- Arrêt of February 27, 2014

27/02/2014 - 2013/AA/201

Case law

Summary

Samenvatting 1

De administratieve sanctie bestaande in de uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende een periode van 52 weken heeft een penaal karakter.

Het non bis in idem-beginsel verbiedt een dubbele strafrechtelijke vervolging en/of bestraffing van dezelfde personen voor dezelfde feiten/inbreuken.

Feiten zijn in substantie dezelfde wanneer afzonderlijke feiten naar tijd en plaats onlosmakelijk verbonden zijn.


Arrêt - Integral text

ARBEIDSHOF ANTWERPEN

Afdeling Hasselt

Arrest

27 februari 2014

VE, wonende te

met als raadsman mr. GODELAINE Philippe, advocaat te TESSENDERLO,

tegen:

RVA, met maatschappelijke zetel te

met als raadsman mr. KNAEPS Bart, advocaat te HASSELT.

Het hoger beroep is gericht tegen het vonnis van 14 mei 2013 van de arbeidsrechtbank Hasselt.

Het arbeidshof past de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken toe.

Advocaat-generaal Stefaan D'HALLEWEYN gaf namens het openbaar ministerie mondeling advies op 23 januari 2014.

ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

Het hoger beroep werd naar tijd en vorm regelmatig ingesteld, de toelaatbaarheid ervan wordt niet betwist en het hoger beroep dient dan ook ontvankelijk te worden verklaard.

Gehoord partijen in de voordracht van hun conclusies en in de ontwikkeling van hun middelen ter openbare terechtzitting van 23 januari 2014.

PROCESVERLOOP - ANTECEDENTEN

Bij administratieve beslissing C29 van 6 december 2012 van de RVA, genomen in toepassing van de artikelen 30-38, 44, 45, 59octies, 71, 106, 139, 142, 144, 155, 169 en 175 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering en in toepassing van artikel 21 van het ministerieel besluit van 26 november 1991 houdende de toepassingsregels van de werkloosheidsreglementering, besliste de directeur van het werkloosheidsbureau Hasselt om:

- EV uit te sluiten van het recht op werkloosheidsuitkeringen voor de periode van 13 maart 2006 tot en met 31 mei 2010;

- de uitkeringen die hij onrechtmatig ontving voor de periode van 13 maart 2006 tot en met 31 mei 2010 terug te vorderen;

- EV uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 10 december 2012 gedurende een periode van tweeënvijftig weken omdat hij opzettelijk gebruik maakte van onjuiste stukken teneinde uitkeringen te verkrijgen waarop hij geen recht had.

De directeur van het werkloosheidsbureau van de RVA Hasselt nam deze beslissing op grond van feiten die hij als volgt omschrijft:

"

* Wat betreft de uitsluiting op grond van de artikelen 30-38 en artikel 59octies van het voormeld koninklijk besluit:

Artikel 30 vermeldt: om toegelaten te worden tot het recht op werkloosheidsuitkeringen moet de voltijdse werknemer een wachttijd doorlopen hebben en, afhankelijk van de leeftijd, voldoende arbeidsdagen kunnen bewijzen.

U deed een aanvraag om tijdelijke werkloosheid vanaf 13.03.2006. Bij uw aanvraag diende u het formulier C3.2 in van uw tewerkstelling bij VV P BVBA te.... Uit een controle-onderzoek is gebleken dat de documenten, afgeleverd door deze firma, onjuist zijn.

De Rijksdienst voor Sociale Zekerheid heeft namelijk de aangiften op uw naam, voor de onderneming VV P BVBA geschrapt. Alle documenten, afgeleverd door de VV P BVBA zijn onjuist.

U heeft op basis van onjuiste documenten, door uzelf ondertekend en ingediend, uitkeringen aangevraagd en ontvangen waarop u geen recht had. U was zich bewust van de fictieve tewerkstelling waardoor u bewust heeft meegewerkt aan oplichting van de sociale zekerheid.

U kan om deze reden geen uitkeringen ontvangen voor de periode van 13.03.2006 tot en met 31.05.2010.

* Wat de terugvordering betreft:

Elk onrechtmatig ontvangen som dient te worden terugbetaald (artikel 169, eerste lid van voormeld koninklijk besluit).

Bijgevolg moeten de uitkeringen die u voor de periode van 13.03.2006 tot en met 31.05.2010 heeft genoten, worden teruggevorderd.

Daar het gewone uitkeringsstelsel bij werkloosheid voorziet dat uitkeringen worden toegekend voor iedere dag van de week behalve de zondag, zullen de uitkeringen die u ontving voor de zaterdagen die volgen op de voormelde arbeidsdagen eveneens geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd (toepassing van artikel 21 van het ministerieel besluit van 26.11.1991 houdende de toepassingsregelen van de werkloosheidsreglementering).

De uitkeringen worden teruggevorderd met dien verstande dat het recht van de RvA om de terugbetaling van onverschuldigd betaalde uitkeringen te bevelen na vijf jaar verjaart. Deze verjaringstermijn gaat in de eerste dag van het kalenderkwartaal dat volgt op dat waarin de uitbetaling werd gedaan (artikel 7 § 13, 2° en 3° lid van de Besluitwet van 28.12.1944).

Het totale bedrag dat u moet terugbetalen, de berekening en de wijze waarop u kan terugbetalen, worden u hierbij betekend.

* Wat betreft de vaststelling dat u met bedrieglijk inzicht handelde:

U handelde met bedrieglijk inzicht. Dat wordt bewezen door het feit dat u een onjuist document C3.2 indiende teneinde te kwader trouw uitkeringen te kunnen ontvangen waarop u geen recht heeft.

De werkloze die gehandeld heeft met bedrieglijk inzicht, kan strafrechtelijk worden vervolgd (artikel 175, 1°, e van voormeld koninklijk besluit).

* Wat betreft de administratieve sanctie op grond van artikel 155 van het voormeld koninklijk besluit:

U maakte opzettelijk gebruik van onjuiste stukken teneinde uitkeringen te verkrijgen waarop u geen recht hebt.

De werkloze die onverschuldigde uitkeringen heeft of kan ontvangen omdat hij te kwader trouw gebruik maakte van onjuiste stukken teneinde uitkeringen te verkrijgen waarop hij geen recht heeft, kan worden uitgesloten van het genot van de uitkeringen gedurende ten minste 27 weken en ten hoogste 52 weken (artikel 155, eerste lid).

De directeur kan zich beperken tot het geven van een verwittiging of de uitsluitingsbeslissing voorzien van een geheel of gedeeltelijk uitstel indien in de voorafgaande twee jaar geen gebeurtenis heeft plaatsgevonden die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van een sanctie op grond van artikel 153, 154 of 155 (artikel 157 bis, §§ 2 en 3).

In uw geval werd de duur van de uitsluiting bepaald op 52 weken. Dit betreft een sanctie in verhouding tot de ernst van de inbreuk en gewettigd gezien het frauduleuze karakter. Om dezelfde reden(en) beperk ik mij niet tot het geven van een verwittiging (art. 157bis, § 1, lid 1) en voorzie ik de uitsluitingsbeslissing niet van een geheel of gedeeltelijk uitstel (art. 157 bis, § 2, lid 1)".

Met terugvorderingsbeslissing C31 van 6 december 2012, genomen in uitvoering van de beslissing C29 werd een bedrag van 26.800,31 EUR teruggevorderd aan werkloosheidsuitkeringen voor de periode van 1 augustus 2007 tot en met 31 mei 2010.

EV kon niet akkoord gaan met de opgelegde sancties en met aangetekend schrijven, ontvangen ter griffie van de arbeidsrechtbank Hasselt op 3 januari 2013, tekende EV beroep aan tegen de administratieve beslissingen van 6 december 2012.

Bij vonnis van de correctionele rechtbank Hasselt van 2 maart 2012 werd EV schuldig bevonden wegens:

"Te Herk-de-Stad, tussen 30 juni 2005 en 01 mei 2010 als werkgever, aangestelde of lasthebber zijnde verzuimd te hebben zich te schikken naar de bepalingen voorgeschreven door de Wet van 27.06.1969 en haar uitvoeringsbesluiten en meer bepaald wegens de bedrieglijke onderwerping aan de toepassing van de voor werknemers Sociale Zekerheid ten bedrage van 28.639,86 EUR..."

De correctionele rechtbank oordeelde dat EV een inbreuk had gepleegd op artikel 221, 1° van het Sociaal Strafwetboek (toenmalig artikel 35 van de RSZ-wet).

Verder was de correctionele rechtbank van oordeel dat er geen sprake was van een waarachtig ondergeschikt verband in hoofde van EV opzichtens zijn "werkgever" VV P BVBA.

Tegen voormeld correctioneel vonnis werd geen hoger beroep aangetekend, zodat het kracht van gewijsde heeft.

Bij vonnis van 14 mei 2013 verklaarde de arbeidsrechtbank Hasselt de vorderingen van EV ontvankelijk doch ongegrond, bevestigde de administratieve beslissingen C29 en C31 van 6 december 2012 en verwees de RVA in de kosten van het geding.

De RVA is van mening dat EV op basis van onjuiste documenten, door hemzelf ondertekend en ingediend, uitkeringen heeft aangevraagd en ontvangen waarop hij geen recht had. Hij was zich bewust van de fictieve tewerkstelling waardoor hij meewerkte aan oplichting van de sociale zekerheid.

De arbeidsrechtbank stelde:

"De arbeidsdagen die voor de heer V werden aangegeven uit hoofde van zijn tewerkstelling voor VV P bvba, stemmen dan ook niet overeen met de werkelijkheid en kunnen niet in aanmerking genomen worden in het licht van artikel 30 van het Koninklijk Besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering.

De heer V betwist dit als zodanig ook niet maar verwijst naar een aantal ‘verzachtende omstandigheden' die evenwel geen invloed hebben op de noodzakelijk door de werkloze te vervullen toelaatbaarheidsvoorwaarde om werkloosheidsuitkeringen te verkrijgen. Hiertoe dienen immers een voldoende aantal arbeidsdagen te kunnen worden voorgelegd wat in casu niet het geval is".

Aangezien EV werkloosheidsuitkeringen heeft genoten terwijl hij daar geen recht op had, dienen deze te worden terugbetaald. Ook de uitsluiting van tweeënvijftig weken achtte de arbeidsrechtbank, gelet op de ernst van de feiten, terecht genomen.

Met betrekking tot het verzoek van EV om afbetalingsfaciliteiten, oordeelde de arbeidsrechtbank dat daartoe de voorziene instanties dienen te worden gevat, waarop dan wel een a posteriori controle mogelijk is door de rechtbank.

Met een verzoekschrift ontvangen ter griffie van dit arbeidshof op 14 juni 2013 stelt EV hoger beroep in tegen voormeld vonnis.

EV is van mening dat in casu het non bis in idem-beginsel werd geschonden.

Ook al is het Hof van Cassatie van oordeel dat strafrechtelijke sancties en administratieve sancties samen kunnen worden opgelegd omdat het non bis in idem-beginsel niet zou verhinderen dat sancties van verschillende aard worden opgelegd voor eenzelfde feit, in deze baseert EV zich op de interpretatie door het Europees Hof van het rechtsbeginsel, waarbij de klemtoon wordt gelegd op de materiële feiten in plaats van op de juridische kwalificatie.

De RVA kan wel een administratieve sanctie opleggen aan de werkloze en het dossier voor vervolging overmaken aan de arbeidsauditeur, maar van zodra er een definitieve strafrechtelijke uitspraak is in de zin van een veroordeling of een vrijspraak, kan de werkloze volgens de rechtspraak van het Europees Hof niet meer administratief gesanctioneerd worden.

POSTULERINGEN VAN PARTIJEN

EV postuleert het hoger beroep toelaatbaar en gegrond te verklaren.

Dienvolgens de bestreden beslissing van 6 december 2012 en het bestreden vonnis van 14 mei 213 te hervormen en opnieuw recht doende: te zeggen voor recht dat de beslissing tot uitsluiting van EV van het recht op uitkeringen (cf. artikel 155 Werkloosheidsbesluit) vanaf 10 december 2012 gedurende een termijn van 52 weken niet toelaatbaar is.

Met betrekking tot de kosten uitspraak te doen als naar recht.

De RvA postuleert in hoofdorde het hoger beroep ontvankelijk te verklaren doch als ongegrond af te wijzen. Dienvolgens het bestreden vonnis en de bestreden administratieve beslissing te bevestigen.

In ondergeschikte orde het bestreden deel te vernietigen en de administratieve sanctie te herleiden met drie weken. De duur van de uitsluiting dient dan bepaald te worden op 49 weken.

Met betrekking tot de kosten uitspraak te doen als naar recht.

MOTIVERING

1. Bij vonnis van de correctionele rechtbank Hasselt van 2 maart 2012 werd EV schuldig bevonden wegens:

"Te Herk-de-Stad, tussen 30 juni 2005 en 01 mei 2010 als werkgever, aangestelde of lasthebber zijnde verzuimd te hebben zich te schikken naar de bepalingen voorgeschreven door de Wet van 27.06.1969 en haar uitvoeringsbesluiten en meer bepaald wegens de bedrieglijke onderwerping aan de toepassing van de voor werknemers Sociale Zekerheid ten bedrage van 28.639,86 EUR..." (stuk 3 bundel V; cf. supra: procesverloop antecedenten).

Door de correctionele rechtbank Hasselt werd geoordeeld dat EV feiten had gepleegd, die strafbaar zijn ingevolge artikel 221, 1° van het Sociaal Strafwetboek.

Dit vonnis heeft kracht van gewijsde en is derhalve definitief.

2. EV argumenteert dat de administratieve sanctie, namelijk uitsluiting voor tweeënvijftig weken, niet toelaatbaar is gelet op het non bis in idem beginsel (of ne bis in idem-beginsel).

Bij voornoemd vonnis werd EV veroordeeld tot een geldboete van 550,00 EUR, subsidiair een vervangende gevangenisstraf van één maand.

Het gezag van gewijsde in strafzaken, zoals vervat in artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering staat volgens de RVA niet eraan in de weg dat een partij in een later burgerlijk proces de mogelijkheid krijgt om elementen te betwisten die uit het strafproces zijn afgeleid, in zoverre zij niet bij het strafgeding was betrokken of er niet vrij haar belangen heeft kunnen doen gelden (Cass. 24 april 2006, NJW 2007, 176, met noot; Cass. 7 maart 2008, NJW 2008, 492).

De RVA was geen partij in het strafproces en zou niet gebonden zijn door de elementen hiervan.

De strafsanctie, zoals opgelegd door de correctionele rechtbank, beoogt volgens de RVA specifiek het bedrieglijk opzet van de werkloze te bestraffen. Het opleggen van een administratieve sanctie vereist geen bedrieglijk opzet. Vermits het morele element van de twee inbreuken verschillend is, is het principe van non bis in idem niet geschonden volgens de RVA.

3. Het ne bis in idem-beginsel verbiedt een dubbele strafrechtelijke vervolging en/of bestraffing van dezelfde persoon voor dezelfde feiten/inbreuken. Het ne bis in idem-beginsel wil verschillende vervolgingen voor dezelfde inbreuken vermijden ter bescherming van zowel de rechtsonderhorige als het rechtssysteem op zich (het gezag van gewijsde van de eerste uitspraak vermijdt tegengestelde uitspraken van andere rechters).

Dit beginsel is een algemeen rechtsbeginsel (Cass. 25 mei 2011, AR P.11.0199.F, www.cass.be, conclusie Advocaat-generaal J.-M Genicot) en ligt vervat in artikel 14, lid 7 BUPO-verdrag, artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 54 Schengenuitvoeringsovereenkomst en artikel 4 Zevende Aanvullende Protocol bij het EVRM (geratificeerd door België bij wet van 6 maart 2007, B.S. 22 juni 2012 met inwerkingtreding op 1 juli 2012).

Een administratieve sanctie kan een strafrechtelijk karakter hebben, waardoor kan worden aangevoerd dat de algemene strafrechtbeginselen, zoals het ne bis in idem-beginsel, ook toepassing moet vinden op dergelijke administratieve sancties (voorwaarde ‘bis').

Om uit te maken of een administratieve sanctie een strafrechtelijk karakter heeft, wordt door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, naast de internrechtelijke benaming van de zaak, rekening gehouden met de aard van de inbreuk evenals de aard en de ernst van de sanctie (EHRM 8 juni 1976, El e.a./Nederland in het kader van artikel 6 EVRM en deze criteria weren nadien doorgetrokken naar de rechtspraak omtrent het ne bis in idem-beginsel; EHRM 14 september 2004, R/Zweden; EHRM 20 februari 2009, Z/Rusland. Wat de aard van de inbreuk betreft, wordt nagegaan of de geschonden rechtsegel de openbare orde raakt of waarden en belangen die betrekking hebben op alle burgers en niet enkel op een bepaalde groep van personen met een bijzondere rechtspositie. Wat de aard en de ernst van de sanctie betreft, wordt gekeken of er sprake is van een repressief en preventief doel en niet van een vergoedend oogmerk. Het Hof van Cassatie hanteert in essentie dezelfde criteria (Cass. 6 mei 2002, AR S.010052.N, Arr.Cass. 2002, 1216, conclusie Advocaat-generaal Th. Werquin).

Het Hof van Cassatie besliste in zijn arrest van 14 maart 2005 dat de sanctie bepaald in artikel 154 Werkloosheidsbesluit, een administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter betreft (J.T.T. 2005, 224).

4. Het hof is van oordeel dat in casu de administratieve sanctie op grond van het Werkloosheidsbesluit een administratieve sanctie met strafrechtelijk karakter uitmaakt.

5. In de rechtspraak zijn er verschillende benaderingen met betrekking tot de voorwaarde "in idem" (‘dezelfde inbreuk'), met name of het moet gaan om een identiteit van een bepaalde gedraging (zonder dat gekeken wordt naar de juridische kwalificatie), om de identiteit van de juridische kwalificatie van de inbreuk dan wel de identiteit van de essentiële materiële bestanddelen van een inbreuk.

6. Sinds het arrest Z van 10 februari 2009 blijkt het EHRM voor de feitelijke benadering gekozen te hebben (EHRM 10 februari 2009, Z/Rusland). Het hof stelde dat artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM de vervolging of berechting van een persoon voor een tweede inbreuk verbiedt wanneer die inbreuk voortvloeit uit dezelfde feiten of feiten die substantieel dezelfde zijn. Feiten zijn in substantie dezelfde wanneer afzonderlijke feiten naar tijd en plaats onlosmakelijk verbonden zijn. Of feiten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, beoordeelt de strafrechter in de concrete omstandigheden. Het EHRM bevestigde in de zaken R en T zijn rechtspraak in de zaak Z (EHRM 16 juni 2009, R/Finland; EHRM 18 oktober 2011, T/ Kroatië).

In het arrest R werd verduidelijkt dat een verschil in intentioneel element tussen twee inbreuken niet belet dat de feiten substantieel dezelfde zijn.

7. Ook het Grondwettelijk Hof verwees in zijn arrest van 29 juli 2010 naar de definitie van het beginsel door het EHRM in zijn arrest Z.

8. Hetzelfde beginsel wordt ook gehanteerd door de strafrechter, geconfronteerd met een eerdere administratieve sanctie voor substantieel dezelfde feiten als deze, waarop de strafvervolging werd gebaseerd (hof van beroep Antwerpen, 16 januari 2014, Rolnr. 2013/SO/37, onuitgegeven).

9. Het hof is van oordeel dat ten deze de feiten op grond waarvan de administratieve sanctie werd genomen en de eerdere strafrechtelijke procedure gevoerd, substantieel dezelfde zijn.

10. Het hof treedt derhalve, gelet op het eerdere gewijsde in strafzaken, dat definitief is, de thesis van EV bij, die als volgt kan geresumeerd worden:

"Schending van beginsel ‘non bis in idem' - extensieve interpretatie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (E.H.R.M. 10 februari 2009, nr. 14939/03, Z/Rusland + E.H.R.M. 16 september 2009, nr. 13079/03, R/Finland).

De bedoeling van het non bis in idem-beginsel ligt voor de hand: verhinderen dat eenzelfde persoon tweemaal wordt vervolgd of veroordeeld voor eenzelfde feit.

Het non bis in idem-beginsel verbiedt om iemand te vervolgen of te berechten voor een tweede inbreuk wanneer deze inbreuk voortvloeit uit identieke feiten of feiten die in wezen dezelfde zijn als die welke tot de eerste inbreuk hebben geleid.

Het non bis in idem-beginsel is opgenomen in artikel 14.7 IVBPR en in het artikel 4, § 1 van het Bijkomend Protocol nr. 7 bij het EVRM. Artikel 14.7 IVBPR bepaalt dat niemand voor de tweede keer mag worden berecht of gestraft voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds overeenkomstig de wet en het procesrecht van elk land bij einduitspraak is veroordeeld of waarvan hij is vrijgesproken.

In artikel 4, § 1 van het Bijkomend protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens wordt bepaald dat niemand opnieuw wordt berecht of bestraft in een strafrechtelijke procedure binnen de rechtsmacht van dezelfde staat voor een strafbaar feit waarvoor hij reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet en het strafprocesrecht van diezelfde staat.

Initieel heeft België het Protocol nr. 7 niet geratificeerd zodat het geen direct gevolg had in het Belgisch recht.

Op 15 april 2012 heeft het federaal parlement het Protocol nr. 7 bekrachtigd, met inwerkingtreding op 1 juli 2012".

11.1 Het hof verwijst verder naar de Mercuriale van 2 september 2013 van Piet Van den Bon, eerste advocaat-generaal bij het arbeidshof Antwerpen, die zich terecht de volgende vraag stelt:

"Is het, na de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens van 2009 nog langer te verantwoorden dat Belgische rechters het DNA van het non bis in idem-beginsel verzwakken onder het mom van een geforceerde consolidatie van de zogenaamde intrinsieke verschillen tussen de onderscheiden strafsancties?".

In dezelfde zin is er de bijdrage van J.-P. Diependaele, advocaat-generaal bij het arbeidshof Gent (cf. "Eenmaal, Andermaal? Cumul van administratieve sancties in de werkloosheid met strafsancties (of met administratieve sancties): de opflakkering van een oud zeer", R.W. 2012-2013,882).

11.2. Eerste advocaat-generaal Van den Bon stelt:

"Niettegenstaande het feit dat het een uitgemaakte zaak is dat administratieve sancties een strafrechtelijk karakter hebben, werd het non bis in idem-beginsel in de Belgische rechtspraak in het verleden niet steeds consequent volstrekt toegepast omdat straffen die worden opgelegd ingevolge strafvervolging en administratieve sancties die worden opgelegd door een eenzijdige bestuurshandeling, voor dezelfde feiten, toch anders worden ervaren. Het spreekt vanzelf dat door die houding van de rechtspraak de éénduidige benadering van het begrip straf in het E.V.R.M. en het I.V.B.P.R. geweld wordt aangedaan en de werking van het non bis in idem-beginsel wordt afgezwakt".

11.3. Het hof bevindt dat het Hof van Cassatie oordeelde dat strafrechtelijke sancties en administratieve sancties samen kunnen worden opgelegd omdat het non bis in idem-beginsel niet zou verhinderen dat sancties van verschillende aard worden opgelegd voor eenzelfde feit. Op dit punt treedt het hof de geciteerde auteur bij, die terecht stelt:

"In 2011 deed het Hof van Cassatie opnieuw uitspraak over deze kwestie in een werkloosheidsgeschil. Volgens het Hof wordt het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem niet geschonden wanneer de bestanddelen van de twee misdrijven in wezen niet dezelfde zijn ... wat het geval is indien het strafbaar gestelde moreel bestanddeel van beide misdrijven verschillend is.

Artikel 154 § 1, 1° van het werkloosheidsbesluit voorziet een administratieve sanctie van ten minste 1 week en ten hoogste 26 weken wanneer de werkloze zich niet gedragen heeft naar de bepalingen van artikel 71, eerste lid, 3° of 4° (invullen controlekaart met onuitwisbare inkt; voor de aanvang van de activiteit bedoeld in artikel 45, hiervan melding maken op zijn controlekaart met onuitwisbare inkt). Artikel 175 van het werkloosheidsbesluit dat voorziet in een gevangenisstraf en een geldboete of met één van die straffen alleen, is toepasselijk op de werkloze, bedoeld in artikel 154 die gehandeld heeft met bedrieglijk inzicht.

Het standpunt van het Hof van Cassatie ligt in dezelfde lijn als dit van het Grondwettelijk Hof in een arrest van 18 juni 2008 in een fiscaalrechtelijke zaak en waarin het Hof stelde dat het non bis in idem-beginsel niet wordt geschonden wanneer de essentiële bestanddelen van beide strafbare feiten niet identiek zijn, namelijk wanneer het morele element van beide strafbaarstellingen verschilt. Ook hier zorgt het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden, als element van één van de overtredingen, voor het verschil.

Het Hof van Cassatie volgt dus duidelijk voorlopig niet de trend van de Europese rechtspraak. Dit is merkwaardig want het geeft de indruk dat het Hof hiermede afwijkt van een concreet en duidelijk omschreven beginsel onder het mom van een eerder abstract academisch concept dat ontoegankelijk is voor de burger die duidelijkheid wil en aanspraak maakt op een rechtvaardige en evenredige behandeling wanneer hij een misstap begaat.

Sinds de uitspraak van de Grote Kamer van het E.H.R.M. in een arrest van 10 februari 2009 dat betrekking heeft op de cumulatie van een strafrechtelijke sanctie en een bestuurlijke sanctie volgens het nationale Russische recht is het zonder meer duidelijk in welke richting de Europese rechtspraak geëvolueerd is in verband met de toepassing van het non bis in idem-beginsel. Het E.H.R.M. besliste dat in toepassing van artikel 6 E.V.R.M. dezelfde feiten slechts eenmaal kunnen vervolgd worden en tot één enkele strafrechtelijke sanctie voor de betrokkene kunnen leiden. Volgens het Z-arrest moest artikel 4 van het Zevende Protocol bij het E.V.R.M. dat in België door het federaal parlement op 15 april 2012 bekrachtigd werd, met inwerkingtreding op 1 juli 2012, begrepen worden als het verbod om een persoon voor een tweede inbreuk te vervolgen of te berechten voor zover deze inbreuk voortvloeit uit identieke feiten of feiten die in wezen dezelfde zijn als die welke tot de eerste inbreuk hebben geleid.

In tegenstelling met de beperkende interpretatie van het Grondwettelijk Hof en van het Hof van Cassatie die beide het non bis in idem-beginsel niet zagen als een hinderpaal om strafrechtelijke sancties en administratieve sancties te combineren wanneer de bestanddelen van beide strafbaarstellingen verschillen, gaat het Europees Hof resoluut voor de extensieve interpretatie van het algemeen rechtsbeginsel waarbij de klemtoon ligt op de materiële feiten in plaats van op de juridische kwalificatie. Met andere woorden, van zodra het om elementair dezelfde feiten gaat, is volgens de redenering van het Europees Hof, een tweede vervolging uitgesloten ... dat niet alle bestanddelen van de kwalificatie dezelfde zijn, is niet langer van belang. Het feit dat het opzet of bedrog deel uitmaakt van de kwalificatie van de strafrechtelijke inbreuk voor de vervolging en veroordeling voor en door de strafpleiter en dat dit aspect ontbreekt in de kwalificatie van de administratieve inbreuk voor beoordeling door de civiele rechter, betekent niet dat het non bis in idem-beginsel buiten spel kan worden gezet.

De RVA kan dus wel een administratieve sanctie opleggen aan een werkloze en het dossier voor vervolging overmaken aan de arbeidsauditeur, maar van zodra er een definitieve strafrechtelijke uitspraak is, in de zin van een veroordeling of een vrijspraak, kan de werkloze volgens de rechtspraak van het Europees Hof niet administratief meer gesanctioneerd worden.

Om dezelfde reden kan er geen vervolging voor de strafrechter meer worden ingesteld lastens de werkloze die het voorwerp was van een definitieve administratieve beslissing waarbij een administratieve sanctie werd opgelegd.

(...)

Hoewel het thans duidelijk is dat de werkloze die strafrechtelijk werd vervolgd en werd vrijgesproken of veroordeeld met een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, niet meer het voorwerp kan zijn van een administratieve sanctie die door de RVA werd opgelegd met een document C 29, toch blijft het Hof van Cassatie voorlopig hardnekkig volhouden dat het algemeen rechtsbeginsel non bis in idem niet wordt geschonden wanneer de bestanddelen van de twee inbreuken in wezen niet dezelfde zijn ... omdat het strafbaar gestelde moreel bestanddeel van beide inbreuken verschillend is.

De vraag is of het Hof van Cassatie verder de illusie in stand kan blijven houden dat bij de toepassing van het non bis in idem-beginsel de juridische werkelijkheid de feitelijke realiteit moet blijven overheersen ... want dit zou impliceren dat de kleinste afwijking in de kwalificatie van beide inbreuken, een verschillende toepassing, juridisch of feitelijk, van het non bis in idem-beginsel zou rechtvaardigen ... .

Indien geopteerd wordt voor de penale afhandeling, dan kan er overeenkomstig het non bis in idem-beginsel geen administratieve sanctie meer opgelegd worden door de R.V.A.. De administratieve beslissing waarbij de werkloze wordt uitgesloten en de wederrechtelijk genoten uitkeringen worden teruggevorderd blijft evenwel overeind onverminderd het recht van de werkloze om daartegen verhaal in te stellen".

12.1. Onder verwijzing naar de vorige motieven is het hof van oordeel dat het non bis in idem-beginsel geschonden is en dat de administratieve beslissing op grond van artikel 155 Werkloosheidsbesluit (uitsluiting van werkloosheidsuitkeringen gedurende een periode van 52 weken vanaf 10 december 2012) - dewelke ontegensprekelijk een penaal karakter heeft - in het licht van de aangehaalde rechtspraak van het EHRM als niet toelaatbaar dient te worden beschouwd.

Gelet op het voorliggend strafvonnis kan de administratieve sanctie geenszins gehandhaafd blijven, gelet op het arrest (Grote Kamer) van 10 februari 2009, Z. t Rusland, appl. n° 14939/03, aangaande de uitlegging van artikel 4 van het Zevende Protocol van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) alsook een arrest van het Grondwettelijk Hof van 18 juni 2008, nr. 91/2008 (www.const.court.be; NjW 2009, 74, noot S. De Raedt; "Het non bis in idem beginsel", alsook de geciteerde rechtsleer namelijk P. Van den Bon, "Het non bis in idem beginsel in de werkloosheid", Mercuriale 2 september 2013, onuitgegeven; Morsa, M., L'application du principe non bis ibidem en droit européen et la question du cumul successif des sanctions administrative et pénale pour des mêmes faits, J.T.T. 2013, 249-252; vergelijk ook in fiscale zaken: HvJ (Grote Kamer) nr. C-617/10, 26 februari 2013 (A /AF) Juristenkrant 2013 (weergave Conings, C.), afl. 266, 3; F.J.F. 2013, afl. 6, 567 ;http://curia.europa.eu (5 maart 2013), conclusie Cruz Villalon, P.; N.J.B. (NL) 2013 (weergave), afl. 12, 758 en http://www.njb.nl/ (29 maart 2013); N.C. 2013, afl. 5, 362 en http://www.nullumcrimen.be/ (23 oktober 2013); Pb C 20 april 2013 (dispositief), afl. 114, 7 en http://eur-lex.europa.eu (26 juni 2013); R.A.B.G. 2013, afl. 14, 987, noot Conings, C.; S.E.W. 2013 (weergave Belhadj, E., Brekhof, L., Essens, O., De Leeuw, M., Maassen, M., Verhoeven, M.), afl. 5, 224; T.B.P. 2013 (weergave Moonen, T.), afl. 9, 541; T.F.R. 2013 (weergave Panis, W.), afl. 441, 405 en http://tfrnet.larcier.be/ (23 mei 2013); T.F.R. 2013, afl. 444, 556 en http://tfrnet.larcier.be/ (9 juli 2013), noot Conings, C.

13. Het hoger beroep is gegrond. De omvang van het hoger beroep werd beperkt tot de administratieve sanctie, zodat de andere overwegingen van het bestreden vonnis alsook de beslissing onbesproken blijven.

14. De verdere argumenten van partijen, ontwikkeld in conclusies of ter zitting, en voor zover niet beantwoord in huidig arrest, worden verworpen als irrelevant, minstens ongegrond.

BESLISSING

Het arbeidshof,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond in de gestelde mate.

Hervormt het bestreden vonnis van 14 mei 2013 van de arbeidsrechtbank Hasselt gewezen onder A. R. nr. 2130005 in de volgende mate.

Zegt voor recht dat de administratieve beslissing van 6 december 2012, waarbij werd beslist om EV uit te sluiten van het recht op uitkeringen vanaf 10 december 2012 gedurende een periode van tweeënvijftig weken (artikel 155 Werkloosheidsbesluit) op dit punt dient vernietigd te worden.

Bevestigt het bestreden vonnis en de bestreden administratieve beslissing voor het overige.

Veroordeelt in toepassing van artikel 1017, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening tot de gerechtskosten.

Laat deze kosten onvereffend aan de zijde van beide partijen wegens het niet indienen van kostenopgaven.

Aldus gewezen door:

J M, kamervoorzitter,

H M, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

W M, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

en uitgesproken door de voorzitter van de vierde kamer van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, zitting houdend te Hasselt in openbare terechtzitting van 27 februari 2014 met bijstand van griffier LK.

Free keywords

  • ARBEIDSVOORZIENING

  • WERKLOOSHEID : werkloosheidsvergoeding

  • toelaatbaarheidsvoorwaarden

  • uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkeringen gedurende een periode van 52 weken

  • administratieve sanctie

  • non bis in idem