- Arrêt of June 3, 2013

03/06/2013 - 2013/BB/4

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het geven van paardenlessen is een onderneming van levering van diensten en komt daardoor in aanmerking om te worden beschouwd als daad van koophandel.

Wanneer de opbrengst te groot is om enkel kosten te dekken, kunnen dergelijke lessen niet als hobby worden beschouwd, want men bekomt een inkomen om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Bovendien kan het in stand houden van een dure hobby een beletsel zijn om tot een normale schuldafbouw te komen, zodat dan geen structurele schuldenlast kan worden aanvaard, waardoor het verzoek om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling onontvankelijk moet worden verklaard


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 3 JUNI 2013

11 e KAMER

COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling

definitief

In de zaak:

S. G.,

appellante,

verschijnend in persoon en bijgestaan door mr. PUTTEMAN Lieselot, advocaat te 1800 VILVOORDE, Beethovenstraat 14-16.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

- het voor eensluidend verklaard afschrift van de beschikking, uitgesproken op tegenspraak op 12 maart 2013 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 32e kamer (A.R. 12/1210/B),

- het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 10 april 2013,

- de voorgelegde stukken.

***

*

Gehoord de appellant in haar middelen en verdediging op de zitting in raadkamer van 6 mei 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 14 november 2012 legde mevrouw S. G. een verzoekschrift neer op de griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling.

Haar schuldenlast bedroeg euro 29.024,92. Ze beschikt over een Belgisch pensioen van euro 704,27/maand, een maandelijks brutopensioen van euro 318,95 van het Pensioenfonds Zorg & Welzijn te Zeist, Nederland, een maandelijks AOW pensioen van euro 795,17 en een maandelijkse uitkering van een pensioenfonds van euro 351,43, in totaal euro 2.169,82.

Ze geeft therapeutische paardrijles aan mentaal gehandicapte personen en geeft cursussen over paarden, met een opbrengst van respectievelijk euro 5.200 en euro 4.000, die ze naar eigen zeggen besteedt aan het onderhoud van de paarden en de huur.

Haar schulden werden medeveroorzaakt door moeilijkheden met RSZ en belastingen wegens freelance werk.

2. Op 10 december 2012 vroeg de rechter bijkomende inlichtingen en bewijsstukken over de paardenactiviteit.

De raadsman van mevrouw S. beantwoordde dit bij schrijven van 29 januari 2013. In essentie benadrukte ze dat het geen commerciële uitbating of stoeterij was, maar een hobby met therapeutische inslag. De opbrengsten gingen integraal naar de kosten, zodat er geen reële opbrengst was.

3. Bij beschikking van 12 maart 2013 verklaarde de arbeidsrechtbank te Brussel het verzoek tot collectieve schuldenregeling niet toelaatbaar, omdat mevrouw S. handelaarster was.

4. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 10 april 2013, tekende mevrouw S. hoger beroep aan en herhaalde ze haar verzoek om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling. Ze hernam haar vorige argumenten en benadrukte geen handelaar te zijn.

II. BEOORDELING

1. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en ook aan de andere ontvankelijkheid-voorwaarden werd voldaan, zodat het hoger beroep toelaatbaar is.

2. Op grond van artikel 1675/2 Ger. W. kan de collectieve schuldenregeling worden toegestaan aan een natuurlijke persoon, die geen koopman is in de zin van art. 1 van het wetboek van koophandel, die niet in staat is, om op duurzame wijze, zijn opeisbare of nog te vervallen schulden te betalen en voor zover hij niet kennelijk zijn onvermogen heeft bewerkstelligd.

Indien de verzoeker vroeger koopman is geweest, kan hij dat verzoek slechts indienen ten minste zes maanden na het stopzetten van zijn handel.

3. Het is ongetwijfeld lovenswaardig dat mevrouw S. als gepensioneerde zich inzet voor mentaal gehandicapten. De eerste rechter heeft nochtans terecht opgemerkt dat dit echter niet van belang is om te beoordelen of mevrouw S. met haar paardenactiviteit handelaar is in de zin van art. 1 van het Wetboek van Koophandel.

Mevrouw S. beroept zich op oudere rechtspraak die in het algemeen het geven van rijlessen als intellectuele prestatie en niet als daad van koophandel beschouwt.

In de noot van G.L. Ballon bij het door haar aangehaalde arrest van het Hof van Beroep te Gent van 23 juni 1999 (A.J.T. 1999-00, 678) wordt opgemerkt dat een levering wel intellectuele prestaties kan omvatten en de auteur pleit op dit punt voor een moderne en ruime interpretatie.

Deze visie wordt bijgetreden door E. De Vroede en H. De Wulf, ‘Overzicht van rechtspraak Algemeen Handelsrecht en handelspraktijken 1998-2002', TPR 2005, 119, die verwijzen naar een uitspraak van de Voorz. Kh. Antwepen 14 juni 2001, Jaarboek Handelspraktijken 2001, 748 met noot.

In die zaak werd geoordeeld dat het geven van lessen in osteopathie een objectieve daad van koophandel is, namelijk een onderneming van leveringen.

Haar activiteit komt dus wel in aanmerking om te worden beschouwd als daad van koophandel.

4. Mevrouw S. benadrukt echter dat ze haar paardenactiviteit als hobby verrichtte en dat de opbrengst enkel diende om de kosten te dekken.

Prof G.L. Ballon schrijft hierover het volgende:

De beoefening van in artikelen 2 en 3 W. Kh; opgesomde daden als hobby, zelfs zo dit heel wat tijd vergt en inkomsten verschaft, zou de beoefenaar niet tot handelaar maken, omdat het beroepsmatig karakter, het idee inkomen te verwerven met de bedoeling in zijn levensonderhoud te voorzien, ontbreekt. ...

In de praktijk valt de scheiding tussen een hobby en een (aanvullend beroep) vaak moeilijk te maken. Het gaat immers om de intentie waarmee de activiteit wordt beoefend.

(G.L. Ballon, Commentaar bij art. 1 W. Kh. 6a In X, Handels- en economisch recht, Commentaar met overzicht rechtspraak en rechtsleer, III. Handelaar).

Het criterium is of men een inkomen kan verwerven met de bedoeling in zijn levensonderhoud te voorzien.

Mevrouw S. gaat ervan uit dat een bedrag van euro 5.500/jaar nog aanvaardbaar is om een kwalificatie als hobby aannemelijk te maken.

Nochtans geeft ze in haar verzoekschrift collectieve schuldenregeling aan dat de therapeutische rijlessen een jaarlijkse opbrengst van euro 5.200 geven en de cursussen een bedrag van euro 4.000, of in totaal euro 9.200.

Ze bevestigt dit op p. 2 van het schrijven van haar raadsman van 29 januari 2013.

Dit leidt toch tot een maandelijks bedrag van euro 766,67, zodat er na de aftrok van de huur van stallen en weiden toch nog euro 400 overblijft. Ze toont niet aan dat gans dit bedrag zou opgaan aan enkel het onderhoud van de paarden.

Evenmin brengt ze verifieerbare gegevens bij i.v.m. de kosten, zoals uitgavendocumenten, facturen, betaalde rekeningen...

De activiteit heeft hierdoor een te ruim karakter om als hobby te kunnen worden aanvaard.

5. Maar, zelfs indien men deze activiteit als hobby zou aanvaarden, dan nog dient men vast te stellen dat het houden van paarden met het huren van stallen en weilanden plus het onderhoud een eerder dure hobby is.

In het kader van een aanzuivering van zijn schuldenlast dient men eerst de tering naar de nering te zetten en zich af te vragen of het in stand houden van een dergelijke hobby houdbaar is, alvorens men een structurele schuldenlast kan inroepen.

Dit laatste is immers een essentiële toelaatbaarheidvoorwaarde voor de collectieve schuldenregeling.

In dat verband kan opgemerkt worden dat het gezamenlijk pensioenbedrag van mevrouw S. euro 2.169,82 is, terwijl ze alleenstaande is.

Ze toont niet aan dat ze met een dergelijk inkomen mits het negotiëren van afbetalingsplannen en/of budgetbeheer haar schuldenlast, die grotendeels voortspruit uit een slechte inschatting van de financiële gevolgen van freelanceractiviteiten, kan wegwerken.

Het is denkbaar dat ze voor een daadwerkelijke sanering haar dure hobby zal moeten afbouwen, wat voor haar zeker een zware opgave zal zijn, waarvoor het hof begrip heeft. Maar soms is dit nodig in het kader van een realistisch financieel huishoudbeleid.

In dat verband verwijst ze in haar verzoekschrift naar lopende onderhandelingen betreffende de verkoop van paarden, maar ze voegt er onmiddellijk aan toe dat ze dit wil vermijden omwille van het therapeutisch neveneffect van haar voorgehouden hobby.

In de brief van haar raadsman van 29 januari 2013 wordt de waarde van de paarden geschat op basis van de slachtwaarde en geraamd op euro 4.250. Vraag is of dit een realistisch bedrag is.

Alleszins herhaalt ze dat kennissen bereid zijn de paarden over te kopen onder aftrok van de som van euro 2.000 die verzoekster bij hen geleend heeft. Deze schuld komt echter niet voor in de opgave van lopende schulden.

De waarde van zadels en toebehoren zou bijkomend euro 1.500 bedragen.

Ongeacht nog deze verkoopsopbrengst, zal alleen reeds het wegvallen van de onderhouds- en voedingskosten van de paarden een substantiële besparing meebrengen, die de financiële ruimte gevoelig zal vergroten om tot een realistische schuldafbouw te komen, die mits budgetbeheer en een te negotiëren afbetalingsplan tot op een oplossing moet kunnen leiden.

Deze mogelijkheden wijzen erop dat de schuldenlast niet structureel is, maar oplosbaar, ook al zal dit enige opoffering vragen.

In die omstandigheden is in de huidige stand, ongeacht de opgegeven schulden, geen structurele schuldenlast aangetoond, rekening houdend met de middelen van mevrouw S..

Het hoger beroep is dan ook ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht doende na eenzijdig verzoekschrift;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt de bestreden beschikking.

Kosteloze procedure.

Aldus gewezen en ondertekend door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 3 juni 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • Schuldoverlast

  • Ger. W. art. 1675/2

  • Handelaar

  • hobby

  • structurele schuldenlast