- Jugement of September 4, 2013

04/09/2013 - ME60.F1.101821-11

Case law

Summary

Samenvatting 1

Het aanvankelijk proces-verbaal bevat zeer veel nauwkeurige informatie, waarvan de herkomst niet kan worden gecontroleerd. Teneinde uitsluitsel te hebben omtrent de herkomst van deze informatie, werd de opsteller van voormeld proces-verbaal met het oog op getuigenverhoor opgeroepen ter zitting.

De opsteller verscheen ter zitting en verklaarde onder ede dat alle vermelde informatie verkregen werd uit informantenwerking.

Het feit dat het gerechtelijk onderzoek start naar aanleiding van "bekomen informatie", maakt geen schending uit van art. 6.1 of art. 6.3 van het EVRM, noch van het recht op tegenspraak.

Inlichtingen hebben als zodanig geen bewijswaarde, maar leveren informatie op die kan leiden tot het ontdekken of verkrijgen van bewijselementen. De rechtbank kan bij haar oordeelvorming geenszins de inlichtingen als bewijselement in aanmerking nemen.

De onderzoeksrechter schreef op een bevelschrift conform artikel 88bis SV uit voor het uitvoeren van een retro op bepaalde GSM-nummers. De telefoonoperator heeft meer informatie verstrekt dan gevraagd.

Deze informatie dient als onrechtmatig verkregen bewijs beschouwd te worden.

Na toetsing van de Antigooncriteria blijkt er geen reden om de zendmastbepalingen en IMEI-nummers, die buiten de beschikking van de onderzoeksrechter zijn verkregen, uit te sluiten.


Jugement - Integral text

De Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, negende kamer, rechtspre-kend in correctionele zaken, wijst het volgende vonnis :

Inzake van het Openbaar Ministerie

tegen :

1. B. N.,

- Bijgestaan door Mr. W. Van Steenbrugge, advocaat, kantoorhoudende te 9820 Merelbeke, Jozef Hebbelynckstraat 2

2. De zich noemende E. J.,

- Niet aanwezig

3. T. M.,

- Bijgestaan door Mr. T. Smet loco Mr. V. Van Aelst, advocaat, kantoor-houdende te 2000 Antwerpen, Amerikalei 29

4. E. S.,

- Bijgestaan door Mr. F. Thiebaut, advocaat, kantoorhoudende te 2800 Mechelen, F. De Merodestraat 6

5. E. I.,

- Bijgestaan door Mr. T. Smet loco Mr. K. Van der Straeten, advocaat, kantoorhoudende te 9200 Gent, Justitieplein 5 bus 1

naar deze Rechtbank verwezen door bevel van de Raadkamer.

VERDACHT VAN :

a) Om de misdaad of het wanbedrijf uitgevoerd te hebben of om aan de uit-voering ervan rechtstreeks medegewerkt te hebben

b) Om, door enige daad, tot de uitvoering zodanige hulp verleend te hebben dat zonder zijn bijstand het misdrijf niet kon gepleegd worden

c) Om, door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, dit misdrijf rechtstreeks uitgelokt te hebben

d) Om, hetzij door woorden in openbare bijeenkomsten of plaatsen gespro-ken, hetzij door enigerlei geschrift, drukwerk, prent of -zinnebeeld, aange-plakt, rondgedeeld of verkocht, te koop geboden of openlijk tentoongesteld, het feit rechtstreeks uitgelokt te hebben

Te Mechelen en bij samenhang te Antwerpen in het gerechtelijk arron-dissement Antwerpen en bij samenhang te Brussel in het gerechtelijk arrondissement Brussel en bij samenhang elders in het Rijk, tussen 1 januari 2011 en 23 november 2011, meermaals op niet nader bepaalde data, laatst op 22 november 2011,

A. De eerste

Bij inbreuk op de artikelen 1, 2, 11, 26 bis en 28 van het K.B. van 31 de-cember 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies, genomen in uitvoering van artikel 1 en strafbaar gesteld bij art. 2 bis, 4, 6 en 9 van de wet van 24 februari 1921, gewijzigd bij de wetten van 11 maart 1958 en 9 juli 1975, 1 juli 1976, 14 juli 1994, 4 april 2003 en 3 mei 2003, betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, de hiernavermelde verdovingsmiddelen onder bezwarende titel of om niet vervaardigd, in bezit gehad, verkocht of te koop gesteld, afgeleverd of aangeschaft te hebben, en dit buiten elke aankoop of bezit krachtens geneeskundige voorschrift, namelijk:

- een niet nader bepaalde hoeveelheid cocainum, minstens 350 gram per week

met de omstandigheid dat het misdrijf een daad is van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, in de hoedanigheid van leidend persoon.

B. De tweede, de derde, de vierde en de vijfde,

Bij inbreuk op de artikelen 1, 2, 11, 26 bis en 28 van het K.B. van 31 de-cember 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies, genomen in uitvoering van artikel 1 en strafbaar gesteld bij art. 2 bis, 4, 6 en 9 van de wet van 24 februari 1921, gewijzigd bij de wetten van 11 maart 1958 en 9 juli 1975, 1 juli 1976, 14 juli 1994, 4 april 2003 en 3 mei 2003, betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, ontsmettingsstoffen en antiseptica, en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen, zonder voorafgaande vergunning van de Minister van Volksgezondheid, de hiernavermelde verdovingsmiddelen onder bezwarende titel of om niet vervaardigd, in bezit gehad, verkocht of te koop gesteld, afgeleverd of aangeschaft te hebben, en dit buiten elke aankoop of bezit krachtens geneeskundige voorschrift, namelijk:

- een niet nader bepaalde hoeveelheid cocainum, minstens 350 gram per week

met de omstandigheid dat het misdrijf een daad is van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging

Gelet op de processtukken.

Gelet op de beschikking van de raadkamer dd. 29 mei 2012 waarbij ver-zachtende omstandigheden werden aangenomen voor de feiten waarop criminele straffen zijn gesteld en de beklaagde naar deze rechtbank werd verzonden.

Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn vordering.

Gehoord de 1ste , 3de , 4de en 5de beklaagden in hun middelen van verdedi-ging.

Overwegende dat de 2de beklaagde, alhoewel regelmatig gedagvaard, niet verschijnt.

BEOORDELING OP STRAFGEBIED

Beklaagden worden vervolgd voor de deelname aan een vereniging die zich bezig hield met handel in cocaïne te Mechelen en bij samenhang te Antwerpen, te Brussel en elders in het Rijk, tussen 1 januari 2011 en 23 november 2011.

• 1. Procedure

De verdediging werpt een heel aantal procedurele kwesties op, welke hier-na worden onderzocht. Vaak wordt hierbij uitgegaan van een wantrouwen ten aanzien van de onderzoeksrechter en de politiediensten gestoeld op de niet onderbouwde premisse dat de onderzoeksrechter en de onderzoekers malafide, of minstens onkundig zouden handelen. Tot het bewijs van het tegendeel, gaat de rechtbank uit van de goede trouw en onderlegdheid van magistraten en politieambtenaren.

Dit betekent niet dat er in de loop van het onderzoek geen fouten kunnen gemaakt worden, die terdege onderzocht dienen te worden en waaraan desgevallend consequenties voor de bewijsvoering en / of strafvervolging gekoppeld dienen te worden. De verdediging werpt op dat de vermeende fouten stuk voor stuk tot onontvankelijkheid, nietigheid en / of verval van de strafvordering leiden. De rechtbank beoordeelt elk van deze bezwaren in het licht van de ter zake geldende wetgeving en desgevallend de Antigoonrechtspraak.

1.1. Herkomst informatie vervat in het aanvankelijk proces-verbaal

Eerste beklaagde, derde beklaagde, vierde beklaagde en vijfde beklaagde werpen op dat het aanvankelijk proces-verbaal ME.60.F1.101812/2011 dd. 1 april 2011 zeer veel nauwkeurige informatie bevat, waarvan de herkomst niet kan worden gecontroleerd. Zij suggereren dat de veelheid en de gede-tailleerdheid van de informatie proactieve recherche doet vermoeden. Ten-einde uitsluitsel te hebben omtrent de herkomst van deze informatie werd het openbaar ministerie bij vonnis van deze rechtbank van 3 april 2013 ver-zocht om de opsteller van voormeld proces-verbaal, de heer J. V. G., ge-rechtelijk commissaris, officier van gerechtelijke politie met het oog op ge-tuigenverhoor op te roepen ter zitting van 8 mei 2013.

De heer V. G. verscheen ter zitting van 8 mei 2013 en verklaarde onder ede dat alle vermelde informatie verkregen werd uit informantenwerking.

De rechtbank is, in tegenstelling tot hetgeen door de verdediging wordt ge-suggereerd, van oordeel dat de verklaring die door een politieambtenaar onder ede wordt afgelegd, als waarheid dient te worden aanvaard tot het bewijs van het tegendeel wordt geleverd. Vermits de informatie werd ont-vangen en verwerkt door de informantenbeheerder en de adjunct-informantenbeheerder van de federale gerechtelijke politie, onder toezicht van de BOM-magistraat, bestaat er geen reden om te twijfelen aan de des-kundigheid en onderlegdheid inzake BOM-materie van de betrokken verbalisanten.

Derhalve gaat de rechtbank ervan uit dat de informatie, zoals opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal ME.60.F1.101812/2011 verkregen werd binnen het wettelijk kader van de informantenwerking (artikel 47 decies SV), minstens ligt geen enkel element voor waaruit zou blijken dat dat niet zo is.

Het Grondwettelijk Hof heeft overigens gesteld dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen het vertrouwelijk dossier aangaande de informan-ten enerzijds, en dit voor de observatie en de infiltratie anderzijds. Het ver-trouwelijk dossier in verband met de informanten heeft niet dezelfde draag-wijdte, noch dezelfde inhoud als het vertrouwelijk dossier in verband met de aanwending van een observatie of een infiltratie. Het bevat in principe geen bewijsstukken en is van essentieel belang om de anonimiteit en dus de veiligheid van de informanten te vrijwaren (cfr. Arrest 202/2004 van het Grondwettelijk Hof van 21 december 2004).

Aangenomen wordt dat wanneer "informatie" over nog te plegen feiten als dusdanig concreet is dat die feiten een in de tijd en ruimte bepaalbaar mis-drijf gaan vormen, er geen sprake is van de in §2 van artikel 28 bis Sv. be-doelde gegevensverwerking maar wel van de verplichting tot het opstellen van een proces-verbaal overeenkomstig de wet op het politieambt, met het oog op het vatten van de daders en het verzamelen van de bewijzen. In dit opzicht worden deze "ontvangen inlichtingen" geacht geen proactieve re-cherche te vormen (cfr. R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering , Antwerpen, 2007, nr. 479).

De rechtbank benadrukt dat de informatie die werd bekomen en samenge-bracht in het aanvankelijk proces-verbaal enkel aanwijzingen, inlichtingen zijn en hoedanook geen bewijzen uitmaken. De informatie in het aanvankelijk proces-verbaal geldt enkel als "inlichtingen". Deze informatie zal dienen geobjectiveerd te worden lopende het onderzoek, reden waarom het ambt van de procureur des Konings, overeenkomstig artikel 28 septies SV. is overgegaan tot het vorderen van een retro.

Wat de eventuele betrouwbaarheid van de informatie uit het aanvankelijk proces-verbaal betreft, alsook de verenigbaarheid van het gebruik ervan met het recht op een eerlijk proces, dient er op gewezen te worden dat de inlichtingen in principe niet als bewijs gebruikt worden. Een inlichting afkomstig van een anonieme bron kan wel leiden tot het opstarten van een strafonderzoek waarin bewijselementen zullen worden verzameld, en kan aan de politieambtenaren en onderzoeksmagistraten de kans bieden om hun onderzoek te oriënteren of zelf verdere bewijsmiddelen te zoeken. Een inlichting afkomstig van een anonieme bron kan ook een ernstige aanwijzing uitmaken waarop de inzet van bijzondere opsporingsmethoden, zoals een observatie of infiltratie, kan worden bevolen. Dergelijke inlichtingen kunnen echter nooit de status van bewijs verwerven waarop de rechter steunt om tot een schuldigverklaring te komen. (o.a. BERKMOES, H. en DELMULLE, J., De bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden, Brussel, Uitgeverij Politeia, 2009, 638-639)

Het feit dat het gerechtelijk onderzoek start naar aanleiding van "bekomen informatie", maakt geen schending uit van art. 6.1 of art. 6.3 van het Euro-pees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de funda-mentele vrijheden (hierna "EVRM" genoemd), noch van het recht op tegen-spraak.

Inlichtingen hebben als zodanig geen bewijswaarde, maar leveren informatie op die kan leiden tot het ontdekken of verkrijgen van bewijselementen. Het is een aanzet voor het openbaar ministerie om onderzoek te voeren en autonoom bewijs te garen. (o.a. VANNESTE, F., "Informantenwerking en start van het strafonderzoek" (noot onder Antwerpen 29 juni 2004), R.W. 2006-07, 1011-1013)

De rechtbank kan aldus bij haar oordeelvorming geenszins de inlichtingen in kwestie als bewijselement in aanmerking nemen.

De beklaagden hebben kennis kunnen nemen van de in dit dossier voorliggende bewijselementen waarop de rechtbank haar oordeelvorming wel mag steunen, met name de resultaten van de toegepaste observaties, de bijzondere afluistertechniek de zoekingen in voertuigen en de huiszoekingen, en zij hebben ter zake zowel voor de onderzoeksgerechten als voor de bodemrechter tegenspraak en een adequaat verweer kunnen voeren.

Er bestaat derhalve geen aanleiding om de strafvordering op deze grond onontvankelijk te verklaren.

1.2.Beschikking conform artikel 88bis SV voor de retro op IMEI- num-

mer 35539004570100(0)

1.2.1.

Op 22 april 2011 vorderde het openbaar ministerie bij wijze van mini-instructie dat de onderzoeksrechter bij toepassing van artikel 88bis SV een retro zou voeren op de nummers 0491/548009 en 0497/832605 voor de pe-riode van 1 maart 2011 tot en met 22 april 2011. De vordering werd door het openbaar ministerie als volgt geformuleerd:

"bij de bevoegde operatoren een overzicht op te vragen van alle inkomende en uitgaande gesprekken evenals alle SMS-verkeer op de oproepnummers 0491/548009 en 0497/832605 met telkens vermelding van de identiteit van de medecorrespondent, en dit voor de periode van 01/03/2011 tot en met heden, ..." (algemeen dossier - stuk 9).

De onderzoeksrechter schreef op 28 april 2011 hiertoe een bevelschrift conform artikel 88bis SV. uit:

"Over te gaan tot het geven van een retro-actieve lijst van alle inkomende en uitgaande oproepen evenals alle SMS-verkeer, alsmede de houders ervan te identificeren, met identificatie van de oproeper en de opgeroepene van de hiernavermelde GSM-nummers tussen de hierna vermelde tijdstippen, namelijk voor de nummers 0491/54.80.09 en 0497/83.26.05 en dit voor de periode tussen 01/03/2011 en 22/04/2011" (algemeen dossier - stuk 10).

In het navolgend proces-verbaal 102488/2011 van 10 mei 2011 werd in uit-voering van voormeld bevelschrift een overzicht gegeven van de resultaten van het gevoerde telefonie-onderzoek. Hierbij werd voor de beide telefoon-nummers naast de gevraagde lijst van alle inkomende en uitgaande oproe-pen evenals alle SMS-verkeer met identificatie, ook medegedeeld onder welke mast het toestel het meest vertoefde en werd eveneens melding ge-maakt van een IMEI-nummer 35539004570100 dat aan beide telefoon-nummers was gekoppeld geweest (algemeen dossier - stukken 14-18).

Op 17 mei 2011 nam de onderzoeksrechter een beschikking tot verderzet-ting van het gehele onderzoek overeenkomstig artikel 28 septies SV (alge-meen dossier - stuk 19).

1.2.2.

Derde beklaagde insinueert dat er door de onderzoeksrechter of door de politiediensten mogelijks bijkomend mondeling uitbreiding werd gegeven aan het schriftelijk bevelschrift, doch dat hiervan geen enkel geschrift in het dossier werd teruggevonden. Derde beklaagde zet zijn redenering verder en stelt dat de onderzoeksrechter alzo de saisine van de mini-instructie van de procureur des Konings te buiten ging en op basis van de informatie die hij buiten saisine ontving, besliste om het dossier naar zich toe te trekken en bovendien alle verdere telefonie-onderzoek verder bouw-de op het IMEI-nummer 35539004570100. Vermits aldus de auto-saisine en het gehele onderzoek zouden gebaseerd zijn op een onrechtmatig uitbreiding van de saisine, acht derde beklaagde het gehele onderzoek nietig.

De rechtbank stelt vast dat zendmastbepaling en het IMEI-nummer 35539004570100, niet waren inbegrepen in het bevelschrift van de onder-zoeksrechter dd. 28 april 2011 en toch werden medegedeeld door de tele-foonoperator. Er is echter geen enkele reden voorhanden om aan te nemen dat de onderzoeksrechter (of de politiediensten) daartoe mondeling de opdracht zouden hebben gegeven. Er kan ter zake enkel worden vastgesteld dat de telefoonoperator meer informatie heeft verstrekt dan gevraagd. De rechtbank volgt de verdediging derhalve niet in haar veronderstelling als zou er een mondelinge opdracht geweest zijn en meent dat de daaropvolgende deducties, die leiden tot de nietigheid van het strafonderzoek, ongegrond zijn.

Vooreerst is het bevelschrift dat de onderzoeksrechter op 28 april 2011 af-leverde (algemeen dossier - stuk 12), geheel in overeenstemming met en valt het binnen de saisine van de vordering van de procureur des Konings dd. 22 april 2011. Dat Mobistar meer informatie verstrekt dan gevraagd, geeft geen aanleiding om het bevelschrift nietig te verklaren.

De onregelmatigheid van de uitvoering van de beschikking van de onder-zoeksrechter heeft geen invloed op de regelmatigheid van de beschikking zelf (zie ook Cass., 19 juni 2007,www.juridat.be).

Evenmin is er enige reden voorhanden om de beschikking tot voortzetting van het gehele onderzoek dd. 17 mei 2011 in twijfel te trekken, daar de on-derzoeksrechter zijn evocatierecht volledig correct uitoefende.

1.2.3.

Vermits de gegevens omtrent de zendmastbepaling en het IMEI-nummer informatie betreft, die niet in het bevelschrift waren opgenomen, dient deze informatie echter wel als onrechtmatig verkregen bewijs beschouwd te wor-den. De rechtbank stelt ook vast dat het onrechtmatig verkregen IMEI-nummer 35539004570100 inderdaad aan de basis ligt van het verder tele-fonieonderzoek en ook terugkeert in de motivering van de opeenvolgende bevelschriften die de onderzoeksrechter uitschreef.

De vraag stelt zich derhalve of dit onrechtmatig verkregen bewijs mocht worden aangewend. Het komt de rechtbank toe in concreto na te gaan of voormelde onregelmatigheid een obstakel vormt voor een eerlijk proces en de belangen van de beklaagden. Aldus dient te worden nagegaan of het vergaarde bewijsmateriaal in het licht van de Antigoonrechtspraak en -criteria wel bij de beoordeling in aanmerking mag worden genomen (zie ondermeer Cass., 14 oktober 2003, P.03.0672.N, www.juridat.be).

1° Antigooncriterium: niet-naleving van een op straffe van nietigheid voor-geschreven vormvoorschrift

De rechtbank stelt vooreerst vast dat in casu geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften werden geschonden, zodat op deze grond niet tot de nietigheid dient te worden besloten.

Aangezien de vormvereisten van artikel 88bis Sv. niet op straffe van nietig-heid zijn voorgeschreven, dient de rechter na te gaan of het gebruik van lijsten bekomen na een onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs aantast en afbreuk doet aan de vereiste van een eerlijk proces. Onregelmatigheden leiden dus niet automatisch tot uitsluiting van bewijsstukken (zie ook Cass., 14 oktober 2003, www.cass.be, Cass., 23 maart 2004, www.cass.be).

2° Antigooncriterium: is de betrouwbaarheid van het bewijs aangetast ?

Het onregelmatig vergaarde bewijs betreft louter technische gegevens (zendmastbepaling en een IMEI-nummer) die door een telefoonoperator werden verstrekt. Er is echter geen enkele reden om manipulatie van de verstrekte gegevens te veronderstellen. Derhalve heeft de begane onregel-matigheid de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs niet aangetast.

3° Antigooncriterium: is het gebruik van het onrechtmatig bewijs strijdig met het recht op een eerlijk proces?

De rechtbank dient te evalueren of het gebruik van het onrechtmatig bewijs strijdig is met het recht op een eerlijk proces. Ter beoordeling van onderha-vig criterium dienen alle elementen van de zaak in haar geheel in ogen-schouw genomen te worden, inbegrepen de manier waarop het bewijs is verkregen en ook de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan. Daarbij kunnen beperkingen in een bepaalde fase van het onderzoek worden gecompenseerd of hersteld door waarborgen in een latere fase (bv. ten tijde van de openbare terechtzitting).

Het staat de rechter vrij de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen be-wijs dat de wet niet uitdrukkelijk uitsluit, te beoordelen in het licht van de ar-tikelen 6, E.V.R.M. en 14, I.V.B.P.R., rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het be-wijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan; hij kan bij dit oordeel, onder meer, één of het geheel van vol-gende omstandigheden in afweging nemen: hetzij dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast, al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft begaan (1), hetzij dat de ernst van het misdrijf veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt (2), hetzij dat het onrechtmatig verkregen bewijs alleen een materieel element van het bestaan van het misdrijf betreft (zie onder meer Cass. 31 oktober 2006, www.juridat.be).

(1) In dat verband stelt de rechtbank vooreerst vast dat de onregelmatigheid bij de telefoonoperator gebeurde. Er zijn echter geen indicaties dat deze onregelmatigheid opzettelijk zou zijn begaan en bovendien is de onregelmatigheid ook niet begaan door de overheid die met de opsporing is gelast.

Eerste beklaagde werpt in dat verband op dat de verbalisanten wel een misdrijf zouden hebben begaan door op hun beurt de onrechtmatig verkre-gen gegevens in een proces-verbaal te verwerken, vermits het kenbaar ma-ken van informatie, identificatie of gegevens die met of zonder opzet werden verkregen, een misdrijf uitmaakt in de zin van artikel 124 van de wet betreffende de elektronische communicatie.

Het onrechtmatig karakter van het bewijs, vloeit in casu voort uit het feit dat de telefoonoperator meer informatie heeft verstrekt dan hetgeen voorzien was in de beschikking die door de onderzoeksrechter werd uitgeschreven. De onregelmatigheid bestaat er dus in dat er hiervoor geen dekking is door een beschikking van de onderzoeksrechter. Of het kenbaar maken van het onrechtmatig verkregen bewijs door de politieambtenaren, nog bijkomend een misdrijf zou uitmaken, is derhalve niet ter zake dienend daar de on-rechtmatigheid op niveau van de telefoonoperator werd begaan.

Bovendien blijkt uit het dossier niet dat de verbalisanten zich ervan bewust waren dat de operator meer gegevens meedeelde dan gevraagd, zodat er in hunnen hoofde geen opzet kan weerhouden worden, hetgeen niet vereist is voor toepassing van artikel 124 van de wet betreffende de elektronische communicatie, doch wel in het kader van de Antigoonrechtspraak vereist is om tot de uitsluiting van bewijs te leiden.

(2) Om na te gaan of er sprake is van de schending van het recht op een eerlijk proces dient de rechtbank eveneens een belangenafweging te ma-ken. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het misdrijf (doorgedre-ven cocaïnehandel in het kader van een bende met een aanzienlijk vermo-gensvoordeel) de ernst van de begane onregelmatigheid ruimschoots over-stijgt.

Tot slot is er geen sprake van enige belangenschade in hoofde van de be-klaagden daar zij zowel voor de onderzoeksgerechten als ten gronde in de gelegenheid werden gesteld om de onrechtmatig verkregen gegevens, zijn-de de zendmastbepaling en het IMEI-nummer te weerleggen. Die gelegen-heid namen zij te baat voor wat het IMEI-nummer 35539004570100(0) be-treft en hun argumenten hieromtrent worden onder het randnummer 1.4 beoordeeld.

Aldus komt de rechtbank tot het besluit dat er in het licht van de Antigoon-rechtspraak geen reden voorhanden is om zendmastbepalingen en IMEI-nummers, die buiten de beschikking van de onderzoeksrechter zijn verkre-gen, uit te sluiten. Aldus konden deze gegevens ten volle gebruikt worden in het verdere onderzoek en zijn de latere beschikkingen inzake telefonie en tapbeschikkingen, waarbij in de motivering onder meer naar de voormelde zendmastbepaling en het IMEI-nummer wordt verwezen, geenszins nietig. De verdere gegevens die uit voormelde onderzoekhandelingen voortvloeiden en die op hun beurt werden gehanteerd in verder onderzoek zijn evenmin nietig. De theorie van de "fruits of the poisonous tree" gaat derhalve niet op.

Derde beklaagde stelt in conclusie dat in het proces-verbaal van 20 juni 2011 (algemeen dossier - stuk 103-104), dat de resultaten weergeeft van de beschikking conform artikel 88bis SV dd. 9 juni 2011 (algemeen dossier - stukken 100-101), weerom het IMEI-nummer werd vermeld terwijl daar niet om verzocht werd in de beschikking. De rechtbank stelt echter vast dat in voormeld proces-verbaal geen melding wordt gemaakt van enig IMEI-nummer.

1.3. IMEI-nummer 35539004570100(0)

Eerste beklaagde en derde beklaagde werpen op dat er geen beschikking conform artikel 88 bis SV. is voor de retro op het IMEI-nummer 355390045701000, zijnde een IMEI-nummer waarop het verder telefonie-onderzoek is gesteund.

De onderzoeksrechter schreef een bevelschrift uit conform artikel 88 bis SV. op het IMEI-nummer 35539004570100 (algemeen dossier - stukken 80-81), waarop een retro werd uitgevoerd op het IMEI-nummer 355390045701000.

Het openbaar ministerie stelde ter zitting van 6 maart 2013 dat het om het-zelfde IMEI-nummer gaat en dat het laatste getal een controlegetal betreft.

In het proces-verbaal van 3 mei 2013 (stuk 1636 e.v. - algemeen dossier) wordt aan de hand van de "IMEI Allocation and Approval Guideline" van de GSMA en de "GSM Technical Specification" van de European Telecommu-nications Standards Institute, welke niet bij het proces-verbaal zijn gevoegd, doch die vrij consulteerbaar zijn via http://www.gsma.com/newsroom/wp-content/uploads/2012/06/TS.06-v6.0.pdf en http://www.etsi.org/deliver/etsi_gts/05/0502/05.00.00_60/gsmts_0502v050000p.pdf, de toelichting gegeven waar bij vonnis van 3 april 2013 van deze rechtbank om verzocht werd.

De rechtbank is van oordeel dat met de toelichting zoals deze op basis van voormelde afspraken tussen Europese en wereldwijde GSM-operatoren werd weergegeven in het proces-verbaal van 3 mei 2013, genoegzaam is aangetoond dat het 15de getal inderdaad een controlecijfer is. Derhalve is de informatie die in uitvoering van het bevelschrift uit conform artikel 88 bis SV. op het IMEI-nummer 35539004570100 (algemeen dossier - stukken 80-81) bekomen werd, geheel rechtmatig verkregen.

1.4.Geen retrobeschikking voor het GSM-nummer 31649896237

Derde beklaagde werpt op dat voor het GSM-nummer 31649896237 een beschikking op grond van artikel 88 bis SV ontbreekt.

De rechtbank stelt vast dat dit nummer voor het eerst in het beeld kwam in het kader van een tapmaatregel op de GSM-nummers 31649783334 en 31649783336 (algemeen dossier - stuk 301). De tapbeschikkingen dd. 26 september 2011 en dd. 29 september 2011 voor beide voormelde GSM-nummers bepalen:

"Tegelijk met de uitvoering van deze beslissing en omwille van de hierboven aangehaalde redenen en noodzaak voor de waarheidsvinding, dient hogervermeld telefoonnummer onder controle gesteld te worden,

Teneinde de telefoonnummers gebruikt bij de inkomende en uitgaande ge-sprekken en sms-berichten te registreren met zendmastbepaling van hoger-vermeld telefoonnummer en tevens de identificatie (onderlijning door de rechtbank) en de zendmastbepaling van bij voormelde gesprekken en ver-sturen van sms-berichte gebruikte telefoonnummers." (kaft OLA - stukken 10 - 14 en kaft OPA - stukken 9 - 15).

Als de onderzoeksrechter op basis van de resultaten van deze tapmaatre-gelen beslist om geen retro te voeren (art. 88 bis SV), maar enkel door mid-del van een beschikking artikel 46bis SV na te gaan welke telefoonnummers aan het verkregen IMEI-nummer gekoppeld waren (algemeen dossier - stukken 346 - 347), is dit een geheel rechtsgeldige beslissing, temeer daar hij in het licht van het proportionaliteits- en subsidiariteitsbeginsel opteert voor de maatregel die het minst ingrijpt in de privacy van de verdachten.

Vervolgens wordt een tapbeschikking uitgevaardigd op het GSM-nummer 31649896237 waarin uitvoerig wordt toegelicht hoe men tot dit nummer ge-komen is en waarin correct wordt gemotiveerd waarom de tapmaatregel wordt bevolen.

De rechtbank stelt aldus vast dat op dit nummer geen retro is gevoerd, en aldus is geen beschikking vereist. Het onderzoek op voormeld telefoon-nummer is derhalve geheel wettelijk verlopen.

1.5.Artikel 46bis SV versus artikel 88bis SV

Derde beklaagde werpt op dat het opvragen van een IMEI-nummer enkel kan geschieden via een bevelschrift op grond van artikel 46bis SV en niet op grond van artikel 88bis SV. Hij vergist zich evenwel ter zake. Artikel 46bis SV voorziet in de mogelijkheid om statische gegevens (waaronder een IMEI-nummer) op te vragen via een relatief weinig gewaarborgde pro-cedure die zelfs ook in het kader van een opsporingsonderzoek door de procureur des Konings mag worden aangewend. Niets belet evenwel de onderzoeksrechter om, indien hij een retro opvraagt meteen ook het IMEI-nummer mee op te vragen via de beschikking conform artikel 88bis SV. Het artikel 88bis SV, bestemd voor het opvragen van dynamische gegevens, biedt immers meer waarborgen dan het artikel 46bis SV. (KERKHOFS, J., VAN LINTHOUT, P., Artikel 46bis van het Wetboek van Strafvordering en de motiveringsplicht: de minimis non curat praetor?, T.Strafr., 2011, afl. 6, 426-431).

Het is overigens niet zinvol om een retro op te vragen zonder over te gaan tot de identificaties van de gebruikers van de verkregen telefoonnummers.

Daarnaast werpt derde beklaagde op dat ook het opvragen van de lokalisa-tie van GSM-nummers via een bevelschrift op grond van artikel 46bis SV en niet op grond van artikel 88bis SV dient te geschieden. Dit is niet cor-rect. De lokalisatie van een GSM betreft een dynamisch gegeven waarvoor een beschikking conform artikel 88bis SV vereist is.

1.6. Proactieve telefoontap

Derde beklaagde meent dat in onderhavig dossier al te lichtzinnig een tap-maatregel werd bevolen daar er volgens hem onvoldoende precieze aanwijzingen van een reeds gepleegd misdrijf voorhanden waren. Aldus meent derde beklaagde dat er proactief getapt werd, hetgeen volgens hem niet enkel tot de nietigheid van de maatregel, doch zelfs tot de onontvankelijkheid van de strafvordering zou moeten leiden.

De naleving van de motiveringsverplichtingen van artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1° en 2°, Wetboek van Strafvordering, die inhouden dat elke be-schikking tot machtiging van een afluistermaatregel de aanwijzingen en concrete feiten moet vermelden, eigen aan de zaak, die de maatregel wetti-gen overeenkomstig artikel 90ter van hetzelfde wetboek, alsmede de rede-nen moet bevatten waarom de maatregel onontbeerlijk is om de waarheid aan de dag te brengen, is niet aan bepaalde wettelijk voorgeschreven of uitdrukkelijke bewoordingen onderworpen: ze kan blijken uit de samenhang van de bewoordingen van de beschikking waarbij machtiging wordt verleend en aan die motiveringsverplichting kan ook worden voldaan indien de beschikking ondubbelzinnig verwijst naar stukken van het strafdossier waarin deze vermeldingen zijn opgenomen en de beschikking zich door die verwijzing de inhoud van die stukken eigen maakt (zie ondermeer Cass. 26 oktober 2010, www.juridat.be).

De eerste tapbeschikkingen dateren van 20 mei 2011 en werden uitge-schreven voor de GSM-nummers 0495/92.81.49 (kaft OAA - stukken 2-5) en 0493/16.05.98 (kaft OBA - stukken 11-14).

Men kan echter niet ernstig voorhouden dat de tapbeschikkingen onvol-doende zouden zijn gemotiveerd. Zij verwijzen naar het aanvankelijk pro-ces-verbaal ME.60.F1.101812/2011 dd. 1 april 2011 en hernemen de infor-matie die daarin vervat zit. Het betreft zeer veel gedetailleerde en nauwkeu-rige informatie omtrent de omvangrijke cocaïnehandel van ene "K." en "V." te M. en elders. Deze informatie wordt aangevuld met de resultaten van het tot dan toe reeds gevoerde telefonieonderzoek (met vermelding van de op-gestelde navolgende processen-verbaal) onder meer een retro in de perio-de van 1 maart 2011 tot 22 april 2011 op een GSM-nummer dat aan eerste beklaagde wordt toegeschreven en een GSM-nummer dat aan vierde be-klaagde wordt toegeschreven. Hieruit blijkt een veelheid aan kennelijk druggerelateerde contacten naar voren te komen.

De rechtbank is aldus van oordeel dat er geenszins sprake is van enige proactieve telefoontap daar de onderzoeksrechter op het ogenblik dat hij de tapmaatregel uitschreef over zeer veel in tijd en ruimte gedetailleerde infor-matie beschikte omtrent de omvangrijke drughandel die beklaagden voer-den.

1.7. De afwezigheid van een advocaat bij het verhoor van beklaagde

1.7.1.

Eerste beklaagde werpt in conclusies op dat er sprake is van een schen-ding van artikel 6, § 3, c in combinatie met artikel 6, § 1 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens, wegens het gebrek aan bijstand van een advocaat terwijl hij en de andere beklaagden door de politiediensten werden verhoord en hen tevens geen kennis werd gegeven van hun elementaire rechten. Hij meent dat de schending van zijn rechten de onontvankelijkheid van de strafvordering tot gevolg heeft.

Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de eerste verhoren van de be-klaagden geschiedden voor 1 januari 2012 en dus van voor de inwerking-treding van de Salduz-wetgeving dateren.

Uit het strafdossier blijkt dat het eerste verhoor van eerste beklaagde plaatsvond op 22 november 2011. Bij aanvang van het verhoor werd geno-teerd (stuk 472):

"* ik het recht heb om te zwijgen en te weigeren de vragen te beantwoorden die mij gesteld worden,

* ik kan vragen dat alle vragen die aan mij gesteld worden en alle antwoor-den die ik geef, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen;

* ik kan vragen dat bepaalde opsporingshandeling wordt verricht of een be-paald verhoor wordt afgenomen;

* mijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt.

U meldt mij tevens dat dat ik, na overleg met mijn raadsman, de mogelijk-heid heb een nieuw verhoor te vragen en - indien ik onder aanhoudingsbe-vel zou geplaatst worden - ik de mogelijkheid heb om een samenvattend verhoor te vragen conform artikel 22 lid 3 van de wet betreffende de voorlo-pige hechtenis, zijnde een verhoor door de onderzoeksrechter dat door mijn raadsman kan worden bijgewoond.

------

Op uw vraag of ik momenteel een specifieke advocaat wens aan te stellen, kan ik u zeggen dat dit niet het geval is.

U deelt me mede dat ik gearresteerd ben en voor de onderzoeksrechter morgen dien te verschijnen. Aldaar zal ik ook mededelen welke raadsman ik verkies.

------

..."

De verbalisanten noteren:

"B. (sic) aanvangsfase van het verhoor verklaart verdachte dat hij een ver-klaring wenst af te leggen en op de vragen zal antwoorden.

Echter wanneer we hem confronteren met de aantijgingen en de namen van andere verdachten, verandert N. van mening en wenst hij niets verder te verklaren zonder raadpleging van zijn raadsman en weigert de deels afge-legde verklaring te ondertekenen."

Het verhoor wordt hierop beëindigd en eerste beklaagde wordt 's anderen-daags verhoord door de onderzoeksrechter welke hem lezing geeft van zijn rechten en welke hem verhoorde na vertrouwelijk overleg en met bijstand van een raadsman. Na overleg en met een raadsman aan zijn zijde, deelde eerste beklaagde aan de onderzoeksrechter mede nog geen verklaring te zullen afleggen zo lang hij Mr. Van Steenbrugge niet had geraadpleegd (algemeen dossier stukken 531 e.v.).

1.7.2.

De afwezigheid van een advocaat bij het verhoor van de (latere) beklaagde geeft niet automatisch aanleiding tot een onherroepelijke schending van de rechten van verdediging van deze beklaagde en zeker niet tot de onontvankelijkheid van de strafvordering.

De onregelmatigheid van het bewijs omwille van het afleggen door een be-klaagde, van verklaringen zonder bijstand van een advocaat of met miskenning van de cautieplicht, leidt niet tot de niet-ontvankelijkheid van de strafvordering maar enkel tot de gebeurlijke uitsluiting of ontoelaatbaarheid van dit bewijs (Cass., 13 november 2012, www.juridat.be).

Het is aan de rechter om aan de hand van de concrete gegevens van de zaak na te gaan of de afwezigheid van bijstand van een advocaat bij een verhoor door de politie of de onderzoeksrechter het recht op een eerlijk pro-ces en het recht van verdediging van de verdachte en latere beklaagde of beschuldigde onherstelbaar heeft aangetast. Er moet ook worden nagegaan of de verklaringen die de beklaagde heeft afgelegd zonder bijstand van een advocaat, op het verloop van het proces een zodanige impact hebben gehad dat dit geen eerlijk karakter meer zou vertonen. (o.a. Cass. 7 december 2010 (A.R. P.10.1460.N), http://www.cass.be (justel nr. N-20101207-1), A.C. 2011, nr. 714, p. 2897-2902; Cass. 23 november 2010 (A.R. P.10.1428.N), http://www.cass.be (justel nr. N-20101123-5), T.Strafr. 2011, p. 68)

Het feit dat er geen advocaat aanwezig was bij het politieverhoor tijdens de termijn van vrijheidsberoving, kan aan een eventuele schuldigverklaring al-leen in de weg staan in zoverre die schuldigverklaring uitsluitend en op be-slissende wijze steunt op door middel van dat verhoor verkregen zelfbe-schuldigende verklaringen, zonder dat de verhoorde persoon heeft afgezien van de bijstand van een raadsman of vrij ervoor gekozen heeft van die bijstand af te zien. (o.a. Cass. 5 januari 2011 (A.R. P.10.1618.F), http://www.cass.be (justel nr. N-20110105-5))

Wanneer de feitenrechters zich nergens in hun overwegingen gebaseerd hebben op de inhoud van de verhoren die, zonder de advocaat, van de be-klaagde zijn afgenomen in de eerste vierentwintig uren van vrijheidsbero-ving, en de schuldigverklaring alleen verwijst naar de gegevens die de speurders vóór de ondervraging van de beklaagde of tijdens het verder ver-loop van het gerechtelijk onderzoek hebben vergaard, met andere woorden op ogenblikken waarop de rechtspraak van het Europees Hof de aanwezigheid van de advocaat in principe niet oplegt, kan naar recht geoordeeld worden dat het tegen de beklaagde ingespannen geding, als deze enkel tijdens de eerste vierentwintig uren van de vrijheidsberoving niet werd bijgestaan door een advocaat, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens niet heeft geschonden. (o.a. Cass. 5 mei 2010 (A.R. P.10.0257.F), http://www.cass.be (justel nr. N-20100505-3))

Wanneer de bodemrechter steunt, enerzijds, op gegevens die losstaan van de verklaringen die de beklaagde in afwezigheid van zijn advocaat heeft afgelegd en, anderzijds, op de verklaringen die hij in diens aanwezigheid voor de vonnisgerechten heeft afgelegd, hebben de verhoren die van de beklaagde afgenomen zijn zonder dat zijn advocaat daarbij aanwezig was, op het verloop van de zaak niet een zodanige invloed gehad dat er geen sprake meer kan zijn van een eerlijke behandeling van de zaak. (o.a. Cass. 27 oktober 2010 (A.R. P.10.1372.F), http://www.cass.be (justel nr. N-20101027-4))

1.7.3.

De rechtbank stelt allereerst vast dat in casu alle beklaagden wel degelijk in kennis werd gesteld van hun fundamentele rechten, zowel door de politiediensten, als door de onderzoeksrechter.

Verder weigerden eerste, vierde en vijfde beklaagde van bij aanvang een verklaring af te leggen zonder bijstand van een advocaat. Hun eerste echte verhoor werd derhalve door de onderzoeksrechter afgenomen alwaar de Salduz-wetgeving, alhoewel nog niet van toepassing op dat ogenblik, cor-rect werd nageleefd. Ondanks deze waarborgen wenste eerste beklaagde nog geen verklaringen af te leggen ten aanzien van de onderzoeksrechter. De rechten van verdediging en het recht op een eerlijk proces werden in hoofde van eerste, vierde en vijfde beklaagde derhalve geenszins geschonden.

Tweede en derde beklaagde legden in een eerste verhoor wel verklaringen af ten aanzien van de verbalisanten en dit zonder bijstand van een advo-caat. Het verhoor bij de onderzoeksrechter geschiedde ook voor hen con-form de Salduz-wetgeving.

De rechtbank stelt vast dat het strafrechtelijk onderzoek geenszins ge-steund zou zijn op bepaalde verklaringen die tweede en derde beklaagde zonder bijstand van een advocaat aflegden. Het onderzoek is daarentegen voornamelijk gesteund op het telefonie-onderzoek, de tapmaatregelen en de observaties die ter zake werden gevoerd.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen die tweede en derde be-klaagde aan de verbalisanten hebben afgelegd zonder bijstand van een advocaat, op het verloop van het proces zeker geen zodanige impact hebben gehad dat dit geen eerlijk karakter meer zou vertonen.

De rechtbank is tevens van oordeel dat het feit dat zij geen bijstand van een advocaat genoten bij hun verhoor, op geen enkele wijze afbreuk doet aan de waarde en geloofwaardigheid van andere onderzoeksdaden die hierop geenszins gesteund zijn.

De rechtbank besluit dat er van enige schending van de rechten van verdediging aldus geen sprake is.

1.8. Beëdigde tolk bij vertaling telefoontaps:

Derde beklaagde meent dat uit het dossier niet blijkt dat er voor de vertaling van de afgeluisterde gesprekken beroep werd gedaan op beëdigde verta-lers, daar er zich enkel kostenstaten in het dossier zouden bevinden van een tolk ten tijde van de arrestaties van de beklaagden in november 2011.

De rechtbank stelt echter vast dat er zich in het dossier kostenstaten van een tolk met name de heer E. K. R. bevinden, die ook dateren van voor de arrestatie van de beklaagden (stukken 1244 e.v.) en leidt hieruit af dat er voor de vertaling van de gecapteerde telefoongesprekken wel degelijk be-roep werd gedaan op een beëdigde tolk.

1.9. Besluit procedureel verloop van het onderzoek

De rechtbank komt derhalve tot de bevinding dat er door de telefoonopera-tor meer informatie werd verstrekt, dan bij beschikking van de onderzoeks-rechter conform artikel 88bis SV. werd bevolen met name de informatie met betrekking tot zendmastbepalingen en IMEI-nummers. Na de Antigoontoets te hebben uitgevoerd, is de rechtbank evenwel van oordeel dat dit onrecht-matig verkregen bewijs wel degelijk mocht aangewend worden om het ver-dere onderzoek op te baseren.

Voor het overige is het onderzoek op procedureel vlak correct verlopen.

Geen van de andere overwegingen van de verdediging is van aard tot een andere conclusie te leiden en behoeft door de rechtbank te worden bespro-ken.

• 2. Beoordeling van de tenlasteleggingen

2.1. Relevante gegevens van het strafdossier

Bij de beoordeling van de tenlasteleggingen houdt de rechtbank rekening met de volgende relevante gegevens van het strafdossier.

2.1.1.

De federale gerechtelijke politie verneemt dat een persoon die zich "K." noemt grote hoeveelheden cocaïne zou verkopen. Deze K. zou zich ver-plaatsen in een Peugeot 206 en zou een gerechtelijk verleden hebben inzake drugs. Hij zou nauw samen werken met een aantal andere personen, waaronder iemand die zich "V." zou noemen en die zich met een zwarte Opel Meriva en occasioneel met een Renault Megane verplaatst. V. maakt gebruik van de GSM-nummers 0491/548009 en 0497/832605. Ze zouden ook samenwerken met een onbekende met een Volvo S40. Ze verkopen drugs in de regio M. en in de regio van A. en de randgemeenten van B.. Er zou zo een 1 tot 1,5 kg per week verhandeld worden. De ‘deals' zouden gebeuren via SMS, waarin een bepaalde plaats afgesproken wordt.

Op basis van voorgaande informatie wordt een onderzoek gestart.

De federale gerechtelijke politie voerde in 2008 reeds een onderzoek las-tens B. N., die in dat dossier met de roepnaam "K." gekend was. B. N. is bij de politie gekend voor drugsdelicten, meer bepaald voor handel in coca-ine.

Het voertuig Opel Meriva blijkt ingeschreven op naam van E-O. J., die vol-gens de geautomatiseerde bestanden van de politie gekend zou zijn als "V." en die eveneens gekend is voor drugsdelicten.

Telefonie-onderzoek op voormelde GSM-nummers duidt op heel wat drug-gerelateerde contacten en op contacten met Nederlandse nummers.

"V.", de houder van het GSM-nummer 0497/832605, houdt zich frequent op in de regio B. en verplaatst zich vrijwel iedere dag van M. naar B.. Hij stuurt vervolgens, telkens tijdens deze verplaatsing of kort voor aankomst, een opvallend aantal SMS'jes (vermoedelijk naar afnemers) en ontvangt vervol-gens korte antwoorden (van vermoedelijke afnemers). Deze specifieke handelswijze lijkt de informatie, zoals vervat in het aanvankelijk proces-verbaal te bevestigen.

Uit het onderzoek blijkt dat zeer vaak van GSM wordt gewisseld. Er wordt verder onderzoek gevoerd op nieuwe "deal"-telefoonnummers van "V." en op de Nederlandse telefoonnummers, die in pakket aangekocht blijken om-dat de nummers op elkaar aansluiten en die blijken gebruikt te worden om onderling contact te houden (stuk 48 e.v. algemeen dossier).

Op basis van voorgaande informatie worden verschillende tapmaatregelen opgestart. Hieruit blijkt inderdaad dat B. N. bij de handel betrokken is en dat hij verblijft in het Mse (stukken 75 e.v. algemeen dossier). Hij blijkt contac-ten te onderhouden met ene "M." en maakt afspraken voor de levering van goederen te A.. "M." wordt later geïdentificeerd als E. M. J..

Men stelt vast dat het nieuwe "dealnummer" van "V.", die onder de mast vlak bij de woning van de familie E.-O. valt, in de periode van 27 mei 2011 tot 9 juni 2011 maar liefst 4667 contacten heeft en dit terwijl het toestel al-leen bereikbaar is tussen 16.00 uur en 24.00 uur. Het patroon dat voor-heen werd waargenomen zet zich verder: de nummers van de afnemers zijn bijna identiek, "dealplaatsen" in het Bse en rond A. komen terug (stuk 111 algemeen dossier).

Op 31 mei 2011 wordt een observatie uitgevoerd op het voertuig Opel Meri-va, dat op dat ogenblik wordt bestuurd door iemand die sterk op E.-O. J. lijkt. Het voertuig rijdt van M. naar B. met sterk wisselende snelheden (ver-moedelijk om mogelijke observaties te detecteren). In B. heeft de bestuurder op verschillende locaties diverse korte contacten met meerdere personen (verschillenden zijn gekend voor druggerelateerde feiten) (kaft P - stukken 11 e.v.).

Twee gebruikte GSM-nummers worden gelokaliseerd te X, waar niet E.-O. J., maar zijn broer S. staat ingeschreven.

Via de tapmaatregel komt de politie te weten dat B. N. op 10 juni 2011 een afspraak maakt om in A. aan een gebouw Calamar "2 grote" te gaan halen en men besluit tot observatie over te gaan. B. N. merkt de observatie-eenheden echter op en neemt onmiddellijk telefonisch contact met E. S. die zich in X bevindt. B. N. geeft hem opdracht "alles" weg te gooien. (kaft P - stukken 20 e.v.)

Daags nadien neemt B. N. contact op met E. M. J. op diens Nederlands nummer en zegt dat hij met alles gestopt is. Hij raadt hem aan van nummer te veranderen. Alle telefoonnummers die de beklaagden op dat ogenblik in gebruik hadden en waarop tapmaatregelen liepen, werden vanaf dat ogen-blik niet meer gebruikt.

2.1.2.

De beklaagden lijken hun handel gedurende de maanden juli en augustus onderbroken te hebben, maar in september nemen zij hun activiteiten weer op en worden er door de onderzoeksrechter opnieuw telefonie-onderzoek en tapmaatregelen bevolen op de nieuwe nummers die de beklaagden ge-bruiken.

Via tapmaatregel verneemt men dat B. N. op 13 september 2011 aan E. M. J. meldt dat er "een lange man" naar hem gaat komen, aan wie hij "één kleine" moet meegeven. B. N. vindt, na overleg met een derde, de prijs van euro 39,5 te duur maar vraagt E. M. J. vervolgens toch om aan de lange man één kleine mee te geven.

In de daaropvolgende gesprekken zorgt B. N., die zelf te M. gelokaliseerd wordt, ervoor dat "de lange man", die aan Calamar staat, en E. M. J. elkaar vinden (stukken 256 e.v. algemeen dossier).

De politie stelt aan de hand van de tapmaatregel ook vast dat er een nieuwe tussenpersoon is die de drugs bij E. M. J. gaat halen en naar E-O. te X brengt (stukken 302 e.v. algemeen dossier). Wanneer B. N. aan E-O. de opdracht geeft iedereen o.a. "B." te bellen, wordt de nieuwe tussenpersoon geïdentificeerd als E. B. I. (stukken 312 e.v. algemeen dos-sier).

Via de afluistertechnieken vernemen de politiediensten dat E. B. op 19 ok-tober 2011 met de minderjarige broer van E-O. naar E. M. J. zal rijden om er drugs te gaan aankopen en te verwerken. Men besluit hem hierbij te ob-serveren. Hij pikt de broer van E-O. op en rijdt naar de omgeving van de woonplaats van E. M. J. aan de X.

Hij rijdt er echter voorbij en op de tap is te horen dat hij opmerkte dat hij ge-volgd werd en dat hij de anderen waarschuwt. De Nederlandse nummers worden op dat ogenblik buiten gebruik gesteld en de beklaagden wisselen weerom van telefoonnummers (kaft P - 27 e.v.).

Om "M." te kunnen identificeren wordt een tapmaatregel uitgevaardigd op een nummer dat hij veel belt en dat blijkt toe te behoren aan T. M. (stukken 307 e.v. algemeen dossier).

2.1.3.

Op 22 november 2011 gaat de federale gerechtelijke politie over tot een ge-coördineerde actie met huiszoekingen, zoekingen in voertuigen en arresta-ties van de beklaagden (stukken 516 e.v. algemeen dossier).

B. N. wordt in de ouderlijke woning gearresteerd. Aldaar wordt een klein blokje hasj gevonden en een groot aantal GSM-toestellen, SIM-kaarten en verpakkingen (stukken 571 e.v. algemeen dossier). Het gaat om toestellen met Nederlandse nummers die in het onderzoek aan hem werden toege-schreven, maar ook om kaarthouders van de Nederlandse nummers die gebruikt werden door E. S. en E. B. I. (stukken 627 e.v.) en toestellen die bij aanvang als "dealnummer" werden gebruikt.

E. S. werd gearresteerd terwijl hij in zijn voertuig aan het dealen was te B.. Bij hem in de wagen zat L. C., die verklaart dat hij al een klein jaar wekelijks 1 gram aan euro 50,00 van hem koopt. In de zomer was echter E. S. wel niet bereikbaar. L. spreekt hem aan als "V." (stukken 623 e.v. algemeen dos-sier).

In het voertuig Opel Meriva treft men 89 bommetjes cocaïne, euro 200,00, 3 GSM-toestellen en een SIM-kaart aan. Hij heeft o.a. het toestel bij met het laatst gekende Nederlandse nummer dat aan hem werd toegeschreven en het toestel met het laatst gekende "dealnummer" dat aan hem werd toege-schreven.

Op zijn adres te X blijkt het safehouse gevestigd te zijn, alwaar de drugs en geld bewaard wordt en waar de drugs ook worden versneden en verpakt. Men vindt er 849 gram cocaïne en euro 34.610,00 in een holle ruimte onder het bad, alsook lege dozen van GSM-toestellen en een lege SIM-kaarthouder (stukken 545 e.v. algemeen dossier).

E. B. I. wordt op de E19 gearresteerd na een bezoek aan E. M. J.. Hij heeft o.a. het GSM-toestel met Nederlands nummer bij dat aan hem werd toege-schreven.

E. M. J. wordt opgemerkt tijdens het contact met E. B.. Hij heeft de toestel-len bij zich die aan, de tot dan toe nog niet geïdentificeerde, "M." werden toegeschreven. Tijdens de huiszoeking bij E. M. J. vindt men een zelfge-maakte persmachine om cocaïne in blok te verwerken, verpakkingsmateri-aal voor drugs, een weegschaal, verschillende pakjes (al dan niet getaped) in de diepvriezer, een lege SIM-kaarthouder van een Nederlands oproep-nummer (stukken 555 e.v. algemeen dossier).

Tijdens de huiszoeking bij T. M. wordt in een slaapkamer waar hij spora-disch verblijft in een reiskoffer een GSM, euro 3.245,00 en een precisieweeg-schaal aangetroffen. In de rest van het appartement treft men verkappings-materiaal, alsook 102 gram cocaïne, 476,7 gram hasj en een cocaïnepers aan (stukken 760 e.v. algemeen dossier).

In een ander pand dat door T. M. wordt gehuurd, vindt men boorzuurschil-fers, 3 GSM's en nog een cocaïnepers (stukken 769 e.v. algemeen dossier). Hij heeft een GSM-toestel bij zich met het telefoonnummer dat in het dossier aan hem werd toegeschreven.

De ambachtelijk gemaakte cocaïnepersen die bij T. M. en E. M. J. worden aangetroffen lijken sterk op elkaar, hetgeen doet vermoeden dat ze door dezelfde persoon werden vervaardigd (stukken 785 e.v. algemeen dossier).

2.1.4.

B. N. wil ten aanzien van de politie niets verklaren (stukken 474 e.v. alge-meen dossier) en wil, na voorafgaand overleg en met bijstand van een raadsman, ook ten aanzien van de onderzoeksrechter niets verklaren voor hij met Mr. Van Steenbrugge heeft gesproken (stukken 531 e.v. algemeen dossier).

Bij herverhoor op 5 januari 2012 verklaart hij dat S. E. hem in april 2011 contacteerde. Deze zei hem in cocaïne te handelen en vroeg hem als koe-rier cocaïne te gaan halen in A. en naar X te brengen. S. gaf hem een GSM met Nederlands nummer, dat ze enkel gebruikten voor onderlinge gesprek-ken. Aanvankelijk bestelde S. zelf bij de leverancier in A. maar later moest hij zelf de leverancier contacteren. Tot de zomer reed hij ongeveer om de twee à drie weken naar A. en ging er telkens 200 à 300 gram halen. Hij hielp nooit versnijden, maar was wel al eens aanwezig als S. de cocaïne verder verwerkte in zijn appartement. S. gaf hem een verpakt bundeltje geld mee om de cocaïne te betalen. Hij zelf kreeg euro 500,00 per keer dat hij coca-ine ging halen. Hij stopte er voor de zomer mee toen hij merkte dat hij ge-volgd werd door de politie. Toen hij na de zomer weigerde nog te rijden, heeft S. E. B. I. ingeschakeld. De eerste keer reed hij met I. mee om hem voor te stellen aan M..

Omtrent de GSM-toestellen die bij de huiszoeking bij hem werden aange-troffen, verklaart B. N. dat S. die aan hem gaf als hij van nummer wisselde, om ze weg te geven. Geconfronteerd met zijn coördinerende of controle-rende rol, blijft B. N. erbij dat hij in dienst van S. werkte (stukken 871 e.v. al-gemeen dossier).

E. S. wenst ten aanzien van de politie geen verklaring af te leggen (stuk-ken 486 e.v.) en geeft, na voorafgaand overleg en met bijstand van een raadsman, ten aanzien van de onderzoeksrechter slechts toe actief te zijn bij de handel in cocaïne. Hij verklaart dat hij is ingeschreven X maar ook af en toe bij zijn ouders verblijft. Hij rijdt dan met het voertuig, dat is ingeschreven op naam van zijn broer J. naar daar (stukken 525 e.v.).

Bij herverhoor geeft hij toe dat hij cocaïne dealde. Hij stelt dat hij sedert fe-bruari dealde voor "J.", die de cocaïne naar zijn appartement in X. Aan-vankelijk ging het om 30 à 40 gram per week. Uiteindelijk verkocht hij 300 gram per maand. Hij ontving aanvankelijk euro 2.000,00 per maand, later kreeg hij 2.700,00 of euro 2.800,00 per maand. Hij verklaart dat hij een Mobistar-nummer kreeg van "J." om de klanten te contacteren. Het Nederlands nummer was om zijn vrienden N. en I. te bellen. Ook die Nederlandse nummers kreeg hij van "J.". Het geld onder het bad, is de opbrengst van één of anderhalve maand, die hij aan "J." diende te geven.

Wanneer hij geconfronteerd wordt met de vaststellingen en resultaten van het onderzoek, wil E. S. niets verklaren omtrent zijn vrienden (stukken 792 e.v. algemeen dossier).

Op 6 januari 2012, bij confrontatie met de verklaring van B. N. blijft E. S. zich op zijn zwijgrecht beroepen, maar stelt de politie vast dat hij bang lijkt en zelfs begint te huilen (stuk 870 e.v. algemeen dossier).

Op 9 februari 2012 wenst E. S. een bijkomende verklaring af te leggen en verklaart hij dat hij tot hiertoe de richtlijnen van B. N. opvolgde, die hem had opgedragen "J." te beschuldigen en hem vrij te pleiten. Hij verklaart thans dat N. begin maart 2011 bij hem thuis langs kwam met het voorstel voor hem cocaïne te dealen. N. B. wilde zijn appartement in B. gebruiken als uit-valsbasis om in B. en omgeving te dealen. N. B. zou zorgen voor de finan-ciering en de aanvoer van cocaïne, die hij moest dealen aan klanten in het Bse. Hij zou euro 2.000,00 per maand krijgen.

Bij opstart zorgde N. B. voor een opslagplaats, "zijn kluis" onder het bad, waar E. niet mocht aankomen en waarin de cocaïne en het geld bewaard werden. N. B. gaf hem een toestel met Nederlands nummer om hem te con-tacteren. Hij kreeg een lijst met klanten aan wie hij begin maart 2011 begon te dealen. De ene klant bracht de andere mee en hij bediende vrij veel klanten; in het weekend tot 80 klanten per dag, in de week was het minder. Hij verkocht zeven dagen op zeven. Verschillende klanten namen per 4 of 5 gram af, anderen per gram. Hij verkocht aan euro 50,00 per gram. N. bracht de cocaïne en verstopte die in de bergplaats. Hij legde de dagelijks te verkopen hoeveelheid klaar. Het geld legde E. aan het eind van de dag in een schuif, waar N. B. het ophaalde. Hij ging steeds thuis slapen omdat hij zich niet veilig voelde op het appartement. De dealer uit A., J.-M. heeft hij nooit gezien.

Tot juni 2011 ging alles goed maar toen belde N B. op zijn Nederlands nummer en droeg hem op alles weg te gooien. De cocaïne uit de bergplaats spoelde hij door. Het geld, zo een euro 5.000,00 bracht hij naar zijn ouderlijke woning te M., waar N. B. het is komen ophalen. In de zomerperiode zijn ze een tijdje volledig gestopt.

In de loop van september vroeg N. B. opnieuw voor hem te werken. E. B. zou zorgen voor de aanvoer. N. zou echter zelf de controle behouden en bleef de anderen in het oog houden.

E. B. versneed, samen met de jongere broer van S., Y. E-O., de cocaïne in de woning van J.-M. en bracht de cocaïne naar B. en N. B. stak de cocaïne in "zijn kluis" en legde de te verkopen hoeveelheid klaar. N. bepaalde hoe-veel S. E. van de dagontvangsten aan I. en zijn jongere broer Y. moest uit-betalen voor hun diensten. Hij denkt dat I. telkens euro 200,00 kreeg en Y. voor die ene keer dat hij hielp ook.

S. E. verklaart nog dat N. B. in de periode van september 2011 tot hun ar-restatie, alles coördineerde en I. E. B. en hemzelf aanstuurde. E. B. ging de drugs halen bij M. en hijzelf moest verkopen aan klanten. Alle inkomsten gingen naar N. B.. In de eerste periode betaalde N. B. hem euro 2.000,00 per maand; in de tweede periode ontving hij euro 2.800,00 per maand. De Neder-landse nummers kwamen van N. (stuk 896 e.v. algemeen dossier).

E. B. I. verklaart zowel ten aanzien van de politie (stukken 495 e.v. alge-meen dossier) als, na voorafgaand overleg en met bijstand van een raads-man, ten aanzien van de onderzoeksrechter dat hij geen verklaring af te leggen heeft (stuk 521 e.v.).

Bij verhoor op 20 december 2011 ontkent hij iedere betrokkenheid. Hij kreeg de Nederlandse telefoonnummers van S. (stukken 831 e.v. algemeen dossier).

Bij herverhoor op 16 februari 2012 verklaart hij dan dat hij in september door B. N. gevraagd werd om cocaïne van A. naar B. te brengen tegen euro 200,00 per traject. B. wilde zelf niet meer transporteren omdat hij op een zeker ogenblik gevolgd werd door de politie. B. N. stelde hem voor aan M. (zijnde E. M. J.) en vertelde hem dat I. nu voor het vervoer zou zorgen. Hij heeft het enkele keren gedaan. Hij reed dan naar de woning van M.. Daar werd de cocaïne versneden door M., de jongere broer van E. S. en hemzelf. Hij herinnert zich hoeveelheden van 300 tot 500 gram. Hij heeft geen zicht op de rol of taakverdeling van de anderen. De dag van zijn arrestatie bracht hij euro 10.000,00 naar M., die hij bij S. E. in B. was gaan ophalen. Zijn Neder-lands oproepnummer kreeg hij van N. B. (stukken 887 e.v. algemeen dos-sier).

E. M. J. verklaart aan de politie na arrestatie dat I. E. B. naar hem toe kwam met de vraag om binnen de 3 à 4 dagen 500 gram cocaïne klaar te leggen. Hij betaalde hiervoor 39 euro per gram. Sedert september koopt I. een keer per week of om de 10 à 15 dagen 500 gram. Hij noemt zich inderdaad "M." en bevestigt dat N. B. voor de zomer steeds cocaïne bestelde en kwam ha-len aan dezelfde frequentie als I.. Na de zomer stelde N. I. aan hem voor, die hem zou vervangen. E. M. bevestigt dat I. E. B. enkele weken tevoren bij hem thuis 800 gram is komen versnijden (stukken 484 e.v. algemeen dossier).

Bij herverhoor verklaart E. M. J. dat N. tot juni wekelijks bij hem een voor-raad cocaïne kwam halen en dit gedurende anderhalve maand. Sedert september kwam I. in de plaats van N.. E. M. J. verklaart dat hij voorstelde om met Nederlandse nummers te werken, die hij telkens per vier liet meebrengen door iemand die hij kent in Nederland.

Hij kocht zelf cocaïne aan bij T. M. en verkocht die door aan N. en I. maar stelt dat hij bang is van T. M. (stukken 820 e.v. algemeen dossier). Hij her-kent hem niet uit een fotocompilatie. Later herroept E. M. J. zijn verklarin-gen m.b.t. T. M. (stukken 907 e.v. algemeen dossier).

T. M. ontkent ten aanzien van de politie iedere betrokkenheid (stukken 643 e.v. algemeen dossier). Ook ten aanzien van de onderzoeksrechter blijft hij, na overleg en met bijstand van een advocaat, ontkennen (stukken 840 e.v. algemeen dossier).

• 2.2. Tenlasteleggingen A en B

Uit de samenlezing van alle elementen van het strafdossier blijkt voldoende bewezen dat alle de beklaagden deel uitmaakten van een vereniging die zich bezighield met de handel in cocaïne met een omzet van minstens 350 gram per week en dat hun handelingen dienen te worden beschouwd als daden van deelneming aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging, in de zin van artikel 2bis, § 3, b van de drugwet.

Voor het begrip "vereniging" in het kader van de wetgeving op de verdovende middelen heeft de wetgever uitdrukkelijk verwezen naar de artikelen 323 en volgende van het strafwetboek betreffende de vereniging van misdadigers (Parl. St. Senaat, 1974-75, nr. 454/2, 2).

Een vereniging, in de zin van artikel 322 van het strafwetboek, kan bestaan uit alleen maar twee personen, indien de aldus samengestelde groep be-schikt over een organisatie die wijst op een misdadig opzet dat klaar is om op het geëigende ogenblik ten uitvoer te worden gelegd. (o.a. Cass. 14 september 2011 (A.R. P.11.1040.F), www.cass.be (justel nr. N-20110914-3)).

De bende dient ook geen bestendigheid te vertonen. Het volstaat dat de bende werkelijk bestaat en dat de leden met elkaar verbonden zijn om te handelen op het geschikte ogenblik. (o.a. Cass. 21 oktober 1963, Rev. dr. Pén. 1963-64, p. 269)

Voor het bestaan van een vereniging is het essentieel dat de personen die erbij betrokken zijn, in een bepaalde mate georganiseerd zijn. (o.a. DE NAUW, A., Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Mechelen, Kluwer, 2010, p. 111)

Het criterium om uit te maken of er een organisatie is, ligt in de bekwaam-heid van de groep om te handelen op het geschikte moment. (o.a. DE NAUW, A. en DERUYCK, F., "Le droit pénal belge à l'épreuve du crime or-ganisé", Rev.int.dr.pén. 1998, p. 166-167)

De verzwarende omstandigheid bestaat wanneer de leden van de vereni-ging met elkaar bindingen hebben en een groep vormen die de doelstellin-gen van de vereniging ten uitvoer kan leggen. Het bestaan van een hiërar-chie binnen een vereniging hoeft niet bewezen te zijn. Evenmin is vereist dat alle leden van de vereniging mekaars identiteit kennen (A. DE NAUW, o.c., p. 35, nr. 78, die verwijst naar Brussel 31 oktober 1979, R.W., 1979-80, 1383, noot A. VANDEPLAS).

Criteria zijn onder meer de hiërarchie, de taakverdeling, het bestaan van vergaderplaatsen, schuilplaatsen, opslagplaatsen, geregelde bijeenkomsten en besprekingen onder de bendeleden, zonder dat één van deze criteria bepalend of onontbeerlijk is. (o.a. DE SWAEF, M., TRAEST, M., Bendevorming en criminele organisaties, Strafrecht en strafvordering. Artikelsgewijze commentaar met overzicht van rechtspraak en rechtsleer, 1-31).

Uit het strafonderzoek, onder meer uit de speciale afluistertechnieken, de observaties, de huiszoekingen en de verklaringen van de beklaagden, komt naar voren dat er wel degelijk een zekere organisatie aanwezig was.

Eerste beklaagde heeft een leidinggevende en coördinerende rol binnen de vereniging. Hij onderhoudt de contacten met E. M. J. en voert de onderhandelingen omtrent de aankoopprijs. Hij financiert, regelt de afspraken omtrent de leveringen en gaat aanvankelijk zelf de drugs in A. ophalen. Hij tracht voor te houden dat hij in dienst van vierde beklaagde werkte en vordert ondergeschikt de herkwalificatie naar deelnemer aan de vereniging, doch zijn bewering is niet in overeenstemming met de gegevens van het dossier.

Immers, vierde beklaagde, verklaart dat hij werd aangezocht door eerste beklaagde, die hem een lijst met klanten gaf en GSM's (dealnummers en Nederlandse nummers). Hij verklaart dat eerste beklaagde dagelijks de te verkopen hoeveelheid klaarlegde en de rest en het geld bewaarde in de "kluis" onder het bad.

Zijn verklaring wordt bevestigd door het feit dat de verpakkingen, kaarthou-ders en gebruikte GSM's tijdens de huiszoeking bij eerste beklaagde wer-den aangetroffen. Op het ogenblik dat eerste beklaagde ontdekt dat hij ge-volgd wordt door de politie, geeft hij opdrachten aan vierde beklaagde om alles weg te gooien.

Daarop beslist eerste beklaagde van minder in de schijnwerpers te lopen en vijfde beklaagde in te schakelen voor het transport. Ook deze verklaart in opdracht van eerste beklaagde te handelen. Hetgeen wordt bevestigd door tweede beklaagde. Eerste beklaagde blijft wel coördineren en controle uitoefenen op de anderen.

Vierde beklaagde verzorgt de detailhandel in de regio B.. Zijn appartement wordt gebruikt als uitvalsbasis en als safehouse. Dit blijkt uit de tapmaatre-gel, het telefonie-onderzoek, de observatie, de huiszoeking en de verklaring van vierde beklaagde zelf en de andere beklaagden.

Tweede beklaagde bekent de bovendealer van eerste beklaagde B te zijn. Bij hem thuis werd de drugs versneden en hij leverde ook de Nederlandse telefoonnummers aan eerste beklaagde. Dit blijkt uit de tapgesprekken, het telefonie-onderzoek, de observatie, huiszoeking en verklaringen van de andere beklaagde.

Derde beklaagde is de bovendealer van tweede beklaagde. Dit blijkt uit de tapgesprekken, het telefonie-onderzoek, de verklaring van tweede beklaag-de, de observatie en de huiszoeking. Er werd bij hem overigens een coca-inepers aangetroffen van dezelfde makelij als deze die aangetroffen werd bij tweede beklaagde.

Vijfde beklaagde werd vanaf september 2011 door eerste beklaagde inge-schakeld als koerier om de cocaïne van A. naar X te brengen. Hij stond te-vens mee in voor het versnijden van de cocaïne. Eén en ander blijkt uit de afluistertechnieken, de observaties, de bekentenissen van vijfde beklaagde en de verklaringen van de andere beklaagden.

De rechtbank acht derhalve genoegzaam bewezen dat eerste beklaagde zich schuldig maakte aan de tenlastelegging A en tweede beklaagde, derde beklaagde, vierde beklaagde en vijfde beklaagde zich schuldig maakten aan de tenlastelegging B.

• 3. De straftoemeting

3.1.

Bij de straftoemeting dient enerzijds rekening te worden gehouden met de persoonlijkheid van de beklaagden, en anderzijds met de ernst en het laak-baar karakter van de ten laste gelegde feiten.

De beklaagden maakten allen deel uit van een vereniging die een omvangrijke handel in cocaïne voerde. De feiten zijn zeer ernstig en getuigen in hoofde van alle beklaagden van een gebrek aan respect voor de fysieke en psychische integriteit van anderen, dewelke immers ontegensprekelijk in gevaar wordt gebracht door de handel in verdovende middelen. Zij zouden tevens moeten weten dat druggebruik erg schadelijk is voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid.

Hun handel was kennelijk zeer omvangrijk, zoals blijkt uit de resultaten van de toegepaste bijzondere afluistertechniek en van de observaties, alsook uit de grote hoeveelheden aangetroffen drugs en geld en de verklaringen van de beklaagden. Zij waren kennelijk gedreven door gemakkelijk geldgewin.

Er wordt rekening gehouden met het strafrechtelijk verleden van alle be-klaagden, en hun aandeel in de vereniging.

Eerste beklaagde werd drie keer veroordeeld door de politierechtbank en bij vonnis van deze correctionele rechtbank van 12 juni 2009 werd hij als deelnemer in een vereniging m.o.o. handel in verdovende middelen veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaar en een geldboete van 3.000,00 euro met uitstel voor de helft van de hoofdgevangenisstraf en volledig uitstel voor de geldboete.

Eerste beklaagde kan ingevolge dit vonnis geen uitstel meer genieten en bevindt zich bovendien in staat van bijzondere herhaling, in de zin van arti-kel 5 van de drugwet. Hij blijkt uit voorgaande veroordeling ook geen lering te trekken daar hij opnieuw herbegint, en wel als leidinggevend persoon.

Gelet op zijn leidinggevende positie in de vereniging, gelet op de omvang van de cocaïnehandel en gelet op zijn gerechtelijk verleden, is de rechtbank dan ook van oordeel dat een effectieve bestraffing passend is.

In hoofde van tweede beklaagde en derde beklaagde wordt rekening ge-houden met de volledige afwezigheid van enige strafrechtelijke veroorde-ling. Als bovendealers dragen zij echter een grote verantwoordelijkheid.

Vierde beklaagde werd als minderjarige berispt door de jeugdrechter en werd drie maal veroordeeld door de politierechtbank en vijfde beklaagde werd vijf keer veroordeeld door de politierechtbank en één keer door de cor-rectionele rechtbank voor bedrieglijke verberging van een voorwerp.

Vierde beklaagde voerde een omvangrijke detailhandel met soms 80 klan-ten per dag in het weekend (cfr. zijn verklaring).

Vijfde beklaagde heeft een minder groot aandeel daar hij slechts sedert september 2011 betrokken was bij de drughandel en als koerier optrad.

Tweede beklaagde, derde beklaagde, vierde beklaagde en vijfde beklaagde verkeren in de voorwaarden vermeld in art. 8/1 van de wet van 29 juni 1964, en men mag vermoeden dat een veroordeling met gedeeltelijk uitstel, voor hen een voldoende waarschuwing zal betekenen voor de toekomst.

Zij dienen te weten dat bij een veroordeling naar aanleiding van een nieuw feit in de proeftijd, het thans verleende uitstel kan worden herroepen.

3.2.

Het Openbaar Ministerie vordert op basis van artikel 42,1 van het strafwet-boek en artikel 4 § 6 van de wet van 24 februari 1921 de verbeurdverklaring van volgende overtuigingsstukken:

- OS 11/4809 (GSM's en SIM-kaarten aangetroffen bij B. N.)

- OS 11/4836 (cocaïne, GSM's en GPS aangetroffen bij E. S.)

- OS 11/4837 (precisieweegschalen, cocaïnepers en 3 GSM's aangetrof-fen bij E. M. J.)

- OS 11/4838 (GSM aangetroffen bij E. B. I.)

- OS 11/4849 post 4,5 en 6 (GSM en 2 GSM-dozen aangetroffen bij E. S.)

- OS 11/5082 post 1 (GSM aangetroffen bij T. M.)

- OS 11/5083 (boorzuurschilfers, 3 GSM's en cocaïnepers aangetroffen bij T. M.)

- een voertuig Opel Meriva

De rechtbank beveelt de verbeurdverklaring van voormelde voorwerpen, met uitzondering van de GPS vervat in OS 11/4836, daar deze voorwerpen gediend hebben voor het plegen van het misdrijf en aan de beklaagden toebehoorden.

Het Openbaar Ministerie vordert tevens de verbeurdverklaring van een voertuig Renualt Megane. Dit voertuig behoort toe aan mevrouw E. B. N., die door middel van een verzoekschrift neergelegd ter zitting van 6 maart 2013, verzoekt om de vrijgave van haar voertuig.

Het voertuig werd door E. B. I. gebruikt om cocaïne te transporteren, doch vermits geen enkel element van het strafdossier op de betrokkenheid van E. B. N. wijst en zij evenmin op de hoogte lijkt van het feit dat E. B. I. in haar voertuig drugs vervoerde, komt het passend voor het voertuig aan haar vrij te geven.

Tot slot vordert het Openbaar Ministerie op basis van de artikelen 42, 3° en 43 bis van het strafwetboek de verbeurdverklaring van volgende geldsom-men:

- euro 34.610,00 als vermogensvoordeel bekomen door B. N. en E. S.

- euro 200,00 als vermogensvoordeel bekomen door E. S.

- euro 295,35 als vermogensvoordeel bekomen door B. N.

- euro 15,13 als vermogensvoordeel bekomen door E. M. J.

- een vermogensvoordeel van euro 375.000,00 lastens alle beklaagden in solidum, zoals berekend in stukken 899-901.

De bedragen euro 34.610,00, euro 200,00, euro 295,35 en euro 15,13 zijn de bedragen die bij de respectievelijke beklaagden in beslag werden genomen en die rechtstreeks uit het misdrijf werden verkregen. Derhalve worden zij verbeurd verklaard.

Wat het vermogensvoordeel betreft, komt uit de stukken 899-901 van het algemeen dossier volgende berekening naar voren:

150 dagen waarop minimum 50 klanten 1 gram cocaïne kochten aan euro 50,00 per gram = euro 375.000,00.

Op basis van de voorliggende elementen van het strafdossier, waaronder de resultaten van de toegepaste bijzondere afluistertechniek en van de ob-servaties, alsook uit de grote hoeveelheden aangetroffen geld en drugs, en de verklaringen van beklaagden en de afnemer C. L. is de rechtbank van oordeel dat de raming van het wederrechtelijk vermogensvoordeel geenszins overdreven is. Er wordt immers melding gemaakt van het feit dat de vereniging op weekenddagen tot 80 klanten per dag bediende, waarvan er verschillenden per 4 à 5 gram kochten.

Vermits de bijdrage van elk van de beklaagden noodzakelijk was voor het plegen van het misdrijf, komt het passend voor om de verbeurdverklaring van het bedrag van euro 375.000,00 lastens alle beklaagden in solidum uit te spreken. Echter, gelet op hun verschillend aandeel en hun respectievelijk strafrechtelijk verleden, wordt al dan niet uitstel verleend voor een deel van voormeld vermogensvoordeel, zoals hierna bepaald, vermits de rechtbank er van uit gaat dat de verbeurdverklaring van dit vermogensvoordeel met uitstel een voldoende waarschuwing zal betekenen voor de toekomst.

De gelden die reeds in beslag genomen werden en die eveneens voor ver-beurdverklaring in aanmerking komen overeenkomstig de artikelen 42, 3° en 43bis, lid 1 en 2 van het Strafwetboek, worden op het effectieve gedeelte van het vermogensvoordeel in mindering gebracht.

3.3.

Tweede beklaagde en derde beklaagde werden bij afzonderlijke vonnis van deze rechtbank van 8 juni 2012 in vrijheid gesteld mits de betaling van een borgsom van euro 3.500,00 én de persoonlijke verschijning op elke zitting in onderhavig dossier (stukken 134 e.v. kaft FA- stukken 126 e.v. kaft FE - 1252 e.v. van het algemeen dossier).

De voorafgaande en volledige betaling van een borgsom strekt tot waarborg dat de beklaagden zich niet zouden onttrekken aan de strafvervolging en vereist dat de tweede en derde beklaagde verschijnen bij alle proceshandelingen.

Vermits tweede beklaagde op de zitting van 19 oktober 2012 vertegenwoor-digd was, en niet persoonlijk verscheen op de daaropvolgende zittingen van 19 december 2012, 6 maart 2013, 8 mei 2013 en 12 juni 2013, en onderhavig vonnis aldus bij verstek lastens hem gewezen wordt, vervalt de borgsom aan de Staat op grond van artikel 35 §4 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis daar de rechtbank geen wettige reden van verschoning ziet.

Derde beklaagde was op de zittingen van 19 oktober 2012 en 8 mei 2013 wel vertegenwoordigd, doch verscheen niet persoonlijk. Daar ook voor hem geen wettige reden van verschoning wordt aangedragen, vervalt de door hem betaalde borgsom aan de Staat op grond van artikel 35 §4 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.

OM DEZE REDENEN :

DE RECHTBANK :

Gelet op de artikelen :

• 11, 12, 14, 31, 32, 34, 35, 36, 40, 41 der wet van 15 juni 1935;

• 1, 3 wet van 5 maart 1952, gewijzigd door de wet van 24

december 1993;

• 28 en 29 wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere

bepalingen;

• 1 en 3 programmawet van 24 december 1993;

• 2, 3, 4 wet 26 juni 2000;

• EU-verordening nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over de

invoering van de euro;

• EU-verordening nr. 974//98 van de Raad van 3 mei 1998 over de

invoering van de euro;

• 162, 163, 179, 190, 193bis, 194, 195, 226, 227 van het wetboek van strafvordering;

• 2, 3, 25, 38, 40, 41, 42, 43, 43bis, 50, 56 lid 1, 65, 66, 79, 80, 84, 85 van het

strafwetboek;

• 1, 2, 2bis, 3, 4, 5, 6 en 9 van de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van de giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende midde-len, ontsmettingsstoffen en antiseptica, en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen;

• 1, 2, 11, 26 bis en 28 van het KB van 31 december 1930 houdende regeling van de slaapmiddelen en de verdovende middelen en betreffende risicobeperking en therapeutisch advies;

• 8/1 wet 29 juni 1964;

• 46, 47 wet 11 juli 1994;

door de voorzitter ter terechtzitting aangewezen;

Rechtsprekend op tegenspraak ten aanzien van eerste beklaagde, der-de beklaagde, vierde beklaagde en vijfde beklaagde en bij verstek ten aanzien van tweede beklaagde:

Beveelt ten aanzien van eerste beklaagde, tweede beklaagde, derde be-klaagde, vierde beklaagde en vijfde beklaagde in solidum de verbeurdver-klaring van een vermogensvoordeel ten belope van 375.000,00 euro.

Eerste beklaagde:

Veroordeelt de beklaagde in staat van bijzondere herhaling voor de bewe-zen tenlastelegging A tot een gevangenisstraf van 5 jaar en een geldboete van 5.000,00 EUR, verhoogd met 50 deciemen en aldus gebracht op 30.000,000 EUR.

Bepaalt de duur van de gevangenisstraf waardoor de geldboete zal vervan-gen worden, bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn vermeld in artikel 40 van het strafwetboek, op 3 maanden.

Tweede beklaagde:

Veroordeelt de beklaagde voor de bewezen tenlastelegging B tot een ge-vangenisstraf van 4 jaar en een geldboete van 4.000,00 EUR, verhoogd met 50 deciemen en aldus gebracht op 24.000,000 EUR.

Bepaalt de duur van de gevangenisstraf waardoor de geldboete zal vervan-gen worden, bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn vermeld in artikel 40 van het strafwetboek, op 3 maanden.

Beveelt dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis gedurende 3 jaar zal worden uitgesteld voor wat betreft de helft van de hoofdgevangenis-straf en de helft van de geldboete en vier/vijfde van het uitgesproken vermogensvoordeel.

Derde beklaagde:

Veroordeelt de beklaagde voor de bewezen tenlastelegginge B tot een ge-vangenisstraf van 4 jaar en een geldboete van 4.000,00 EUR, verhoogd met 50 deciemen en aldus gebracht op 24.000,000 EUR.

Bepaalt de duur van de gevangenisstraf waardoor de geldboete zal vervan-gen worden, bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn vermeld in artikel 40 van het strafwetboek, op 3 maanden.

Beveelt dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis gedurende 3 jaar zal worden uitgesteld voor wat betreft de helft van de hoofdgevangenis-straf en de helft van de geldboete en vier/vijfde van het uitgesproken vermogensvoordeel.

Vierde beklaagde:

Veroordeelt de beklaagde voor de bewezen tenlastelegging B tot een ge-vangenisstraf van 36 maanden en een geldboete van 3.000,00 EUR, ver-hoogd met 50 deciemen en aldus gebracht op 18.000,000 EUR.

Bepaalt de duur van de gevangenisstraf waardoor de geldboete zal vervan-gen worden, bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn vermeld in artikel 40 van het strafwetboek, op 3 maanden.

Beveelt dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis gedurende 3 jaar zal worden uitgesteld voor wat betreft de helft van de hoofdgevangenis-straf en de helft van de geldboete en negen/tiende van het uitgespro-ken vermogensvoordeel.

Vijfde beklaagde:

Veroordeelt de beklaagde voor de bewezen tenlastelegging B tot een ge-vangenisstraf van 12 maanden en een geldboete van 1.000,00 EUR, ver-hoogd met 50 deciemen en aldus gebracht op 6.000,000 EUR.

Bepaalt de duur van de gevangenisstraf waardoor de geldboete zal vervan-gen worden, bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn vermeld in artikel 40 van het strafwetboek, op 3 maanden.

Beveelt dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis gedurende 3 jaar zal worden uitgesteld voor wat betreft de helft van de hoofdgevangenis-straf en de helft van de geldboete en negentien/twintigste van het uit-gesproken vermogensvoordeel.

Veroordeelt de beklaagden hoofdelijk tot de kosten van de strafvordering belopend tot heden : 62.096,10 Euro

Krachtens artikel 91, tweede lid van het K.B. van 28.12.1950 zoals gewij-zigd bij K.B. van 13.11.2012, houdende het alge¬meen regle¬ment op de ge-rechtskosten in strafza¬ken, worden de 1ste, 2de , 3de , 4de en 5de beklaagde elk veroordeeld tot betaling van de vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken van 51,20 EUR.

Verplicht 1ste , 2de , 3de , 4de en 5de beklaagde bovendien tot betaling van een bedrag van 25 EUR bij wijze van bijdrage tot de financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.

Zegt dat dit bedrag vermeerderd wordt met 50 deciemen en aldus telkens 150 EUR bedraagt.

Beveelt de verbeurdverklaring van volgende overtuiggingsstukken:

- OS 11/4809 (GSM's en SIM-kaarten aangetroffen bij B. N.)

- OS 11/4836 (cocaïne en GSM's aangetroffen bij E. S.)

- OS 11/4837 (precisieweegschalen, cocaïnepers en 3 GSM's aangetrof-fen bij E. M. J.)

- OS 11/4838 (GSM aangetroffen bij E. B. I.)

- OS 11/4849 post 4,5 en 6 (GSM en 2 GSM-dozen aangetroffen bij E. S.)

- OS 11/5082 post 1 (GSM aangetroffen bij T. M.)

- OS 11/5083 (boorzuurschilfers, 3 GSM's en cocaïnepers aangetroffen bij T. M.)

- euro 34.610,00 als vermogensvoordeel bekomen door B. N. en E. S. (stuk 537 e.v. algemeen dossier)

- euro 200,00 als vermogensvoordeel bekomen door E. S. (stuk 28 - kaft B),

- euro 295,35 als vermogensvoordeel bekomen door B. N (stuk 30 - kaft B),

- euro 15,13 als vermogensvoordeel bekomen door E. M. J. (stuk 32 - kaft B),

voorwerp uitmakend of gediend hebbend tot het plegen van de misdrijven en eigendom van beklaagden.

Beveelt de verbeurdverklaring van een voertuig Opel Meriva (OS 12/2949 - stuk 1323 e.v.) gediend hebbend tot het plegen van de misdrijven en, al-hoewel ingeschreven op naam van E.-O. J., eigendom van vierde beklaag-de.

Beveelt dat voormelde verbeurdverklaarde bedragen, namelijk euro 17.305,00 en euro 295,35 voor B. N., euro 17.305,00 en euro 200,00 voor E. S. en euro 15,13 voor E. M. J. in mindering zullen worden gebracht op hun respectievelijk deel van het vermogensvoordeel waarvoor geen uitstel wordt verleend.

Beveelt de vrijgave van het voertuig Renault Megane (OS 12/2948 - stuk 1321 e.v.) aan mevrouw E. B. N..

Zegt voor recht dat de borgsom betaald door tweede beklaagde ten bedrage van 3.500,00 euro op grond van artikel 35 §4 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis aan de Staat vervalt.

Zegt voor recht dat de borgsom betaald door derde beklaagde ten bedrage van 3.500,00 euro op grond van artikel 35 §4 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis aan de Staat vervalt.

Houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting op 04 september 2013

Aanwezig :

- J. Bourlet, rechter, voorzitter van de kamer;

- Y. Hendrickx, rechter;

- G. Van den Brande, rechter

- het lid van het Openbaar Ministerie vermeld in het P.V. van de terecht-

zitting ;

- V. Stuyck, griffier.

V. Stuyck G. Van den Brande Y. Hendrickx J. Bourlet

Free keywords

  • getuigenverhoor opsteller proces-verbaal herkomst informatie PV

  • bewijs onrechtmatig verkregen bewijs toetsing Antigoon Proactieve telefoontap Afwezigheid advocaat bij verhoor beklaagde