- Arrêt of May 16, 2013

16/05/2013 - 2011/AB/823

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het bestaan van bedrieglijke handelingen kan niet wettelijk worden afgeleid uit de enkele overweging dat de rechthebbende zich op de hoogte had kunnen stellen over zijn verplichtingen ten aanzien van zijn verzekeringsinstelling, noch uit de vaststelling dat de gerechtigde de voortzetting van een activiteit niet aan zijn verzekeringsinstelling heeft aangegeven. Wanneer een activiteit niet wordt aangegeven aan de verzekeringsinstelling, dan is er bijgevolg slechts dan sprake van bedrieglijke handelingen indien de rechter vaststelt dat de niet kennisgeving gebeurde met het bijzonder opzet prestaties te ontvangen, waarvan de betrokken voldoende wist dat hij er geen recht op had.


Arrêt - Integral text

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 16 MEI 2013

7e KAMER

SOCIALE ZEKERHEIDSRECHT WERKNEMERS - ziekte- en invaliditeitsverzekering

tegensprekelijk

heropening van de debatten

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 580, 2°, Ger. W.)

in de zaak:

1. T. , eerste appellant,

2. V. , tweede appellante,

beiden wonende te xxx en beiden vertegenwoordigd door mr. DEFAU Jean, advocaat te 3300 TIENEN, Houtemstraat 401,

tegen:

1. NATIONAAL VERBOND DER SOCIALISTISCHE MUTUALITEITEN, met zetel te 1000 BRUSSEL, Sint-Jansstraat, 32-38, geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. NORMAN Frederique, advocaat te 3000 LEUVEN, Maria-Theresiastraat 90

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 5 augustus 2011 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 2e kamer (A.R. 2077/05 - 2078/05 - 2079/05 - 2080/05 - 2081/05),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 5 september 2011,

- de neergelegde conclusies,

- het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 21 maart 2013 door advocaat-generaal J.-J. ANDRE,

- de repliek op dit advies, neergelegd ter griffie op 9 april 2013 voor de appellanten en op 18 april 2013 voor de geïntimeerde,

- de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 7 februari 2013. De zaak werd in voortzetting gesteld op de openbare terechtzitting van 7 maart 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De heer T. en mevrouw V., echtgenoten, zijn beiden sinds het begin van de jaren 1990 arbeidsongeschikt erkend geworden in de ziekte- en invaliditeitsverzekering in het stelsel van de werknemers. Beide bekwamen al snel een toelating van de adviserend geneesheer van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten om het genot van de ziekte en invaliditeitsuitkeringen te cumuleren met een toegelaten arbeid. De laatste toelatingen voor werkhervatting zijn van de maand mei 1998. Het betrof voor beiden een toelating tot werkhervatting in de taverne Slagershof te Tienen, uitgebaat door een NV Noël. Voor de Heer T. betrof het een werkhervatting van 20 uur per week, voor mevrouw V. een werkhervatting van 19 uur per week. De toelating werd verleend voor onbepaalde duur.

Uit het administratief dossier van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (RIZIV) en de verklaringen afgelegd door mevrouw V., blijkt dat het gaat om een handelszaak die de heer T. en mevrouw V., samen met een ander koppel, hadden overgenomen in 1998 en die zij gemeenschappelijk uitbaatten. Alle uitbaters waren bestuurders in de vennootschap en waren ook telkens ingeschreven als arbeider of bediende. De heer T. en mevrouw V. waren ingeschreven voor een halftijdse betrekking, overeenkomstig de toelating die hen verleend was door de adviserend geneesheer.

Beiden hebben in deze handelszaak gewerkt tot 31 maart 2003. Vanaf die datum heeft het andere koppel dat in de zaak werkte de aandelen van de heer T. en mevrouw V. overgenomen. Mevrouw V. heeft daarna het werk hervat als zelfstandige tot de maand december 2003, maand waarin zij opnieuw arbeidsongeschikt werd verklaard.

2.

Het Rijksinstituut voor Ziekte en Invaliditeitsverzekering heeft een onderzoek opgestart naar de activiteiten van de heer T. en mevrouw V., oorspronkelijk vooral voor wat betreft de activiteiten na 1 april 2003, nadat mevrouw V. werkende werd aangetroffen in een zaak uitgebaat door haar zoon. Dit onderzoek heeft geleid tot een correctionele procedure waarbij beide strafrechtelijk veroordeeld werden, op grond van het Koninklijk Besluit van 31 oktober 1933, en met name op basis van de tenlastelegging onrechtmatig en op grond van onjuiste verklaringen arbeidsongeschiktheidsuitkeringen te hebben genoten.

In de loop van dit onderzoek werd ook vastgesteld dat de heer T. en mevrouw V. sinds 1 mei 1998 een mandaat hadden als bestuurder bij de NV Noël. Met betrekking tot mevrouw V. werd vastgesteld dat zij sinds 2002 eveneens een mandaat had opgenomen in een NV Volmolen, de zaak die uitgebaat werd door haar zoon.

Op basis van controleverslagen van de Dienst voor Administratieve Controle van het RIZIV heeft het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten vanaf 6 juli 2005 diverse terugvorderingen betekend, die telkens betwist werden door de heer T. en mevrouw V..

3.

Bij beslissing van 7 februari 2006 is de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid overgegaan tot de schrapping van de prestaties van de heer T. en mevrouw V. in het stelsel van de werknemers voor de periode waarop de terugvordering slaat, omdat beide geen prestaties in ondergeschikt verband zouden verricht hebben. Het beroep dat de heer T. en mevrouw V. tegen deze beslissing hebben aangetekend voor de arbeidsrechtbank te Leuven werd door de arbeidsrechtbank afgewezen bij vonnis van 20 december 2010. Dit vonnis is definitief geworden.

4.

De terugvordering betrof, voor wat mevrouw V. betreft, in de eerste plaats een beslissing van 6 juli 2005 van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten. Bij deze beslissing werd een bedrag van 30.182,51 euro teruggevorderd als arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, betaald over de periode van 1 juni 1999 tot 31 maart 2003, en verder de sommen van 3.206,00 euro en 458,00 euro als arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de periode van 10 december 2003 tot 21 juni 2004. De terugvorderingsperiode werd, in overeenstemming met het controleverslag van het RIZIV, vastgesteld met inachtneming van een verjaringstermijn van vijf jaar. Met een tweede terugvorderingsbeslissing van 14 juli 2005 werd een bedrag van 2.752,08 euro teruggevorderd als gezondheidszorgen, betaald de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 maart 2004. Op 19 juli 2005 werd tenslotte een derde terugvordering betekend voor een bedrag van 3.080,17 euro . Deze terugvordering had eveneens betrekking op geneeskundige verstrekkingen.

Mevrouw V. heeft al deze beslissingen betwist bij verzoekschriften van 1 september 2005 voor de arbeidsrechtbank te Leuven.

5.

Voor de Heer T. betreft de terugvordering beslissingen van 5 juli 2005 en 19 juli 2005. De eerste terugvorderingsbeslissing had betrekking op een bedrag van 32.758,38 euro als ten onrechte betaalde arbeidsongeschiktheidsuitkeringen in de periode van 1 juni 1999 tot 11 april 2003 en een bedrag van 156,82 euro als terugbetaling van gezondheidszorgen, of 32.915,12 euro in het totaal. De tweede terugvorderingsbeslissing had betrekking op de terugbetaling van kosten van geneeskundige verzorging voor een bedrag van 1.120,15 euro .

Beide terugvorderingen werden door de Heer T. betwist bij verzoekschriften van 1 september 2005.

6.

Bij besluiten, neergelegd op 31 januari 2011, heeft het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten een tegenvordering ingesteld tegen de heer T. en mevrouw V. waarbij een veroordeling wordt gevraagd tot terugbetaling van de verschillende sommen die het voorwerp uitmaakten van de betwiste terugvorderingsbeslissingen.

7.

Bij vonnis van 5 augustus 2011 heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de verschillende betwistingen samengevoegd.

De arbeidrechtbank verwees de vordering, in zoverre ze betrekking had op de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen betaald nadat mevrouw V. zelfstandige was geworden naar de kamer van de rechtbank, bevoegd voor de betwistingen inzake zelfstandigen. Voor wat betreft de periode voorafgaande aan 1 april 2003 verklaarde de arbeidsrechtbank de eerste vordering van mevrouw V. gedeeltelijk gegrond ingevolge de ingetreden verjaring, en met name voor de periode tot en met 30 juni 2000. De arbeidsrechtbank weerhield de vijfjarige verjaringstermijn van toepassing bij bedrieglijke handelingen. Mevrouw V. werd veroordeeld om aan het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, ontvangen vanaf 1 juli 2000, terug te betalen. De heropening van de debatten werd bevolen om het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten toe te laten een aangepaste afrekening op te stellen.

Met betrekking tot de gezondheidszorgen, betaald aan mevrouw V., oordeelde de arbeidsrechtbank dat de terugvordering eveneens principieel gegrond was, maar als gevolg van de ingetreden verjaring diende beperkt te worden tot de periode na 30 juni 2000. Verder stelde de arbeidsrechtbank vast dat in de terugvordering van 2.752,08 euro sommen begrepen waren van 12,37 euro en 19,64 euro , waarvan de betaling zich niet situeerde in de periode tot 31 maart 2003, zodat de terugvordering diende beperkt te worden tot een bedrag van 2.720,07 euro . Voor het surplus werd de vordering eveneens verwezen voor de kamer bevoegd inzake betwistingen van zelfstandigen. Met betrekking tot de beslissing van 19 juli 2005 oordeelde de arbeidsrechtbank dat deze hetzelfde voorwerp had als de terugvordering van 14 juli 2005. Er werd aldus geen veroordeling uitgesproken.

8.

Met betrekking tot de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van de Heer T. verklaarde de arbeidsrechtbank de vordering ongegrond. De arbeidsrechtbank weerhield opnieuw bedrieglijke handelingen en paste de vijfjarige verjaringstermijn toe. Vermits er hier een stuiting was geweest van de verjaring bij aangetekende brief van 6 juli 2004, kon de terugvordering zijn volledige uitwerking hebben.

De vordering werd eveneens ongegrond verklaard met betrekking tot de teruggevorderde gezondheidszorgen voor een bedrag van 1.120,15 euro .

Ingevolge de tegenvordering van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten werd de heer T. veroordeeld tot terugbetaling van de sommen van 32.758,38 euro en 1.120,15 euro .

9.

Bij verzoekschrift van 5 september 2011 hebben de heer T. en mevrouw V. hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

Bij besluiten heeft het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank, in zoverre de arbeidsrechtbank oordeelde dat de terugvordering tegen mevrouw V. beperkt diende te worden tot de periode na 30 juni 2010.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

1.

Zoals voor de eerste rechter betwisten de heer T. en mevrouw V. de terugvordering van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten vooral in de mate dat toepassing gemaakt wordt van de vijfjarige verjaringstermijn. De eerste rechter heeft, aldus de heer T. en mevrouw V., de bedrieglijke handelingen ten onrechte afgeleid uit het vonnis van de correctionele rechtbank te Leuven van 28 maart 2006. Dit vonnis had immers betrekking op andere feiten dan deze die ten grondslag liggen van de thans in betwisting zijnde terugvorderingen.

Het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten steunt zijn incidenteel beroep hierop dat de eerste rechter ten onrechte zou geweigerd hebben, voor wat betreft mevrouw V., om rekening te houden met de stuiting van de verjaring die zou voortvloeien uit een aangetekend schrijven van 6 juli 2004.

Het recht op prestaties

2.

De eerste rechter heeft terecht geoordeeld - en dit wordt ook niet echt betwist - dat de heer T. en mevrouw V. ten onrechte arbeidsongeschiktheidsuitkeringen ontvangen hebben in de periode van 1 juni 1999 tot 31 maart 2003.

De eerste rechter verwijst daarbij in de eerste plaats naar het feit dat de heer T. en mevrouw V. een bestuurdersmandaat hebben opgenomen, zonder daarvoor de voorafgaande toestemming te hebben gevraagd van de adviserende geneesheer. Zelfs indien dit bestuurdersmandaat in feite wellicht niet zoveel voorstelde (cfr. verder), dan is de mogelijkheid reëel dat de heer T. en mevrouw V. daarvoor geen toestemming zouden bekomen hebben en ook een gedeeltelijke werkhervatting niet zou goedgekeurd zijn. Het is immers duidelijk dat wanneer de betrokkenen, naast werknemer, ook nog de bestuurders zijn van de vennootschap en aldus hun eigen werkgever zijn, het risico veel groter is dat meer wordt gepresteerd dan toegelaten werd en dat inkomsten uit arbeid niet aangegeven werden.

De arbeidsrechtbank verwijst verder ook terecht naar het feit dat bij vonnis van 20 december 2010 van de arbeidsrechtbank definitief geoordeeld werd dat de heer T. en mevrouw V. in de bestreden periode niet als werknemers konden beschouwd worden, bij gebreke van het bestaan van een ondergeschikt verband tussen henzelf als werknemers en de vennootschap waarvan zij medebestuurders waren. Zelfs indien de beslissing van de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid slechts genomen werd na de terugvorderingsbeslissing van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten, dan neemt dit niet weg dat bij de beoordeling van de vraag of de betrokkenen al dan niet onterecht uitkeringen ontvingen, met deze beslissing rekening moet gehouden worden. Het hof kan de subjectieve aanspraak van de heer T. en mevrouw V. tot het behoud van hun uitkeringen niet toekennen wanneer het vaststelt dat de betrokkenen, zelfs om een andere reden, geen aanspraak hadden op de uitkeringen.

De verjaring.

3.

Overeenkomstig artikel 174, 1e lid, 5° en 6°, van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, verjaart de vordering tot terugvordering van de waarde van de ten onrechte ten laste van de uitkeringsverzekering of ten laste van de verzekering voor geneeskundige verzorging verleende prestaties twee jaar na het einde van de maand waarin de prestaties zijn betaald. Overeenkomstig artikel 174, lid 4, van deze wet gelden de in 5°, 6° en 7°, bedoelde verjaringen niet als het ten onrechte verlenen van prestaties het gevolg is van bedrieglijke handelingen waarvoor hij wie ze tot baat strekken verantwoordelijk is. Het bestaan van bedrieglijke handelingen kan niet wettelijk worden afgeleid uit de enkele overweging dat de rechthebbende zich op de hoogte had kunnen stellen over zijn verplichtingen ten aanzien van zijn verzekeringsinstelling, noch uit de vaststelling dat de gerechtigde de voortzetting van een activiteit niet aan zijn verzekeringsinstelling heeft aangegeven (Cass. 4.12.2006, Juridat). Wanneer een activiteit niet wordt aangegeven aan de verzekeringsinstelling, dan is er bijgevolg slechts dan sprake van bedrieglijke handelingen indien de rechter vaststelt dat de niet kennisgeving gebeurde met het bijzonder opzet prestaties te ontvangen, waarvan de betrokkene voldoende wist dat hij er geen recht op had.

Samen met het openbaar ministerie is het hof van oordeel dat dergelijke bedrieglijke handelingen niet zijn aangetoond. Terecht merken de heer T. en mevrouw V. op dat het bestaan van bedrieglijke handelingen niet kan afgeleid worden uit hun veroordeling door de correctionele rechtbank. Deze veroordeling betreft een andere periode en een andere werkhervatting dan deze die thans in het geding is. Bovendien betrof het werkhervattingen waarvoor de betrokkenen op geen enkele wijze de toestemming hadden gevraagd van de adviserende geneesheer, terwijl zij van deze vereiste duidelijk voldoende geïnformeerd waren.

In de huidige betwisting beschikten de heer T. en mevrouw V. sinds vele jaren over een toelating om halftijds het werk te hervatten in de horeca. Zij beschikten over een specifieke toelating om te werken, respectievelijk 19 u en 20 u per week, in het slagershuis uitgebaat door de NV Noël. Het opnemen van een mandaat van bestuurder was nauw verbonden met deze activiteit. De heer T. en mevrouw V. hadden immers samen met een ander echtpaar een handelszaak overgenomen en hadden voor de exploitatie van deze handelszaak een vennootschap opgericht, waarin elkeen het statuut had van bestuurder, en die ze dus gemeenschappelijk bestuurden. Daarbij blijkt uit de verschillende verklaringen afgelegd in het kader van het administratief onderzoek, dat de administratieve verplichtingen in feite voor het grootste gedeelte gedragen werden door de heer C. Het is aannemelijk dat de heer T. en mevrouw V. zich niet gerealiseerd hebben dat, voor wat zij wellicht als een loutere administratieve formaliteit beschouwden, een bijkomende toestemming vereist was van de adviserend geneesheer. Het is daarbij niet aangetoond - ook al is het uiteraard mogelijk - dat de heer T. en mevrouw V. meer uren zouden gepresteerd hebben dan voorzien was in de toelating van de adviserende geneesheer. Voor wat betreft mevrouw V. wordt dit in ieder geval tegengesproken door het PV van vaststelling van 14 juli 2004 waarin de inspecteur van het RIZIV verklaart dat hij met betrekking tot de eerste ziekteperiode (dat is dus de periode die thans in het geding is) documenten in verband met de gepresteerde uren heeft kunnen nazien waaruit blijkt dat mevrouw V. zich steeds aan de toestemming heeft gehouden verkregen door de adviserende geneesheer. Een bedrieglijke handeling kan evenmin afgeleid worden uit het feit dat mevrouw V. in de loop van het jaar 2002 een pro forma mandaat aanvaard heeft in de vennootschap van haar zoon.

In tegenstelling met de eerste rechter is het hof derhalve van oordeel dat geen toepassing dient gemaakt te worden van artikel 174, 4e lid, van de gecoördineerde wetten van 14 juli 1994, zodanig dat de verjaringstermijn dient toegepast te worden van twee jaar, en dit zowel voor wat betreft de terugvordering van de uitkeringen als voor wat betreft de terugvordering van de gezondheidszorgen.

4.

Overeenkomstig artikel 174, 5e lid, van de gecoördineerde wetten kan de verjaringstermijn gestuit worden door een aangetekend schrijven. Opdat een aangetekend schrijven de verjaring zou kunnen stuiten is echter vereist dat het aangetekend schrijven duidelijk betrekking heeft op de schuldvordering die in het geding is.

Terecht heeft de eerste rechter geoordeeld dat voor wat betreft het aangetekend schrijven gericht aan mevrouw V. op 6 juli 2004, dit niet het geval is. In dit schrijven wordt immers uitdrukkelijk slechts verwezen naar een arbeidsongeschiktheid die aanving op 10 december 2003, dit wil zeggen naar een arbeidsongeschiktheid die geen verband houdt met de huidige betwisting. De omstandigheid dat daarbij niet alleen verwezen wordt naar een onderzoek ingesteld door het RIZIV maar ook naar een onderzoek door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid "in verband met de benoeming als bestuurder van de NV Noël" doet daaraan geen afbreuk. Het voorwerp van de ingebrekestelling waren de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, betaald na 10 december 2003.

Het incidenteel beroep van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten is op dit punt dus ongegrond.

Voor wat betreft de Heer T. wordt in het aangetekend schrijven van 6 juli 2004, dat neergelegd is in het kader van de procedure voor de arbeidsrechtbank, verwezen naar een arbeidsongeschiktheid die aanving op 3 januari 1990 en verder naar het onderzoek van het RIZIV en van de RSZ in verband met zijn benoeming als bestuurder van de NV Noël. Dit aangetekend schrijven betreft het geheel van de uitkeringen betaald na 1990 en dus noodzakelijk ook de uitkeringen voor de betwiste periode, zodat het de vordering wel heeft kunnen stuiten.

5.

Er dient niet ambtshalve onderzocht te worden, zoals gesuggereerd in het advies van het Openbaar Ministerie, of de terugvordering van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten niet opnieuw verjaard is na de stuitingsdaad van 6 juli 2005, doordat de vordering tot terugbetaling slechts effectief ingesteld werd voor de arbeidsrechtbank door conclusies die neergelegd werden op 31 januari 2011.

De verjaring van de vordering tot terugbetaling van de onrechtmatig betaalde sommen in de verzekering uitkeringen en de gezondheidszorgen raakt niet de openbare orde. Ze betreft immers enkel private belangen en geen openbaar belangen. Zulks wordt bevestigd door artikel 174, lid 2, van de gecoördineerde wetten dat bepaalt dat niet kan worden afgezien van de verjaringen voorzien in artikel 174, 1e lid, 1° tot 4°, dit wil zeggen de verjaring van de vordering tot betaling van de prestaties van verplichte verzekering, en dus wel van de andere verjaringen.

Er dient dan ook toepassing gemaakt worden van artikel 2223 van het Burgerlijk Wetboek dat voorziet dat de rechter het middel van verjaring niet ambtshalve mag toepassen.

De vorderingen van en tegen mevrouw V.

6.

De terugvordering van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen voor de periode van 1 juni 1999 tot 31 maart 2003 is integraal verjaard. Het aangetekend schrijven van 6 juli 2005 kon de verjaring niet meer stuiten voor uitkeringen betaald tot 31 maart 2003.

Met betrekking tot de eerste terugvordering van gezondheidszorgen stelt zich de vraag of deze terugvorderingen niet geheel of gedeeltelijk betrekking hebben op een periode dat mevrouw V. reeds het statuut van zelfstandige had. Uit de stukken neergelegd voor de arbeidsrechtbank te Leuven en de instructie van het arbeidsauditoraat lijkt naar voor te komen dat de vordering voor twee prestaties gezondheidszorgen betrekking heeft op de periode waarin mevrouw V. zelfstandige was. Het gaat om de prestaties van 7.05.2003 (12,37 euro ) en 22 maart 2005 (19,64 euro ). De zaak zou dan voor wat betreft deze twee prestaties moeten verwezen worden naar de bevoegde kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven, zoals de eerste rechter deed.

Voor wat betreft het saldo van 2.720,07 euro , dat dus betrekking heeft op de periode tot 31 maart 2003, moet dan vastgesteld worden dat de verjaring is ingetreden.

De terugvorderingsbeslissing van 19 juli 2005 heeft nogmaals betrekking op de gezondheidszorgen. Daarin wordt een bedrag gevorderd van 3.080,17 euro . De beslissing houdt geen detail in van de gezondheidszorgen waarover het gaat. Volgens de eerste rechter maakt deze beslissing dubbel gebruik uit met de beslissing van 14 juli 2005. Dit blijkt, althans gedeeltelijk, bevestiging te vinden op in een schrijven van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten aan het arbeidsauditoraat te Leuven van 2 juni 2006 (geklasseerd in het dossier van de arbeidsrechtbank 05-2077) waarin gesteld wordt dat de totale terugvordering voor gezondheidszorgen 3.080,17 euro bedraagt en samengesteld is uit een bedrag van 2.752,08 euro in het stelsel van de werknemers en 209,85 euro in het stelsel voor zelfstandigen. Het hof stelt echter vast dat het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten in zijn besluiten voor het hof de beide bedragen vordert.

In de mate dat de informatie, vervat in het schrijven van 2 juni 2006 de correcte informatie zou zijn, dan blijft dat volgens de vaststellingen van het arbeidsauditoraat, die het hof op dezelfde wijze interpreteert, in de afrekening van het bedrag van 2.752,08 euro twee prestaties vervat waren die betrekking hadden op de periode na 31 maart 2003.

Het is daarom noodzakelijk dat het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten, rekening houdend met de vaststellingen van de eerste rechter en het onderzoek van het arbeidsauditoraat te Leuven, op gedetailleerde wijze aangeeft welke teruggevorderde prestaties gezondheidszorgen betrekking hebben op het stelsel van de werknemers en welke betrekking hebben op het stelsel van zelfstandigen. Deze kwestie dient nu opgelost te worden vermits het hof het bedrag dient vast te stellen van de prestaties waarover het bevoegd is om uitspraak te doen en anderzijds nauwkeurig dient aan te geven voor welke prestaties de zaak terug naar de bevoegde kamer van de arbeidsrechtbank te Leuven wordt verzonden.

De vorderingen van en tegen de Heer T..

Voor wat betreft de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (eerste vordering voor de arbeidsrechtbank) is, rekening houdend met de stuiting van de verjaring van 6 juli 2004, de verjaring ingetreden voor de prestaties betaald tot en met 30 juni 2002, terwijl de na die datum verleende prestaties kunnen teruggevorderd worden. (Zoals blijkt uit het schrijven van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten van 19 juli 2005 dient geen rekening gehouden te worden met het bedrag aan gezondheidszorgen van 156,82 euro , dat vermeld werd in het eerste terugvorderingsschrijven).

Voor wat betreft de gezondheidszorgen (tweede betwisting) is dezelfde verjaringstermijn van toepassing. Het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten dient de detail voor te leggen van de teruggevorderde kosten gezondheidszorgen en aan te geven welke prestaties terugbetaald werden na 30 juni 2002.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gehoord in zijn grotendeels eensluidend advies, de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, waarop repliek door de appellanten en de geïntimeerde,

Verklaart het hoofdberoep en het incidenteel beroep ontvankelijk.

Verklaart het hoofdberoep van mevrouw V. gegrond in zoverre het betrekking heeft op de terugvordering van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en zegt voor recht dat deze vordering verjaard is. Wijst op dezelfde basis de tegenvordering van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten als ongegrond af.

Heropent de debatten teneinde het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten toe te laten aan te geven hoe het bedrag van de twee terugvorderingsbeslissingen ten aanzien van mevrouw V. met betrekking tot de gezondheidzorgen zich tegenover elkaar verhoudt en gedetailleerd aan te geven welke prestaties betaald werden in het stelsel van de ziekteverzekering voor werknemers en welke prestaties betaald werden in het stelsel van de ziekteverzekering voor zelfstandigen.

Verklaart het hoofdberoep van de Heer T. gedeeltelijk gegrond en zegt voor recht dat de terugvordering van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en de gezondheidszorgen verjaard is voor wat betreft de uitkeringen en prestaties betaald tot 30 juni 2002.

Heropent de debatten teneinde het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten toe te laten de nog door de heer T. verschuldigde bedragen te berekenen, voor arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en voor gezondheidszorgen, rekening houdend met het feit dat de vorderingen verjaard zijn voor de betalingen voorafgaand aan 1 juli 2002.

Stelt de termijn voor de uitwisseling van besluiten vast als volgt:

*voor het Nationaal Verbond der Socialistische Mutualiteiten : 26 juli 2013,

*voor de heer T. en mevrouw V.: 9 september 2013

De zaak wordt opnieuw vastgesteld op de openbare terechtzitting van donderdag 10 oktober 2013 om 14u.

De beslissing omtrent de proceskosten wordt aangehouden.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer,

Jean BOULOGNE, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Bernadette MUSSCHE, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Bernadette MUSSCHE

Jean BOULOGNE Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 16 mei 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Free keywords

  • SOCIALE ZEKERHEID DER WERKNEMERS

  • ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING

  • Ziektewetgeving

  • Controle en geschillen

  • Verjaring

  • Gec.Wetten van 14/07/1994 op de verplichte verzekering geneeskundige verzorging en uitkeringen

  • Artikel 174

  • Begrip bedrieglijke handelingen.