- Arrêt of October 7, 2013

07/10/2013 - 2013/AB/374

Case law

Summary

Samenvatting 1

Bij een minnelijke aanzuivering kunnen de partijen vrij overeenkomen om tot gedeeltelijke of gehele kwijtschelding van hun vordering over te gaan.

Ongeacht de inkohiering van fiscale boetes en administratieve sancties, kunnen deze in een gerechtelijke aanzuivering als vergoedingen en kosten van de hoofdsom worden kwijtgescholden, juist zoals een contractueel schadebeding.


Arrêt - Integral text

-)àrep.nr.

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 07 oktober 2013

11 e KAMER

COLLECTIEVE SCHULDENREGELING - vorderingen collectieve schuldenregeling

tegensprekelijk ten aanzien van de appellante, de schuldenaar en de schuldbemiddelaar en bij verstek ten aanzien van de overige schuldeisers

definitief

In de zaak:

BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst financiën,

administratie der directe belastingen, 3080 TERVUREN, Museumlaan 5,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. COLAERT Alexander loco mr. DECLERCQ Philippe, advocaat te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 89

Tegen:

1. S. ,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VANDEBROEK J., advocaat te

3080 DUISBURG, Merenstraat 28

2. mtr. DEN DULK M, schuldbemiddelaar, met kantoor te

3061 LEEFDAAL, Neerijsesteenweg 6 bus 2,

geïntimeerde, verschijnend in persoon

3. ONTVANGER PENALE BOETEN VILVOORDE, met maatschappelijke zetel te 1800 VILVOORDE, Groenstraat 51-57,

4. ZENITO-SOCIAAL VERZEKERINGSFONDS ZELFSTANDIGEN, VZM, 1000 BRUSSEL, Spastraat 8,

5. FIDUCRE NV, met maatschappelijke zetel te 1140 BRUSSEL, H.Matisselaan 16,

6. ONTVANGER BTW VILVOORDE, met maatschappelijke zetel te 1800 VILVOORDE, Groenstraat 51-57,

7. V. ,

De schuldeisers 3 tot en met 7 niet verschijnend

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 06 maart 2013 door de arbeidsrechtbank te Leuven, zesde kamer (A.R. 12/235/B),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 3 april 2013,

de pleitnota van de schuldbemiddelaar, neergelegd ter zitting op 6 mei 2013,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 16 september 2013, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHTSPLEGING

1. Bij beschikking van 1 juni 2012 van de arbeidsrechtbank te Leuven werd de aanvraag van de Heer Johan S. om toegelaten te worden tot de collectieve schuldenregeling toelaatbaar verklaard. Mtr. M. Den Dulk werd aangesteld als schuldbemiddelaar.

2. Op 3 oktober legde de schuldbemiddelaar een ontwerp van minnelijk aanzuiveringplan neer met een PV van vaststelling van gebrek aan akkoord over deze regeling wegens een bezwaar van de Belgische Staat, FOD Financiën in de persoon van de ontvanger te Tervuren, (hierna verder aangeduid als de ontvanger).

In het bestreden vonnis beschrijft de eerste rechter de situatie van de heer S. en de krachtlijnen van het voorgestelde plan, waarnaar kan worden verwezen.

Het bezwaar van de ontvanger komt er in essentie op neer dat de fiscale verhogingen en boeten samen met de verschuldigde belasting als hoofdsom moeten worden beschouwd, omdat ze samen worden ingekohierd.

De schuldbemiddelaar beschouwt de verhogingen en boeten als kwijt te schelden accessoria.

3. Bij vonnis van de arbeidsrechtbank te Leuven van 6 maart 2013 werd het bezwaar verworpen en als rechtsmisbruik beschouwd, zodat het ontwerp van minnelijk aanzuiveringplan werd gehomologeerd.

4. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 3 april 2013, tekende de ontvanger hoger beroep aan, en vroeg de vernietiging van het vonnis, verwijzend naar haar oorspronkelijk standpunt.

Ze vraagt daarbij dat zou worden gezegd voor recht dat de aangegeven belastingsverhogingen eveneens hoofdsommen betreffen die niet als kosten uit de minnelijke regeling mogen worden geweerd en dat haar bezwaar niet als rechtsmisbruik mag worden beschouwd.

II. BEOORDELING

1. Het hoger beroep werd tijdig ingesteld en ook aan de andere ontvankelijkheidvoorwaarden werd voldaan, wat overigens niet wordt betwist, zodat het hoger beroep toelaatbaar is.

Hoofdsom of accessoria?

2. De ontvanger legt nauwkeurig uit hoe de door de heer S. verschuldigde belastingsommen gezamenlijk met de belastingverhogingen en fiscale boeten ingekohierd werden en aldus voor haar de hoofdsom uitmaken die vervolgens nalatigheidintresten en vervolgingskosten kunnen opleveren.

Met verwijzing naar art. 1675/12 §1, 4° Ger. W. kunnen volgens haar de ingekohierde belastingverhogingen en boeten als deel van de hoofdsom niet worden kwijtgescholden, daar ze niet kunnen beschouwd worden als ‘vergoedingen en kosten'. Ze zijn niet vergelijkbaar met een strafbeding in de zin van art. 1.226 BW.

Alleszins mocht de schuldbemiddelaar de aangifte niet wijzigen in de zin dat enkel de verschuldigde belasting als hoofdsom werd beschouwd.

In een brief van 11 maart 2013 aan de schuldbemiddelaar onderstreept de ontvanger dat in tegenstelling met wat in het vonnis werd beweerd de fiscus niet/quasi nooit dwarsligt wat betreft het kwijtschelden van hoofdsommen, maar dat de discussie hier gaat over wat als hoofdsom wordt gekwalificeerd. Ze gaat akkoord met de gedeeltelijke betaling van de hoofdsom, voor zover haar omschrijving van de hoofdsom wordt aanvaard.

3. De ontvanger gaat uit van een correcte ‘fiscale' analyse en logica, maar ze veronachtzaamt dat een aanzuiveringregeling in het kader van de collectieve schuldenregeling een andere doelstelling heeft, met name de financiële toestand van de schuldenaar te herstellen door hem in staat te stellen in de mate van het mogelijke zijn schulden te betalen en tegelijkertijd te waarborgen dat hij zelf en zijn gezin een menswaardig leven kunnen leiden. (art. 1675/3 Ger. W.)

Bij het tot stand komen van de wetgeving collectieve schuldenregeling hebben de fiscus (met verwijzing naar art. 172 van de Grondwet) en de sociale zekerheidsinstellingen (met verwijzing naar het openbare ordekarakter van hun reglementering) voorgehouden dat ze geen kwijtschelding in een minnelijke aanzuivering mochten aanvaarden. Sinds de wetswijziging van 13 december 2005 is dit uitgeklaard in de zin dat ook deze instanties een kwijtschelding kunnen verlenen. (art. 1675/10 § 3bis Ger. W.)

Niettemin werd reeds voor die wetswijziging door de rechtspraak (Antwerpen 13 februari 2001, AJT 2001-02, 659; RW 2001-02, 1475) aanvaard dat fiscale schulden in een gerechtelijke aanzuivering konden worden kwijtgescholden.

Ook de ontvangers aanvaardden dat in een minnelijke aanzuivering gebruik kon gemaakt worden van de wettelijk voorziene mogelijkheden van kwijtschelding van intresten, verhogingen en boeten die ook buiten de collectieve schuldenregeling kunnen worden aangevraagd en toegekend. (P. Dauw, Topics van de collectieve schuldenregeling, 2004, 43, nr. 64; K. Broeckx en B. De Groote, ‘Collectieve schuldenregeling in de praktijk' in E. Dirix en P. Taelman (eds.) Beslag- en executierecht - Naar een collectief beslagrecht, Antwerpen, Intersentia, 2001, 196, nr. 102)

Van een verhoging op grond van art. 444 W.I.B. 92 kan bij ontstentenis van kwade trouw worden afgezien. Een geldboete op grond van art. 445 W.I.B. 92 kan worden opgelegd. In beide gevallen gaat het om administratieve sancties die de administratie kan opleggen in geval van overtreding van bepalingen van het Wetboek, waarvan zij de aard en de ernst beoordeelt. (Gr. Hof 18 april 2001 nr. 48/01, B.10)

Hieruit vloeit voort dat de fiscus haar beslissingen hierover ook telkens op dit punt moet motiveren. (Gr. Hof 18 april 2001 nr. 48/01; Cass. 19 oktober 2012,

www.juridat.be met eensluidende conclusie van advocaat generaal Thys)

Enerzijds erkent de ontvanger dat op grond van art. 9 van het Regentbesluit van 18 maart 1831 een kwijtschelding van de fiscale boetes en belastingverhogingen mogelijk is, anderzijds acht ze dit omwille van de inkohiering onmogelijk, niettegenstaande de andersluidende beleidslijn, die gold voor de wetswijziging van 2005.

Een bezwaar dat enkel steunde op de zogenaamde fiscale onmogelijkheid om kwijtschelding te verlenen zonder oog te hebben voor de doelstellingen van de collectieve schuldenregeling werd door de rechtspraak en de rechtsleer als rechtsmisbruik bestempeld. ( P. Dauw, a.w, 43, nr. 64 en 46-49, nrs. 70-75)

4. De ontvanger verwijst naar art. 1675/12 §1, 4° Ger. W. om haar onderscheid tussen hoofdsom en accessoria te staven.

Dit artikel bepaalt dat de rechter, mits eerbiediging van de gelijkheid onder schuldeisers, een gerechtelijke aanzuiveringregeling kan opleggen, die o.m. de gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van de moratoire intresten, vergoedingen en kosten bevat.

De ontvanger gaat daarbij voorbij aan het feit dat hier niet de toepassing van art. 1675/12 in verband met een door de rechter opgelegde gerechtelijke aanzuivering voorligt, maar wel een ontwerp van minnelijke aanzuivering door de schuldbemiddelaar.

In het kader van een minnelijke aanzuivering is meer mogelijk dan in een door de rechter opgelegde gerechtelijke aanzuivering. De Memorie van Toelichting bij het wetsontwerp dat tot de wet collectieve schuldenregeling heeft geleid preciseert dat alles mogelijk is in het kader van een minnelijke regeling, daar de wet niets in dat verband voorziet.

Aldus kan gedeeltelijke of volledige kwijtschelding van schulden in intresten of kapitaal overeengekomen worden, binnen de beperking van wat art. 1675/3 voorschrijft. (Parl. St. Kamer 1996-97, 1073/1 en 1074/1, 36)

Zo bezien, verliest het onderscheid tussen hoofdsom en accessoria aan belang. Los van de semantische discussies, kan worden vastgesteld uit de briefwisseling tussen ontvanger en schuldbemiddelaar, alsook uit de in deze procedure voorgebrachte argumenten dat het voorstel van minnelijke aanzuivering aldus was opgevat dat de verschuldigde belasting als hoofdsom bezien werd en dat deze gedeeltelijk zou kunnen worden terugbetaald en dat van het overige, zoals de moratoire intresten, vergoedingen... moest worden afgezien.

De schuldbemiddelaar preciseerde in briefwisseling dat dit inhield dat afgezien werd van o.m. deurwaarderskosten, schadebedingen, kosten invordering...

Door op die wijze een minnelijke aanzuivering voor te stellen veranderde ze niet de kwalificatie van de schuldvordering, maar handelde ze binnen de perken van art. 1675/3 en 1675/10 Ger. W.

Immers, in het ontwerp minnelijke aanzuivering wordt steeds het door de ontvanger opgegeven bedrag van de aangifte ( euro 20.953,18 en euro 4.435,30) vermeld, waarna dit wordt opgesplitst in wat verstaan wordt onder hoofdsom, kosten en intresten, waarbij de schuldbemiddelaar zich gebaseerd heeft op de door de ontvanger doorgegeven Lijst van de belastingsaanslagen of saldi die verschuldigd zijn door de verzoeker.

Fiscale administratieve sancties versus burgerrechtelijk schadebeding

5. Maar zelfs, indien men zich wil steunen op art. 1675/12 §1, 4° dan moet hierbij worden opgemerkt dat het begrip vergoedingen en kosten ook de reglementaire boetes insluit, waaronder dus de fiscale administratieve sancties.

Dit wordt met zoveel woorden bevestigd in de reeds aangehaalde Memorie van Toelichting: De rechter kan eveneens beslissen de interesten, vergoedingen en kosten kwijt te schelden. De kwijtschelding van kapitaal kan slechts worden beslist mits naleving van de bepalingen opgenomen in artikel 1675/13.

Worden bedoeld, de moratoire interesten evenals de contractuele of reglementaire boetes en de kosten opgelopen wegens achterstallige betaling of wanbetaling. (Parl. St. Kamer 1996-97, 1073/1 en 1074/1, 42 - eigen onderlijning)

Zie in dezelfde zin E. Dirix, ‘Collectieve schuldenregeling', TPR 2002/2, 1315, nr. 182)

Anders dan de ontvanger voorhoudt, kan hieruit afgeleid worden dat de wetgever een parallellisme bedoeld heeft tussen het burgerrechtelijk schadebeding en reglementaire boetes, zoals fiscale administratieve sancties.

Uit art. 1675/12 §1, 4° volgt dan ook eerder dat dergelijke sancties niet als strikte hoofdsom kunnen worden beschouwd, zodat a fortiori de schuldbemiddelaar voor de minnelijke aanzuivering geenszins een onjuiste uitsplitsing gemaakt heeft.

Waar de ontvanger het billijk vindt dat de overige schuldeisers afzien van een contractueel schadebeding, mag vanuit de eerbiediging van de gelijkheid der schuldeisers verwacht worden dat evenmin rekening gehouden wordt met reglementaire boetes, zoals de fiscale administratieve sancties.

De wijze van inkohiering doet hieraan niets af.

Rechtsmisbruik

6. Aangezien het bezwaar geen betrekking heeft op de grond van de voorgestelde minnelijke aanzuiveringregeling maar enkel steunde op een irrelevant theoretisch onderscheid uitgaande van de wijze van inkohiering zonder rekening te houden met de bepalingen en de geest van de wetgeving op de collectieve schuldenregeling, werd het door de eerste rechter terecht beschouwd als rechtsmisbruik. ( P. Dauw, a.w, 43, nr. 64 en 47, nr. 71 b en c)

7. Hieruit vloeit voort dat de schuldbemiddelaar een evenwichtig minnelijk aanzuiveringplan heeft voorgesteld, waarbij rekening houdend met de beperkte financiële mogelijkheden een herleiding van de verschuldigde belastingbedragen werd voorgesteld met het wegvallen van de moratoire intresten hierop en de vergoedingen, waaronder de belastingverhogingen en andere administratieve sancties.

Terecht heeft de eerste rechter wegens rechtsmisbruik bij het bezwaar het akkoord gehomologeerd, zodat het hoger beroep ongegrond is.

OM DEZE REDENEN,

HET ARBEIDSHOF,

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht doende op tegenspraak ten aanzien van de appellante, de schuldenaar en de schuldbemiddelaar en bij verstek ten aanzien van de overige schuldeisers;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Bevestigt het betreden vonnis.

Kosteloze procedure.

Aldus gewezen en ondertekend door de elfde kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, raadsheer,

bijgestaan door :

Dirk VAN DEN BROECKE, griffier.

Dirk VAN DEN BROECKE, Lieven LENAERTS.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van maandag 07 oktober 2013 door:

Beatrix CEULEMANS Eerste voorzitter,

bijgestaan door

Dirk VAN DEN BROECKE, griffier.

Dirk VAN DEN BROECKE, Beatrix CEULEMANS.

Free keywords

  • SCHULDOVERLAST

  • Minnelijke aanzuivering

  • Hoofdsom en accessoria fiscale boetes en sancties.