- Jugement of January 6, 2012

06/01/2012 -

Case law

Summary

Samenvatting 1

Weren van stukken uit het strafdossier - Het CLB-dossier wordt niet afgewend van het doel van de ingewonnen informatie en dient dan ook niet uit de debatten van een strafprocedure lastens de stiefvader te worden geweerd, wanneer het dossier niet werd opgesteld in het kader van een gerechtelijke procedure aangaande de persoon van het minderjarige slachtoffer doch precies is ontstaan omwille van vermeend grensoverschrijdend gedrag van de stiefvader.


Jugement - Integral text

V O N N I S

datum : 06-01-2012

De Rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement

Antwerpen, kamer 5C, rechtdoende in correctionele zaken, heeft het volgende

vonnis uitgesproken:

Notitie nummer: AN37.LB.84464-10

in zake van HET OPENBAAR MINISTERIE:

bij wie zich heeft aangesloten als burgerlijjke partij :

Y

-ter zitting vertegenwoordigd door meester M. Souidi, advocaat bij de balie

te Antwerpen.

TEGEN :

X

BETICHT VAN:

Te Antwerpen

A. meermaals, op niet nader te bepalen data, tussen 20 december 2006 en 2

december 2007

Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te

hebben op de persoon van een minderjarige, geen volle zestien jaar oud,

namelijk Y;

de schuldige behorende tot degenen die over het slachtoffer gezag hebben,

namelijk de stiefvader;

B. meermaals, op niet nader te bepalen data, tussen 1 december 2007 en 22

november 2009

Aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd te hebben

op de persoon van een minderjarige boven de volle leeftijd van zestien jaar,

namelijk Y;

de schuldige behorende tot degenen die over het slachtoffer gezag hebben,

namelijk de stiefvader;

oOOo

Gezien de stukken van het onderzoek;

Gehoord de burgerlijke partij in haar middelen en besluiten, ontwikkeld

door meester M. Souidi, advocaat;

Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn vordering;

Gehoord de beklaagde in zijn middelen van verdediging, bijgestaan door

meester C. Teurelinckx, advocaat bij de balie te Antwerpen en tevens bijge¬

staan door de tolk in de Arabische taal dewelke de door de wet vereiste eed

heeft afgelegd;

oOOo

1.Procedurieel :

Beklaagde wordt vervolgd voor feiten van aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging.

Beklaagde werd voor de rechtbank gedagvaard bij rechtstreekse dagvaarding van 29-06-2011, zonder dat er verzachtende omstandigheden werden voorzien in de dagvaarding.

Bij toepassing van art. 9 van de Wet houdende diverse bepalingen (B.S., 16 juni 2008), waarbij art. 3 van de Wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden wordt aangevuld en bij toepassing van art. 2 van dezelfde wet, neemt de rechtbank als verzachtende omstandigheid aan het feit dat beklaagde nooit eerder veroordeeld werd tot criminele straffen.

2. verzoek tot het weren van stukken uit de debatten

Beklaagde stelt dat de strafvordering onontvankelijk is gelet op de voeging van het dossier van het Centrum voor Leerlingenbegeleiding Antwerpen, neergelegd als OS .... Minstens vraagt hij om het dossier van het CLB Antwerpen uit de debatten te weren, naar analogie van de maatschappelijke verslagen over de persoonlijkheid of leefsituatie van een minderjarige

die op basis van artikel 50 van de wet op de jeugdbescherming worden opgesteld in opdracht van de jeugdrechtbank in het kader van een jeugdbeschermingsdossier, en die ook niet mogen aangewend worden in een andere procedure dan deze waarin zij zijn bevolen of voor andere doeleinden dan deze waarvoor zij werden opgemaakt.

Beklaagde legt kopie van een uittreksel van een arrest van het Hof van Cassatie van 20 oktober 2010 neer waarin dit principe wordt doorgetrokken naar alle onderzoeken die de persoonlijkheid en het leefmilieu van een minderjarige betreffen en die zijn opgesteld in het kader van elke andere procedure waarbij maatregelen worden genomen aangaande de persoon van de minderjarige.

De rechtbank is van oordeel dat de voeging van het betrokken dossier in de loop van het onderzoek niet leidt tot de onontvankelijkheid van de strafvordering. De onontvankelijkheid wordt door beklaagde ingeroepen doch wordt geenszins concreet gemotiveerd.

Wat het verzoek tot weren van het betreffende dossier van het CLB uit het strafdossier betreft, stelt de rechtbank vast dat dit dossier niet werd opgesteld in het kader van één of andere gerechtelijke procedure aangaande de persoon van het slachtoffer.

De rechtbank merkt tevens op dat de consulente van het CLB gelast met de

opvolging van het slachtoffer, zich geenszins heeft beroepen op het beroepsgeheim doch, na overleg met het slachtoffer, een verklaring heeft afgelegd en het volledige dossier ter beschikking heeft gesteld van de onderzoekers. Het slachtoffer werd trouwens door het CLB precies opgevolgd omwille van de moeilijke thuissituatie en met name het vermeende grensoverschrijdend gedrag door de stiefvader, huidig beklaagde.

Rekening houdend met deze elementen is de rechtbank van oordeel dat het

aanwenden van het CLB-dossier in huidige procedure noch de goede werking van de hulpverlening noch de correcte informatieverstrekking aan de gerechtelijke overheden die zich moet buigen over de persoon van een minderjarige, in het gedrang kan brengen. Er is op generlei wijze sprake van een afwending van het doel van de ingewonnen informatie.

De in het dossier gevoegde stukken van het CLB zullen niet uit de debatten worden geweerd.

3. ten gronde

Slachtoffer doet op 22 juni 2010 aangifte van ongewenste aanrakingen door haar stiefvader, beklaagde. Moeder van het slachtoffer bevestigt dat het slachtoffer haar kort voor de aangifte heeft ingelicht over de feiten; zij is duidelijk overtuigd van de geloofwaardigheid van haar dochter.

Uit de verklaring van de CLB-medewerkster, ..., blijkt dat het slachtoffer haar voor het eerst heeft gesproken over ongewenste aanrakingen door de stiefvader tijdens het schooljaar 2007-2008. Ingevolge deze gesprekken werd ook het vertrouwenartsencentrum gecontacteerd. Tevens blijkt dat het slachtoffer uitdrukkelijk heeft gevraagd geen klacht in te dienen

tegen beklaagde.

Beklaagde ontkent de aanrakingen en houdt voor dat slachtoffer en haar moeder onder één hoedje spelen en dat de beschuldigingen kaderen in de relatieproblemen tussen beklaagde en de moeder van het slachtoffer. Hij stelt dat zij hem in een slecht daglicht willen stellen met het oog op een voor de moeder gunstige regeling voor haar zoontje met beklaagde.

Aangezien het slachtoffer reeds in het schooljaar 2007-2008 haar beklag heeft gedaan bij het CLB over de gedragingen van beklaagde en uitdrukkelijk niet wenste dat de politie werd ingeschakeld, komt deze complottheorie van beklaagde weinig geloofwaardig over. Het is niet abnormaal dat het slachtoffer heeft gewacht om haar moeder in te lichten en aangifte te doen van de feiten tot op het ogenblik dat er relatieproblemen waren. Zoals blijkt uit de

elementen van het dossier was het slachtoffer voordien angstig om haar moeder te kwetsen en voor de gevolgen van het publiek maken van de feiten waarvan zij slachtoffer was.

Daarnaast is er nog het door het slachtoffer opgenomen gesprek tussen haar en beklaagde. Hierin put beklaagde zich uit in excuses voor zijn gedrag ten aanzien van het slachtoffer. Uit de context van het gesprek blijkt duidelijk dat hiermee wordt gedoeld op de ongewenste intimiteiten die hem thans ten laste worden gelegd. Beklaagde ontkent ter zitting niet dat het gesprek heeft plaatsgehad, doch geeft aan dat hij het slachtoffer niet goed had begrepen,

daar zij andere talen spreken. Aangezien beklaagde en slachtoffer reeds 9 jaar deel uitmaakten van hetzelfde gezin en bovendien duidelijk blijkt uit het dossier dat beklaagde zich wel degelijk inliet met de opvoeding van het slachtoffer en haar regels oplegde, is het volstrekt ongeloofwaardig dat zij door een taalprobleem niet met elkaar kunnen communiceren.

Rekening houdend met hoger vermelde elementen, acht de rechtbank de feiten bewezen.

De feiten zijn bijzonder verwerpelijk en geven blijk van een gebrek aan respect van beklaagde voor de integriteit van zijn stiefdochter. Beklaagde raakt zijn stiefdochter op intieme plaatsen aan en verplicht haar hem te masturberen. Dergelijke feiten maken van een thuis dat een veilige haven moet zijn voor alle leden van het gezin, een plaats waar angst regeert. De daden van beklaagde en de lange periode binnen dewelke deze herhaaldelijk hebben plaatsgevonden, hebben zonder twijfel een enorme impact op de levenskwaliteit van het slachtoffer en hebben een hypotheek gelegd op haar ontwikkeling naar een relatiebekwame en gelukkige volwassene.

Beklaagde dient dan ook een duidelijk signaal te krijgen dat zijn daden ontoelaatbaar zijn en dat hem ertoe aanzet zich van nieuwe feiten te onthouden.

Het opleggen van voorwaarden lijkt weinig zinvol, gelet op de volgehouden ontkenning van de feiten door beklaagde.

Bij het bepalen van de strafmaat wordt nog rekening gehouden met de afwezigheid van voorgaande veroordelingen in hoofde van beklaagde in België.

De feiten werden gepleegd met eenzelfde strafbaar opzet.

Burgerlijk

Het bestaan van schade in hoofde van de burgerlijke partij in oorzakelijk ver band met de in hoofde van beklaagde bewezen feiten staat vast op grond van de gegevens van het dossier.

De hoegrootheid van de gevorderde vergoeding voor morele schade wordt, gelet op de duur van de feiten en de omstandigheden, in billijkheid begroot op 4500 euro.

De gevorderde vergoeding voor administratiekosten kan worden toegekend.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gelet op de artikelen 162, 162bis, 185, 194, 195 en 282 van het Wetboek van

Strafvordering,

artikelen 1, 3, 7 van het Strafwetboek,

artikelen 11, 12, 14, 31, 32, 34, 35, 36, 37 en 41 der wet van 15 juni 1935,

gewijzigd door de wet van 3 mei 2003;

de verordeningen van de Raad van de ministers nr. 974/98 dd. 3/5/1998 en

nr. 1103/97 dd. 17/6/1997 en de wetten van 26/06/2000 en 30/06/2000

betreffende de invoering van de euro,

artikelen 28, 29 der wet van 1 augustus 1985,

artikelen 3 en 4 der wet van 17 april 1878,

artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek,

artikelen 44 en 45 van het Strafwetboek,

en bij toepassing van de artikelen 25, 65, 66, 79, 80, 373 en 377 lid 4 van het

Strafwetboek

Rechtdoende op tegenspraak

Neemt verzachtende omstandigheden aan overeenkomstig art. 2 en 3 van de

Wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden.

VEROORDEELT beklaagde hoofdens de vermengde feiten A en B tot een

gevangenisstraf van DRIE JAAR.

Aangezien veroordeelde vroeger geen enkele veroordeling tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden heeft opgelopen;

dat in die omstandigheden een gunstmaatregel van aard is om de verbetering van deze veroordeelde te doen verhopen;

Beveelt dat bij toepassing en binnen de perken van artikel 8 der wet van 29 juni 1964, gewijzigd door artikel 4 van de wet van 10 februari 1994, de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf uitgesproken ten laste van veroordeelde, wordt uitgesteld voor een termijn van vijf jaar vanaf heden.

Verplicht veroordeelde, als bijdrage voor de financiering van het Fonds tot

hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele

redders, tot het betalen van een bijdrage van 25 EUR, bij toepassing van artikel

1 van de wet van 5 maart 1952, gewijzigd door de wet van 28/12/2011,

vermeerderd met 50 decimes, en gebracht op 150 EUR.

Verplicht veroordeelde tot betaling van de kosten van het geding belopende

28,02 EUR en, bij toepassing van artikel 91 van het Koninklijk besluit van

28 december 1950 , tot een vergoeding van 31,28 EUR.

Rechtdoende over de vordering van de burgerlijke partij:

Verklaart de eis ontvankelijk en gegrond in de volgende mate:

Veroordeelt beklaagde om aan de burgerlijke partij te betalen, als schadevergoeding, de som van VIERDUIZEND ZESHONDERDVIJFENTWINTIG EUR (4.625 euro) te vermeerderen met de vergoedende intresten vanaf 6 juni 2008 tot op heden, en vanaf heden met de gerechtelijke intresten en de kosten waaronder een rechtplegingsvergoeding van 715 euro.

Wijst het meer en anders gevorderde af.

oOOo

Alles wat voorafgaat is, overeenkomstig de bepalingen der wet van 15 juni

1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in de Nederlandse taal

geschied.

Aldus gewezen door de hiernavermelde rechters die de zaak behandeld heb¬

ben en aan de beraadslaging hebben deelgenomen, en uitgesproken in open¬

bare terechtzitting door de Voorzitter op zes januari tweeduizend en

twaalf in aanwezigheid van het Openbaar Ministerie en de griffier.

F. Nackaerts, voorzitter van de kamer, rechter,

E. Van Dooren, toegevoegd rechter,

A. Braccio, toegevoegd rechter,

substituut-procureur des konings,

J. Soete, griffier.

J. Soete A. Braccio E. Van Dooren F. Nackaerts

Free keywords

  • Weren van stukken over de persoonlijkheid en het leefmilieu van het minderjarige slachtoffer uit het strafdossier

  • CLB-dossier niet opgesteld in een gerechtelijk procedure

  • dient niet te worden geweerd