- Arrêt of December 12, 2013

12/12/2013 - 2013/AB/132

Case law

Summary

Samenvatting 1

Een arbeidsovereenkomst afgesloten met een werknemer die niet in het bezit is van een geldige arbeidskaart is absoluut nietig, want strijdig met de openbare orde. Wanneer een dergelijke werknemer prestaties geleverd heeft in het kader van de reglementering van de dienstencheques, dan is de overheidssubsidie (consumptiesubsidie) voor deze dienstencheque terugvorderbaar, ook voor de periode vóór dat deze voorwaarde uitdrukkelijk in de reglementering werd opgenomen.


Arrêt - Integral text

rep.nr.: 2013/

ARBEIDSHOF TE BRUSSEL

ARREST

OPENBARE TERECHTZITTING VAN 12 DECEMBER 2013

7e KAMER

ADMINISTRATIEVE SANCTIE - terugvordering

tegensprekelijk

definitief

kennisgeving per gerechtsbrief (art. 583 Ger. W.)

in de zaak:

RIJKSDIENST VOOR ARBEIDSVOORZIENING, met zetel te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan, 7, appellant, vertegenwoordigd door mr. JACOBS C. loco mr. DE KETELAERE Jacques, advocaat te 3000 LEUVEN, Bondgenotenlaan 155 A,

tegen:

H.C. MV COMM. V., K.B.O. 0***.9**.6**, , geïntimeerde, vertegenwoordigd door mr. FISETTE J., advocaat te 3500 HASSELT, Bosstraat 197

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van het bestreden vonnis, uitgesproken op tegenspraak op 14 januari 2013 door de arbeidsrechtbank te Leuven, 2e kamer (A.R. 12/567/A),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 7 februari 2013,

de neergelegde conclusies,

het schriftelijk advies van het openbaar ministerie, neergelegd ter griffie op 29 oktober 2013 door advocaat-generaal J.-J. ANDRE,

de repliek op dit advies, neergelegd ter griffie op 14 november 2013 voor H.C. MV COMM. V.,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 24 oktober 2013, waarna de debatten werden gesloten, het openbaar ministerie zijn schriftelijk advies ter griffie heeft neergelegd, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. DE FEITEN EN DE RECHTSPLEGING.

1.

De vennootschap H.C. stelde, in het kader van de reglementering op de dienstencheques, een aantal Roemeense werknemers te werk.

Bij een controle, uitgevoerd op 9 september 2011, werd vastgesteld dat drie werknemers tijdelijk tewerk waren gesteld, zonder in het bezit te zijn van een geldige arbeidskaart, en dus ook zonder de vereiste vergunning in hoofde van de werkgever. Het betrof tewerkstellingen die zich situeerden in de periode van 9 februari 2011 tot 7 augustus 2011. De betrokken werknemers hadden op het ogenblik van de controle wel al een arbeidskaart bekomen.

2.

Bij schrijven van 9 november 2011 van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening werd de vennootschap H.C. in kennis gesteld van de intentie van de Rijksdienst om tot terugvordering over te gaan van de tussenkomsten van de overheid (consumptiesubsidie) in het bedrag van de dienstencheques, voor de periode waarin de betrokkenen tewerkgesteld waren geweest zonder in het bezit te zijn van een arbeidskaart.

Bij schrijven van 6 december 2011 deelde de vennootschap H.C. haar verweermiddelen mee.

Op 4 januari 2012 besliste de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening over te gaan tot terugvordering van de overheidstussenkomst in de dienstencheques voor een totaalbedrag van 18.171 euro .

3.

Bij verzoekschrift van 3 april 2012 heeft de vennootschap H.C. deze beslissing betwist voor de arbeidsrechtbank te Leuven.

Bij vonnis van 14 januari 2013, ter kennis gebracht op 21 januari 2013, heeft de arbeidsrechtbank te Leuven de vordering ontvankelijk en gegrond verklaard. Zij heeft de bestreden administratieve beslissing vernietigd.

4.

Bij verzoekschrift van 7 februari 2013 heeft de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening hoger beroep aangetekend tegen het vonnis van de arbeidsrechtbank.

Bij besluiten heeft de vennootschap H.C. incidenteel beroep ingesteld tegen het vonnis van de eerste rechter.

II. DE ONTVANKELIJKHEID.

Het hoger beroep is regelmatig naar de vorm. Het is ingeleid binnen de maand na de kennisgeving van de bestreden beslissing en is aldus tijdig. Het beroep is ontvankelijk.

Het incidenteel beroep is eveneens ontvankelijk.

III. BEOORDELING.

Het vonnis van de eerst rechter. De standpunten der partijen.

1.

De eerste rechter vernietigde de bestreden administratieve beslissing op basis van de motivering dat de verplichting om zich bij de tewerkstelling te houden aan de regels met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, formeel slechts ingevoegd werd in de wetgeving met een Koninklijk Besluit van 25 oktober 2011, van kracht vanaf 16 november 2011.

2.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelt daartegenover in zijn verzoekschrift dat zijn terugvordering niet steunt op de nieuwe bepaling, ingevoegd in de wetgeving op 25 oktober 2011, maar wel rechtstreeks op de bepalingen van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en het uitvoeringsbesluit van 9 juni 1999. Volgens deze wetgeving kan de werkgever in België een werknemer, die niet de Belgische nationaliteit heeft, enkel tewerkstellen indien hij vooraf een arbeidsvergunning bekomen heeft en de werknemer in het bezit gesteld is van een arbeidskaart. Deze bepaling was, overeenkomstig artikel 38 sexies van het Koninklijk Besluit van 9 juni 1999, nog van toepassing in de bestreden periode op personen van Roemeense nationaliteit.

De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening stelt verder dat het nieuwe Koninklijk Besluit van 25 oktober 2011 van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing genomen werd, zodat deze beslissing toepassing kon maken van deze bepaling.

3.

De vennootschap H.C. herneemt in de eerste plaats de argumentatie, ontwikkeld voor de eerste rechter, met betrekking tot de formele nietigheid van de bestreden beslissing, omdat deze niet afdoende gemotiveerd was in de zin van de wet van 29 juli 1991 op de formele motivering der bestuurshandelingen. De vennootschap stelt dat de bestreden beslissing op geen enkele wijze rekening houdt met, of antwoordt op, de opmerkingen die zij geformuleerd had op 6 december 2011.

Ten gronde stelt de vennootschap dat uit de wettelijke bepalingen, en meer in het bijzonder uit artikel 10, § 2 en artikel 2 quater, § 4, 12°, van het Koninklijk Besluit van 12 december 2011 betreffende de dienstencheques, blijkt dat enkel tot terugvordering van de overheidssubsidies (consumptiesubsidie) kan overgegaan worden, hetzij in de gevallen opgesomd in artikel 10, § 2, hetzij bij niet naleving van een reglementaire bepaling, voorzien in de wet zelf van 20 juni 2001 of in haar uitvoeringsbesluit. Vermits geen enkele bepaling in de wet of in het uitvoeringsbesluit, zoals van toepassing op het ogenblik van de betwiste tewerkstelling, verwijst naar de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, kan een terugvordering niet steunen op de miskenning van de bepalingen van deze wetgeving, althans voor de periode voorafgaand aan 16 november 2011.

Verder stelt de vennootschap dat bij de terugvordering het vertrouwensbeginsel werd geschonden. Er werd immers door de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening geen enkel voorbehoud gemaakt bij de Dimona-aangifte van de prestaties, zodat zij er vanuit mocht gaan dat de aanwervingen conform waren met de wetgeving. Verder zou het redelijkheidsbeginsel geschonden zijn doordat de terugvordering in wanverhouding staat tot de vastgestelde inbreuken. Tenslotte verwijst de vennootschap H.C. naar haar goede trouw. Geen enkele instantie heeft ooit haar aandacht gevestigd op het bestaan van een inbreuk. Bovendien zou haar door het gemeentebestuur van de gemeente Knokke-Heist bevestigd zijn dat de betrokkenen konden werken zonder arbeidskaart.

De vennootschap H.C. stelt bij besluiten ook een incidenteel beroep in tegen het vonnis van de eerste rechter omdat deze nagelaten heeft uitspraak te doen over haar tegenvordering, die er toe strekte de terugbetaling te bekomen van de som van 18.171 euro , die zij inmiddels betaald had. Het incidenteel beroep is verder gericht tegen het feit dat de eerste rechter, hoewel hij de vordering van de vennootschap gegrond verklaarde, haar toch tot de kosten veroordeelde.

De ingeroepen nietigheid van de bestreden beslissing.

4.

Overeenkomstig art. 2 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen dient iedere bestuurshandeling in de zin van art. 1 van de wet uitdrukkelijk gemotiveerd te worden. Overeenkomstig art. 3 van dezelfde wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen en moet zij afdoende zijn.

De bestreden administratieve beslissing vermeldt zowel de feitelijke als de juridische overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen. Zij stelt vast dat de betrokkenen werknemers niet in het bezit waren van een arbeidskaart en somt de wettelijke bepalingen op waaruit, volgens de beslissing, moet afgeleid worden dat er geen recht was op een overheidstussenkomst (consumptiesubsidie) en deze kon teruggevorderd worden.

De bestreden administratieve beslissing antwoordt inderdaad niet op de argumenten, opgenomen in het schrijven van de vennootschap H.C. van 6 december 2011. Dit wordt echter ook niet vereist in het kader van de verplichting tot formele motivering van de bestuurshandelingen. Wel moet de opgenomen motivering afdoende zijn. In het schrijven van 6 december 2011 van de vennootschap H.C. worden de feiten niet betwist. Er worden ook geen juridische argumenten aangevoerd om te stellen dat de terugvordering van de consumptiesubsidie onmogelijk zou zijn. Het schrijven beperkt er zich in essentie toe uiteen te zetten dat de vennootschap volkomen te goeder trouw was en er van uit gegaan was dat geen arbeidskaart vereist was. Deze elementen kunnen meespelen bij de bepaling van een eventuele sanctie (wat overigens gebeurd is), maar hebben geen invloed op het wettelijk recht op terugvordering. Het recht op terugvordering veronderstelt immers enkel dat er een betaling gebeurd is en dat deze betaling onverschuldigd was. Een afdoende motivering van de beslissing vereiste aldus niet dat de aangevoerde argumenten beantwoord werden.

Het wettelijk kader

5.

Overeenkomstig artikel 2, § 4, van de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en banen moet de onderneming, wiens activiteit of doel ten minste gedeeltelijk bestaat in het leveren van buurtwerken of diensten, waarvoor een consumptiesubsidie wordt toegekend door de overheid in de vorm van dienstencheques, cumulatief voldoen aan de voorwaarden opgenomen in dit artikel. Zo moet de onderneming er zich onder mee toe verbinden de loons- en arbeidsvoorwaarden na te leven die op haar van toepassing zijn, overeenkomstig de wet en zijn uitvoeringsbesluiten en de op haar van toepassing zijnde collectieve arbeidsovereenkomsten.

Overeenkomstig alinea 2, laatst alinea, van dezelfde bepaling kan de Koning bijkomende voorwaarden bepalen waaraan de onderneming moet voldoen om erkend te worden.

Overeenkomstig artikel 3, al. 2, van de wet moet de erkende onderneming voor de uitvoering van de werken, waarvoor de dienstencheques worden aangewend, een werknemer in dienst nemen.

De bijkomende voorwaarden, bedoeld in alinea 2, laatste alinea, van de wet worden bepaald door artikel 2quater van het Koninklijk Besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques. Par. 2 van dit artikel voorziet onder 12° dat de onderneming zich ertoe verbindt om alle wettelijke en reglementaire bepalingen voorzien in de wet (waarmee bedoeld wordt de wet van 20 juli 2001) en in het Koninklijk Besluit na te leven.

Artikel 2 quater, § 2, werd, bij Koninklijk Besluit van 16 november 2011, aangevuld met een 20° dat voorziet dat de onderneming zich er ook toe verbindt de vreemdelingenwet en de regels met betrekking tot tewerkstelling van de buitenlandse werknemers na te leven

6.

Artikel 10, § 2, van hetzelfde Koninklijk Besluit voorziet dat indien de werken uitgevoerd werden zonder dat de wettelijke of reglementaire voorwaarden werden gerespecteerd, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening het uitgiftebedrijf kan verbieden de in art. 1, 6°, van het besluit bedoelde tegemoetkoming en de in art. 3, § 2, van het besluit bedoelde bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheques te betalen aan de onderneming die de dienstencheques heeft ingediend. De Rijksdienst kan verder de tegemoetkoming en het bedrag van de aanschafprijs van de dienstencheques geheel terugvorderen, indien deze ten onrechte werden toegekend. Volgens deze bepaling kan dit inzonderheid gebeuren indien de onderneming niet erkend was, indien andere diensten dan voorzien in de wet werden verwezenlijkt of het werk niet werd uitgevoerd door een werknemer, bepaald in artikel 3 van de wet, die in het personeelsregister ingeschreven was en wiens arbeidsprestaties aan de RSZ werden aangegeven.

Beoordeling.

7.

Met de vennootschap H.C. kan aanvaard worden dat de terugvordering geen grondslag kan vinden in de bepaling van artikel 2 quater, § 2, 20°, van het Koninklijk Besluit van 16 november 2011 op de dienstencheques. Deze bepaling werd immers slechts ingevoerd bij Koninklijk Besluit van 25 oktober 2011 en heeft geen retroactieve werking. Aan de vennootschap H.C. kan niet verweten worden een bepaling niet nageleefd te hebben, die niet van toepassing was op het ogenblik van de tewerkstelling van de betrokken personen. De omstandigheid dat de bepaling wel van toepassing was op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, kan daaraan geen afbreuk doen.

Met de vennootschap H.C. kan eveneens aanvaard worden dat, uit de wijze van de redactie van art. 2, 4°, van de wet en art. 10, § 2, en 2 quater, § 2, 12°, moet afgeleid worden dat een terugvordering slechts mogelijk is ingeval van een inbreuk op de bepalingen van de wet en van zijn uitvoeringsbesluiten, en dat er een onvoldoende wettelijke basis is om tot terugvordering over te gaan bij een miskenning van om het even welke regel van het sociaal recht.

8.

Uit artikel 3, al. 2, van de wet en uit artikel 10, § 2, van het Koninklijk Besluit van 11 december 2001 (zoals van toepassing op het ogenblik van de betwiste tewerkstelling in het kader van de dienstencheques) blijkt echter duidelijk dat het recht op de consumptiesubsidie slechts ontstaat in zoverre er een tewerkstelling gebeurt in het kader van een arbeidsovereenkomst. Iedere andere vorm van tewerkstelling geeft geen aanleiding tot het toekennen van een consumptiesubsidie. Terugvordering van de consumptiesubsidie is om dezelfde reden mogelijk wanneer de betrokkenen niet in het kader van een arbeidsovereenkomst werden aangeworven.

Overeenkomstig artikel 4, § 1, van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers moet de werkgever, die een buitenlandse werknemer wenst te werk te stellen, vooraf een arbeidsvergunning hebben verkregen van de bevoegde overheid. Overeenkomstig 5 van dezelfde wet moet de buitenlandse werknemer, alvorens arbeid te kunnen verrichten, een arbeidskaart hebben verkregen van de bevoegde overheid. Op de niet-naleving van deze bepalingen worden door artikel 12 van de wet zeer strenge straffen gesteld, niet alleen voor de werkgever, maar ook voor al de personen die op één of andere wijze hebben bijgedragen tot een tewerkstelling in strijd met deze wet.

Het wordt niet betwist dat, in toepassing van de vermelde bepalingen, de vennootschap H.C. in de betwiste periode van tewerkstelling, diende te beschikken over een vergunning voor de tewerkstelling van de betrokken werknemers en dat deze laatste over een arbeidskaart dienden te beschikken. In toepassing van artikel 38 sexies van het Koninklijk Besluit van 9 juni 1999, houdende de uitvoering van de wet van 30 april 1999, was immers op dat ogenblik, hoewel die landen toegetreden waren tot de Europese Unie, voor de Bulgaren en Roemenen de verplichting tot het bekomen van een arbeidsvergunning en een arbeidskaart nog van toepassing.

9.

Overeenkomstig artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek kan aan de wetten die de openbare orde betreffen geen afbreuk gedaan worden door bijzondere overeenkomsten. Overeenkomstig artikel 1131 van hetzelfde wetboek kan een verbintenis aangegaan uit een ongeoorloofde oorzaak, geen gevolg hebben. De oorzaak is in het bijzonder ongeoorloofd wanneer zij door de wet verboden is of wanneer zij strijdig is met de goede zeden en de openbare orde (artikel 1133 Burgerlijk Wetboek). .

Een overeenkomst afgesloten in strijd met de openbare orde is absoluut nietig. Dit is in het bijzonder het geval voor een arbeidsovereenkomst die gesloten is in strijd met de wetgeving betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers. Uit de strenge sancties die worden opgelegd bij de niet-naleving van de wet, blijkt immers dat de wetgever de regeling van de toegang van de buitenlandse werknemers tot de Belgische arbeidsmarkt als een essentieel element van de maatschappelijke ordening heeft beschouwd. (Van Eeckhoutte, W. e.a., Overzicht van rechtspraak, Arbeidsovereenkomsten, T.P.R. 2006, p. 177-178; Verschueren, Toezicht en sancties bij de tewerkstelling van vreemdelingen, Or. 1990, p. 213 e.v. , Arbh. Antwerpen, afd. Hasselt, 21/09/1988, J.T.T. 14).

Daaruit volgt dat de overeenkomst afgesloten tussen de vennootschap H.C. en de drie betrokken Roemenen, onder voorbehoud van de rechten die deze laatsten kunnen putten uit de toepassing van artikel 14 van de wet van 3 juli 1978 op de arbeidsovereenkomst, als niet bestaande moet beschouwd worden.

Aldus beantwoordde de tewerkstelling van de betrokkenen niet aan de vereisten van artikel 3, al. 2, van de wet van 20 juli 2001, zodat op die basis geen recht op een consumptiesubsidie kon bestaan. Om dezelfde redenen kon, in toepassing van artikel 10, § 2, van het Koninklijk Besluit van 11 december 2001, de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening overgaan tot terugvordering van de consumptiesubsidie.

Schending van het vertrouwensbeginsel en het redelijkheidsbeginsel. De goede trouw van de vennootschap H.C..

10.

Ten onrechte beroept de vennootschap H.C. zich op de schending van het vertrouwensbeginsel. Het blijkt immers uit geen enkel element, aangevoerd door de vennootschap, dat de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, of een andere overheid, ooit het vertrouwen zou gewekt hebben dat de betrokken personen zonder arbeidskaart en zonder vergunning konden tewerkgesteld worden. De schending van het vertrouwensbeginsel kan in het bijzonder niet afgeleid worden uit het feit dat de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid de aangifte van de tewerkstelling via het Dimona systeem niet geweigerd heeft. Het is niet de taak van deze Rijksdienst om controle te houden op de al dan niet tewerkstelling van personen in strijd met de wetgeving op de tewerkstelling van buitenlandse arbeidskrachten. Er wordt ook niet aangetoond dat deze Rijksdienst over de middelen beschikte om te controleren of de betrokkenen al dan niet over een arbeidskaart beschikten.

De bewering van de vennootschap dat haar door het gemeentebestuur van de gemeente waar de betrokkenen ingeschreven waren, zou bevestigd zijn dat deze mochten tewerkgesteld worden zonder over een arbeidskaart te beschikken, wordt op geen enkele manier bewezen.

11.

Evenmin kan de vennootschap H.C. zich beroepen op de schending van het redelijkheidsbeginsel. Er kan sprake zijn van een schending van het redelijkheidsbeginsel wanneer een sanctie of maatregel buiten verhouding staat tot de ernst van de feiten, die aan de grondslag liggen van de sanctie of maatregel.

Het evenredigheidsbeginsel kan er niet aan in de weg staan dat voordelen die werden toegekend in strijd met de wet, en aldus onverschuldigd zijn, worden teruggevorderd.

12.

Tenslotte kan de goeder trouw van de vennootschap H.C. evenmin een beletsel zijn voor de terugvordering van de onverschuldigde betaling. Ook hij die te goeder trouw een som ontvangen heeft, waarop hij geen recht had, is verplicht deze som terug te betalen (artikel 1376 Burgerlijk Wetboek).

Ten overvloede dient daaraan toegevoegd te worden dat de vennootschap H.C. de verplichting had om, alvorens tot de aanwerving van de betrokkenen over te gaan, zich op zorgvuldige wijze te informeren over de vraag of deze al dan niet over een arbeidskaart dienden te beschikken. Uit het dossier, neergelegd door de vennootschap, blijkt dat zij andere Roemeense werknemers te werk stelde, waarvoor zij wel een tewerkstellingsvergunning aanvroeg. De vennootschap was aldus vertrouwd met de regelgeving. Zij duidt nergens op welke basis zij geoordeeld heeft dat voor de werknemers, waarover de betwisting handelt, geen arbeidskaart vereist was.

Dat zij dienaangaande een bevestiging zou gekregen hebben van het gemeentebestuur te Knokke is niet bewezen en is overigens zeer twijfelachtig. Het gemeentebestuur heeft immers als enkele bevoegdheid om, op basis van de beslissing van de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap, tot de effectieve afgifte van een arbeidskaart over te gaan. Het gemeentebestuur heeft geen enkele bevoegdheid om te beslissen of al dan niet een arbeidskaart vereist is. Wanneer de vennootschap erover twijfelde of een arbeidsvergunning en een arbeidskaart al dan niet vereist waren, dan had zij vooraf zich moeten bevragen bij de bevoegde dienst Abeidsmigratie van de Vlaamse Gemeenschap, waarmee zij het bestaan goed kende, vermits zij reeds andere arbeidsvergunningen had aangevraagd.

Het hoger beroep is aldus ongegrond.

Het incidenteel beroep.

13.

Ingevolge de beslissing van het hof met betrekking tot het hoofdberoep, is het incidenteel beroep dat er toe strekt de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening te horen veroordelen tot terugbetaling van de reeds uitgevoerde betaling, zonder voorwerp.

De eerste rechter heeft inderdaad ten onrechte, in het licht van zijn beslissing ten gronde, de vennootschap H.C. veroordeeld tot de kosten van het geding.

Vermits het hof echter van oordeel is dat de oorspronkelijke vordering ongegrond was, dient de vennootschap H.C. veroordeeld worden tot de kosten van beide aanleggen.

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de Wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken, in het bijzonder op het artikel 24,

Rechtsprekend op tegenspraak,

Gelet op het eensluidend schriftelijk advies van de heer Jean Jacques André, advocaat-generaal, waarop repliek voor H.C. MV.

Verklaart het hoofdberoep ontvankelijk en gegrond. Hervormt het bestreden vonnis en wijst de vennootschap H.C. af van haar vordering tot nietigverklaring van de administratieve beslissing van 4 januari 2012.

Verklaart het incidenteel beroep ontvankelijk, doch ongegrond.

Veroordeelt de vennootschap H.C. tot de kosten van beide aanleggen begroot in hoofde van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening op de som van 1.210 euro per aanleg.

Aldus gewezen en ondertekend door de zevende kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Fernand KENIS, raadsheer, Ivo VAN DAMME, raadsheer in sociale zaken, werkgever, Karel GACOMS, raadsheer in sociale zaken, werknemer-arbeider,

bijgestaan door :

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Karel GACOMS

Ivo VAN DAMME Fernand KENIS

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van donderdag 12 december 2013 door:

Fernand KENIS, raadsheer,

bijgestaan door

Sven VAN DER HOEVEN, griffier.

Sven VAN DER HOEVEN Fernand KENIS

Free keywords

  • SOCIAAL RECHT

  • ARBEID

  • (TIJDELIJKE ARBEID EN UITZENDARBEID)

  • Dienstencheques.