vakantieattesten, tewerkstellingsattest, fiscale fiche 281.10 en individuele rekening op straffe van een dwangsom van 25 euro per document en per dag vertraging vanaf het tussen te komen vonnis.

Met het bestreden vonnis verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering van de heer V. ontvankelijk doch ongegrond met veroordeling van de heer V. tot de kosten van het geding.

Zij was van oordeel dat het ontslag geldig werd gegeven door de raad van bestuur van de IVMH, dat voldaan was aan de termijnvereiste van art 35 van de wet van 3-7-1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten (WAO), dat de feiten vast stonden en wel degelijk een dringende reden tot ontslag vormden.

VORDERINGEN IN HOGER BEROEP

De heer V. is het niet eens met de uitspraak van de arbeidsrechtbank. Hij verzoekt het hof dit te hervormen en zijn oorspronkelijke vordering volledig te willen inwilligen met veroordeling van de IVMH tot de kosten van het geding.

Geïntimeerde verzoekt het hoger beroep als ongegrond af te wijzen, het bestreden vonnis te bevestigen en de heer V. te veroordelen tot de kosten.

BEOORDELING

I.ONTVANKELIJKHEID

Nu geen betekeningakte van het bestreden vonnis wordt voorgelegd, kan worden aangenomen dat het hoger beroep dat regelmatig is naar vorm, binnen de wettelijke termijn werd ingesteld. Aan de andere ontvankelijkheidvereisten is eveneens voldaan. Het is derhalve ontvankelijk.

II.TEN GRONDE

Geldigheid van de ontslagbeslissing van de Raad van Bestuur.

De heer V. meent dat de arbeidsrechtbank ten onrechte heeft beslist dat de raad van bestuur bevoegd was om ontslag om dringende reden te geven en daarbij geen rekening heeft gehouden met art 28 van de gecoördineerde tekst van de statuten waaruit volgt dat twee bestuurders daartoe bevoegd waren.

De vennootschap stelt dat enkel de raad van bestuur over die bevoegdheid beschikte en verwijst daarvoor naar art 17 van de statuten.

Art 17 van de gecoördineerde statuten van de vennootschap bepaalt:

"Binnen de perken van de statuten is de Raad van Bestuur bevoegd voor alle aangelegenheden die niet voorbehouden zijn aan de Algemene Vergadering en beraadslaagt en beslist hij over alles wat de vennootschap aanbelangt.

Hij kan onder meer:

...

F. met naleving van art 4,7° de personeelsleden aanwerven en ontslaan en hun bevoegdheden en bezoldigingen bepalen.

...

Art 19 luidt:

".De raad van bestuur kan het dagelijks bestuur van de vennootschap toevertrouwen aan een in zijn schoot gevormd directiecomité en/of aan de directeur die handelen als orgaan van de vennootschap.

De raad van bestuur stelt een inwendig reglement op met de samenstelling van het directiecomité en diens bevoegdheden...

Besluit de raad van bestuur tot het instellen van een directiecomité dan moet de directeur er deel van uitmaken en wordt aan de leden ervan alle macht verleend om, handelend met minstens twee van hen gezamenlijk namens de vennootschap te beslissen en op te treden binnen het kader van het dagelijks bestuur....."

Art 22 van de statuten voorziet dat in hoogdringende gevallen en bij uitzondering twee bestuurders op eigen verantwoordelijkheid een beslissing mogen nemen die zij binnen de 14 dagen ter bekrachtiging aan de raad van bestuur moeten voorleggen.

Art 28 bepaalt

"Wanneer een ander personeelslid dan de directeur een fout begaat die overeenkomstig de wet op de arbeidsovereenkomsten het ontslag wegens dringende reden wettigt, zijn de directeur en een bestuurder of twee samen optredende bestuurders bevoegd dat ontslag te betekenen.

Betreft het de directeur dan moet het ontslag betekend worden door twee bestuurders.

Elk ontslag om dringende reden moet medegedeeld worden aan de Raad van Bestuur tijdens zijn eerstvolgende vergadering en aan de VHM. (Vlaamse Huisvestingsmaatschappij)

Art 9§2 van het inwendig reglement benadrukt dat de raad van bestuur functioneert als collectief bestuur.

Binnen de Coöperatieve Vennootschap geldt op grond van art 34 van het Wetboek Vennootschappen (wet 7-5-1999) dat iedere bestuurder bestuur- en vertegenwoordigheidsbevoegdheid heeft. Bij gebreke aan enige statutaire bepaling in die zin vormen de bestuurders geen collectiviteit. (Actuele ontwikkelingen in het vennootschapsrecht, B.Allemeersch, V.Sagaert, Vlaams Pleitgenootschap, Intersentia 2010, p 112 en aldaar vermelde verwijzingen.

In voorliggend geval wijken de statuten daarvan af door de "raad van bestuur aan te wijzen" voor wat de uitoefening van de bestuursbevoegdheid betreft.

In art 9§2 van het inwendig reglement wordt opnieuw benadrukt dat de raad van bestuur als collectief bestuur optreedt.

Uit art 17 van de statuten blijkt dat de raad van bestuur de meest ruime bevoegdheden heeft, en o.m. ook de bevoegdheid om het personeel te ontslaan.

Uit art 19 volgt dat indien een directiecomité wordt aangeduid daaraan macht wordt verleend voor alle beslissingen en handelingen van dagelijks bestuur minstens aan twee leden ervan gezamenlijk optredend.

Art 22 heeft betrekking op beslissingen in dringende gevallen die door twee bestuurders mogen worden genomen doch vermeldt uitdrukkelijk dat dit op hun eigen verantwoordelijkheid gebeurt.

Uit art 22 moet worden afgeleid dat het beslissingen betreft waarvoor zij in principe niet bevoegd zijn, aangezien de mandant wettelijk is gehouden voor beslissingen die de mandataris binnen de hem gedelegeerde bevoegdheden neemt, zodat geen bekrachtiging nodig is.

De handelingen van de mandataris handelend binnen zijn bevoegdheid worden immers toegerekend aan de mandant. De gevolgen van een mandaat moeten worden beoordeeld op grond van het gemeen recht.

Wanneer een bestuurder ondanks zijn onbevoegdheid toch handelt, kan zijn handeling eventueel worden bekrachtigd door de andere bestuurders. (B.Allemeersch en V.Sagaert o.c. p 113)

Wat art 28 van de statuten betreft, bestaat naar de mening van het hof twijfel over het begrip "betekenen". Deze term betekent "schriftelijk ter kennis brengen". Het hof acht daarin niet voldoende duidelijk uitgedrukt dat twee bestuurders ook de ontslagbeslissing mogen nemen m.b.t. het ontslag om dringende reden van de directeur.

In ieder geval moet art 28 samen worden gelezen met art 22 waaruit moet afgeleid worden dat het geen werkelijke bevoegdheid betreft, aangezien het beslissingen betreft die op eigen verantwoordelijkheid worden genomen en bekrachtiging behoeven.

In geval van twijfel over de omvang van het mandaat, beslist de rechter daarover soeverein rekening houdend met de formulering van de opdracht en de concrete omstandigheden.( B.Tilleman, Le mandat, Kluwer, 1999, nr.)

Hij laat zich daarbij leiden door de interpretatieregels van art 1156 tot 1162 Burgerlijk Wetboek.

Het hof is van oordeel dat gelet op het feit dat de meest ruime bevoegdheden in de statuten worden voorbehouden aan de raad van bestuur, een collegiaal orgaan, dat de raad van bestuur het directiecomité opricht en de directeur aanstelt, die organen zijn van de vennootschap en gelet op de onduidelijkheid van art 28, de raad van bestuur als enige bevoegd was voor een beslissing over het ontslag om dringende reden van de directeur.

De beslissing tot het ontslag om dringende reden is bijgevolg geldig genomen door de raad van bestuur.

Naleving van de bij art 35 WAO bepaalt de termijn voor het geven van ontslag.

Het ontslag om dringende reden kan volgens art 35, 3de lid WAO niet meer zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn worden gegeven wanneer het feit ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of voor het verstrijken van de termijn sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept.

Minstens één van de feiten die als dringende reden worden ingeroepen moet de werkgever ter kennis zijn gekomen binnen het tijdsbestek van drie werkdagen die het ontslag vooraf gaan.

De partij die zich op een dringende reden beroept moet bewijzen dat zij die termijn heeft nageleefd.

De kennisname moet worden beoordeeld in hoofde van de persoon of het orgaan bevoegd om ontslag te geven.(Cass. 7-12-1998, RW 1999-2000, 848)

Onder kennisname van de feiten moet worden verstaan dat de partij voldoende zekerheid heeft gekregen over het bestaan van de feiten en de ernst ervan om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen, zowel voor zichzelf als ten aanzien van de wederpartij en van het gerecht.(Cass. 14-10-1996, JTT '96, 500; Cass. 6-9-1999, JTT 1999, 457; Cass. 8-11-1999, JTT 2000, 211, concl. adv.gen. Leclercq; Cass. 19-3-2001, JTT 2001, 249; Cass. 14-5-2001, JTT 2001, 390)

Er kan niet worden vereist dat een onderneming zo is georganiseerd dat zij reeds eerder van de feiten kennis had kunnen krijgen .(Cass. 13-5-1991, RW 1991-92, 406)

De als dringende reden ingeroepen feiten dateren van 3 en 8 november. De feiten die kennelijk doorslaggevend zijn geweest voor het ontslag om dringende reden betreffen de houding van de heer V. ter gelegenheid van de vergadering van de gemeenteraad van Vilvoorde op 8-11-2010.

De heer V. acht de ontslagbeslissing die getroffen werd op 23-11-2010 laattijdig. Hij stelt dat de feiten reeds langer den drie werkdagen gekend waren door de "meerderheid" van de leden van het directiecomité en de raad van bestuur van IVMH en verwijst daarbij naar bijeenkomsten die op 15 en 19-11-2010 werden gehouden op het kabinet van de Burgemeester van Vilvoorde waarop een aantal bestuurders aanwezig waren en waar het ontslagscenario en de motivering ervan werden uitgetekend.

De meerderheid van de bestuurders kan niet gelijk gesteld worden met alle bestuurders. De heer V. gaat eraan voorbij dat de raad van bestuur een collegiaal orgaan is, zodat de kennisname moet worden beoordeeld in hoofde van dat orgaan, wat veronderstelt dat alle leden ervan er over beslissen na gezamenlijke beraadslaging.

Art 22 van de statuten bepaalt dat de raad van bestuur vergadert telkens als de belangen van de vennootschap het vereisen.

Om geldig te beraadslagen moet ten minste de helft van de leden van de raad van bestuur aanwezig zijn behalve wanneer de zaak dringend is en moeten de oproepingsbrieven aangetekend aan de bestuurders worden opgezonden .

Volgens het inwendig reglement vergadert de raad van bestuur maandelijks en kan de voorzitter van het directiecomité, die ook de voorzitter is van de raad van bestuur bijkomende vergaderingen bijeen roepen. De agenda wordt samen met de bijlagen, uiterlijk drie dagen voor de vergadering overgemaakt aan de leden.

De vergaderingen worden voorbereid door het directiecomité. (art 5§1 en3, art 7 )

De raad van bestuur werd bij aangetekende brief van 17/11 bijeengeroepen tegen de zitting van 23/11 en heeft op diezelfde datum zijn beslissing genomen.

Het hof is van oordeel dat de raad van bestuur bijgevolg pas op 23-11 voldoende kennis had van de feiten om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen.

Uit het feit dat de beslissing in bepaalde kringen werd voorbereid samen met een aantal bestuursleden kan niet worden afgeleid dat de raad van bestuur zelf als collegiaal orgaan over voldoende zekerheid beschikte.

Het hof deelt de zienswijze van de arbeidsrechtbank dat de beslissing binnen de bij art 35 WAO bepaalde termijn werd genomen en dat er eveneens tijdig kennis van werd gegeven aan de heer V. met een aangetekende brief die daags daarna werd verstuurd.

3. Gegrondheid van de dringende reden

Art 35 WAO omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen werkgever en werknemer onmiddellijk en definitief onmogelijk maakt.

De partij die ontslag om dringende reden geeft dient het bewijs te leveren van het bestaan van de feiten en van de omstandigheden die er de ernst van bepalen en van aard zijn om een ontslag om dringende reden te rechtvaardigen en van de toerekenbaarheid aan de werknemer.

Analyse van de ingeroepen feiten.

optreden van de heer V. als politiek raadsman van mevrouw Annelies Simoens tijdens de interne hoorzitting van de CD&V Vilvoorde op 3-11-2010

De hoorzitting had plaats naar aanleiding van de procedure tot uitsluiting van mevrouw Simoens, voorzitter van de IVHM uit die partij.

Wat men onder "politiek raadsman" moet verstaan is niet meteen duidelijk doch kennelijk wordt aan de heer V. verweten dat hij mevrouw Simoens bij die gelegenheid heeft verdedigd.

De heer V. ontkent dit niet doch stelt dat hij daarmee enkel de belangen van het IVHM heeft willen behartigen.

De IVMH verwijt de heer V. dat dit gedrag niet compatibel is met zijn functie van directeur, waarbij hij de handelwijze van één van zijn opdrachtgevers (nl. de stad Vilvoorde: bestaande uit een coalitie van CD&V-SPA-Open VLD) openlijk bekritiseerde en zich heeft gemengd in een politieke discussie betreffende de vertegenwoordiging van aandeelhouders in de Raad van Bestuur en in de interne procedure van een politieke partij waar het functioneren van een bestuurder binnen de maatschappij waarvan zij directeur was ter discussie stond.

Indien de heer V. op die "interne hoorzitting" van een partij werd toegelaten dan mag men aannemen dat de reden hiervoor was dat hij met die partij voldoende verbonden was. Men ziet immers niet in waarom een partij buitenstaanders zou toelaten op een vergadering waar interne kwesties worden besproken.

Dat de heer V. op een interne vergadering zijn standpunt te kennen heeft gegeven m.b.t. het functioneren van de voorzitter kan hem in die omstandigheden niet als een tekortkoming worden verweten, laat staan als een ernstige tekortkoming die een dringende reden tot ontslag zou kunnen uitmaken.

Welke kritiek de heer V. precies zou hebben geuit en of deze de stad Vilvoorde betrof (bestaande uit een coalitie van politieke partijen) wordt niet nader verduidelijkt en evenmin bewezen.

het publiek optreden van de heer V. in de pers

Het verwijt luidt dat de heer V. diverse verklaringen heeft afgelegd in de geschreven en gesproken pers waarbij hij openlijk kritiek heeft geuit t.a.v. een politieke partij, lid van de bestuursmeerderheid van de stad Vilvoorde, hoofdaandeelhouder van de IVHM.

Hij zou politieke uitspraken hebben gedaan zonder mandaat van het directiecomité of van de raad van bestuur.

Uit de omschrijving in de ontslagbrief, kan niet worden opgemaakt welke uitspraken de heer V. zou hebben gedaan in de pers, waaruit de kritiek zou hebben bestaan tegen een meerderheidspartij, welke uitspraken als politiek worden bestempeld.

Er wordt wel verwezen naar een interview in Radio 2 en verklaringen afgelegd in het Laatste Nieuws, het Nieuwsblad en Passe Partout.

Het hof stelt vast dat het door de IVHM neergelegd stukkenbundel die stukken niet bevat.

Gelet op de zeer ernstige gevolgen van een ontslag om dringende reden voor de ontslagen werknemer is het noodzakelijk dat de feiten zo nauwkeurig worden

geformuleerd dat de ontslagen partij precies weet welke feiten worden bedoeld en haar verdediging kan voorbereiden en dat de rechter de ernst ervan kan beoordelen en kan nagaan of de feiten die hem worden voorgelegd overeenstemmen met deze opgenomen in de ontslagbrief.

( Cass. 14-3-1980, AC 1979-80, 912; Cass. 27-2-1978, RW 1978-79, 331;Cass. 2-6-1976, RW 1976-77, 1022)

Art 13 van het inwendig reglement bepaalt dat de voorzitter en de directeur worden aangeduid als officiële woordvoerders van de maatschappij zodat aan de heer V. in principe niet kan worden verweten de pers te woord te hebben gestaan.

De heer V. geeft wel toe dat hij zijn mening te kennen heeft gegeven en kritiek had op de inmenging van één van de aandeelhouders in de werking van het IVHM, wat de goede werking van de vennootschap in het gedrang bracht, doch op geen enkel moment t.a.v. zijn werkgever.

Hij legt zelf een aantal persartikels neer in zijn stukkenbundel.

Naar aanleiding van de gemeenteraad van 8-11-2010 zou de heer V. hebben verklaard dat de maatschappij en de huurders niet het slachtoffer mochten worden van een afrekening binnen de CD&V Vilvoorde t.a.v. Anneliese Simoens, voorzitter van de IVHM.

Kennelijk tilde de CD&V zwaar aan ontslagbeslissingen van het directiecomité m.b.t. bepaalde personeelsleden.

De IVHM is inderdaad politiek samen gesteld en men kan van een directeur verwachten dat hij zich neutraal opstelt zeker bij verklaringen t.a.v. de pers.

Hoe dan ook stond de intrekking van het mandaat van mevrouw Simoens op de agenda van de gemeenteraad van 8-11-2010 waar het werd besproken en waar allicht duidelijk is geworden welke partij aanstuurde op intrekking van haar mandaat.

Het voorstel werd er overigens afgewezen zodat zeker niet kan gesteld worden dat het om een beslissing ging van de "stad Vilvoorde" die de aandeelhouder is van IVHM.

In de mate de feiten die hem precies verweten worden onduidelijk blijven, kan het hof niet beoordelen of er sprake was van ernstige tekortkomingen die verdere samenwerking tussen werknemer en werkgever onmogelijk maakten.

Ook de inspectie RWO meende dat er ongeoorloofde inmenging was vanuit het stadsbestuur van Vilvoorde in het personeelsbeleid van de IVHM zoals vermeld op

p. 21 van haar eindrapport van 3.5.2012. (stukken 37 tot 39 dossier V.)

De wantoestanden hebben de toezichthoudende overheid er overigens toegebracht om een bestuurder ad hoc aan te stellen.

Het functioneren van de heer V. binnen de maatschappij

De heer V. ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de hem verweten feiten:

-bijeenroeping personeel met verzoek een petitie te ondertekenen om het aanblijven van de voorzitster te eisen,

-het op straat sturen van het personeel om de petitie te laten ondertekenen door de huurders en ze aldus in een politieke discussie te hebben betrokken.

Hij stelt dat een aantal personeelsleden hun wens te kennen hadden gegeven actie te ondernemen. Die personeelsleden hebben die dag verlof genomen. De andere en ook hijzelf zijn blijven werken.

Het hof stelt vast dat er geen bewijs van voor ligt dat de heer V. de werknemers heeft gemobiliseerd voor actie.

Dat het personeel een petitie heeft ondertekend en heeft laten ondertekenen door huurders kan erop wijzen dat het personeel zeer gehecht was aan zijn voorzitter en impliceert niet noodzakelijk dat de heer V. de aanstoker was van de actie.

Het optreden van de heer V. tijdens de raadszitting van de stad Vilvoorde van 8/11/2010

Aan de heer V. wordt verweten dat hij de personeelsleden naar de publieke tribune van de gemeenteraad leidde en tijdens en na afloop van de gemeenteraad publiek commentaar gaf op het agendapunt m.b.t. de vertegenwoordiging van de stad Vilvoorde in de maatschappij.

Dat de heer V. op de vergadering van de gemeenteraad aanwezig was evenals tal van personeelsleden is niet betwist. Dat hij de personeelsleden er naartoe leidde is daarentegen wel betwist en het hof meent dat daarvan geen bewijs voorligt.

Dat hij zich samen met het personeel onder een spandoek heeft geschaard met de tekst "Annelies moet blijven", is naar het oordeel van het hof wel een tekortkoming. Dat hij zelf verantwoordelijk was voor dat spandoek wordt in de ontslagbrief niet beweerd en acht het hof ook niet bewezen.

Wat het op de gemeenteraad geleverd commentaar betreft beweert de heer V. dat die beperkt was tot een reactie op de in het openbaar door de burgemeester geuite opmerking dat hij een correctionele veroordeling had opgelopen, terwijl er nog geen definitieve rechterlijke beslissing voorlag. De heer V. had immers hoger beroep aangetekend tegen zijn veroordeling en heeft later in hoger beroep de vrijspraak bekomen. Een reactie m.b.t. feiten die hem persoonlijk betroffen kan hem niet als een tekortkoming worden aangerekend.

Voor het overige betwist de heer V. commentaar te hebben geleverd. Uit de ontslagbrief kan niet worden opgemaakt waaruit dat commentaar wel zou hebben bestaan. Een bewijs van dit feit wordt evenmin geleverd.

Het hof besluit dat de enige tekortkoming die bewezen voorkomt, nl. dat de heer V. zich op de gemeenteraad samen met het personeel onder een spandoek heeft geschaard: "Annelies moet blijven". Die tekortkoming doet inderdaad afbreuk aan de neutraliteit die van hem als directeur mag verwacht worden. Ook heeft de heer V. in de pers kritiek geuit tegen inmenging van één van de politieke partijen vertegenwoordigd in de IVHM, en dus niet een aandeelhouder als zodanig. Welke die kritiek precies was is in de ontslagbrief niet duidelijk omschreven.

Het hof is van oordeel dat de heer V. hiervoor wel tot de orde kon worden geroepen doch dat die tekortkoming, voor zover bewezen, niet van aard was het vertrouwen op onherstelbare wijze te ondermijnen zodat een verdere samenwerking er onmiddellijk en definitief onmogelijk door was geworden.

Het hof besluit hieruit dat het ontslag om dringende reden onrechtmatig werd gegeven.

Opzeggingsvergoeding

Nu het ontslag om dringende reden onrechtmatig werd gegeven, kan de heer V. op grond van art 39 WAO aanspraak maken op een opzegvergoeding berekend op het lopend loon en de voordelen en overeenstemmend met de opzeggingstermijn die in acht had dienen te worden genomen.

Voor bedienden met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd wier jaarloon het in art 82§2en3 bepaalde grensbedrag te boven gaat, wordt de opzegtermijn, bij gebreke aan een overeenkomst daarover tussen partijen bepaald door de rechter.

Deze neemt daarbij de termijn in acht die de bediende op het ogenblik van de opzegging of van het ontslag zonder opzegging nodig heeft om spoedig een gelijkwaardige betrekking te vinden. Anciënniteit, leeftijd, functie en jaarloon worden daarvoor relevante criteria geacht.

Cass. 17 september 1975, TSR 1976, 14; Cass. 8 september 1980, Arr. Cass. 1980-1981, 17; Cass. 3 februari 1986, JTT 1987, 58; Cass. 4 februari 1991, RW 1990-1991, 1407; Cass. 9 mei 1994, Soc. Kron. 1994, 253).

Er bestaat betwisting tussen partijen met betrekking tot de in acht te nemen opzegtermijn en met betrekking tot het jaarloon dat als berekeningsbasis van de opzeggingsvergoeding moet dienen.

Basisjaarloon

Wat het basisjaarloon betreft heeft de betwisting betrekking op volgende punten:

° Basisloon.

Beide partijen nemen een maandloon van 5.894,07 euro in acht, doch ze komen elk tot een verschillende berekening. De berekening van de heer V. blijkt de juiste te zijn.

° De managementvergoeding en het vakantiegeld daarop.

De heer V. brengt een managementvergoeding van 10.609,33 euro in rekening.

IVHM merkt op dat nooit een managementvergoeding werd betaald en dat de heer V. er ook geen recht op had.

Tijdens de vergadering van de raad van bestuur van 12-1-2010 werd weliswaar beslist een bedrag van 15% op zijn bruto loon van 2009 toe te kennen doch deze beslissing werd door de toezichthouder, het agentschap inspectie RWO vernietigd, zoals blijkt uit het verslag van het directiecomité van 29-1-2010.

Tegen die beslissing werd beroep aangetekend op 12-1-2010.

Bij ministerieel besluit houdende uitspraak in de beroepsprocedure van 12-3-2010 werd beslist:

-dat het hoger beroep niet werd ingewilligd.

-dat de beslissing van de toezichthouder werd bevestigd.

-dat tot het al dan niet toekennen van een managementtoelage in dit specifieke geval door de raad van bestuur van IVHM slechts kon beslist worden na goedkeuring van de jaarrekening van 2009.

De jaarrekening werd goedgekeurd op 26-5-2010.

Voor toekenning van de managementvergoeding moest noodzakelijk een nieuwe beslissing worden getroffen.

Er werd echter geen nieuwe beslissing getroffen door de raad van bestuur.

De heer V. kan bijgevolg geen aanspraak maken op de managementvergoeding.

° Het voordeel bestaande uit het privégebruik van de bedrijfswagen.

De heer V. raamt dit voordeel op 500 euro per maand.

De vennootschap bepaalt dit voordeel op 150 euro per maand.

De heer V. had de beschikking over een Audi A 6.Hij geeft verder geen toelichting over de kosten die de vennootschap ten laste van, in die omstandigheden, is het hof van oordeel dat het voordeel op 300 euro per maand kan worden bepaald.

° Groepsverzekering en hospitalisatieverzekering.

De arbeidsovereenkomst vermeldt dat de werknemer wordt ingeschakeld in een systeem van groepsverzekering waarvan de premie voor de verzekering "leven" integraal door de werkgever wordt betaald.

Zij voorziet eveneens in een verzekering gezondheidszorgen.

Partijen geven geen toelichting over de werkgeversbijdragen, zodat die voordelen slechts voor een provisioneel bedrag van 1 euro in aanmerking kunnen worden genomen.

Het in aanmerking te nemen jaarloon bedraagt bijgevolg

Maandelijks loon: 5.894,07 euro x 13 76.622,91 euro

Vakantiegeld 5.422,54 euro

Bedrijfswagen 300 euro x12 3.600,00 euro

Maaltijdcheques 5,91 x 214 1.264,74 euro

Groepsverzekering p.m.

Gezondheidszorgverzekering p.m.

Totaal 86.910,19 euro

Opzegtermijn

Gelet op de in aanmerking te nemen criteria,

De anciënniteit van de heer V., (nagenoeg 8 jaar), zijn leeftijd, (37 jaar en 9 maanden), zijn jaarloon, zoals hierboven bepaald en zijn functie van directeur, is het hof van oordeel dat hij aanspraak kan maken op een opzeggingsvergoeding gelijk aan 10 maanden loon, hetzij:

86.910,19 euro X 10/12 =72.425,16 euro

Managementvergoeding

Zoals hierboven reeds besproken kan de heer V. geen aanspraak maken op een managementvergoeding.

Pro rata dertiende maandag

De vennootschap maakt zelf een berekening van het jaarloon met inbegrip van een 13de maand. (vermenigvuldiging van het maandloon met 13)

Zij kan dan ook bezwaarlijk betwisten dat de heer V. aanspraak kan maken op de pro rata 13de maand. In ieder geval geeft zij hiervoor geen grond aan.

Morele schadevergoeding

De opzeggingsvergoeding dekt in principe, op forfaitaire wijze alle schade die uit het ontslag voortvloeit, zowel de morele als de materiële schade.

Om aanspraak te kunnen maken op een afzonderlijke morele schadevergoeding zal de heer V. bijgevolg moeten aantonen dat de IVHM misbruik heeft gemaakt van haar ontslagrecht en bij het geven van ontslag een kennelijke fout heeft begaan die een zorgvuldig en bedachtzaam werkgever niet zou hebben begaan.

De bewijslast daarvan ligt bij de heer V..

Bovendien moet hij in dat geval aantonen dat hij daardoor een afzonderlijke schade heeft geleden die niet is gedekt door de opzeggingsvergoeding en dient hij de omvang van die schade te bewijzen.

Een ontslag om dringende reden dat niet gegrond werd bevonden maakt niet automatisch misbruik van ontslagrecht uit.

De heer V. houdt voor dat het ontslag enkel werd gegeven als represaille omdat hij stelling heeft genomen tegen het optreden van burgemeester Van Asch.

De heer V. geeft daarmee toe dat hij zich niet neutraal heeft opgesteld zoals men van de directeur mag verwachten.

In ieder geval acht het hof bewezen dat de heer V. zich op de raadszitting van de gemeente niet voldoende terughoudend heeft gedragen. Ook al werd dit feit niet als dringende reden weerhouden, moet die houding toch als een tekortkoming worden aangezien, gelet op zijn functie.

Voor het overige kan bij onvoldoende nauwkeurige omschrijving van de feiten niet uitgemaakt worden of de heer V. zich schuldig heeft gemaakt aan andere tekortkomingen.

Het hof acht in ieder geval niet aangetoond dat het ontslag louter als vergeldingsmaatregel werd getroffen.

Ook in het verleden was de houding van de heer V. niet altijd onberispelijk.

Zoals hij zelf beschrijft had hij eigenhandig een verklaring opgesteld volgens dewelke een bevriend personeelslid hem geld had geleend, wat niet het geval was, om dat stuk te kunnen aanwenden in een procedure m.b.t. onderhoudsgeld.

Zulk gedrag betaamt niet en zeker niet voor een directeur.

De heer V. beweert dat bestuurders van de IVHM zijn nieuwe werkgever zouden hebben gecontacteerd en op de hoogte gebracht van de strafprocedure die in het verleden tegen hem was gevoerd, zodat hij onmiddellijk ontslagen werd.

Daarvan ligt echter geen enkel bewijs voor.

Het hof acht niet aangetoond dat er een kennelijke fout is begaan bij het geven van ontslag.

OM DEZE REDENEN;

HET ARBEIDSHOF;

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24;

Rechtsprekend op tegenspraak;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Veroordeelt de CV Inter-Vilvoordse Huisvestingsmaatschappij tot betaling aan de heer V. van

-een provisioneel bedrag van 72.425,16 euro, onder voorbehoud van aanrekening van werkgeversbijdragen in de groepsverzekering en de hospitalisatieverzekering.

als opzegvergoeding gelijk aan 10 maanden loon;

-een bedrag van 5.403 euro als pro rata dertiende maand

de wettelijke en gerechtelijke intresten op die bedragen

Veroordeelt de CV Inter -Vilvoordse Huisvestingsmaatschappij tot de kosten van beide aanleggen.

Deze kosten werden door partijen begroot op:

Voor de appellant op:

- 145,09 euro dagvaardingskosten;

- 5.500 euro rechtsplegingvergoeding eerste aanleg;

- 5.500 euro rechtsplegingvergoeding hoger beroep.

Voor de geïntimeerde op:

- 5.500 euro rechtsplegingvergoeding eerste aanleg;

- 5.500 euro rechtsplegingvergoeding hoger beroep.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

Georges JACOBS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Roger VANDENPUT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT Geertrui BALIS

Georges JACOBS Roger VANDENPUT

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dinsdag 19 maart 2013 door:

Geertrui BALIS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Sonja VAN LANDUYT, afgevaardigd griffier.

Sonja VAN LANDUYT Geertrui BALIS

Free keywords

  • ARBEIDSOVEREENKOMSTEN

  • ALGEMENE REGELINGEN

  • Ontslag om dringende reden

  • Ontslagbevoegdheid

  • Mandaat.