- Jugement of January 17, 2014

17/01/2014 - ME64.L4.8311-10

Case law

Summary

Samenvatting 1

Jugement - Integral text

De Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen, elfde kamer, rechtsprekend in correctionele zaken, wijst het volgende vonnis :

Inzake van het Openbaar Ministerie

tegen :

V. J.,

Vertegenwoordigd door Mr. M. Van der Aa loco Mr. W. Dom, advocaat, kan-toorhoudende te 2580 Putte, Waversesteenweg 81

Naar deze Rechtbank verwezen door bevel van de Raadkamer.

VERDACHT VAN:

Te B., tussen 1 januari 2010 en 15 juni 2011,

A. Opzettelijk, in strijd met de wettelijke voorschriften of in strijd met een vergunning afvalstoffen, zijnde elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen, te hebben achtergelaten, beheerd of overgebracht, meer bepaald in strijd met artikel 12 van het Decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, thans inbreuk uitmakende op artikel 12 § 1 van het Decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen, namelijk allerlei afvalstoffen op te slaan zonder het nemen van de nodige veiligheidsmaatregelen en het verbranden van afvalstoffen zoals; plastic, papier en karton waarbij de rookgassen ongefilterd in de buitenlucht komen, deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.3§1 , eerste lid van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

B. Op het perceel aldaar gelegen te x, bij inbreuk op artikel 6.1.1.3° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, als eigenaar te hebben toegestaan of aanvaard dat hiernavermelde handelingen, zoals bepaald bij artikel 4.2.1 5°a (het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerhande mate-rialen, materieel of afval) hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, hetzij in strijd met de vergunning, hetzij na verval, vernietiging verstrijken van de termijn van de vergunning, hetzij in geval van schorsing van de vergunning, namelijk de opslag van allerlei afvalstoffen, ondermeer oude machines, afvaloliën, oude metalen, steen, hout, glas, steenpuin,... werd uitgevoerd.

C. Opzettelijk of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid een inbreuk te hebben gepleegd op artikel 4§1 van het Decreet van 28 juni 1985 betreffende milieuvergunning en op artikel 5 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) door zonder voorafgaande en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid een inrichting te hebben geëxploiteerd, meer bepaald

- rubriek 2.1.1 van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 1,

- rubriek 2.1.3 van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 2,

- rubriek 2.3.4.2,d van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 1,

- rubriek 2.3.4.2,e van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 1,

- rubriek 2.2.1,c van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 2,

- rubriek 2.2.1,d van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 1,

- rubriek 2.2.1,e van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 2,

- rubriek 2.2.2.3°.2, van bijlage 1 bij VLAREM I, Klasse 2,

deze feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.1.§1, lid 1 van het De-creet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

Tevens gedagvaard om, bij toepassing van artikel 16.6.4 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, zich te horen veroordelen tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen binnen een door de rechter vastgelegde termijn, onder verbeurte van een dwangsom van 1000 euro per dag bij niet naleving van deze veroordeling.

Tevens gedagvaard om, bij toepassing van artikel 16.6.5 van het Decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid door de rechter bij wijze van veiligheidsmaatregel, na de partijen te hebben ge-hoord, het verbod te horen uitspreken om de inrichtingen die aan de oor-sprong van het milieumisdrijf liggen, te exploiteren gedurende de termijnen door de rechter te bepalen onder verbeurte van een dwangsom van 1000 euro per dag bij overtreding van dit verbod.

De aandacht van de gerechtsdeurwaarder, met de betekening gelast, dient er op gevestigd te worden dat deze dagvaarding, overeenkomstig artikel 6.2.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening door zijn zorgen aan de hypotheekbewaarder van de ligging van het onroerend goed dient te wor-den aangeboden ter overschrijving.

Tevens wordt gewezen op artikel 6.2.2. van de Vlaamse Codex Ruimelijke Ordening, dat stelt dat de dagvaarding voor de correctionele rechtbank op grond van artikel 6.1.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening in het verenigingsregister van de gemeente waar het onroerend goed gelegen is wordt ingeschreven op verzoek van de deurwaarder die het exploot heeft opgemaakt.

Er wordt gevraagd dat de gerechtsdeurwaarder een kopie van voormeld verzoek aan de dagvaarding hecht.

Gelet op de processtukken.

Gelet op de beschikking van de raadkamer dd. 07 mei 2013 waarbij de be-klaagde naar deze rechtbank werd verzonden.

Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn vordering.

Gehoord de beklaagde in zijn middelen van verdediging.

BEOORDELING OP STRAFGEBIED

1. De opgeworpen verjaring

De heer V. werpt op dat de feiten weerhouden onder de tenlasteleggingen B verjaard zijn, en dat de feiten onder de tenlastelegging C, omwille van de beweerde samenhang met de feiten onder de tenlastelegging B, dan even-eens verjaard zijn.

De heer V. stelt, onder verwijzing naar artikel 6.1.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, dat de instandhouding van stedenbouwmisdrijven niet langer strafbaar is. Volgens hem is, bij gebreke aan bijzondere verjaringstermijnen, de termijn van artikel 2262 van het burgerlijk wetboek van toepassing. Bijgevolg verjaart volgens de heer V. een bouwmisdrijf indien het niet binnen de vijf jaar geverbaliseerd en vervolgd wordt nadat de overheid kennis heeft gekregen van de schade of de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.

De heer V. stelt verder dat de overheid reeds sinds 15.10.2001 kennis had van de schade en van zijn identiteit. De heer V. verwijst daarvoor naar een brief van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Land Ant-werpen, gericht aan het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente B. van 15.10.2001. In deze brief wordt gesteld dat de stallingen van het pluimveebedrijf van de heer V. grotendeels werden gebruikt als op-slagplaats van reeds gebruikte fabrieksmachines, zodat zijn aanvraag tot vernieuwing van de daken en de muren van de gebouwen niet in functie was van agrarische of para-agrarische activiteiten. Er werd gesteld dat er door de aanvrager een zonevreemde bestemmingwijziging werd doorge-voerd, en dat deze zaken eerst dienden te worden gesaneerd alvorens er sprake kon zijn van het vernieuwen van daken en muren die de irreguliere toestanden zouden bevestigen.

De heer V. stelt dat de overheid op 15.10.2001 weet had van de steden-bouwkundige overtreding, zodat het misdrijf verjaarde op 15.10.2006.

De rechtbank is van oordeel dat de redenering van de heer V. niet kan ge-volgd worden.

Allereerst dient te worden opgemerkt dat niet de verjaringstermijn van artikel 2262 van het burgerlijk wetboek van toepassing is op de voorliggende tenlasteleggingen, doch wel de verjaringstermijn van artikel 21, lid 1 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering.

De feiten weerhouden onder de tenlastelegging B zijn overeenkomstig arti-kel 6.1.1.3° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening strafbaar gesteld met correctionele straffen, met name een gevangenisstraf van acht dagen tot vijf jaar en/of een geldboete van 26 euro tot 400.000,00 euro. Overeen-komstig artikel 21, lid 1 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering is hierop een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing.

Verder dient te worden vastgesteld dat de heer V. niet wordt vervolgd we-gens het als eigenaar toestaan dat één van de onder artikel 6.1.1.1° en 6.1.1.2° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vermelde strafbare feiten werden "in stand gehouden", doch wel het als eigenaar toestaan dat dergelijke handelingen werden "uitgevoerd".

De verwijzing door de heer V. naar de onder artikel 6.1.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke ordening vermelde opheffing van de strafbaarstelling van instandhoudingsmisdrijven is dan ook niet ter zake dienend.

Of het al dan niet bewezen is dat de heer V. toeliet dat de geviseerde han-delingen op zijn terreinen werden uitgevoerd, en zulks meer bepaald in de periode tussen 01.01.2010 en 15.06.2011, wordt hierna, bij de behandeling ten gronde, onderzocht.

De tenlasteleggingen hebben allen betrekking op feiten die zouden plaats-gevonden hebben in de periode tussen 01.01.2010 en 15.06.2011, zodat de feiten onder de tenlastelegging B (ook op de feiten onder de tenlasteleggingen A en C is overigens een verjaringstermijn van vijf jaar van toepassing) geenszins verjaard zijn.

Tot slot en louter ten overvloede kan er nog op gewezen worden dat waar de door de heer V. aangehaald brief melding maakt van de opslag van "reeds gebruikte fabrieksmachines", de thans voorliggende feiten zich allesbehalve beperken tot oude machines, doch betrekking hebben op de opslag en verwerking van allerhande afvalmaterialen, zoals afvalolieën, oude metalen, steen, hout, glas, en dergelijke meer (waaromtrent, zoals hierna aangehaald, het strafdossier een uitvoerig fotodossier bevat), waarbij uit geen enkel element blijkt dat de overheid hiervan reeds op 25.10.2001, of zelf voor 01.01.2010, weet zou gehad hebben.

De feiten van de voorliggende tenlasteleggingen zijn dan ook geenszins verjaard.

2. De tenlasteleggingen

Bij de beoordeling van de tenlasteleggingen houdt de rechtbank rekening met de volgende relevante elementen van het strafdossier.

Op 05.11.2010 kreeg de politie melding van problemen op het adres te B., waar er geurhinder zou zijn ingevolge afvalverbranding, en waar er allerlei afvalstoffen zouden opgeslagen liggen. Er zou ook burenhinder zijn inge-volge het aan- en afrijden van vrachtwagens.

De politie begaf zich hierop ter plaatse, en stelde vast dat er achter en naast de woning allerlei loodsen stonden. De politie stelde vast dat er op het terrein allerlei oude machines, mogelijk asbest buizen en oude metalen opgeslagen lagen. Vanaf de openbare weg nam de politie ook een uitgesproken oliegeur waar. Er was een opslag van puinsteen en van niet gekende materialen in plastic gestapelde containers. Op het dak van de loods achter de woning stond een schoorsteen in inox, mogelijk dienend voor de afvoer van rookgassen gekoppeld aan een verbrandingsinstallatie. Achteraan het perceel was een omvangrijke hoeveelheid grond opgeslagen. De bewoner die op aanbellen van de politie de deur opende wenste zich niet te identificeren, en wenste ook geen toestemming te geven tot de uitvoering van een huiszoeking. De politie nam hierop foto's vanop de openbare weg.

Bij het verlaten van de plaats werd de politie aangesproken door de heer A. D. B., dewelke meldde dat hij klacht wenste neer te leggen tegen de heer V. voor allerlei milieumisdrijven.

De heer A. D. B. verklaarde dat zijn buurman, de heer J. V., het volgens hem niet zo nauw nam met de milieuwetgeving. Hij stelde te weten dat de heer V. in een loods in zijn tuin een grote verbrandingsoven had waarin deze regelmatig allerlei afval opstookte. Hij stelde te weten dat de heer V. samenwerkte met iemand die afbraakwerken uitvoerde, en dat diens afge-broken materialen, meestal 's nachts, in de verbrandingsoven van de heer V. werden opgestookt, met ernstige rook- en geurhinder tot gevolg. De heer V. zette ook nooit huisvuil op straat. Volgens hem stookte de heer V. al zijn huisvuil, inclusief plastic en dergelijke, op in de verbrandingsoven. Ook de afvalolie afkomstig van zijn tractoren en andere bedrijfsmaterialen, stookte deze op in zijn verbrandingsoven. Bovendien had de heer V. een omvangrijke grondopslag achter zijn perceel, mogelijk bevuild. Ook 's nachts was er vaak activiteit op de percelen van de heer V., met name transporten van allerlei materialen. Hij stelde de heer V. reeds in het verleden te hebben aangesproken met de vraag om rekening te houden met de buurt, doch zonder resultaat. In het voorjaar van 2010 bemerkte hij op een bepaald moment een ernstige rookvorming afkomstig uit de loods van zijn buurman, en hij meende dat er brand was uitgebroken. Hij is dan in de loods gelopen om zijn buurman te helpen, doch de rook bleek afkomstig te zijn van het verbranden van afval in de oven. Hij heeft deze oven toen gezien, het betrof een afvaloven van ongeveer 2 m³. Op de eigendom van de heer V. stonden verschillende loodsen, met allerlei ijzermaterialen en oude toestellen.

De heer H. D. B., een andere buur, verklaarde regelmatig gehinderd te wor-den door het feit dat de heer V. allerlei zaken opstookte in een verbran-dingsoven in één van de loodsen achter zijn woning. Het was vooral 's nachts dat deze afval opstookte in de oven. Dit hinderde hen in die zin dat ze wakker werden van ernstige geur- en rookhinder, die bovendien prikke-lend, irriterend en sterk chemisch geurende rook betrof. Het leek hem dui-delijk dat de heer V. afvalstoffen in zijn oven opstookte, vermoedelijk plastic en vezelplaten. In de andere loodsen had de heer V. ook allerlei afvalstof-fen, zoals oude materialen en oude machines. Hij kon dit zien vanop zijn eigendom. Buiten de werkuren waren er ook allerlei activiteiten op het ter-rein, vooral het 's nachts aanrijden van vrachtwagens.

Op 04.03.2011 vaardigde de onderzoeksrechter een huiszoekingsbevel uit voor het pand en de aanhorigheden gelegen te B.

Bij de huiszoeking op 01.04.2011 werd vastgesteld dat er op het terrein en de loodsen en stallingen een bijzonder grote opslag van oude industriële machines was. Tussen de machines was er een grote en chaotische op-slag van allerhande afvalstoffen (een open vat met afgedraaide motorolie dat tijdens de huiszoeking door de heer V. werd afgedekt met een jas, ver-schillende recipiënten met kennelijk motorolie, gemengde afvalstoffen in open houders, afvaloliën in open houders, kartonafval, allerlei houders on-der druk, oude autobanden, kabels, gasflessen tussen brandbaar materiaal, een oude ijskast, een spoelbak met motoronderdelen met lekkage op de grond, een motorwrak, steenpuin gemengd met oude materialen, gebroken glas in een metalen vat, bedrading, industriële oude elektriciteitskasten, oude batterijen tussen andere afvalstoffen, oude metalen, een autowrak, gebroken gipskartonnen platen, buizen eterniet, kunststof platen, lege plastic houders, buislampen, verroeste metalen, allerhande werfmaterialen, onbekende producten, ...). Er was ook een verbrandingsoven aanwezig in een loods, met in deze oven plastic, papier en karton. Vanuit de verbrandingsoven vertrok een rookafvoerkanaal naar het plafond, waar de rookgassen via het dak ongefilterd in de buitenlucht konden komen. Er was geen enkele maatregel genomen om de buurt te beschermen tegen geur-, rook- en geluidhinder. Een aantal machines stonden kennelijk sedert geruime tijd ongebruikt opgeslagen. Aan de rand van het erf was er een aanzienlijke opslag van uitgegraven bodem. De loodsen, hangars en stallingen bevonden zich in slechte toestand, waarbij de onderzoekers twijfels hadden omtrent de stabiliteit van de vloeren en plafonds. De daken bleken ook te zijn opgetrokken in asbesthoudende dakplaten, waarvan sommige gebroken waren. Van dit alles werd een uitgebreid fotodossier aangelegd.

De milieudienst van de gemeente B. meldde dat er voor de exploitatie ter plaatse op 15.09.1977 een milieuvergunning klasse 2 werd afgeleverd voor de uitbating van een pluimveebedrijf van 19.000 stuks, 8 kleine zoogdieren, opslag van 170m³ drijfmest en 150m³ stalmest, houders voor 14.000 liter stookolie en 4.000 liter petroleum, opslag van 34 ton krachtvoer en toestellen met een gezamenlijk vermogen van 17,3 kw, gelegen in agrarisch gebied.

Op vraag van de onderzoeksrechter begaf de politie zich op 14.06.2011 op-nieuw ter plaatse om nazicht te doen van de situatie. De heer V. weigerde opnieuw om toestemming tot huiszoeking te geven. Vanaf de openbare weg kon de politie geen wijzigingen in de oorspronkelijke toestand vaststel-len, en er waren de politie ook geen gegevens bekend die wezen op enige afvoer vof verwerking van afvalstoffen.

Op 10.08.2011 werd door de stedenbouwkundig inspecteur van de Vlaamse Overheid, Agentschap Inspectie RWO, vastgesteld dat het terrein, dat betreden werd met een machtiging tot visitatie van de politierechter, bezaaid lag met materialen, werktuigen, afval, hopen aarde, schroot en paardenmest. Er stonden ook metaalbewerkingsmachines, werktuigen en een grote diversiteit aan materieel, alsook zowel machines in productie als ongebruikte en/of onbruikbare machines. Er werd die dag een stakingsbevel uitgevaardigd.

Op 21.11.2011 werd door de stedenbouwkundig inspecteur van de Vlaamse Overheid vanaf de openbare weg vastgesteld dat op het perceel nog steeds een opslag van materialen, afval en hopen grond lag.

2.1. Tenlastelegging A

Uit de hierboven aangehaalde elementen van het strafdossier, en dan voornamelijk de vaststellingen tijdens de huiszoeking van 01.04.2011 en het op dat moment aangelegde uitgebreide fotodossier, die ook bevestiging vinden in de eerdere en latere vaststellingen door de politie en de verklaringen van buurtbewoners, blijkt overduidelijk dat de heer V. op het terrein te B., een bijzonder grote hoeveelheid afval, van verschillende materialen, opsloeg, en dit ook op een chaotische manier.

De heer V. werpt op dat er geen sprake is van "afval" in de zin van het de-creet van 02.07.1981, thans het decreet van 23.12.2011. Meer concreet stelt hij dat de aangetroffen goederen en materialen eigenlijk machines of onderdelen van machines betreffen, die bedoeld zijn om nieuwe ma-terialen te vervaardigen of te herstellen.

Zowel in artikel 2, 1° van het decreet van 02.07.1981 betreffende de voor-koming en het beheer van afvalstoffen als in het thans geldende artikel 3, 1° van het decreet van 23.12.2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen wordt het begrip "afvalstof" omschreven als "elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zicht te ontdoen of zich moet ontdoen".

In tegenstelling tot hetgeen de heer V. lijkt voor te houden werden er niet enkel machines en onderdelen van machines aangetroffen. Bovendien kan, voortgaande op de vaststellingen van de politie en het aangelegde uitgebreide fotodossier, bezwaarlijk ernstig voorgehouden worden dat tal van de bij de heer V. aangetroffen goederen geen afvalstoffen zouden zijn. Daarbij kan dan onder meer verwezen worden naar aangetroffen goederen zoals reeds gebruikte motorolie en andere gebruikte oliën, steenpuin, gebroken glas, gebroken gipskartonnen platen, verroeste materialen, en dergelijke meer.

Uit de hierboven aangehaalde elementen blijkt tevens dat er door de heer V. verschillende stoffen werden verbrand, waaronder papier, karton en plastic (zonder dat de nodige veiligheidsmaatregelen werden genomen).

Op die manier heeft de heer V. (minstens) in de periode van de tenlasteleg-ging (de feiten duurden kennelijk ook nog voort na 15.06.2011) een inbreuk gepleegd op artikel 12 van het decreet van 02.07.1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen. Onder de thans geldende wetgeving maken deze feiten een inbreuk uit op artikel 12 §1 van het decreet van 23.12.2011 betreffende het duurzaam beheer van materialen-kringlopen en afvalstoffen.

De feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 16.6.3. § 1, lid 1 van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

De tenlastelegging A is afdoende bewezen in hoofde van de heer V..

2.2. Tenlastelegging B

Uit de aangehaalde elementen van het strafdossier blijkt tevens dat de heer V. het terrein in kwestie ook gebruikt heeft of minstens heeft laten gebruiken voor de opslag van gebruikte of afgedankte voertuigen, van allerlei materialen, materieel en afval, en zulks zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, in strijd met artikel 4.2.1.5° a) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Onder verwijzing naar de door de heer V. in verband met de verjaring uit-eengezette argumentatie kan er nog op gewezen worden dat er niet louter sprake is van een "in stand houden" doch wel degelijk van het (laten) "uit-voeren" van de geviseerde handelingen.

Daarbij kan onder meer verwezen worden naar de verklaringen van de bu-ren, met name de heren D. B. en D. B., die beiden stelden dat er 's nachts vaak activiteiten waren op de terreinen van de heer V., meer bepaald de aanvoer door vrachtwagens van allerlei materialen.

De feiten zijn strafbaar gesteld door artikel 6.1.1.3° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

De tenlastelegging B is eveneens afdoende bewezen in hoofde van de heer V..

2.3. Tenlastelegging C

Uit de hierboven aangehaalde elementen van het strafdossier blijkt ook duidelijk dat de heer V. (minstens) in de periode tussen 01.01.2010 en 15.06.2011 op het terrein in kwestie aan een inrichting van klasse 1 en van klasse 2 heeft geëxploiteerd, voor de opslag en sortering van afvalstoffen zoals voorzien in de rubrieken 2.1.1., 2.1.3., 2.3.4.2.d), 2.3.4.2.e), 2.2.1.c), 2.2.1.d)., 2.2.1.e) en 2.2.2.3°.2. van bijlage 1 bij Vlarem I.

De exploitatie ervan gebeurde, in strijd met artikel 4 §1 van het decreet van 28.06.1985 betreffende de milieuvergunning en artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 06.02.1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), zonder voorafgaandelijke en schriftelijke vergunning van de bevoegde overheid.

Het feit dat de heer V. hiervoor geverbaliseerd werd en ook verhoord werd door de politie, kon hem er kennelijk niet toe aanzetten om aan de situatie te verhelpen, zoals gebleken is uit de navolgende controle door de politie op 14.06.2011, alsook de latere vaststellingen door de stedenbouwkundig inspecteur van de Vlaamse Overheid op 10.08.2011 en op 21.11.2011. Bij-gevolg mag besloten worden dat de heer V. wel degelijk opzettelijk handel-de.

Voormelde inbreuk is strafbaar gesteld door artikel 16.6.1. § 1, lid 1 van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieube-leid.

De tenlastelegging C is eveneens afdoende bewezen in hoofde van de heer V..

3. De straftoemeting

3.1.

Bij de straftoemeting dient enerzijds rekening te worden gehouden met de persoonlijkheid van de beklaagde, en anderzijds met de ernst en het laak-baar karakter van de ten laste gelegde feiten.

De feiten zijn ernstig en getuigen in hoofde van beklaagde van een gebrek aan normbesef en een absoluut gebrek aan respect voor het milieu.

Alle bewezen verklaarde feiten zijn bovendien de uitvoering van eenzelfde misdadig opzet, zodat bij toepassing van artikel 65 van het strafwetboek maar één straf dient te worden uitgesproken, met name de zwaarste.

Gelet op de aard en de zwaarwichtigheid van de feiten, komt de hierna be-paalde straftoemeting verantwoord voor.

Er wordt ook rekening gehouden met het strafrechtelijk verleden van be-klaagde. Beklaagde beschikt niet meer over een blanco strafregister, doch heeft geen in kracht van gewijsde getreden correctionele veroordelingen opgelopen. Hij liep in het verleden één veroordeling door de politierecht-bank op.

Op het verzoek van beklaagde ter zitting van 20.12.2013 om hem de gunst van de opschorting toe te staan kan niet worden ingegaan, nu de rechtbank zulks, gelet op de ernst en de aard van de feiten, niet passend acht, en de rechtbank ook van oordeel is dat zulks voor beklaagde een onvoldoende stimulans zou inhouden om zich voortaan van het plegen van dergelijke feiten te onthouden.

Beklaagde verkeert nog wel in de voorwaarden vermeld in artikel 8, § 1 van de wet van 29 juni 1964. De rechtbank is van oordeel dat de hierna be-paalde gevangenisstraf met volledig uitstel en de hierna bepaalde geldboete waarvan de helft met uitstel, gepast voorkomen ter bestraffing van de voorliggende feiten en als stimulans voor beklaagde om zich in de toekomst van dergelijke feiten te onthouden.

Beklaagde dient daarbij te weten dat bij een veroordeling naar aanleiding van een nieuw feit in de proeftijd het thans verleende uitstel kan worden herroepen.

3.2.

Het Openbaar Ministerie vorderde tevens om de heer V. te veroordelen tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, en zulks onder verbeurte van een dwangsom van euro 1.000,00 per dag bij niet naleving van deze ver-oordeling.

Nu uit het voorliggende strafdossier duidelijk blijkt dat de heer V. kennelijk niet bereid is om de afvalstoffen in kwestie vrijwillig te verwijderen, komt het gepast voor om, in toepassing van artikel 16.6.4. van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de heer V. te veroordelen tot het inzamelen, vervoeren en verwerken van de achtergelaten afvalstoffen binnen de hierna bepaalde termijn. Teneinde de naleving van dit verbod te garanderen komt het tevens gepast voor om een dwangsom op te leggen, zoals hierna bepaald.

3.3.

Het Openbaar Ministerie vordert tevens om bij wijze van veiligheidsmaatre-gel het verbod te horen uitspreken om de inrichting die aan de oorsprong van het milieumisdrijf ligt te exploiteren gedurende een door de rechtbank te bepalen termijn, en zulks onder verbeurte van een dwangsom van euro 1.000,00 per dag bij overtreding van dit verbod.

Rekening houdend met de ernst en de aard van de vastgestelde inbreuken, en het gegeven dat de heer V. bij latere (her)controles weinig of niets aan de toestand verholpen had, is de rechtbank van oordeel dat het gepast voorkomt om, in toepassing van artikel 16.6.5. van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, als veiligheidsmaatregel dergelijk verbod op te leggen, zoals hierna bepaald, gedurende een termijn van vijf jaar. Teneinde de naleving van dit verbod te garanderen komt het tevens gepast voor om een dwangsom op te leggen, zoals hierna bepaald.

OM DEZE REDENEN :

DE RECHTBANK :

Gelet op de artikelen :

• 11, 12, 14, 31, 32, 34, 35, 36, 40, 41 van de wet van 15 juni 1935;

• 1, 1bis en 3 van de wet van 5 maart 1952 betreffende de opdecimes op de strafrechtelijke geldboeten, gewijzigd door de wet van 24 december 1993 en de wet van 28 december 2011;

• EU-verordening nr. 1103/97 van de Raad van 17 juni 1997 over de in-voering van de euro;

• EU-verordening nr. 974/98 van de Raad van 3 mei 1998 over de invoe-ring van de euro;

• 161, 162, 163, 179, 190, 193bis, 194, 195 en van het wetboek van straf-vordering;

• 2, 3, 25, 38, 40, 41, 65 en 100 van het strafwetboek;

• 8 van de Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie;

• 12 van het decreet van 02.07.1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen;

• 4 van het decreet van 28.06.1985 betreffende de milieuvergunning;

• 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 06.02.1991 houdende vaststelling van het Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning;

• 16.6.1. § 1, lid 1, 16.6.3. § 1, lid 1, 16.6.4. en 16.6.5. van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;

• 12 §1 van het decreet van 23.12.2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen;

• 4.2.1.5° en 6.1.1.3° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;

door de voorzitter ter terechtzitting aangewezen.

Rechtsprekend op tegenspraak:

Veroordeelt de beklaagde (J. V.) voor de vermengde en bewezen verklaar-de tenlasteleggingen A, B en C tot een gevangenisstraf van zes (6) maan-den en een geldboete van 5.000,00 euro verhoogd met 45 opdeciemen en aldus gebracht op 27.500,00 euro of een vervangende gevangenisstraf van 90 dagen ingevolge art. 40 Sw.

Beveelt dat de tenuitvoerlegging van dit vonnis gedurende drie jaar zal worden uitgesteld wat betreft de volledige gevangenisstraf en de helft van de geldboete (hetzij 2.500,00 euro verhoogd met opdeciemen gebracht op 13.750,00 euro) uitgesproken lastens beklaagde.

Bepaalt de vervangende gevangenisstraf voor het met uitstel uitgesproken gedeelte van de geldboete op 45 dagen.

Veroordeelt beklaagde, bij toepassing van artikel 16.6.4. van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, om de te B. achtergelaten afvalstoffen in te zamelen, te vervoeren en te verwerken, binnen de termijn van zes (6) maanden na de betekening van dit vonnis, en zulks onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag vertraging met een maximum van 250.000,00 euro.

Legt aan beklaagde, bij toepassing van artikel 16.6.5 van het decreet van 05.04.1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, verbod op om de inrichting te B, te exploiteren gedurende een termijn van vijf (5) jaar, en zulks onder verbeurte van een dwangsom van 1.000,00 euro per dag bij overtreding van dit verbod met een maximum van 250.000,00 euro.

Veroordeelt de beklaagde tot de kosten van de strafvordering, belopend tot heden: 57,07 euro.

Krachtens artikel 91, tweede lid van het K.B. van 28.12.1950 houdende het alge¬meen regle¬ment op de gerechtskosten in strafza¬ken, zoals gewijzigd door het K.B. van 13 november 2012 wordt beklaagde veroordeeld tot beta-ling van de vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken van 51,20 euro.

Verplicht beklaagde bovendien tot betaling van een bijdrage van 25,00 euro bij wijze van financiering van het bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders. Zegt dat dit bedrag vermeerderd wordt met 50 deciemen en aldus 150,00 euro bedraagt.

Houdt de burgerlijke belangen ambtshalve aan.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting op 17 januari 2014

Aanwezig :

- Y. Hendrickx, alleenzetelend rechter;

- het lid van het Openbaar Ministerie vermeld in het P.V. van de terecht-

zitting ;

- V. Stuyck, griffier.

V. Stuyck Y. Hendrickx.

Free keywords

  • Verjaring

  • instandhouding of uitvoering van stedenbouwmisdrijf.