- Jugement of April 17, 2012

17/04/2012 - 07/3233/A

Case law

Summary

Samenvatting 1

Jugement - Integral text

ARBEIDSRECHTBANK VAN BRUSSEL

25 ste kamer - openbare zitting van 17 april 2012

VONNIS

A.R.. nr 07/3233/A

Arbeidsovereenkomst arbeider Aud. nr

eindvonnis Rép. nr 012/

IN DE ZAAK :

De heer X

eisende partij, vertegenwoordigd door Y

TEGEN :

KINNARPS BELGIUM NV,

met maatschappelijke zetel gevestigd te 1780 Wemmel, Heide 15,

KBO nr. 0450.808.092,

verwerende partij, vertegenwoordigd door Z

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtzaken,

Gelet op de wet van 10 oktober 1967, houdend het Gerechtelijk Wetboek,

De procedure

De rechtbank nam kennis van volgende procedurestukken:

· de gedinginleidende dagvaarding betekend op 19 februari 2007;

· de conclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 29 januari 2008;

· de conclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 25 augustus 2011;

· de syntheseconclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 9 november 2011;

· de conclusies van eisende partij neergelegd ter griffie op 8 december 2011;

· de aanvullende syntheseconclusies van verwerende partij neergelegd ter griffie op 10 januari 2012;

· en de dossiers van partijen.

De verzoeningspoging ter zitting van 20 maart 2012 is mislukt.

De partijen hebben gepleit op voormelde zitting waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen.

De vordering

Eiser vordert een verbrekingsvergoeding ten belope van 28 kalenderdagen, hetzij:

(4 weken x 38,33u x 11,45 euro =) 1.757,04 euro bruto, te vermeerderen met de vergoedende, moratoire, wettelijke en de gerechtelijke intresten.

Eiser vordert tevens verweerster te veroordelen tot de kosten van het geding, dit alles mits het vonnis uitvoerbaar te verklaren bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borgtocht noch kantonnement.

De feiten

Eiser (...) was sinds 22 maart 2004 in dienst van verweerster als monteur-magazijnier op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Op 27 januari 2006 overhandigde verweerster aan eiser een brief waarin zij schreef dat zij een einde stelde aan de arbeidsovereenkomst met een opzeggingstermijn van 28 kalenderdagen die inging op 30 januari 2006 en eindigde op 26 februari 2006.

Eiser ondertekende de brief voor ontvangst. Op 24 februari 2006 gaf verweerster een C4-formulier aan eiser en verliet eiser de onderneming.

Met een brief van 6 maart 2006 schreef de vakorganisatie van eiser:

"De R.V.A. weigert de uitbetaling van de werkloosheidsvergoedingen aangezien de kennisgeving van de opzegging van hand tot hand gebeurde, wat niet wettelijk is

Inderdaad, indien de opzegging door de werkgever gegeven wordt, kan de kennisgeving op straffe van nietigheid slechts geschieden:

- bij aangetekende brief

- bij gerechtsdeurwaardersexploot.

Derhalve zien wij ons verplicht een opzeggingsvergoeding te eisen gelijk aan het loon van 20 gewerkte dagen."

Verweerster weigerde de betaling en stelde dat eiser verzaakt had aan de gevolgen van de nietige opzegging.

Bespreking

(1)

Artikel 37 §1 vierde lid van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten bepaalt :

"Indien de opzegging uitgaat van de werkgever, kan de kennisgeving van de opzegging, op straffe van nietigheid enkel geschieden hetzij bij een ter post aangetekende brief die uitwerking heeft de derde werkdag na de datum van verzending, hetzij bij gerechtsdeurwaardersexploot, met dien verstande dat de werknemer die nietigheid niet kan dekken en dat ze door de rechter van ambtswege wordt vastgesteld."

Deze bepaling werd ingevoegd bij wet van 7 november 1987 met de bedoeling de partijen te verhinderen gebruik te maken van een geantidateerde opzeggingsbrief waardoor de werknemer onmiddellijk na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst werkloosheidsvergoedingen kan genieten.

(2)

Verweerster heeft in strijd met voormelde wettelijke bepaling, de opzeggingsbrief gewoon overhandigd aan eiser. De opzegging was dus nietig en eiser kon deze nietigheid niet dekken.

Eiser en verweerster hebben de arbeidsovereenkomst verdergezet na de brief van 17 januari 2006 waarin de absoluut nietige opzegging werd gegeven.

(3)

Het Hof van Cassatie heeft meerdere arresten gewezen in zaken waar de partijen de arbeidsovereenkomst hadden verdergezet nadat de werkgever een nietige opzegging had gegeven.

Het Hof bevestigde in dat verband:

- De nietigheid van de opzegging tast evenwel de geldigheid van het ontslag niet aan.

Geen enkele wetsbepaling maakt de geldigheid van het ontslag afhankelijk van bepaalde vormen.

-Wanneer de opzegging nietig is, bevat het ontslag geen geldige tijdsbepaling, zodat de arbeidsovereenkomst in beginsel onmiddellijk is beëindigd, ook al vermeldt de ontslagbrief een latere datum.

In geval evenwel zowel de werkgever als de werknemer zich na de krachtens artikel 37, §1, vierde lid, van de Arbeidsovereenkomstenwet ongeldige kennisgeving van de daardoor nietig zijnde opzegging verder hebben gedragen alsof er geen onmiddellijk ontslag heeft plaatsgevonden, kunnen de partijen door de rechter na een redelijke termijn beschouwd worden als afstand te hebben gedaan van het recht het onmiddellijk ontslag in te roepen.

De arbeidsovereenkomst blijft dan voortduren totdat ze op een andere wijze wordt beëindigd.

Het staat de partij die door een dergelijke nietige opzegging onmiddellijk ontslag heeft gekregen, vrij zich al dan niet op de onmiddellijke beëindiging van de overeenkomst te beroepen.

Het afzien van het inroepen van het onmiddellijk ontslag houdt geen afstand in van de in voormeld artikel 37, §1, vierde lid, bepaalde absolute nietigheid van de opzegging of van het recht die in te roepen.( Cass. 28 januari 2008 , vgl. ook Cass. 14 december 1992en Cass. 11 april 2005, www.juridat.be)

(4)

Verweerster verwijst naar het arrest van het Hof van Cassatie van 16 mei 2011 waarin het Hof overwoog "Het openbare-orde-karakter van de wettelijke ontslagbescherming heeft niet tot gevolg dat alle uit die bescherming voortvloeiende rechten de openbare orde raken en niet vatbaar zijn voor afstand door de beschermde werknemer.

Van zodra de werkgever de ontslagprocedure niet heeft nageleefd en de tot de ontslagbescherming behorende mogelijke reïntegratie van de beschermde werknemer in de onderneming binnen de in de wet bepaalde termijnen niet meer kan worden gevraagd of niet is ingewilligd en derhalve de ontslagbescherming niet haar doel heeft bereikt, worden door de in de artikelen 16 en 17 Wet Ontslagregeling Personeelsafgevaardigden bepaalde ontslagvergoedingen nog slechts de particuliere belangen van de ontslagen werknemer beschermd.

Hieruit volgt dat de ontslagen beschermde werknemer vanaf dan zijn recht op de ontslagvergoeding definitief verworven heeft en ervan afstand kan doen."

Verweerster leidt uit dit arrest af dat de werknemer ook kan verzaken aan de absolute nietigheid van de opzegging overeenkomstig artikel 37§1, vierde lid van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.

Eiser kon als werknemer weliswaar verzaken aan het recht om zich te beroepen op het onmiddellijke ontslag dat het rechtstreekse gevolg was van de absoluut nietige opzegging in de brief van 17 januari 2006. Dit neemt niet weg dat er hoe dan ook geen geldige opzegging was en dat er dus gewoon geen opzeggingstermijn aan het lopen was. Het cassatiearrest van 16 mei 2011 is in dat verband niet relevant.

De arbeidsrelatie werd gewoon verdergezet.

Verweerster heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst op 24 februari 2006 met onmiddellijke ingang beëindigd. Zij heeft immers een C4-formulier afgeleverd waarin zij verklaarde dat de arbeidsovereenkomst op 24 februari 2006 was beëindigd wegens reorganisatie van de magazijnafdeling. Zij verwees daarbij naar de opzeggingstermijn vermeld in haar brief van 27 januari 2006 die eiser voor ontvangst had ondertekend, maar deze opzegging was nietig.

Nergens blijkt uit en verweerster beweert dit ook niet dat eiser de arbeidsovereenkomst zou hebben beëindigd. Deze zaak is daarom ook verschillend van de zaken die aanleiding gaven tot de rechtspraak die verweerster aanhaalt. In die zaken waar de partijen de arbeidsovereenkomst eveneens hadden verdergezet nadat de werkgever een nietige opzegging had gegeven, had de bodemrechter immers vastgesteld dat uiteindelijk de werknemer de arbeidsovereenkomst had beëindigd.

(5)

Eiser reageerde per brief van zijn vakorganisatie van 6 maart 2006, blijkbaar zodra hij vernam dat de RVA werkloosheidsvergoedingen weigerde omwille van de nietige opzeggingsbrief. Eiser was zich dus wellicht niet eerder bewust van de nietigheid.

Eiser kon op dat ogenblik nog steeds de absolute nietigheid van de opzegging en de totale afwezigheid van enige opzegging inroepen en kon een opzeggingsvergoeding vorderen omdat verweerster op 24 februari 2006 de arbeidsovereenkomst zonder opzegging had beëindigd.

Bijgevolg dient verweerster deze opzeggingsvergoeding te betalen, die eiser correct berekent: 4 weken x 38,33u x 11,45 euro = 1.757,04 euro bruto.

(6)

Artikel 10 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers bepaalt:

"Voor het loon is van rechtswege rente verschuldigd met ingang van het tijdstip waarop het eisbaar wordt.

Die rente wordt berekend op het loon, vooraleer de in artikel 23 bedoelde inhoudingen in mindering zijn gebracht."

Deze bepaling is eveneens van toepassing op de opzeggingsvergoeding (vgl . Cass. 1 april 1985, AC, 1984-85, 1047).

Het tweede lid van artikel 10 van de Loonbeschermingswet werd ingevoegd door het artikel 82 van de wet van 26 juni 2002 ("sluitingswet", B.S. 9 augustus 2002, err. B.S. 4 december 2002). Het KB van 3 juli 2005 (B.S. 12 juli 2005) bepaalde dat de nieuwe tekst op 1 juli 2005 in werking trad. Dit KB werd inmiddels, met terugwerkende kracht tot op de datum van inwerkingtreding van het besluit, bekrachtigd door artikel 69 van de wet van 8 juni 2008 ( B.S.16 juni 2008, err. B.S. 30 juli 2008).

Er is dus alleszins verholpen aan het bezwaar dat verweerster opwerpt in conclusies als zou het KB van 3 juli 2005 onwettig zijn omdat het ontwerp niet voor voorafgaand advies werd voorgelegd aan de afdeling wetgeving van de Raad van State, wat een substantiële vormvereiste uitmaakt, en er ook geen dringende noodzakelijkheid werd ingeroepen om het ontbreken van een adviesaanvraag te rechtvaardigen.

Gezien de opzeggingsvergoeding van eiser opeisbaar was na 1 juli 2005, zijn de wettelijke interest en de gerechtelijke interest verschuldigd op het brutobedrag.

OM DEZE REDENEN,

DE RECHTBANK,

Rechtsprekende op tegenspraak en in eerste aanleg,

Verklaart de vordering in de volgende mate gegrond;

Veroordeelt verweerster tot betaling aan eiser van:

- een opzeggingsvergoeding gelijk aan 1.757,04 euro bruto, onder aftrek van de wettelijke inhoudingen die aan de bevoegde instanties moeten gestort worden,

- de wettelijke intresten op het bruto bedrag vanaf 24 februari 2006 en de gerechtelijke intresten sedert de dagvaarding.

Veroordeelt verweerster tot de kosten van het geding, begroot in hoofde van eiser op 76,79 euro dagvaardingskosten.

Aldus gevonnist door de 25ste Kamer van de Arbeidsrechtbank van Brussel,

door :

Mevrouw C.: Rechter;

De Heer VL: Rechter sociale zaken - werkgever;

De Heer AB: Rechter sociale zaken - arbeider;

en uitgesproken op

door Mevrouw C., Rechter,

bijgestaan door L: Afgevaardigde griffier;

De afg. griffier, De Rechters in Sociale Zaken, De Rechter,

Free keywords

  • VERDERZETTEN ARBEIDSOVEREENKOMST NA ABSOLUUT NIETIGE OPZEGGING DOOR WERKGEVER

  • INTREST OP BRUTOLOON