- Ordonnance of June 29, 2011

29/06/2011 - 08-1604

Case law

Summary

Samenvatting 1

Artikel 159 van de Grondwet legt aan de rechter het verbod op om toepassing te maken van een onwettige bestuurshandeling. In dat verband volstaat het niet louter te verwijzen naar de rechtszekerheid om de legaliteit van de vergunning terzijde te schuiven.

Evenwicht tussen legaliteitsbeginsel en rechtszekerheidsbeginsel is in casu mogelijk. Als de burger weet of redelijkerwijze moet weten dat zijn vergunning onwettig is, kan hij zich niet op de rechtszekerheid beroepen. Als de burger daarentegen mag aannemen dat de hem verleende vergunning wettig is begaat hij geen fout wanneer hij deze vergunning aanwendt.

In de regel mag de burger erop vertrouwen dat de overheid niet onrechtmatig handelt door een vergunning te verlenen strijdig met de wet. Diegene welke stelt dat de vergunning onrechtmatig is draagt de bewijslast.

Inbreuken op de wet marktpraktijken situeren zich in het kader van een onrechtmatigde daad.

Inzoverre de vergunning onwettig zou zijn begaat de begunstigde in beginsel geen onrechtmatigheid bij de aanwending ervan, zolang de onwettigheid niet is vastgesteld door een onafhankelijke rechtsinstantie. Zolang de onwettigheid niet is vastgesteld van de vergunning mag de vergunninghouder deze gebruiken.

Van het bewust en vrij begaan van de onrechtmatige handeling is geen sprake wanneer de burger misleid werd door de vergunning.

Wanneer echter de vergunning kennelijk onwettig is en de vergunninghouder zulks beseft of in redelijkheid moet beseffen , begaat de vergunninghouder een fout wanneer hij deze aanwendt.


Ordonnance - Integral text

Free keywords

  • Wet markpraktijken

  • milieuvergunning

  • toetsing door de rechter