- Arrêt of April 4, 2014

04/04/2014 - 2013/CB/13

Case law

Summary

Samenvatting 1

Wanneer een werkgever en de RSZ discussie hebben over het toepasselijke paritair comité, is er geen hoogdringendheid voor maatregelen in kortgeding, wanneer de werkgever de sociale bijdragen onder voorbehoud betaalt met mogelijkheid van terugvordering en het eventueel terug te vorderen verschil niet onredelijk hoog is.


Arrêt - Integral text

RSZ, met maatschappelijke zetel te 1060 BRUSSEL, Victor Hortaplein, 11,

appellant,

vertegenwoordigd door mr. DE KERPEL Sven loco mr. DERVEAUX Pieter, advocaat te

1930 ZAVENTEM, Parklaan 54

tegen

DESMEDT BVBA,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door mr. VANDEN ABEELE Antoine, advocaat te

1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 166

***

*

Na beraad, spreekt het Arbeidshof te Brussel het hiernavolgend arrest uit:

Gelet op de stukken van rechtspleging, inzonderheid:

het voor eensluidend verklaard afschrift van de bestreden beschikking, uitgesproken op tegenspraak op 13 juni 2013 door de arbeidsrechtbank te Brussel, kortgeding kamer (A.R. 12/97/C),

het verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van dit hof op 5 augustus 2013,

de conclusies voor de appellant, neergelegd ter griffie op 18 december 2013,

de conclusie voor de geïntimeerden, neergelegd ter griffie op 29 oktober 2013 en 31 januari 2014,

de voorgelegde stukken.

***

*

De partijen hebben hun middelen en conclusies uiteengezet tijdens de openbare terechtzitting van 7 maart 2014, waarna de debatten werden gesloten, de zaak in beraad werd genomen en voor uitspraak werd gesteld op heden.

***

*

I. FEITEN EN RECHSPLEGING

1. Na fusie van de nv Desmedt en de nv Digitac, werd op 15 december 2011 de bvba Desmedt opgericht (BS 13 januari 2012) De bvba is actief bij het produceren en creëren van etiketten.

De nv Desmedt ressorteerde voor haar arbeiders onder het paritair comité 136 (papier- en kartonbewerking) en voor de bedienden onder het paritair comité 222 (bedienden papier- en kartonbewerking).

2. Naar aanleiding van de inschrijving van de bvba bij de RSZ, vroeg deze aan de inspectiediensten van de FOD WASO een onderzoek naar de activiteit van de bvba en het ressort van het paritair comité.

De algemene directie van de Dienst Collectieve Arbeidsbetrekkingen adviseerde op 9 november 2012 dat de arbeiders van de bvba ressorteerden onder het paritair comité voor het drukkerij-, grafische kunst en dagbladbedrijf nr. 130 en de bedienden onder het aanvullend nationaal paritair comité voor de bedienden nr. 218

Bij brief van 7 februari 2013 aan het sociaal secretariaat van de bvba liet RSZ weten dat, gelet op bovenvermeld advies, de bvba voor haar arbeiderspersoneel met ingang van 15 december 2011 een bijzondere bijdrage verschuldigd was voor het Speciaal Fonds voor het grafisch- en dagbladbedrijf en dat de identificatie van de onderneming zou plaatsvinden onder het prefix 036 (dienstig voor bovenvermelde paritaire comités)

3. Bij brief van 12 april 2013 van de bvba Desmedt aan de RSZ meldde de bvba dat ze deze indeling betwistte en dat ze meende te blijven ressorteren onder het paritair comité 136.

Ze deed de betalingen gevraagd in de brief van 7 februari onder voorbehoud en behield zich het recht op terugvordering voor.

4. De onderneming dagvaardde de RSZ ten gronde voor de arbeidsrechtbank te Brussel in terugbetaling van onverschuldigde sociale bijdragen omdat ze bleef voorhouden te ressorteren onder het paritair comité 136 (papier- en kartonbewerking) en voor de bedienden onder het paritair comité 222 (bedienden papier- en kartonbewerking).

Een eerste dagvaarding werd op 19 april 2013 uitgebracht namens de nv Desmedt, hoewel de motivering verwijst naar de bvba als verzoekster; een tweede dagvaarding werd op 26 juli 2013 uitgebracht namens de bvba.

5. Op 12 april 2013 dagvaardde de bvba Desmedt de RSZ voor de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Brussel, zetelend in kortgeding, en vroeg dat zou gezegd worden voor recht dat de sociale bijdragen die ze verschuldigd was, in afwachting van een uitspraak ten gronde begroot dienden te worden op basis van het paritair comité 136 voor de arbeiders en 222 voor de bedienden; dienvolgens de RSZ te veroordelen om de gehanteerde prefix hieraan aan te passen.

6. Bij beschikking van 13 juni 2013 van de voorzitter van de arbeidsrechtbank te Brussel, zetelend in kortgeding, werden de gevorderde maatregelen voorlopig opgelegd in afwachting van een eindvonnis in de procedure ten gronde en voor maximaal 24 maanden vanaf de datum van de beschikking.

De voorzitter weerhield de hoogdringendheid en wees op de voorgaande situatie, waarbij de onderneming ressorteerde onder de paritaire comités 136 en 222, terwijl uit de stukken niet bleek waarop de andere indeling gebaseerd was, nu de inspecteur die tweemaal ter plaatse kwam, ook tot de bevinding kwam dat deze indeling van toepassing bleef.

7. Bij verzoekschrift tot hoger beroep, ontvangen ter griffie van het arbeidshof te Brussel op 5 augustus 2013, tekende de RSZ hoger beroep aan en vroeg bij gebrek aan hoogdringendheid de oorspronkelijke vordering af te wijzen als niet ontvankelijk, minstens zich onbevoegd te verklaren of in elk geval de vordering ongegrond te verklaren.

II. BEOORDELING

1. Het hoger beroep werd tijdig en met een naar de vorm regelmatige akte ingesteld, zodat het ontvankelijk is. Dit wordt overigens niet betwist.

2. Art. 584 van het Ger. W. bepaalt dat de voorzitter in kortgeding, in alle gevallen die hij spoedeisend acht, bij voorraad uitspraak kan doen in alle zaken, behalve die welke de wet aan de rechterlijke macht onttrekt. De voorzitter van de arbeidsrechtbank kan dit doen in de gevallen die hij spoedeisend acht, in aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de arbeidsrechtbank behoren.

De beslissing over de juiste onderwerping van de onderneming aan de bevoegde paritaire comités, komt aan de rechter ten gronde toe, reden waarom de bvba dagvaarding voor de arbeidsrechtbank te Brussel heeft uitgebracht.

Het te vellen oordeel zal afhangen van de exacte omschrijving van de activiteit van de bvba en haar productieproces.

3. Opdat in een dergelijke aangelegenheid voorlopige maatregelen in kortgeding kunnen worden beslist, dient bij de uitspraak hoogdringendheid aanwezig te zijn. Dit wordt beoordeeld in feite door de kortgedingrechter die zich daarbij determinerend zal laten leiden door de mogelijke schade die de eiser lijdt, wanneer een beschikking in kortgeding zou uitblijven. ( J. Laenens, ‘Art. 584 Ger. W.' in X, Gerechtelijk recht, artikelsgewijze commentaar, p. 7, nr. 10)

4. In haar schrijven van 12 april 2013 aan de RSZ toont de bvba Desmedt dat ze in het kader van de betwisting de adequate voorlopige maatregelen heeft genomen door het standpunt van de RSZ uitdrukkelijk te betwisten en in afwachting voorlopig te betalen onder alle voorbehoud met mogelijkheid van terugvordering.

Uit de debatten blijkt dat het financiële verschil over een periode van 5 kwartalen beperkt is tot plus minus euro 5.000 à euro 9.000, al naargelang de berekening van de partijen.

Dit geeft maximaal minder dan euro 2.000 per kwartaal, wat voor een onderneming met 20 arbeiders en 12 bedienden een niet overdreven bedrag is.

In het kader van de beslissing ten gronde zal dan ook tussen partijen kunnen worden afgerekend, zonder dat de thans bestaande situatie leidt tot een onoverkomelijke financiële last.

De bvba Desmedt wijst tevens op de verschillende regelingen die bestaan voor economische en technische werkloosheid, zonder dat deze verschillen worden geconcretiseerd.

Hoe dan ook, voorziet art. 51 §2 van de arbeidsovereenkomstenwet in een regeling voor zover geen sectorale regeling bij KB is uitgewerkt. Hierdoor kan in alle hypotheses schorsing van de arbeidsovereenkomst wegens gebrek aan werk worden toegepast.

In die omstandigheden toont de bvba Desmedt geen hoogdringendheid aan, zodat de vordering op grond van art. 584 onontvankelijk is. De overige opgeworpen argumenten kunnen daaraan geen afbeuk doen.

Het hoger beroep is daardoor gegrond.

***

*

OM DEZE REDENEN

HET ARBEIDSHOF

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken zoals tot op heden gewijzigd, inzonderheid op artikel 24,

Recht sprekend op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond.

Vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw recht doende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering onontvankelijk wegens gebrek aan hoogdringendheid.

Veroordeelt de bvba Desmedt tot de gerechtskosten van beide aanleggen, deze aan de zijde van de RSZ begroot op:

rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg basisbedrag euro 1.320,00

rechtsplegingsvergoeding beroep basisbedrag euro 1.320,00

Aldus gewezen en ondertekend door de eerste kamer van het Arbeidshof te Brussel, samengesteld uit:

Lieven LENAERTS, kamervoorzitter,

Marcel VAN AKEN, raadsheer in sociale zaken, werkgever,

John DE DECKER, raadsheer in sociale zaken, werknemer-bediende,

bijgestaan door :

Luc COEN, waarnemend hoofdgriffier.

Lieven LENAERTS, Luc COEN,

Marcel VAN AKEN, John DE DECKER.

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van vrijdag 04 april 2014 door:

Lieven LENAERTS, kamervoorzitter,

bijgestaan door

Luc COEN, waarnemend hoofdgriffier.

Lieven LENAERTS, Luc COEN.

De heer J. De Decker, raadsheer in sociale zaken als werknemer-bediende, die bij de debatten aanwezig was en heeft deelgenomen aan het beraad, verkeert in de onmogelijkheid om het arrest te ondertekenen. Overeenkomstig artikel 785 van het Gerechtelijk Wetboek wordt het arrest ondertekend door L. Lenaerts, kamervoorzitter en M. Van Aken, raadsheer in sociale zaken als werkgever.

L.uc COEN.

Free keywords

  • RECHTSWETENSCHAP

  • RECHT

  • WETGEVING

  • GERECHTELIJK RECHT

  • Ger.W. art. 584

  • Geen hoogdringendheid.