- Jugement of March 9, 2012

09/03/2012 - 12/2984/A +12/2985/A

Case law

Summary

Samenvatting 1

Jugement - Integral text

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

33ste kamer - openbare zitting van 9 maart 2012

VONNIS

A.R. nr 12/2984/A + 12/2985/A

Sociale verkiezingen Aud. nr

Rép. nr 12/

IN ZAKE :

HET ALGEMEEN CHRISTELIJK VAKVERBOND (A.C.V.), representatieve werknemersorganisatie, met zetel gevestigd te 1031 BRUSSEL, Haachtsesteenweg, 579,

eisende partij, vertegenwoordigd door Mr. Veerle STROOBANTS loco Mr Veerle SIMEONS, advocaat te 1080 BRUSSEL, Schoonslaapsterstraat, 29 bus 1 ;

TEGEN

1) DE NV BELGISCHE DISTRIBUTIEDIENST, met maatschappelijke zetel te 1930 ZAVENTEM, Mechelsesteenweg, 414, met ondernemingsnummers 0403.552.770,

2) DE NV NATIONALE TRANSPORTMAATSCHAPPIJ, met maatschappelijke zetel te 1083 GANSHOREN, Rusatiralaan, 3, met ondernemingsnummers 0451.602.405,

verwerende partijen, vertegenwoordigd door Mr An DREESEN, advocaat te 1000 BRUSSEL, Havenlaan, 86c, b113 ;

IN AANWEZIGHEID VAN :

1) Het ALGEMEEN BELGISCH VAKVERBOND (A.B.V.V.), representatieve werknemersorganisatie, met zetel te 1.000 Brussel, Hoogstraat 42,

2) DE ALGEMENE CENTRALE DER LIBERALE VAKBONDEN VAN BELGIE (A.C.L.V.B.), representatieve werknemersorganisatie met sociale zetel gevestigd te 1070 BRUSSEL, Poincarélaan, 72-74 en met administratieve zetel gevestigd te 9000 GENT, Koning Albertlaan, 95,

3) DE NATIONALE CONFEDERATIE VOOR KADERPERSONEEL (N.C.K.), representatieve organisatie van kaderleden, met zetel gevestigd te 1030 BRUSSEL, Lambermontlaan, 171, bus 4,

in het geding betrokken partijen, die niet verschijnen ;

* * *

Gelet op de wet van 15 juni 1935 houdende het gebruik der talen in gerechtszaken ;

Gelet op de wet van 10 oktober 1967 houdende het Gerechtelijk Wetboek ;

I. PROCEDURE.

De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken:

- de verzoekschriften, neergelegd ter griffie op 2 maart 2012

- de besluiten van verweerster van 7 maart 2012

- de besluiten van eiser van 7 maart 2012

- de dossiers van partijen

De partijen werden per aangetekend schrijven van 5 maart 2012 opgeroepen voor de zitting van 7 maart 2012, waarop eisende partij en verwerende partijen verschenen zijn, terwijl de betrokken partijen, het ABVV, het ACLVB en de NCK niet verschenen zijn.

De partijen werden gehoord op de zitting van 7 maart 2012. Het openbaar ministerie werd gehoord in zijn advies, waarop eisende partij gerepliceerd heeft.

De debatten werden gesloten en de zaken werden in beraad genomen.

Gelet op de uiterst korte termijn van 7 dagen, voorzien in artikel 4 van de wet van 7 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen oordeelt deze rechtbank dat op de mondelinge vraag van verwerende partij om de conclusies van het ACV en het laatste stuk nr. 9 van eisende partij uit de debatten te weren, niet kan worden ingegaan ;

II. VOORWERP VAN DE VORDERINGEN

Zaak 12/2984/A

Bij verzoekschrift van 2 maart 2012 vordert het ACV :

- te zeggen voor recht dat het aantal effectieve mandaten voor de ondernemingsraad moet bepaald worden op 9 mandaten in totaal en als volgt moet worden verdeeld over de diverse categorieën : 4 mandaten voor de arbeiders, 4 mandaten voor de bedienden en 1 mandaat voor de kaderleden ;

- te zeggen voor recht dat de sociale verkiezingen van 7 tot 20 mei 2012 in de technische bedrijfséénheid (TBE) Belgische Distributiedienst (BD) moet worden georganiseerd en verder voorbereid op basis van deze beslissing;

- verweersters te veroordelen tot de kosten van het geding.

Verweersters besluiten tot het volgende :

In hoofdorde, de door het ACV ingestelde vorderingen onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren.

Voor recht te zeggen dat het aantal werknemers binnen de TBE BD terecht werd vastgesteld op 496, of in elk geval niet de grens van 501 werknemers overschrijdt, zodat het aantal mandaten voor de ondernemingsraad (OR) terecht werd vastgesteld op 7, en voor het comité voor preventie en bescherming op het werk (CPBW ) terecht werd vastgesteld op 6.

Het ACV te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

In ondergeschikte orde, in de mate het aantal werknemers toch zou worden vastgesteld op 501, in elk geval voor recht te zeggen dat het aantal mandaten voor het CPBW 8 bedraagt en dus niet 9, aangezien er binnen het CPBW vooralsnog geen aparte kaderledenvertegenwoordiging wettelijk mogelijk is, minstens binnen TBE BD niet werd voorzien.

Beide partijen te veroordelen tot hun eigen kosten, gezien zij in dat geval beiden voor een bepaald gedeelte in het ongelijk zijn gesteld .

Zaak 12/2985/A

Bij verzoekschrift van 2 maart 2012 vordert het ACV :

- te zeggen voor recht dat het aantal effectieve mandaten voor de comité voor preventie en bescherming op het werk moet bepaald worden op 8 mandaten in totaal en als volgt moet worden verdeeld over de diverse categorieën: 4 mandaten voor de arbeiders, 4 mandaten voor de bedienden;

- te zeggen voor recht dat de sociale verkiezingen van 7 tot 20 mei 2012 in de TBE Belgische Distributiedienst moet worden georganiseerd en verder voorbereid op basis van deze beslissing;

- verweersters te veroordelen tot de kosten van het geding.

Verweersters besluiten tot het volgende :

In hoofdorde, de door het ACV ingestelde vorderingen onontvankelijk minstens ongegrond te verklaren;

Voor recht te zeggen dat het aantal werknemers binnen TBE BD terecht werd vastgesteld op 496, of in elk geval niet de grens van 501 werknemers overschrijdt, zodat het aantal mandaten voor de OR terecht werd vastgesteld op 7, en voor het CPBW terecht werd vastgesteld op 6;

Het ACV te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

In ondergeschikte orde, in de mate het aantal werknemers toch zou worden vastgesteld op 501, in elk geval voor recht te zeggen dat het aantal mandaten voor het CPBW 8 bedraagt en dus niet 9, aangezien er binnen het CPBW vooralsnog geen aparte kaderledenvertegenwoordiging wettelijk mogelijk is, minstens binnen TBE BD niet werd voorzien;

Beide partijen te veroordelen tot hun eigen kosten, gezien zij in dat geval beiden voor

een bepaald gedeelte in het ongelijk zijn gesteld .

III. DE ONTVANKELIJKHEID.

Beroepstermijn

Dag X situeert zich bij deze werkgever op 10 februari 2012.

Tegen deze beslissing werd op 2 maart 2012 een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel, dit overeenkomstig en binnen de termijn voorzien door artikel 4 van de Wet van 4 december 2007 tot regeling van de gerechtelijke beroepen ingesteld in het kader van de procedure aangaande de sociale verkiezingen.

Het beroep van het ACV is ontvankelijk.

IV. DE FEITEN.

BD legt zich toe op de huis-aan-huis verdeling van reclamefolders in België.

Teneinde haar distributiewerkzaamheden te organiseren, beschikt BD over diverse depots verspreid over het Belgische grondgebied (exploitatiezetels): in de regio Antwerpen, Limburg, Vlaams Brabant, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen, Waals-Brabant, Brussel, Henegouwen,Luik, Namen en Luxemburg.

De juridische entiteit BD, met inbegrip van al haar exploitatiezetels in België, vormt samen met de aan haar geallieerde vennootschappen Nationale Transportmaatschappij NV (hierna "NTM"), Distribution d'Imprimes Publicitaires Sans Adresse NV (hierna "DIPSA"), Maatschappij voor distributie Periodieken Pers Publiciteit BVBA (hierna "PPP") en Gestion Financière Informatisée NV (hierna "GFI"), één enkele technische bedrijfseenheid (hierna "TBE BD").

Op 10 februari 2012 (dag X) heeft TBE BD de verkiezingsdatum van 10 mei 2012 aangeplakt, alsook de uurregeling van de verkiezingen, evenals het aantal werknemers en het aantal mandaten.

Met name werd rekening gehouden met:

- Voor de OR: 250 arbeiders, 223 bedienden, 19 kaderleden en 4 leidinggevenden, hetzij in totaal 496 werknemers.

- Voor het CPBW: 250 arbeiders en 242 bedienden en 4 leidinggevenden, hetzij in totaal eveneens 496 werknemers, waarbij de kaderleden niet apart werden vermeld maar werden ondergebracht in de algemene bediendecategorie.

Gezien het aantal werknemers zich situeerde tussen 101 en 500 werknemers, werd het aantal leden van de personeelsafvaardiging in de OR en het CPBW vastgesteld op 6 gewone leden, op basis van artikel 23, 1e lid van de Wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen.

Vermits er in de OR daarenboven nog een aparte vertegenwoordiging van kaderleden verkozen zou worden, werd dit aantal van 6 voor de OR met één eenheid verhoogd conform artikel 23, 4e lid van de Wet Sociale Verkiezingen, en bedroeg dit voor de OR 7.

Bij aangetekend schrijven van 14 februari 2012 aan de BD heeft het ACV het aantal werknemers op basis waarvan het aantal mandaten werd berekend om diverse redenen betwist. Bij e-mail van 15 februari 2012 heeft ook de syndicale delegatie van het ACV aan de BD dezelfde bezwaren kenbaar gemaakt.

Tegen deze beslissing op dag X werd op 2 maart 2012 een verzoekschrift neergelegd ter griffie van de arbeidsrechtbank te Brussel.

V. TEN GRONDE.

A. Samenvoeging.

De zaken gekend onder AR nr 12/2984/A en AR nr 12/2985/A zijn onderling nauw verbonden en het is wenselijk ze samen te behandelen. Beide zaken worden bijgevolg overeenkomstig artikel 30 van het Gerechtelijk Wetboek samengevoegd.

B. Probleemstelling.

Overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen wordt het aantal mandaten bepaald volgens het aantal werknemers die in de onderneming tewerkgesteld worden op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de verkiezingen worden aangekondigd.

Deze "dag X" situeert zich in casu op 10 februari 2012.

Eisende partij is van oordeel dat er minstens 501 werknemers tewerkgesteld zijn in de TBE BD op 10 februari 2012, zodat het aantal mandaten 9 en niet 7 moet zijn voor de OR en 8 en niet 6 voor het CPBW.

Eisende partij stelt dat 4 uitzendkrachten meegeteld moeten worden bij de berekening van de mandaten omdat hun tewerkstelling niet gebeurde conform de wettelijke bepalingen inzake uitzendarbeid van de CAO nr. 58 van 07/07/94 tot vervanging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 47 van 18/12/90 betreffende de na te leven procedure en de duur van de tijdelijke arbeid (B.S., 18/10/94).

Het gaat om volgende personen : de heer A, de heer B, de heer C en mevrouw D.

Verder stelt eisende partij dat 1 andere uitzendkracht, m.n. De heer E als uitzendkracht bij verwerende partijen in de periode voor en de periode na dag X werkte, maar niet op dag X zelf. Dit gebeurde met voorbedachten rade van de werkgever, zodat deze uitzendkracht toch moet worden meegerekend bij het personeelsbestand.

Eisende partij steunt zich op het Cassatiearrest van 30 maart 2009, waaruit blijkt dat de uitzendkrachten dienen meegerekend te worden voor de vaststelling van het aantal mandaten.

Verweersters betwisten dat de 4 bovenvermelde uitzendkrachten niet in overeenstemming met de ter zake geldende bepalingen ter beschikking gesteld zouden zijn.

Verder betwisten verweersters dat de heer E als uitzendkracht tewerkgesteld was bij verwerende partijen op dag X, zodat hij niet meegerekend dient te worden bij de personeelssterkte op dag X.

Verweersters besluiten derhalve dat het aantal werknemers binnen TBE BD terecht werd vastgesteld op 496 en de grens van 501 werknemers niet overschrijdt, zodat het aantal mandaten voor de OR terecht werd vastgesteld op 7, en voor het CPBW terecht werd vastgesteld op 6.

C. Herkwalificatie van uitzendkracht naar werknemer.

Conform artikel 8 van de algemeen verbindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomst nr. 58 d.d. 7 juli 1994 mogen uitzendkrachten niet tewerkgesteld worden of aan het werk gehouden worden in geval van staking of lock-out bij een gebruiker :

" Een uitzendbureau mag geen uitzendkrachten bij een gebruiker tewerkstellen of aan het werk houden in geval van staking of van lock-out.

Evenmin mogen uitzendkrachten worden tewerkgesteld of aan het werk gehouden bij weigering of bij gebrek aan een akkoord, zoals bedoeld bij de artikelen 3, 4, 6, § 2 en 7, § 1 van deze overeenkomst of bij niet-naleving van de procedures, bedoeld bij artikel 6, §§ 3 en 4 en artikel 7, §§ 2 en 3 van onderhavige overeenkomst."

Het is juist dat bij toepassing van artikel 9 van de C.A.O. nr. 58 betreffende de na te leven procedure en de duur van tijdelijke arbeid, algemeen verbindend verklaard bij K.B. van 4 februari 2002 (B.S. 12 maart 2002) , de arbeidsovereenkomst tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht is beëindigd en deze laatste en de gebruiker zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, indien aan de voorwaarden van de COA niet is voldaan:

"De arbeidsovereenkomst tussen het uitzendbureau en de uitzendkracht is beëindigd en deze laatste en de gebruiker zijn verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd in navolgende gevallen :

...

indien de gebruiker doorgaat met de tewerkstelling van een uitzendkracht, nadat het

uitzendbureau kennis heeft gegeven van zijn beslissing die werknemer, bij toepassing van

artikel 8, terug te trekken bij staking of lockout ;"

De vraagt rijst echter of deze rechtbank in casu kan onderzoeken en beslissen of de overeenkomsten van uitzendkrachten van de heer A, de heer B, de heer C en mevrouw D dienen te worden geherkwalificeerd in arbeidsovereenkomsten van onbepaalde duur.

In een vonnis van de Arbeidsrechtbank te Turnhout van 15 maart 2004 ( AR 26.813 ) werd geoordeeld : "Zulkdanig geschil is niet het voorwerp van deze procedure, zodat enkel rekening kan gehouden worden met de juridische situatie zoals ze zich thans voordoet. Waar niet aangetoond is dat de vijf kwestieuze werknemers door een arbeidsovereenkomst verbonden zijn met verweerster, kan met deze personen ook geen rekening gehouden worden voor de berekening van het aantal mandaten per categorie voor de verkiezing van het comité"

Dit werd eveneens bevestigd in een vonnis van de arbeidsrechtbank te Brussel dd 7 maart 2008.

Ook deze rechtbank is van oordeel dat zij in het kader van deze procedure niet tot herkwalificatie kan overgaan om de hieronder uiteengezette redenen.

1. Een herkwalificatie die in het kader van deze procedure zou worden doorgevoerd, heeft verregaande gevolgen, die het kader van de sociale verkiezingen ruimschoots overschrijden, aangezien de gebruiker en de uitzendkracht ( die niet in deze procedure is betrokken en haar standpunt niet heeft kunnen weergeven ) beschouwd worden als verbonden door een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd vanaf het begin der uitvoering van de arbeid.

De rechtbank moet dan ook de mogelijkheid hebben om daaromtrent een grondig onderzoek door te voeren.

Zij moet over al de nodige stukken kunnen beschikken om over dat geschil een uitspraak te kunnen doen en eventueel een heropening der debatten, instructiemaatregelen of een getuigenverhoor kunnen bevelen.

Het verkiezingsbesluit voorziet echter voor de meeste geschillen inzake sociale verkiezingen bijkomende procedureregels, die tot doel hebben het normaal verloop van de sociale verkiezingen te waarborgen.

Zo voorziet artikel 4 van de wet van 7 december 2007 dat arbeidsrechtbank waarbij het beroep is ingesteld, uitspraak doet binnen zeven dagen die volgen op de ontvangst van het beroep.

De arbeidsrechtbank kan praktisch gezien binnen deze termijn geen grondig onderzoek voeren naar de juiste kwalificatie van de verhouding tussen verweerster en de uitzendkrachten.

Zij kan immers binnen deze zeer korte termijn geen heropening der debatten, instructiemaatregelen of een getuigenverhoor bevelen.

De korte termijnen waarover de rechtbank inzake sociale verkiezingen beschikt belet in te gaan op het verzoek van een partij de debatten te heropenen ( Arbr. Brussel, 18 februari 1983, J.T.T. 1983, 201).

De ongeldigheid van de overeenkomsten inzake uitzendarbeid worden ten stelligste betwist door verweerster.

Verweerster stelt dat de 4 uitzendkrachten op 30 januari 2012 inderdaad hebben gewerkt, maar niet in strijd met het stakingsverbod omdat geen van beide toepassingsvoorwaarden van dat verbod, m.n. staking in hun vestiging/personeelscategorie en verdere tewerkstelling ondanks terugroeping door uitzendkantoor, vervuld waren.

De overeenkomsten van uitzendarbeid zelf, waarvan wordt gevraagd ze ongeldig te verklaren, liggen niet neer in de stukkenbundels. Ook is er geen enkel gegeven voorhanden m.b.t. de aard en de omvang van de staking in de diverse vestigingen, de diverse beroepscategorieën die hebben gestaakt, eventuele terugroeping dor het uitzendkantoor, enz...

De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze specifieke procedure, voorzien in artikel 4 van de wet van 7 december 2007, waarbij zij uitspraak moet doen binnen zeven dagen die volgen op de ontvangst van het beroep, haar niet toelaat een grondig onderzoek door te voeren naar de juiste kwalificatie van de juridisch band tussen de werkgever en de heer A, de heer B, de heer C en mevrouw D.

2. Het onderzoek naar de juiste kwalificatie van de juridisch band tussen de werkgever en deze 4 personen in een zeer verkorte procedure inzake de sociale verkiezingen, brengt daarenboven in hoofde van de werkgever een probleem met zich mee van schending van zijn rechten op verdediging.

Het verzoekschrift werd op de uiterste datum van 2 maart 2012 neergelegd.

Verweerster werd bij aangetekend schrijven, verstuurd op maandag 05.03.2008 en normaliter ontvangen op 06.03.2008 opgeroepen voor de zitting van 07.03.2008 om 09.30 uur. Verweerster beschikte over minder dan 24 uur om kennis te nemen van het verzoekschrift en de stukken van eisende partij en om daarover conclusies op te stellen.

Verweerster beschikte dus over een uiterst korte termijn om haar rechten te verdedigen m.b.t. de vraag naar de herkwalificatie van de verhouding die zij heeft met de 4 uitzendkrachten, hoewel deze kwalificatie voor haar ( en de uitzendkrachten ) verregaande gevolgen heeft .

De korte termijn van 7 dagen is enkel en alleen verantwoord met het oog op een normaal verloop van de sociale verkiezingen om te verhinderen dat de sociale verkiezingen niet op hun normale datum doorgang zouden kunnen vinden.

Deze uiterst korte termijn schendt echter de rechten van verdediging van verweerster indien wordt aangenomen dat in het kader van deze procedure ook uitspraak kan worden gedaan over de kwalificatie ten gronde van de verhouding tussen de werkgever en de uitzendkrachten.

3. Overeenkomstig artikel 18 van de wet van 4 december 2007 worden de kiezers op afzonderlijke lijsten ingeschreven naargelang zij in functie van de aangifte overgemaakt aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid als arbeider of als bediende moeten worden beschouwd.

Daaruit volgt dat betwistingen in sociale verkiezingen niet kunnen gebruikt worden om het statuut van een werknemer te wijzigen van arbeider naar bediende.

De ratio legis hiervan is om in het kader van een procedure sociale verkiezingen te vermijden dat betwistingen inzake het statuut, die een grondig onderzoek vergen en waarbij eventueel instructiemaatregelen moeten worden bevolen, de procedure inzake sociale verkiezingen zouden vertragen.

Ook artikel 18 voornoemd wijst erop dat deze rechtbank niet bevoegd is zich in de procedure sociale verkiezingen uit te spreken over enige herkwalificatie.

De rechtbank besluit bijgevolg dat de specifieke procedure, voorzien in artikel 4 van de wet van 7 december 2007, waarbij zij uitspraak moet doen binnen zeven dagen die volgen op de ontvangst van het beroep, haar niet toelaat een grondig onderzoek door te voeren naar de juiste kwalificatie van de juridisch band tussen de werkgever en de heer A, de heer B, de heer C en mevrouw D.

Deze rechtbank verklaart zich dan ook onbevoegd om over het onderdeel van de herkwalificatie in het kader van deze procedure uitspraak te doen.

D. Tewerkstelling van één uitzendkracht (E) op 10 februari 2012 (dag X).

Overeenkomstig artikel 23 van de wet van 4 december 2007 betreffende de sociale verkiezingen van het jaar 2008 wordt het aantal mandaten bepaald volgens het aantal werknemers die in de onderneming tewerkgesteld worden op de datum van aanplakking van het bericht waarbij de verkiezingen worden aangekondigd.

De leer van het cassatiearrest van 30 september 2009 is in casu niet aan de orde, aangezien de heer E niet heeft gewerkt voor verweersters op dag X, m.n. op 10 februari 2012.

Dit blijkt uit de overeenkomst voor het ter beschikking stellen van uitzendkrachten die tussen BD en uitzendkantoor Tempo Team werd ondertekend en die een duur vermeldt van 6 februari 2012 tot en met 9 februari 2012 en uit de factuur van Tempo Team m.b.t. week 6 van 2012.

Dat de heer E niet heeft gewerkt voor verweersters op dag X, m.n. op 10 februari 2012, wordt door eisende partij trouwens niet betwist.

Zelfs zo deze uitzendkracht meegeteld zou moeten worden voor de vaststelling van het aantal mandaten, quod non, dan nog stelt de rechtbank vast dat daardoor, gelet op wat hoger werd uiteengezet, de hogere drempel van 501 werknemers niet wordt bereikt.

De vordering van eisende partij is ongegrond.

Alle andere middelen zijn ter zake niet dienend.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Gehoord de heer Jan GEYSEN, substituut van de arbeidsauditeur in zijn gedeeltelijk éénsluidend mondeling advies ;

Voegt de zaken gekend onder AR nr 12/2984/A en AR nr 12/2985/A samen.

Verklaart zich onbevoegd om uitspraak te doen over de herkwalificatie van de tewerkstelling van de vier werknemers, m.n. de heer A, de heer B, de heer C en mevrouw D.

bij verweerster.

Verklaart de vordering van eisende partij voor het overige ongegrond.

Zegt voor recht dat de sociale verkiezingen op 10 mei 2012 in de technische bedrijfseenheid

de NV Belgische Distributiedienst moeten worden georganiseerd en verder voorbereid op

basis van deze beslissing.

Veroordeelt eisende partij tot de kosten van het geding begroot op 1320 euro zijnde de rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gevonnist door de 33ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel waar zitting hielden :

Mevrouw Alexandra SCHOENMAEKERS, rechter,

Mijnheer Willy HERREMANS, Rechter in sociale zaken, werkgever

Mijnheer Geert LEFERE, rechter in sociale zaken, bediende

En uitgesproken ter openbare zitting van 09 maart 2012 waar aanwezig waren :

Mevrouw Alexandra SCHOENMAEKERS, rechter

bijgestaan in de uitspraak door Mevrouw Sabine DE BRUYCKER, griffier - Hoofd van Dienst ;

De Griffier-Hoofd van Dienst, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter,

S. DE BRUYCKER G. LEFERE & W. HERREMANS A. SCHOENMAEKERS

Free keywords

  • SOCIALE VERKIEZINGEN

  • UITZENDKRACHTEN