- Arrêt of June 21, 2013

21/06/2013 - 2012/AB/1193

Case law

Summary

Samenvatting 1

De bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen II en IV tot VII van de arbeidswet, zijnde de regels over de arbeidsduur, de nachtarbeid, het naleven van de uurroosters, de rusttijden en de pauzes zijn op grond van art. 3 §3, 3° van deze wet niet van toepassing zijn op de handelsvertegenwoordigers, zodat de verwijzing naar de vertrouwensfunctie van zo iemand overbodig is.


Arrêt - Integral text

rep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 21 JUNI 2013

3 e KAMER

ARBEIDSRECHT - arbeidsovereenkomst bediende

tegensprekelijk

definitief

In de zaak:

KEYWARE SMART CARD DIVISION NV, met maatschappelijke zetel te 1930 ZAVENTEM, Ikaroslaan 24,

appellante,

geïntimeerde op incidenteel beroep,

vertegenwoordigd door mr. MOREL Thibault loco mr. VAN DE SIJPE Johan, advocaat te 9473 WELLE, Kerkstraat 142.

Tegen:

W. , wonende te ***,

geïntimeerde,

appellante op incidenteel beroep,

vertegenwoordigd door mr. W. Tim, advocaat te 1800 VILVOORDE, Mechelsesteenweg 317.

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 13 november 2012 door de arbeidsrechtbank te Brussel, 23e kamer (A.R. 2080/11),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 11 december 2012,

de conclusies voor de appellante, neergelegd ter griffie op 7 maart 2013,

de conclusie voor de geïntimeerde, neergelegd ter griffie op 8 februari 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 24 mei 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Op 6 juli 2009 ondertekenden de NV Keyware Smart Card Division (hierna afgekort als Keyware) en mevrouw W. een arbeidsovereenkomst voor bedienden van onbepaalde tijd, waardoor mevrouw W. met ingang van 1 september 2009 werd aangeworven als ‘vertegenwoordiger'. Voor de regels over de arbeidstijd wordt in art. 1 verwezen naar het arbeidsreglement.

Art. 6 bepaalt dat mevrouw W. beschouwd wordt als een vertrouwenspersoon in de zin van het KB van 10 februari 1965, zodat de bepalingen van de arbeidswet niet op haar van toepassing zijn.

In een bijlage aan de arbeidsovereenkomst van 6 juli 2009 wordt de regio Vlaams Brabant aangeduid als haar vertegenwoordigingsector; tevens wordt haar variabel loon bepaald.

In een andere bijlage van 6 juli 2009 worden haar maaltijdcheques toegekend.

2. In art. 9 van het arbeidsreglement wordt bepaald dat voor de werknemers met buitendienst, waaronder de verkopers, de arbeidsprestatie begint op het ogenblik dat de werknemer bij zijn eerste klant aankomt (niet op het tijdstip dat hij thuis vertrekt).

In art. 9.2 wordt herhaald dat voor de personen met een vertrouwensfunctie in de zin van het KB van 10 februari 1965 de bepalingen i.v.m. de duur van het werk, nachtwerk, uurroosters en rusttijden niet van toepassing zijn.

3. Bij aangetekende brief van 16 september 2010 bevestigde Keyware haar akkoord met een vermindering van de arbeidsprestaties tot 4/5 wegens ouderschapsverlof voor een periode van 6 maanden ingaand op 1 oktober 2010. De vaste dag van de arbeidsduurvermindering zou de maandag zijn.

Enkele dagen later op 22 september 2010 wilde Keyware deze arbeidsduur-vermindering verdisconteren met de minuren, die volgens een collega werkneemster zouden voortvloeien uit het feit dat ze vroeger dan 17.30 u. haar laatste klant verliet.

Er werd haar een vast werkschema voorgesteld van 8.30 u tot 12 u. en van 13.30 u. tot 17.30 u., waarbij ze zich bij begin en einde van de werkdag telkens op de zetel van Keyware diende aan te melden.

Mevrouw W. reageerde dat dergelijke regeling voor een verkoper weinig zin had en dat ze alleszins de vastgestelde 38 u/week vervulde. Hierna ontspinde zich er een discussie tussen partijen over het werkschema.

Bij aangetekende brief van 24 september 2009 bevestigde Keyware de vaste werkuurregeling.

4. Na een bespreking op 13 oktober 2010 beëindigde Keyware bij aangetekende brief van 15 oktober 2010 de arbeidsovereenkomst van mevrouw W. om volgende dringende reden:

De weigering van uitvoering van de arbeidstaken. Op 13 oktober 2010 heeft mevrouw Moerenhout u een opdrachtenlijst gegeven voor uitvoering en u heeft gerepliceerd dat u deze opdrachten niet zal uitvoeren en onmiddellijk naar de dokter stapt voor ziekteverlof aan te vragen.

De bevestiging uwentwege dat u weigert om de arbeidsuren, zoals vermeld in het arbeidsreglement, te respecteren en van mening bent dat u zelf een uurrooster kan opmaken met vlottende uren.

Uw onaanvaardbare houding en gedrag op het ogenblik van de samenkomst dd 13 oktober 2010.

5. Bij brief van 25 november 2010 betwistte de vakorganisatie van mevrouw W. deze redenen en verwees naar de discussie zonder dat ze werk geweigerd had, terwijl ze steeds haar overeengekomen arbeidstijd presteerde. Tevens werd verwezen naar de uitbreiding van de tewerkstellingsector naar Limburg en mogelijk West-Vlaanderen.

Er werd een opzeggingsvergoeding van 3 maanden of euro 8.756,58 gevraagd, samen met een pro rata eindejaarspremie van euro 1.495,62 en één maaltijdcheque.

De raadsman van Keyware wees op 7 december 2010 deze aanspraken af.

6. Mevrouw W. dagvaardde op 8 februari 2011 Keyware voor de arbeidsrechtbank te Brussel en vorderde naast een juiste afrekening van loon en vakantiegeld:

euro 9.806,58 als opzeggingsvergoeding

euro 9.806,58 als uitwinningsvergoeding

euro 19.613,16 als beschermingsvergoeding ouderschapsverlof

euro 1.495,62 als pro rata eindejaarspremie

te vermeerderen met intresten en kosten

één maaltijdcheque onder verbeurte van een dwangsom

afgifte van gecorrigeerde sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom

7. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel van 13 november 2012 werd deze vordering als volgt ontvankelijk en gegrond verklaard:

vergoedende intresten op euro 2.205,65 van 16 oktober 2010 tot 1 maart 2011

euro 9.806,58 als opzeggingsvergoeding

euro 9.806,58 als uitwinningsvergoeding

euro 19.613,16 als beschermingsvergoeding ouderschapsverlof

te vermeerderen met intresten en kosten

afgifte van gecorrigeerde sociale en fiscale documenten onder verbeurte van een dwangsom van euro 25/dag vertraging na betekening binnen de 2 maanden van het vonnis met een maximum van euro 1.000.

Mevrouw W. verwijst naar de betekening van dit vonnis op 18 december 2012.

8. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 11 december 2012, tekende Keyware hoger beroep aan en betwistte de verschuldigdheid van een opzeggingsvergoeding, eindejaarspremie, uitwinningsvergoeding en beschermingsvergoeding wegens ouderschapsverlof; in ondergeschikte orde werd een bewijsaanbod met getuigen en persoonlijke verschijning gedaan.

Mevrouw W. tekende incidenteel beroep aan voor de niet toekenning van de pro rata eindejaarspremie van euro 1.495,62 en de maaltijdcheque + dwangsom.

II. BEOORDELING

1. Gelet op de voorgehouden betekening van 18 december 2012, werd het hoger beroep van 11 december 2012 alleszins tijdig ingesteld. Het is regelmatig naar vorm en ook aan de andere ontvankelijkheidvereisten is voldaan. Hetzelfde geldt voor het incidenteel beroep.

De dringende reden

De tijdigheid en de drie werkdagentermijn

2. Op grond van artikel 35, 3° lid van de arbeidsovereenkomstenwet mag een ontslag om dringende reden niet meer worden gegeven, wanneer het feit ter rechtvaardiging ervan sedert ten minste drie werkdagen bekend is aan de partij die zich hierop beroept.

De termijn van 3 werkdagen begint te lopen vanaf het ogenblik waarop de partij die ontslag betekent, voldoende kennis heeft van de feiten (Cass., 23 mei 1973, JTT 1973, 212 en Cass., 11 januari 1993, JTT 1993, 58).

Alleen de dringende reden waarvan kennis is gegeven binnen de drie werkdagen na het ontslag kan worden aangevoerd ter rechtvaardiging van het ontslag zonder opzegging of vóór het verstrijken van de termijn.

(art. 35, 4° lid arbeidsovereenkomstenwet)

Op grond van artikel 35 8° lid van de arbeidsovereenkomstenwet moet de partij die een dringende reden inroept bewijzen dat zij de termijn van artikel 35 derde lid en vierde lid geëerbiedigd heeft.

3. Ten onrechte betwist mevrouw W. de tijdigheid van het ontslag.

Immers, in de brief van haar vakorganisatie van 25 november 2010 verwijst men voor het ontslag van 15 oktober 2010 naar de discussie tijdens het gesprek van 13 december 2010 (waarmee men bedoelt: oktober 2010 - vgl. de bewoordingen van de ontslagbrief).

Het ontslag om dringende reden en de motivering van deze reden werd in één enkele brief, deze van 15 oktober 2010, geformuleerd.

Dit gebeurde tijdig, gelet op het niet betwiste onderhoud van 13 oktober 2010.

De nauwkeurige formulering van de dringende reden

4. De dringende reden ter verantwoording van het ontslag op staande voet moet in de kennisgeving zodanig worden uitgedrukt dat daardoor, enerzijds, de ontslagen partij op de hoogte wordt gebracht van de haar verweten feiten en zich hierop kan verdedigen, en anderzijds de rechter het ernstig karakter van de aangevoerde reden kan beoordelen en kan nagaan of het dezelfde is als die welke voor hem wordt ingeroepen (Cass., 24 maart 1980, Arr Cass, 1979-80, 912, Bull. 1980, 900, Pas., 1980, I, 900; Cass., 27 februari 1978, Arr. Cass., 1978, 757, Pas., 1978, I, 737, RW 1978-79, 331, JTT 1979, 43; Cass., 21 juni 1976, Pas., 1976, I, 737, RW 1978-79, 331, JTT 1979, 43; Cass., 21 juni 1976, Pas., 1976, I, 1054).

Een dringende reden, die in zeer algemene termen wordt omschreven zonder dat de tegenpartij en de rechter kennis kunnen nemen van de precieze verweten feiten, wordt door de rechtspraak als onvoldoende nauwkeurig terzijde geschoven.

5. Als laatste reden verwijst Keyware naar uw onaanvaardbare houding en gedrag op het ogenblik van de samenkomst dd 13 oktober 2010.

Op geen enkele wijze wordt gepreciseerd waaruit deze onaanvaardbare houding en gedrag zou bestaan; geen enkel concreet feit wordt weergegeven.

Deze reden kan niet weerhouden worden.

De grond van de dringende reden en het bewijs ervan

6. Artikel 35 van de arbeidsovereenkomstenwet omschrijft de dringende reden als de ernstige tekortkoming die elke professionele samenwerking tussen de werkgever en de werknemer onmiddellijk onmogelijk maakt.

Hieruit volgt dat 3 voorwaarden cumulatief aanwezig moeten zijn:

- er moet een ernstige tekortkoming zijn van de werknemer,

- die elke professionele samenwerking onmogelijk maakt,

- en dit op een bijzondere manier met name onmiddellijk en definitief

Artikel 35 laatste lid van de arbeidsovereenkomstenwet zegt dat de partij die een dringende reden inroept hiervan het bewijs dient te leveren.

Naast het foutief karakter (Cass. 23 oktober 1989, JTT 1989, 432) zal de rechter dus tevens de ernst van de tekortkoming dienen te beoordelen. (cfr. Mallie J., noot onder Arbh. Brussel, 20.6.1980, T.S.R. 1981,41).

Bij de beoordeling van een dringende reden dient uiteraard rekening te worden gehouden met de omstandigheden eigen aan de zaak. Het feit dat het ontslag om dringende reden rechtvaardigt, is immers het feit met inachtneming van alle omstandigheden die het feit het karakter van een zwaarwichtig motief geven (Cass., 13 december 1982, Arr. Cass., 1982-1983, 504; Cass., 16 juni 1971, JTT 1972, 37; Cass., 23 mei 1973, JTT 1973, 212).

7. Bijna onmiddellijk na de toekenning van het ouderschapsverlof en de arbeidsduurvermindering tot 4/5 met de maandag als niet te werken dag, opende Keyware een discussie over de arbeidstijd, waarbij men mevrouw W. probeerde te laten werken in een strikt arbeidsrooster met begin en einde in Zaventem en met middagpauze, wat evident weinig aangepast is voor een vertegenwoordiger die reeds de sector Vlaams-Brabant en Limburg diende te bedienen.

Volgens mevrouw W. vergrootte men op 13 oktober 2010 deze sector nog met een opdrachtenlijst in West-Vlaanderen. De opdrachtenlijst wordt door Keyware niet voorgelegd.

Het is zeer begrijpelijk dat een zodanig takenpakket in combinatie met de arbeidstijd-regeling tot discussie aanleiding gaf, temeer gelet op de fileproblemen op de toegangswegen in en rond het Brusselse bij het begin en einde van een werkdag.

8. Zeer terecht heeft de eerste rechter hierbij gewezen op art. 9 van het arbeidsreglement, waarop Keyware zich wil baseren. Dit bepaalt dat de arbeidsprestatie van een verkoper niet aanvangt bij vertrek vanuit thuis, maar bij aankomst bij de eerste klant.

Hieruit volgt dat een verkoper niet vanuit de zetel diende te vertrekken.

Ook volgt uit art. 9.2 dat voor een vertrouwenspersoon in de zin van het KB van 10 februari 1965 de uurroosters niet gelden. Ten onrechte beperkt Keyware deze bepaling tot haar verwachting dat onbeperkt overuren mogen worden gevraagd.

Op grond van art. 3 §3, 1° van de arbeidswet van 16 maart 1971 zijn de bepalingen van hoofdstuk III, afdelingen II en IV tot VII van deze wet, zijnde de regels over de arbeidsduur, de nachtarbeid, het naleven van de uurroosters, de rusttijden en de pauzes, niet van toepassing.

Deze pertinente opmerkingen worden in de beroepsgrieven niet ontmoet.

Men kan daar overigens nog aan toevoegen dat op grond van art. 3 §3, 3° van de arbeidswet bovenvermelde bepalingen sowieso niet van toepassing zijn op de handelsvertegenwoordigers, zodat de verwijzing naar de vertrouwensfunctie zelfs overbodig was.

Mevrouw W. mocht zich op al deze bepalingen beroepen.

9. Bezien vanuit deze context, heeft Keyware op 13 oktober 2010 een discussie over takenpakket en arbeidstijdregeling geprovoceerd. Gelet op het pas toegestane ouderschapsverlof en de meningsverschillen over de werkregeling, zoals die blijken uit de voorafgaande e-mails, is het begrijpelijk dat een sectoruitbreiding naar West Vlaanderen tot bijkomende discussie aanleiding zou geven.

Zelfs indien mevrouw W. bij wijze van bedenktijd niet onmiddellijk gevolg zou gegeven hebben aan de taak- en uurregeling, dan kan een dergelijke houding niet zonder meer tot ontslag om dringende reden leiden.

Immers een eenmalige werkweigering moet steeds in zijn context worden beoordeeld en maakt de professionele samenwerking tussen werkgever en werknemer niet op zich onmiddellijk onmogelijk.

Het bewijsaanbod met getuigen en persoonlijke verschijning is dan ook niet ter zake dienend.

10. Hieruit vloeit voort dat de eerste rechter terecht de dringende reden niet aanvaard heeft.

Daar de dringende reden niet aanvaard wordt, heeft mevrouw W. recht op een opzeggingsvergoeding die gelijk is aan het lopende loon dat overeenstemt met de duur van de opzeggingstermijn.

Ze vordert een opzeggingsvergoeding van 3 maanden, waarvan de duur en de becijfering niet wordt betwist.

Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

Incidenteel beroep: eindejaarspremie en maaltijdcheque

11. Gelet op art. 5 van de CAO van 29 mei 1989 over de arbeids- en beloningsvoorwaarden, zoals van toepassing in het PC 218, (KB 6 augustus 1990, BS 31 augustus 1990, zoals gewijzigd) heeft mevrouw W. recht op een pro rata eindejaarspremie, wanneer haar ontslag om dringende reden ongegrond is.

Deze bedraagt euro 1.994,16 ( 1.600 + 394,16) x 9/12 = euro 1.495,62

Wat betreft de nog verschuldigde maaltijdcheque, betwist Keyware enkel de hoegrootheid van de dwangsom.

Gelet op art. 1385bis Ger. W. kan geen dwangsom worden opgelegd voor vorderingen ter zake van de nakoming van arbeidsovereenkomsten.

Het incidenteel beroep is gegrond, behalve wat betreft de vraag tot verbeurte van een dwangsom.

De uitwinningsvergoeding

12. Artikel 101 van de arbeidsovereenkomstenwet kent aan de handelsvertegen-woordiger een recht op de uitwinningsvergoeding toe, indien aan 4 voorwaarden cumulatief wordt voldaan:

- de arbeidsovereenkomst werd beëindigd door de werkgever zonder dringende reden,

- de handelsvertegenwoordiger heeft aan de werkgever een cliënteel aangebracht,

- hij is langer dan een jaar tewerkgesteld als handelsvertegenwoordiger,

- de werkgever toont niet aan dat de handelsvertegenwoordiger door de beëindiging van de arbeidsovereenkomst geen nadeel heeft geleden.

Art.105 van deze wet voegt daaraan toe dat het concurrentiebeding ten behoeve van de handelsvertegenwoordiger een vermoeden schept dat hij een cliënteel heeft aangebracht; de werkgever kan hiervan het tegenbewijs leveren.

13. Niet betwist wordt dat mevrouw W. handelsvertegenwoordiger was met een anciënniteit van meer dan één jaar. Haar ontslag om dringende reden was niet gegrond.

In art. 7 van de arbeidsovereenkomst is een niet concurrentiebeding opgenomen.

Het vermoeden van aanbreng van cliënteel wordt door Keyware niet weerlegd. Gelet op art. 105 van de arbeidsovereenkomstenwet legt Keyware ten onrechte de initiële bewijslast op mevrouw W..

Evenmin toont Keyware de afwezigheid van nadeel aan. Ook hier wil Keyware ten onrechte de bewijslast op mevrouw W. leggen.

De becijfering van de uitwinningsvergoeding wordt niet betwist.

Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

De beschermingsvergoeding ouderschapsverlof

14. Artikel 15 van de C.A.O. nr. 64 van 29 april 1997 bepaalt:

"§1 De werkgever mag geen enkele daad stellen om de arbeidsverhouding éénzijdig te beëindigen, behalve om dringende redenen in de zin van artikel 35 van de voornoemde wet van 3 juli 1978 of om een voldoende reden.

Onder voldoende reden dient te worden verstaan, een door de rechter als zodanig bevonden reden waarvan de aard en de oorsprong vreemd zijn aan de schorsing van de arbeidsovereenkomst of de vermindering van de arbeidsprestaties vanwege de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof ".

Op grond van artikel 15 § 3 heeft de werknemer die ontslagen wordt in strijd met de bepaling van § 1 recht op een forfaitaire vergoeding gelijk aan het loon van 6 maanden, onverminderd de opzeggingsvergoeding.

Hoewel in deze regeling de bewijslast niet expliciet wordt geregeld, volgt uit deze bepalingen dat de werkgever, die de arbeidsovereenkomst beëindigt van een werknemer die zich kan beroepen op de ontslagbescherming, het bewijs moet leveren van het bestaan van een wettige reden tot ontslag (I. Van Puyvelde, ‘De bewijslast van de regelmatigheid van het ontslag bij ontslagverboden' noot onder Cass. 14 januari 2008, RW 2008-09, 213, 113, zie vooral 115, nr. 3 met verwijzing naar het parallellisme tijdskrediet - ouderschapsverlof; Arbh. Brussel, 21 april 2010, JTT 2010, 314).

15. Ten onrechte verwijst Keyware in verband met de ontslagbescherming naar de regels van de moederschapbescherming in art. 40 van de arbeidswet van 16 maart 1971.

Alleszins bewijst ze niet dat het ontslag vreemd is aan de vermindering van de arbeidsprestaties wegens ouderschapsverlof.

Integendeel, uit de bespreking van de dringende reden in de randnummers 7 en 9, volgt dat de discussie over de arbeidstijdregeling, kaderde in de vermindering van arbeidsprestaties.

Gelet op het feit dat de opmerkingen van mevrouw W. over de arbeidstijdregeling kaderden in de toepasselijke bepalingen van de arbeidswet, de arbeidsovereenkomst en het arbeidsreglement, kan haar geen onredelijkheid of eigengereidheid worden aangewreven, zodat het getuigenaanbod ook hier niet ter zake dienend is.

Uit de e-mail van de heer Vandervelde van 22 september 2010 volgt dat hij de arbeidsduurvermindering op maandag wil ongedaan maken door deze te verdisconteren met het einduur van het bezoek aan de laatste klant (stuk 8 Keyware).

Deze discussie mondde uit in de bespreking van 13 oktober 2010, die aanleiding was tot het ontslag van 15 oktober 2010.

Daar het ontslag dus kaderde in een discussie over de vermindering van de arbeidsprestaties vanwege de uitoefening van het recht op ouderschapsverlof, was er geen voldoende reden voor ontslag in de zin van art. 15 van de CAO nr. 64.

Mevrouw W. maakte dan ook terecht aanspraak op de beschermingsvergoeding, waarvan de becijfering niet wordt betwist.

Het hoger beroep is op dit punt ongegrond.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis, doch veroordeelt de NV Keyware Smart Card Division bijkomend tot betaling aan mevrouw W. van een pro rata eindejaarspremie van euro 1.495,62, te vermeerderen met de wettelijke intresten vanaf 16 oktober 2010 en de gerechtelijke intresten en tot afgifte van één bijkomende maaltijdcheque.

Wijst de vordering tot verbeurte van een dwangsom in verband met de afgifte maaltijdcheque af.

Veroordeelt de NV Keyware Smart Card Division tot betaling van de gerechtskosten van het hoger beroep, deze aan de zijde van beide partijen begroot op:

Rechtsplegingsvergoeding beroep euro 2.750.

Aldus gewezen en ondertekend door de derde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

Simone ALAERTS, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

Daniël HEYVAERT, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER,

Simone ALAERTS, Daniël HEYVAERT.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 21 juni 2013 door:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door

Kelly CUVELIER, griffier.

Lieven LENAERTS, Kelly CUVELIER.

Free keywords

  • ARBEIDSREGLEMENTERING

  • ARBEIDSWET

  • Uitzondering handelsvertegenwoordigers.